Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting 2013Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel3Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft. Artikel4Maatstaf van de heffing De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen zoals dievoor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld. Indien geen heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de waardeberekend naar de waarde. De vaststelling van de waarde in het economische verkeer geschiedt overeenkomstig de regels voor de in de artikelen 220 tot en met 220 h van de Gemeentewet bedoelde belastingen. Artikel5Belastingtarief De belasting bedraagt bij een waarde van: minder dan € 30.000,--: € 338,05 € 30.000,-- doch minder dan € 50.000,--: € 640,85 € 50.000,-- doch minder dan € 75.000,--: € 723,60 € 75.000,-- doch minder dan € 100.000,--: € 757,55 € 100.000,-- doch minder dan € 125.000,--: € 795,15 € 125.000,-- doch minder dan € 160.000,--: € 834,45 € 160.000,-- en meer: € 866,10 Artikel6Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel8Termijnen van betaling De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dagvan de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 11.350,--en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.