:3Melding betoging op openbare plaatsen 1Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, meldt dat voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk aan de burgemeester. 2De melding bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. doel van de betoging; c. datum waarop de betoging wordt gehouden en tijdstip van aanvang en beëindiging; d. plaats en, voor zover van toepassing, route en plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Indien het tijdstip van de melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge melding in behandeling nemen. Artikel2:4Afwijking termijn Gereserveerd/
; opgenomen in artikel 2:3 Artikel2:5Te verstrekken gegevens Gereserveerd/
; opgenomen in artikel 2:3 Afdeling3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2:6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Gereserveerd/
. Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:8Dienstverlening Gereserveerd/
. Artikel2:9Straatartiest Gereserveerd/
. Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg of andere openbare plaats Artikel2:10Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of andere openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1Het is verboden de weg of een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. het beoogde gebruik hinder of overlast oplevert voor de omgeving; 2Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 3Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 en de uitzonderingen in het tweede lid; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17. 4Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 Wegenverkeerswet, of Provinciaal wegenreglement. Artikel2:11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Gereserveerd/
. Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien er wordt gehandeld in strijd met door de gemeente als eigenaar en beheerder van haar wegen vastgestelde en bekendgemaakte toestemmingsregels. Afdeling6Veiligheid op de weg Artikel2:13Veroorzaken van gladheid Gereserveerd/
. Artikel2:14Winkelwagentjes 1De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2:16Openen straatkolken e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:17Kelderingangen e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in andere natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan in de periode van 1 april tot 1 oktober. 2Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in andere natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, Wetboek van Strafrecht. 4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Gereserveerd/
. Artikel2:20Vallende voorwerpen Gereserveerd/
. Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn Gereserveerd/
. Artikel2:23Veiligheid op het ijs Gereserveerd/
. Afdeling7Toezicht op evenementen Artikel2:24Begripsbepaling 1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met de volgende categorie-indeling: a. kleine evenementen met een beperkt karakter op buurt- of straatniveau, geen of weinig gevolgen voor de verkeers- en bereikbaarheidssituatie, maximaal 350 gelijktijdige bezoekers en geen mechanische of live muziek voor 07.00 uur en na 23.00 uur; b. middelgrote evenementen op buurt- of wijkniveau, beperkte gevolgen voor de verkeers- en bereikbaarheidssituatie, maximaal 350-1500 gelijktijdige bezoekers; c. grote evenementen met een (boven-)locaal/regionaal of hoger karakter, gevolgen voor de locale verkeers- en bereikbaarheidssituatie, gelijktijdige bezoekers >1500 2Geen evenementen als bedoeld in lid 1 zijn: a. bioscoopvoorstelling; b. markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspel als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betoging, samenkomst en vergadering als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. herdenkingsplechtigheid; g. kermis; h. wedstrijd op of aan de weg en optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; 3Onder evenement wordt mede verstaan een feest of muziekvoorstelling op of aan de weg of openbare plaats; Artikel2:25Evenement 1Het is verboden een evenement bedoeld in artikel 2:24 lid 1 onder a. en b. te organiseren 2Het verbod bedoeld in lid 1 geldt niet voor een evenement bedoeld in artikel 2:24 lid 1 onder a. indien er een organisator is en het geen gevaar oplevert voor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu. 3Het verbod bedoeld in lid 1 geldt niet voor een evenement bedoeld in artikel 2:24 lid 1 onder b. indien er een organisator is die ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester en het geen gevaar oplevert voor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu. 4De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding bedoeld in lid 3 besluiten het organiseren van het evenement te verbieden, indien de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement bedoeld in artikel 2:24 lid 1 onder c. te organiseren. 6De burgemeester kan nadere regels stellen voor evenementen bedoeld in artikel 2:24 lid 1 onder a. t/m c. en daarvan uitgezonderde activiteiten in lid
. Artikel2:33Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel2:34Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30. Afdeling9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf (gereserveerd/
) Artikel2:35Begripsbepaling Gereserveerd/
. Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Gereserveerd/
. Artikel2:37Nachtregister Gereserveerd/
. Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Gereserveerd/
. Afdeling10Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:39Speelgelegenheden Gereserveerd/
. Artikel2:40Speelautomaten 1In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4De burgemeester beslist op een verzoek om ontheffing binnen twee weken na dag waarop het is ontvangen; deze termijn kan niet worden verlengd. 5Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een beschikking bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel2:42Kladden 1Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekladden of doen bekladden met kalk, krijt, teer of met een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Artikel2:43Vervoer kladgereedschap e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1Het is verboden tussen 22.00.uur en 06.00.uur op de weg of op een andere openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2Het verbod is niet van toepassing indien bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:46Rijden over bermen e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1Het is verboden zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d. Gereserveerd/
. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:53Bespieden van personen Gereserveerd/
. Artikel2:54Bewakingsapparatuur Gereserveerd/
. Artikel2:55Nodeloos alarmeren Gereserveerd/
. Artikel2:56Alarminstallaties Gereserveerd/
. Artikel2:57Loslopende honden 1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die aangelijnd is; b. buiten de bebouwde kom op de weg los en zonder toezicht; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; d. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. Als zodanig zijn in elk geval aangewezen uitlaatplaatsen binnen de bebouwde kom; 3De verboden genoemd in het eerste lid onder a, b en c gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op openbare plaatsen of op een andere door het college aangewezen plaats. 2Het college kan plaatsen aanwijzen waar het gebod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt. Als zodanig zijn in elk geval aangewezen uitlaatplaatsen binnen de bebouwde kom en gebieden buiten de bebouwde kom; 3De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2:59Gevaarlijke honden 1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2In afwijking van artikel 2:57, lid 1 onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3In het eerste lid wordt verstaan onder: a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel2:61Wilde dieren Gereserveerd/
. Artikel2:62Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:63Duiven Gereserveerd/
. Artikel2:64Bijen Gereserveerd/
. Artikel2:65Bedelarij Gereserveerd/
. Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen (gereserveerd/
) Artikel2:66Begripsbepaling Gereserveerd/
. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Gereserveerd/
. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter van het Wetboek van Strafrecht Gereserveerd/
. Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Gereserveerd/
. Artikel2:70Handel in horecabedrijven Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8, ‘Toezicht op horecabedrijven’, onder artikel 2:32 en ook daar gereserveerd/
. Afdeling13Vuurwerk Artikel2:71Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden indien dat gevaar oplevert voor de belangen als bedoeld in artikel 1:8; 2Het college kan nadere regels stellen aan de situering van locaties als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:73Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, Wetboek van Strafrecht. Afdeling14Drugsoverlast Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74aHinderlijk drugsgebruik Het is verboden op de weg, een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw (hard-)drugs te gebruiken, toe te dienen of voor te breiden en/of stoffen danwel voorwerpen voorhanden te hebben Afdeling15Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:47 t/m 2:50 of 2:73 groepsgewijs niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen: • (door de gemeenteraad bij gebleken noodzaak aan te wijzen; PM) Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutiebeleid e.d. Afdeling1Begripsbepalingen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: (
) f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
. Artikel3:7Tijdelijke sluiting 1Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid gesloten dient te zijn; Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straatprostitutie 1Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden 2 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gesteld verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegven zich onmiddelijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3 Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddelijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4 De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen enop de tijden bedoeld in het eerste lid. 5 De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6 Het is verboden zich te gedragen in strijd met den door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel3:10Sekswinkels Gereserveerd/
:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotische-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Gereserveerd/
Afdeling3Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel3:12Beslissingstermijn 1 Op de voorbereiding van een besluit omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 3:4 eerste lid, is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van die wet, voor het naar voren brengen van zienswijzen twee weken bedraagt. 2 Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een beschikking bedoeld in het eerste lid. Artikel3:13Weigeringsgronden 1 De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of beheersverordening; c. er aanwijzigingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f Wet van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2 In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:14Beëindiging exploitatie 1 De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:15Wijziging beheer 1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan 2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder of nieuwe beheerders, indien de exploitant het bevoegd bestuursorgaan hiervan vooraf in kennis heeft gesteld en het bevoegd bestuursorgaan de kennisgeving heeft aanvaard, danwel na de ontvangst van de kennisgeving acht weken zijn verstreken. Het bepaalde in artikel 1:2 lid 2 ten aanzien van de verlening van de termijn is niet van toepassing. 3 Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing op een kennisgeving bedoeld in het tweede lid. Afdeling5Overgangsbepaling Artikel3:16Overgangsbepaling Gereserveerd/
. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder Artikel4:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals carnaval, kermis, koninginnedag; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen; f. onversterkte muziek: muziek die niet electronisch is versterkt. Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1 De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college op jaarbasis aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het aanwijzingsbesluit wordt tijdig bekend gemaakt indien zich wijzigingen voordoen ten opzichte van een eerdere aanwijzing. 2 Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 3 Het equivalente geluidsniveau LAEQ veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB9A), gemeten op de gevel van woningen op een hoogte van 1,5 meter. 4 De geluidsnorm als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten 5 Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1 Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2 Het college stelt een formulier vast voo rhet doen van een kennisgeving. 3 De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4 De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 5 Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 80dB(A), gemeten op de gevel van woningen op een hoogte van 1,5 meter. 6 Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. De geluidsnorm is inclusief onversterkte muziek en bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7 De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 8 Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddelijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten Gereserveerd/
:5Onversterkte muziek Gereserveerd/
:6Overige geluidhinder 1 Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2 Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3 Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van activiteiten of handelingen bedoeld in het eerste lid. 4 Het verbod en het vereiste van een ontheffing gelden niet voor zover er sprake is van activiteiten of evenementen die geregeld zijn in de artikelen 2:24 en 2:25, daaronder begrepen op grond van artikel 2:25 zesde lid gestelde nadere regels. Deze uitzonderingen gelden eveneens voor zover op grond van het derde lid, al dan niet in samenhang met artikel 2:25 zesde lid, nadere regels zijn gesteld. 5 Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Artikel4:6a(Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Straatvegen Gereserveerd/
:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Gereserveerd/
Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel4:10Begripsbepalingen 1 In deze afdeling wordt verstaan onder: a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. 2 In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel4:11Kapvergunning 1 Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstanden, dood dan wel levend, te vellen of te doen vellen die vermeld zijn op de in het tweede lid bedoelde kaart. 2 Het college stelt telkens voor een periode van ten minste 5 jaar een Groene Kaart vast als bedoeld in het eerste lid. Het college kan die kaart tussentijds wijzigen als omstandigheden en of feitelijke situaties, zoals nader beschreven in de kaart, daartoe aanleiding geven. 3 De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; g. overige op de Groene Kaart, bedoeld in lid 2, gegeven specifieke criteria. 4 Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 5 Geen vergunning is vereist voor het vellen of rooien van houtopstanden waarvoor een aanlegvergunning krachtens de Wet ruimtelijke ordening is vereist. 6 Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat in het geval van het eerste lid de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van die wet, voor het naar voren brengen van zienswijzen twee weken bedraagt. 7 Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een beschikking bedoeld in het eerste lid. Artikel4:12Afstand openbare beplanting tot erfgrens De afstand tussen beplanting, die door en op eigendom van de gemeente is gerealiseerd vanwege openbaar nut of ten behoeve van dorps- en/of landschapsschoon en de erfgrens bedoeld in artikel 5:42, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, wordt overeenkomstig het tweede lid van dat artikel vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor hebben en heesters. Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering, hinder en (stand-) overlast Artikel4:13Opslag van voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Gereserveerd/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.