MAATREGELENVERORDENING IOAW EN IOAZ 2010 De raad van de gemeente Losser; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser van 17 augustus 2010, gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ; besluit vast te stellen de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; b. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; d. uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; e. uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag, bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ; f. maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; g. inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; h. benadelingsbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; i. belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; j. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser Artikel2Het opleggen van een maatregel 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. 2.Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt. Artikel3Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. Artikel4Hoogte en duur van de maatregel 1.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 2.Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de maatregel een maand. 3.De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Artikel5Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel6Ingangsdatum en tijdvak 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de datum waarop de gedraging heeft plaatsgevonden. 2.Indien de uitkering over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden al is betaald, wordt in afwijking van het eerste lid de maatregel toegepast met ingang van de eerst volgende maand. Artikel7Samenloop van gedragingen 1.Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging uit de hoogste categorie. 2.Er is sprake van samenloop van gedragingen als twee of meer gedragingen plaats hebben gevonden binnen een periode van een kalendermaand. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel8Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ en de inlichtingenplicht op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1.Eerste categorie: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. het niet of niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan voor zover dat niet heeft geleid tot ten onrechte of te veel betaalde bijstand; 2.Tweede categorie: a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden; b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 3.Derde categorie: a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren; b. het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering. Artikel9De hoogte en duur van de maatregel 1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld op: a. vijf procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. 3.Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, wanneer aan betrokkene in de afgelopen 24 maanden, te rekenen vanaf datum besluit, niet eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven voor een gedraging van de eerste categorie zoals genoemd in artikel 8 lid 1 van deze verordening. Hoofdstuk3Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden Artikel10Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2.De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen. 3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Artikel11Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. 2.De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid. 3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid uiterlijk binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Hoofdstuk4Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel12Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand 1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 15% van de uitkeringsnorm; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 25% van de uitkeringsnorm; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 50% van de uitkeringsnorm; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de uitkeringsnorm. 3.Van een maatregel wordt afgezien: a. zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen; b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen. Hoofdstuk5Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel13Zeer ernstige misdragingen 1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de uitkeringsnorm geheel of gedeeltelijk verlaagd, indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. 2.Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven. 3.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, zich opnieuw zeer ernstig misdraagt. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Hoofdstuk6Slotbepalingen Artikel14De inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.