Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013 /2Geconsolideerde tekst van de regeling De raad van de gemeente Tilburg: gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 108 en 147 van de Gemeentewet gelet op de artikelen 8 en 8a Wet werk en bijstand; gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelet op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 gelet op de beleidsaanbeveling subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekenden; gelet op de wet afschaffing huishoudinkomenstoets; gelet op de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Besluit vast te stellen: De Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013 /2 Paragraaf1.Algemene bepalingen Artikel1Definities 1.In deze verordening wordt verstaan onder: WWB: Wet werk en bijstand; Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; IOAW : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de WWB; Bijstandsnorm: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de WWB; Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de WWB; Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening in het kader van de wetten zoals bedoeld in de leden a t/m d van dit artikel; Uitkering: in de context van deze verordening wordt onder uitkering verstaan de bijstandsuitkering of de grondslag IOAW / IOAZ; Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van de afstand tot de arbeid waaronder begrepen begeleiding naar maatschappelijke participatie; het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de geschiktheid voor scholing/ opleiding ; Inlichtingenplicht: de verplichtingom op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand; Medewerkingsverplichting: de verplichting ommee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek als ook naar de voortgang van het re-integratietraject onderdeel van uit kunnen maken; Benadelingsbedrag: het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenplicht of vanwege ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid ten onrechte is of wordt verleend als uitkering; Recidive: de periode van verlaging van de bijstand of uitkering wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals die genoemd wordt in één zelfde artikel van deze verordening. Alleen bij de boete is de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar. Maatregel: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid van de WWB resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ; Zeer ernstig misdragen: het zich jegens het college, hun ambtenaren, medewerkers van het Werkplein of ingeschakeld re-integratie- of diagnosebedrijf verbaal of fysiek agressief gedragen, met betrekking tot het uitvoeren van de WWB of IOAW of een re-integratievoorziening; Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar wel wordt bevestigd dat er sprake is van het niet nakomen van verplichtingen; Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van loondispensatie; Doelgroep: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder a van de WWB of op grond van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de IOAZ door de gemeente ondersteuning kan worden geboden; Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door o.a. het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie; Loondispensatie: de toestemming die het college geeft aan een werkgever om een werknemer met een arbeidshandicap minder dan het wettelijk minimumloon te betalen. Naast het loon ontvangt de werknemer dan een aanvullende uitkering van de gemeente; Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer vanuit een uitkeringspositie al dan niet tijdelijk in dienst te nemen; Plan van aanpak: de met een belanghebbende gemaakte en vastgelegde afspraken over de planmatige inzet van een of meer voorzieningen; Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief; Wachttijd: de eerste periode van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en / of om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie of loondispensatie; Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een straffend karakter; Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand; Bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet werk en bijstand; Verrekenen: de verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand. Fraudewet: wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving 2.Voor zover niet anders is bepaald worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de WWB, Bbz, IOAW, IOAZ. Paragraaf2.Re-integratie Artikel2Opdracht en taak van het college 1.Het college biedt personen behorend tot de doelgroep, die dit naar het oordeel van het college nodig hebben, ondersteuning bij arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of op (economisch zelfstandige) participatie. 2.Het college zorgt voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen. 3.Het college stemt de ondersteuning tot inschakeling in de arbeid en het bepalen en aanbieden van noodzakelijke voorzieningen af op de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling en houdt hierbij zoveel mogelijk rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de persoon en / of het gezin. 4.Het college stelt bij het ondersteunen en/of het bepalen en aanbieden van voorzieningen prioriteiten in verband met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen 5.In afwijking van de leden 2 en 3 kan het college besluiten een tegenprestatie te vragen voor de verstrekte uitkering zonder dat hier de aansluiting op de arbeidsmarkt bij betrokken is. 6.Het college werkt bij de uitvoering van de re-integratie samen met het UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, het gemeentelijk werkbedrijf en werkgevers. 7.Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon uit de doelgroep vast in een beschikking dan wel in een plan van aanpak bij de beschikking. 8.Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor arbeidsinschakeling kunnen opheffen. Artikel3Aanspraak 1.De aanspraak op (financiële) ondersteuning wordt niet eerder dan vier weken na melding inhoudelijk beoordeeld, tenzij deze wachttijd naar de mening van het college in de individuele situatie niet geoorloofd is. 2.Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie. Deze ondersteuning kan bestaan uit een voorziening verstrekt aan belanghebbende dan wel de werkgever ten behoeve van belanghebbende. 3.Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 4.Het college stemt de ondersteuning en voorzieningen af op het vergroten van de zelfredzaamheid van belanghebbenden via de kortste weg naar duurzaam regulier werk. 5.Een niet-uitkeringsgerechtigde (nug-ger) heeft geen aanspraak op ondersteuning krachtens deze verordening indien: Het gezinsinkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm en/of het vermogen hoger dan het maximaal vrij te laten vermogen conform de WWB; hij / zij betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12 uur per week; hij / zij niet bereid is om gedurende tenminste 12 uur per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Artikel4Voorzieningen aan de belanghebbende Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep: (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid waaronder ook begrepen het verstrekken van loonkostensubsidie en het diagnosticeren van loondispensatie zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening; ondersteunen bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling ; verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; een tegenprestatie laten verrichten; Indien het college dit noodzakelijk acht kan besloten worden tot het laten leveren van een maatschappelijke nuttige tegenprestatie voor de verleende uitkering. Het college werkt de aard van de voorzieningen uit in nadere regels. Artikel5Voorzieningen aan de werkgevers 1.Het college kan aan een werkgever: Loondispensatie geven ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep; Loonkostensubsidie verstrekken ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep; Anderszins subsidie verstrekken ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep. 2.Het college stelt ten aanzien van de verstrekking van (loonkosten)subsidie nadere regels voor wat betreft de hoogte en duur hiervan en de voorwaarden waaronder deze worden verstrekt. Artikel6Handhaven participatie en beëindigen ondersteuning 1Bij het niet of niet tijdig nakomen van de verplichtingen gericht op participatie geeft het college uitvoering aan de regels m.b.t. het verlagen van een WWB, IOAW, IOAZ uitkering, zoals opgenomen in paragraaf 3 van deze verordening. 2Het college kan de ondersteuning of voorziening van een niet-uitkeringsgerechtigde beëindigen als deze: a.de arbeids-, re-integratieverplichting en/ of medewerkingsverplichting bij voortduring niet of niet tijdig nakomt; b.niet meer tot de doelgroep behoort; c.een andere voorziening wordt aangeboden; d.gebruik maakt van een voorziening en inkomsten heeft, die naar oordeel van het college betekenen dat hij in staat is zonder voorziening een plaats te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt. 3Het beëindigen van een voorziening kan inhouden het opzeggen van een gesubsidieerde dienstbetrekking, een dienstbetrekking bedoeld in artikel 14 van de Invoeringswet WWB of het beëindigen van de subsidie aan de werkgever daarvoor 4Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening (voortijdig) is beëindigd. Artikel7Premie en bijdrage participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 1.Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a WWB verricht ontvangt conform artikel 10a, zesde lid van de WWB een premie. 2.De duur van de participatieplaats is minimaal zes maanden en maximaal twee jaar. Ieder jaar wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats de meest geschikte voorziening is. 3.Als de belanghebbende meer dan zes maanden additionele onbetaalde werkzaamheden heeft verricht wordt van degene in opdracht van wie hij deze werkzaamheden uitvoert een halfjaarlijkse bijdrage gevraagd. 4.Het college stelt nadere regels ten aanzien van de participatieplaats, de hoogte van de premie en van de vergoeding zoals bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en de verplichtingen die aan de participatieplaats en de premie zijn verbonden. Paragraaf3.Maatregelen / Afstemming §3.1Algemene bepalingen Artikel8Het opleggen van een maatregel 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/ of de wet niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel9Besluit In het besluit tot het opleggen van de maatregel of de waarschuwing wordt in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de eventuele duur en hoogte van de verlaging als ook de afweging van de individuele belangen zoals bedoeld in deze verordening. Artikel10Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; door het niet (volledig) nakomen van de inlichtingen- of medewerkingsverplichting een reeds eerder toegekende uitkering is of wordt beëindigd en er geen sprake is van financiële benadeling. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel11Ingangsdatum en tijdvak 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de maatregel in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de datum van aanvraag dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft. 3.In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van de Bbz, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 4.De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij sprake is van: a.samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van verplichtingen inhouden. Hierbij wordt de hoogte en duur van de maatregel vastgesteld op de gedraging met de hoogste maatregel; b.wanneer sprake is van recidive wordt in beginsel de duur van de maatregel verdubbeld tenzij in deze verordening anders is bepaald. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond van deze verordening; c.verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur is vastgesteld. 5.Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast, kan bij een eventuele nieuwe aanvraag binnen de termijn van de originele verlaging alsnog rekening gehouden worden met de verwijtbare gedraging Artikel12De berekeningsgrondslag van de maatregel 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm zoals bedoeld in de WWB of de grondslag als bedoeld in de IOAW en IOAZ. 2.Deze maatregel bestaat uit een percentage van de bijstandsnorm of grondslag dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening. 3.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB; de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; het betreft bijzondere bijstand voor woonkosten en premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens het Bbz of IOAZ. 4.Onverminderd het bepaalde in vorige leden kan afstemming plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48 tweede lid onder b van de WWB. Artikel13Waarschuwing Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en er kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing in die situaties zoals vermeld in deze verordening. Met het besluit waarmee een maatregel wordt opgelegd is gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen of tot het geven van een waarschuwing Artikel14Horen van de belanghebbende(n) Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan afgezien worden als: de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de inlichtingenplicht; of het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. §3.2gedragingen en bijbehorende maatregelen Artikel15Geen of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Er wordt een maatregel opgelegd van 100% voor de duur van 1 maand in de volgende situaties: a.het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; b.het weigeren van een passend re-integratie aanbod en/of het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan van aanpak; c.het weigeren of onvoldoende meewerken aan de diagnose en / of het arbeidsbemiddelingsprogramma bij de aanvang van de uitkering; d.het niet naar vermogen meewerken aan het verrichten van de tegenprestatie; e.het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid te vinden en te aanvaarden gedurende de wachttijd van 4 weken. 2.Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om in afwijking van lid 1 van deze bepaling de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen. 3.Er wordt een maatregel opgelegd van 50% voor de duur van 1 maand in de volgende situaties: a.het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen na de wachttijd van vier weken; b.het niet naar vermogen meewerken aan een passende re-integratievoorziening; c.het niet voldoen aan de aan de ontheffing verbonden re-integratieverplichtingen die een alleenstaande ouder heeft indien hem op grond van de WWB, IOAW en IOAZ een ontheffing van de arbeidsplicht is verleend. De ontheffing wordt dan ook ingetrokken; d.bij andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. 4.Er wordt een maatregel opgelegd van 5% voor de duur van 1 maand indien belanghebbende zich niet (tijdig) laat registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet (tijdig) laat verlengen van deze registratie. 5.Als er sprake is van een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt de helft van het in lid 3 genoemde percentage opgelegd. 6.De duur van de maatregel als bedoeld in de leden 1 t/m 4 van dit artikel wordt verdubbeld indien er sprake is van recidive. 7.Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, bij gedragingen zoals bedoeld in lid 4 van deze bepaling, tenzij deze gedraging plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Artikel16.Niet nakomen van overige verplichtingen Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Artikel17Inburgering Vervallen Artikel18Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien de belanghebbende door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid, niet heeft behouden wordt de uitkering gedurende 1 maand verlaagd met 100%. Bij het niet behouden van arbeid van geringe omvang wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld naar de mate waarin belanghebbende inkomen heeft verloren. 2.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 1 en 5 van dit artikel en artikel 19 van deze verordening, dan wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 3.De maatregel als bedoeld in lid 2 wordt op de volgende wijze vastgesteld: a.10% van het benadelingbedrag als dit lager of gelijk is dan € 4.000 b.20% van het benadelingbedrag als dit hoger is dan € 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.