Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013INLEIDING Deze nieuwe beleidsregels vormen met de nieuwe verordening een trendbreuk met de oude regels, zoals die gehanteerd werden onder de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en sinds 2007 onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Was onder de Wvg sprake van een zorgplicht en tamelijk nauwkeurig omschreven voorzieningen, de compensatieplicht van de Wmo vraagt om een andere aanpak. Die andere werkwijze heeft de VNG samen met CG-Raad (Chronisch zieken en Gehandicapten Raad) en CSO (Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties) ontwikkeld. Kernbegrippen zijn nu het leveren van maatwerk, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag, of al tijdens het gesprek voorafgaand aan de aanvraag, komt eerst het resultaat dat bereikt moet worden aan de orde en daarna passeren de verschillende oplossingen de revue. Hierbij worden niet alleen de individuele voorzieningen besproken. Omdat maatwerk nodig is, vindt een uitgebreid gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, ook de eigen mogelijkheden. In de allereerste richtingbepalende uitspraak van 10 december 20081 heeft de Centrale Raad van Beroep helder uiteengezet hoe zij aankijkt tegen de compensatieplicht en wat van de gemeente bij de uitvoering mag worden verwacht. Kenmerkend is daarbij de grote invloed van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager op het gemeentelijk onderzoek. Deze beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening en bieden een richtlijn voor het onderzoek dat de gemeente samen met de burger doet om te komen tot de best passende oplossing. Artikel 4 van de Wmo geeft allereerst aan op welke terreinen resultaten bereikt dienen te worden. Daarnaast geeft dit artikel aan dat het in de Wmo gaat om maatwerk. De nadruk zal nu veel meer moeten liggen op zorgvuldig onderzoek van het individuele geval. En ook al is het eindresultaat gelijk aan dat wat het onder de Wvg geweest zou zijn: de onderbouwing en motivering moeten er geheel anders uit zien. En aan die onderbouwing toetst de rechter het besluit. De beleidsregels die er nu liggen moeten bevorderen dat de doelstellingen van de compensatieplicht, zoals die door de wetgever in de Wmo geformuleerd zijn, te weten zelfredzaamheid en participatie door burgers met beperkingen, ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Heldere resultaten en oplossingen op maat zijn daarvoor nodig. Hiertoe wordt een nieuwe werkwijze ingevoerd waarbij het gesprek centraal staat. Het gesprek wordt resultaatgericht ingestoken. Dus er wordt niet meer uitgegaan van de voorzieningen die de gemeente verstrekt, maar om het resultaat dat de burger wil bereiken. In het gesprek gaat de gemeente samen met de belanghebbende na welke beperkingen hij ondervindt in het dagelijks leven ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie en welke resultaten hij wil bereiken. Vervolgens wordt besproken welke mogelijkheden belanghebbende zelf heeft om deze beperkingen te compenseren. Voorts wordt bekeken of voorliggende voorzieningen een uitkomst bieden. Tot slot wordt besproken of de gemeente nodig is om door middel van een individuele voorziening de beperking te compenseren. HOOFDSTUK 1. UITGANGSPUNTEN Compensatieplicht In artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning is vastgelegd dat het college voorzieningen moet treffen ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Dit wordt de compensatieplicht genoemd. In de wet is bepaald dat deze personen in staat moeten zijn: • een huishouden te voeren; • zich te verplaatsen in en om de woning; • zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; • medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Vanuit deze domeinen heeft de VNG samen met de CG-raad en de CSO artikel 4 van de wet geconcreti¬seerd in acht resultaten. Een schoon en leefbaar huis; Wonen in een geschikt huis; Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; Het kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; Zich verplaatsen in en om de woning; Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Deze acht resultaten dienen als uitgangspunt voor de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013, het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013 en voor deze beleidsregels. Eigen verantwoordelijkheid In artikel 4 van de wet is ook vastgelegd dat bij het bepalen of een persoon gecompenseerd moet worden, het college rekening houdt met de persoonskenmerken en behoefte van de persoon, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Dit betekent dat er maatwerk geleverd moet worden en dat de eigen mogelijkheden van de persoon zorgvuldig onderzocht moeten worden. De eigen verantwoordelijkheid wordt door de VNG in beeld gebracht door middel van onderstaand figuur. Zoals de pijl aangeeft, wordt er eerst gekeken naar wat de persoon in kwestie zelf kan doen om de situatie te verbeteren en of het sociaal netwerk uitkomst kan bieden. Daarna wordt bepaald of er voorliggende voorzieningen zijn die het probleem oplossen. Biedt dit alles geen soelaas, dan wordt bekeken of een individuele voorziening gewenst is. figuur 1.pdf (versie geldig sinds: 13-09-2013; PDF-bestand; grootte: 4.57 kB) Voorliggende voorzieningen kunnen zijn: • algemene voorzieningen; • collectieve voorzieningen; • wettelijke voorzieningen en; • algemeen gebruikelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn dus voorliggend ten opzichte van individuele voorzieningen. Met andere woorden, als deze voorzieningen de beperking compenseren, wordt geen individuele voorziening verstrekt. De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Die eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde. Een oplossing van problemen kan bijvoorbeeld al aanwezig zijn in die zin dat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er talloze mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren, zoals tweeverdieners of mensen met voldoende inkomen. In deze situatie hoeft niets te veranderen, als men op basis van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men had, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Een ander voorbeeld is het vervoer. Heel veel mensen zijn op dit moment gewend gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven zich te verplaatsen. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Zo zijn mensen zelf verantwoordelijk voor het vinden van een voor hun levensloopbestendige woning. Evenals wanneer een pasgetrouwd stel verhuist naar een woning waar gezinsuitbreiding mogelijk is, zouden mensen rond de leeftijd van 60 jaar die gaan verhuizen, rekening moeten houden met eventuele toekomstige beperkingen die een hogere leeftijd met zich meebrengt. Dat zou bijvoorbeeld kunnen neerkomen op een gelijkvloerse woning of een woning met een badkamer die levensloopbestendig is. Zo is iemand in principe ook zelf verantwoordelijk voor de gevolgen wanneer hij verhuist naar een voor hem ongeschikte woning. Beperking, chronisch psychisch probleem of psychosociaal probleem Om voor een voorziening in aanmerking te komen dienen beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen op het gebied van de te bereiken resultaten aanwezig te zijn (artikel 1, lid 7, Verordening). Of daarvan sprake is zal door onderzoek moeten worden vastgesteld. Dit kan gebeuren door een arts in te schakelen. Vervolgens moet op grond van die diagnose en de daaruit voortvloeiende stoornis(sen) kunnen worden aangegeven of de ondervonden beperkingen en de daaruit voortvloeiende belemmeringen een direct gevolg zijn van de beperkingen of het probleem. Het gegeven dat men oud is, is op zichzelf geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen belemmeringen, die het gevolg zijn van slijtageprocessen, die onlosmakelijk verbonden zijn aan het ouder worden, aanleiding zijn om in het kader van de Wmo voorzieningen te treffen. Bij de beoordeling van beperkingen en belemmeringen wordt uitgegaan van medische objectiveerbare aandoeningen. Goedkoopst compenserend De verordening bepaalt dat de te verstrekken voorziening ‘als goedkoopst-compenserende voorziening’ moet kunnen worden aangemerkt (artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b van de Verordening). Het is van belang op het begrip goedkoopst compenserend nader in te gaan. Primair betekent goedkoopst compenserend dat de voorziening compenserend moet zijn. Uit de alternatieven die als compenserend worden bestempeld, kan de gemeente de goedkoopste oplossing kiezen. Het begrip goedkoopst compenserend laat ruimte voor een afweging van de specifieke omstandig¬heden van de aanvrager. Uiteindelijk bepaalt immers de situatie van de aanvrager, zoals beoordeeld door de gemeente, wat in zijn omstandigheden passend is. Uitgangspunt is, dat van de compenserende oplossingen die er zijn, de goedkoopste oplossing wordt gekozen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet hoger niveau dient te worden aangesloten. Langdurig noodzakelijk Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening luidt: “Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover het te bereiken resultaat langdurig noodzakelijk is, tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te bereiken resultaat”. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode langer dan zes maanden dat het ziektebeeld aanhoudt en dat de belanghebbende daarvoor voor langere tijd aangewezen is op een betreffende aanpassing of voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk gehandicapt is, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de aard van de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in aanmerking komt (de belanghebbende kan in dit geval een beroep doen op de Thuiszorgwinkel). Met de termijn van zes maanden wordt aangesloten bij de termijnen van de Thuiszorg (gratis uitleen). Conform het gestelde in artikel 24, eerste lid, aanhef en sub a kan hulp bij het huishouden wel voor een korte duur worden geïndiceerd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbeteringen en situaties van terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Behoeften en persoonskenmerken van de belanghebbende Artikel 8, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat het college uitgaat van de behoeften en persoonskenmerken van de belanghebbende. Dit betekent dat er altijd maatwerk geleverd moet worden. Daarbij gaat de gemeente uit van de vraag van de belanghebbende en niet van de voorzieningen die de gemeente verstrekt. Het leveren van maatwerk betekent een uitgebreid onderzoek naar de persoonlijke situatie van de belanghebbende en het zoeken naar de best passende oplossing voor het probleem. En omdat elke situatie anders is, is een ‘dichtgetimmerd’ kader onwenselijk. Het is daarom van groot belang dat de gemeente haar bevindingen zorgvuldig vastlegt en motiveert. De centrale vraag die men zich moet stellen is: “Moet er gecompenseerd worden in de zelfredzaamheid of participatie?” Algemeen gebruikelijk Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien aan een algemeen toetsingskader wordt voldaan. Door een hulpvraag te toetsen aan de criteria uit deze jurisprudentie kan men meestal zelf het antwoord vinden op de vraag of een voorziening in de concrete, individuele situatie van de belanghebbende ook als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Hiervoor moeten de volgende vragen worden beantwoord: • Is de voorziening speciaal voor gehandicapten bedoeld? • Is de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar? • Is de voorziening in prijs vergelijkbaar met andere voorzieningen met hetzelfde doel? Als deze drie vragen met respectievelijk “nee”, “ja” en “ja” beantwoord kunnen worden, is de voorziening op zichzelf, als zaak, algemeen gebruikelijk. Een voorbeeld. Een telefoon mag als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook de aanwezigheid van centrale verwarming kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Het mag duidelijk zijn dat dit soort voorzieningen niet meer verstrekt wordt, juist omdat ze algemeen gebruikelijk zijn. Indien zij aangebracht worden, is sprake van het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd, hetgeen buiten de werkingssfeer van deze Verordening valt. Op vervoersgebied kan men als voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen noemen: de fiets met hulpmotor en een fiets met lage instap en op het gebied van de woningaanpassingen: thermostaatkranen, hendelmengkranen, verhoogd toilet en douche- en toiletbeugels. Gebruikelijke zorg Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. De gebruikelijke zorg is verder uitgewerkt in bijlage 2. Mantelzorgers en vrijwilligers Een bijzondere groep onder de Wmo vormen de mantelzorgers en vrijwilligers. Zij vallen onder de werking van prestatieveld 4. De vraag is of dat leidt tot ‘eigen’ aanspraken van mantelzorgers in het kader van prestatieveld 6, of dat het gaat om afgeleide aanspraken, omdat er een persoon is waarvoor de mantelzorger zorgt en ook de mantelzorger op naam van deze persoon aanspraak kan maken op individuele voorzieningen. Nadrukkelijk moet een gemeente immers rekening houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. Bij de verschillende onderdelen komt dit aan de orde. Het gaat hierbij overigens om een principieel verschil van inzicht, waarover de jurisprudentie tot op heden nog geen uitsluitsel heeft gegeven2. Tot dat gebeurt, kiest de gemeente ervoor uit te gaan van een afgeleid recht op voorzieningen. Beschikkingen zullen dan ook op naam staan van en gericht zijn tot degene die de mantelzorg ontvangt. HOOFDSTUK 2. BEOORDELING VAN DE TE BEREIKEN RESULTATEN Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis Onder dit resultaat wordt gerekend: Licht poetswerk - afwassen - bedden opmaken - stof afnemen/ragen - kamers opruimen - planten water geven Huis schoonmaken - stofzuigen/dweilen/vegen - schoonhouden van sanitair en keuken - bedden verschonen - opruimen huishoudelijk afval - ramen lappen 1 x per 3 maanden - periodiek keukenkastjes en koelkast schoonmaken Bedden- en linnengoed wassen De ruimten die moeten worden schoongehouden zijn die ruimten die dagelijks gebruikt worden voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of alle voorliggende voorzieningen meegenomen zijn. Voorwaarde is dat voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk aanwezig zijn in de gemeente. Een voorliggende voorziening kan in het kader van resultaat 1 een wasserette zijn voor het wassen van bedden- en linnengoed Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen wijziging in de situatie heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Zie in bijlage 2 een beschrijving van gebruikelijke zorg. Als bovenstaande afwegingen niet geleid hebben tot een oplossing van het probleem, zal het college compenseren. Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek zoals weergegeven in bijlage 1. Deze systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in minuten. De hulp kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Indien de mantelzorger niet toekomt aan het schoon houden van het eigen huis, dan kan de verzorgde zich wenden tot het college voor hulp bij het huishouden, opdat de mantelzorger tijd heeft om zijn eigen huis schoon te houden. Resultaat 2: wonen in een geschikt huis In artikel 4, eerste lid, van de Wmo is geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen resultaten die bereikt moeten worden op het huishoudelijke vlak en resultaten voor wat betreft een voor de persoon en zijn kenmerken geschikte woning. De term ‘voeren van een huishouden’ geeft daar geen duidelijkheid over. Wel is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van het college om voor een woning te zorgen. Iedere burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keuze van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of op korte termijn verwachte beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is kan het college compenseren. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo blijkt dat onder maatschappelijke participatie onder andere kan worden verstaan ‘het normale gebruik van de woning’. In de Wmo- jurisprudentie wordt onder het normale gebruik van de woonruimte verstaan: de mogelijkheid om normale (elementaire) woonfuncties te kunnen verrichten. Onder de elementaire woonfuncties worden verstaan: - slapen, eten en lichaamsreiniging; - het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen van de was en het strijken en opbergen ervan; het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van de verzorging door een belanghebbende afhankelijke baby; dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen. Afwegingskader Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg draagt voor het hebben van een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Wanneer een persoon met beperkingen een voor hem niet adequate woning betrekt, kan het college bepalen dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie door het college. Een woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt gesproken van een woning. Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Het primaat van verhuizen wordt altijd toegepast bij woningaanpassingen, die duurder zijn dan € 10.000,-, tenzij één of meerdere van de hieronder genoemde afwegingen zwaarder wegen: kostenafweging: aanpassingskosten van de nieuwe woning, indien bekend is om welke woning het gaat. volkshuisvestingstechnische afwegingen: • eigen woning of huurwoning; bij de afweging van de doelmatigheid van de aanpassing kan dit van belang zijn i.v.m. de beperkingen van hergebruik. • relatie met toewijzingsbeleid en afspraken met woningbouwverenigingen en andere verhuurders. tijdsduur overwegingen: de termijn waarbinnen een andere geschikte woning beschikbaar is of een woning die met aanmerkelijk minder kosten dan het aanpassen van de huidige woning, beschikbaar komt. De medisch verantwoorde termijn wordt bepaald door een medisch adviseur. individuele en sociale omstandigheden: • binding met de buurt; • afstand tot diverse primaire voorzieningen (infrastructuur); • afstand tot het werk; • de kwaliteit van het zelfzorgvermogen en de individuele mogelijkheden van mantelzorg; • woonlastenconsequenties; • eigendom van de woning en de consequenties daarvan. Vervolgens beoordeelt het college of alle algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen zijn in beginsel: • Aanpassingen aan een badkamer van 25 jaar of ouder3 ; • Nivelleren drempels binnenshuis; • Handgrepen en wandbeugels; • Verhoogd toilet; • Losse toiletverhoger; • Toiletstoel; • Aanleg tweede toilet boven; • Douchestoel/ douchekruk; • Vast douchezitje; • Douchekop op glijstang; • Antislipvloer; • Tweede trapleuning; • Verlenging bediening bovenlicht; • Korflades. Als iemand al wat ouder is en zijn badkamer gaat renoveren mag de gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie bijvoorbeeld aan een douche moet denken in plaats van een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee. Er speelt ook nog iets anders mee: weten mensen wel dat van hen verwacht wordt dat ze via het denken aan dit soort dingen anticiperen op mogelijk komende problemen? De gemeente zal ook daarover voorlichting moeten geven, duidelijk moeten maken waar verwachtingen mogen beginnen maar ook kunnen ophouden wat betreft de inzet van de gemeente in het geschikt maken van woningen. Als het voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit. Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Voor het bepalen van de noodzakelijke oppervlakte van de nieuw te bouwen/ aan te passen ruimten kan het Handboek voor Toegankelijkheid (Reed Business) als basis fungeren. Het aanpassen van doelgroepengebouwen (bijvoorbeeld voor gehandicapten en ouderen) zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge artikel 7, tweede lid, Wmo door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning, als financiële tegemoetkoming. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de aanvrager/belanghebbende. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen kan het gaan om tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Resultaat 3: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Dit resultaat is gevolge de compensatieplicht beperkt tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Onder dit resultaat worden gerekend: • het doen van de boodschappen voor het dagelijks leven; • de bereiding van warme en broodmaaltijden; • tafel dekken en afruimen; • afwassen; • opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad. Het is heel normaal dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door één maal per week de grote voorraad in huis te halen. Daar sluit de Wmo bij aan door uit te gaan van één maal per week boodschappen te doen. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten. Soms hebben supermarkten een dergelijke service. Het is ook mogelijk dat vanuit de gemeente een boodschappendienst wordt opgezet. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In sommige situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (gedeeltelijk) een oplossing kunnen bieden. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of alle voorliggende voorzieningen meegenomen zijn. Voorwaarde is dat voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk beschikbaar zijn in de gemeente. voorzieningen kunnen in het kader van resultaat 3 zijn: • Algemene voorzieningen: boodschappendienst van WonenPlus • Algemeen gebruikelijke voorzieningen: particuliere maaltijdservice, boodschappendienst van de supermarkt, kant- en- klaarmaaltijden. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden of kinderen gewend of bereid zijn boodschappen te doen of maaltijden te bereiden. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is. Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek in bijlage 1. Het resultaat: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, als individuele voorziening, kan door het college in natura als ook via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag gebaseerd op het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Resultaat 4: beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Onder dit resultaat wordt gerekend het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van kleding. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of alle voorliggende voorzieningen meegenomen zijn. Voorwaarde is dat voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk beschikbaar zijn in de gemeente. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een wasserij als dat in de lijn ligt. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan familie die bereid is om de was te doen. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek in bijlage 1. De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag gebaseerd op het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken4. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Als er een indicatie wordt gesteld, gebeurt dat als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Resultaat 5: het kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk (zes tot twaalf weken) in te springen zodat de ruimte ontstaat om zelf een al dan niet structurele oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of alle voorliggende voorzieningen meegenomen zijn. Voorwaarde is dat voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk beschikbaar zijn in de gemeente. Hierbij valt te denken aan voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang, opvang door grootouders enz. Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof of zorgverlof Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele voorziening. Bij dit compenseren wordt als norm aangehouden de systematiek in bijlage 1.Deze normen worden uitgedrukt in uren. Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden, afhankelijk van het aantal zorgmomenten. Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en dat gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin van de verzorgde behoren. Resultaat 6: zich verplaatsen in en om de woning Onder dit resultaat wordt gerekend: de rolstoel. Het zich verplaatsen in en om de woning sluit op zich de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die juist daar niet voor bedoeld is. De rolstoel voor incidenteel gebruik is bedoeld voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes. Deze rolstoel hoort daardoor onder resultaat 8 en kan ook als algemene voorziening verstrekt worden. Afwegingskader Bij dit resultaat gaat het om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Met andere woorden; het dagelijks zittend verplaatsen. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat en zullen dan ook ter beschikking kunnen komen via een algemene voorziening in de vorm van een rolstoelpool5. Het college beoordeelt eerst of alle wettelijk voorliggende voorzieningen meegenomen zijn. Denk aan de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) indien er een probleem is met het verplaatsen op het werk en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) indien het om een tijdelijke oplossing van het probleem gaat of verblijf in een AWBZ-instelling. (zie bijlage 3) De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en om de woning. De sportrolstoel valt onder resultaat 8. Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Aanpassingen en accessoires voor de rolstoel die niet nodig zijn in het kader van het te bereiken resultaat worden in principe niet verstrekt. Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. Resultaat 7: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Er wordt geen onbeperkte kostenloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of belanghebbende in staat is om het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken. Is belanghebbende hiertoe in staat dan hoeft er in principe niet gecompenseerd te worden. Vervolgens beoordeelt het college alle mogelijke alternatieven. Denk aan algemeen gebruikelijke en wettelijk voorliggende voorzieningen. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: bromfiets, snorfiets, elektrische fiets. Voorbeelden van wettelijk voorliggende voorzieningen: leerlingenvervoer, in bepaalde gevallen AWBZ in verband met dagopvang of dagverzorging. Vervolgens gaat het college na wat de eigen mogelijkheden van belanghebbende zijn. Heel veel mensen zijn op dit moment gewend om gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Indien het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat. Zie bijlage 4 voor de soorten vervoersvoorzieningen. Indien het collectief vervoer in de vervoersbehoefte voorziet, is dit voorliggend op andere vervoersvoorzieningen. Met het collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1.500 – 2.000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers. Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Voorzieningen kunnen door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de aanvrager/betrokkene als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan het mogelijk zijn dat de mantelzorger mee wordt vervoerd (vanwege de noodzaak tijdens het vervoer in te grijpen) zodat het vervoer van de mantelzorger als noodzakelijke begeleider gratis plaats vindt. Resultaat 8: de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten Het laatste op grond van artikel 4, eerste lid,1 Wmo genoemde resultaat is een heel algemene. Het gaat daarbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Afwegingskader Het college beoordeelt altijd eerst of andere, algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn. Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via het zevende resultaat opgelost kan worden. Een sportvoorziening wordt als middel gezien om aan recreatieve activiteiten te kunnen deelnemen. Een sportvoorziening wordt alleen verstrekt als belanghebbende kan aantonen dat er daadwerkelijk actief een sport mee wordt beoefend. Een sportvoorziening wordt niet verstrekt voor de beoefening van topsport. HOOFDSTUK 3. VERSTREKKING IN NATURA, ALS PERSOONSGEBONDEN BUDGET EN ALS FINANCIËLE TEGEMOETKOMING EN EIGEN BIJDRAGE. Inleiding Artikel 6 van de Wmo bepaalt in het eerste lid het volgende: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat dat bereikt moet worden: het compenseren van problemen die een aanvrager ondervindt, te bereiken. Deze drie vormen zijn: - de voorziening in natura; - het persoonsgebonden budget; - de financiële tegemoetkoming, waaronder het forfaitaire bedrag. Afwegingskader 1. De voorziening in natura.• Een voorziening in natura wordt altijd verstrekt door het college. Wordt een voorziening in natura verstrekt, dan zal toekenning bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Bij een voorziening in natura mag een eigen bijdrage worden gevraagd, net als bij een persoonsgebonden budget. Ook geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente slechts aangekondigd kan worden aangezien berekening en inning plaats zal vinden door het CAK. Voorwaarden verstrekking in bruikleen: - De voorziening wordt door de gemeente voor aanvrager gekocht of gehuurd; - De aanvrager ontvangt de voorziening in bruikleen; - De leverancier of de gemeente sluit een bruikleenovereenkomst af met de cliënt; - De kosten worden door de gemeente rechtstreeks betaald aan de leverancier; - Onderhoud, reparatie en eventuele verzekering komen voor rekening van de gemeente. Voorwaarden koop/verstrekking in eigendom: In bijzondere individuele omstandigheden wordt een voorziening die normaal gesproken gehuurd wordt, door de gemeente gekocht en in eigendom verstrekt. Dit is het geval voor die voorzieningen die zodanig individueel zijn aangepast, dat het herverstrekken hiervan niet tot de mogelijkheden behoort. - De voorziening wordt door de gemeente voor aanvrager gekocht. - De voorziening wordt in eigendom verstrekt. - De kosten worden door de gemeente rechtstreeks betaald aan de leverancier - Onderhoud, reparatie en de eventuele aansprakelijkheidsverzekering van gemotoriseerde voorzieningen komen voor rekening van de gemeente. Voorwaarden hulp bij het huishouden: Indien de belanghebbende in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden en kiest voor zorg in natura, regelt de gemeente de hulp en de betaling rechtstreeks met een door de cliënt gekozen (en door de gemeente gecontracteerde) zorgaanbieder. 2. Het persoonsgebonden budget• Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit persoonsgebonden budget kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat. • In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de keuzevrijheid ten aanzien van het pgb, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Overwegende bezwaren om geen persoonsgebonden budget te verstrekken worden vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat voor het collectief vervoer overwegende bezwaren bestaan om af te wijken van de keuzevrijheid. De reden hiervoor is dat wanneer er een veelvuldig beroep wordt gedaan op persoonsgebonden budgetten, dit het in stand houden van het systeem kan ondergraven. • Het college bepaalt de omvang van het persoonsgebonden budget. Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: enerzijds het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. • Het persoonsgebonden budget wordt in alle gevallen uitbetaald aan de belanghebbende. 2.1. Pgb Hulp bij het huishoudenVoorwaarden pgb hulp bij het huishouden: Indien een pgb wordt verstrekt voor het verwerven van hulp bij het huishouden, dan dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: De hulp dient te worden ingezet ten behoeve van het hoofdverblijf van de budgethouder (belanghebbende), in de gemeente Velsen; De budgethouder dient het budget uitsluitend te gebruiken voor betaling van de huishoudelijke hulp, zoals is vastgelegd in de beschikking tot verlening van hulp bij het huishouden; De budgethouder dient een schriftelijke overeenkomst met de hulpverlener of hulpverlenende instantie af te sluiten. Deze overeenkomst dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten: - Volledige (voor)naam, adres en woonplaats van de hulpverlener/instantie. - Volledige (voor)naam, adres en woonplaats van de aanvrager. - Burgerservicenummer of BTW-nummer van de hulpverlener of hulpverlenende instantie. - Aantal overeengekomen uren per week. - Het afgesproken uurtarief. - Eventuele reiskostenvergoeding. - De ingangsdatum van de hulp. - Ondertekening door budgethouder en hulpverlener/instantie. De gemeente gaat over tot de maandelijkse betalingen van het pgb na ontvangst van bovengenoemde overeenkomst; Het aantal te betalen uren is conform de overeenkomst, maar maximaal het aantal geïndiceerde uren; De budgethouder dient alle declaraties van de hulpverlener/instantie en alle bewijsstukken van betalingen te bewaren, tot minimaal 1 jaar na afloop van het kalenderjaar waarin het pgb is verstrekt; De declaratie van de hulpverlener/instantie dient een overzicht te bevatten van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer of BTW-nummer, alsmede de naam en het adres. De declaraties dienen ondertekend te zijn door de hulpverlener/instantie; Jaarlijks dient op verzoek van de gemeente, door de budgethouder een overzicht overlegd te worden van de dagen waarop de hulp is verleend, het aantal betaalde uren en eventuele reiskosten; Naast de jaarlijkse controle kan een (steekproefsgewijze) controle door de gemeente plaatsvinden, waarbij tevens de declaraties en betalingsbewijzen overlegd moet worden; Niet bestede persoonsgebonden budgetgelden kunnen door het college worden teruggevorderd; In verband met administratieve kosten, wordt pas teruggevorderd wanneer het niet bestede bedrag € 50,- of hoger is. Controle besteding pgb Controle op de besteding van het pgb vindt steekproefsgewijs plaats. De belanghebbende legt op verzoek van de gemeente door middel van invulling van een daartoe toegezonden formulier verantwoording af over het gebruik van het pgb. De volgende gegevens worden gecontroleerd: Ingekochte uren versus geïndiceerde uren (met inachtneming van een marge van 15%). De hoogte van de uitgaven (inclusief reiskosten)versus het ontvangen budget. Gehanteerde uitgangspunten daarbij zijn: De te controleren periode is om administratieve redenen maximaal een jaar; Bij de vergelijking van ingekochte uren ten opzichte van de geïndiceerde uren wordt een marge van 15% gehanteerd; Aantoonbare reiskosten mogen in de verantwoording worden meegenomen; Wanneer het verschil tussen de ingekochte uren en het besluit meer dan 15% bedraagt, dient onderzocht te worden wat hiervan de reden is, om te bezien of de indicatie aangepast dient te worden. Hoogte pgb en eigen bijdragen De regels voor het bepalen van de hoogte van het pgb voor hulp bij het huishouden zijn vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013. De hoogte van de door de cliënt verschuldigde eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013. Deze eigen bijdrage wordt niet verrekend met het pgb, maar wordt door het CAK geïnd. Uitbetaling pgb Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt maandelijks bij vooruitbetaling verstrekt. 2.2. Pgb overige Wmo-voorzieningenEen pgb is ook mogelijk bij andere Wmo-voorzieningen, zoals rolstoelen, vervoermiddelen en woonvoorzieningen. Voorwaarden Indien een pgb wordt aangewend voor het verwerven van een woonvoorziening, vervoers- of rolstoelvoorziening, geldt de voorwaarde dat de voorziening door de aanvrager zelf wordt aangeschaft. Hoogte pgb De hoogte van het pgb is gelijk aan de waarde van de goedkoopst compenserende voorziening, eventueel verhoogd met het bedrag voor onderhoud, reparatie en eventuele verzekering voor vergelijkbare voorzieningen voor de periode van de economische levensduur. Controle besteding pgb De controle van het pgb vindt als volgt plaats. Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening. Via een beperkte steekproef zal het college bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het pgb anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Eigen bijdrage De verordening regelt wanneer bij een pgb een eigen bijdrage verschuldigd is. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget mag elke 4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. Wordt een persoonsgebonden budget verstrekt voor een voorziening die in eigendom van de aanvrager wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor een doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt gebruikt. 3. De financiële tegemoetkoming, waaronder het forfaitair bedrag Naast het pgb kan ook een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi. Ook bij een financiële tegemoetkoming zal de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. En ook bij een financiële tegemoetkoming moet verantwoording afgelegd worden over de besteding van de tegemoetkoming, tenzij het om een forfaitair bedrag gaat: een forfaitair bedrag voor een verhuizing kan vrij worden besteed, mits er daadwerkelijk verhuisd wordt. HOOFDSTUK 4. PROCEDURELE BEPALINGEN ROND ONDERZOEK, ADVIES EN BESLUITVORMING Uit de Wmo-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de medische noodzaak aanwezig moet zijn om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat zorgvuldig onderzoek en (indien nodig) advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, van cruciaal belang is. Waar het gaat om psychische of psychosociale problemen, kan een advies van een andere deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn. Daarbij valt te denken aan een psycholoog of (ortho)pedagoog. 1. Onderzoek, advies en indicatiestelling 1.1 Onderzoek: het gesprek• Artikel 3 van de verordening bepaalt dat iedereen die voor het eerst een beroep doet op de compensatieplicht in het kader van de Wmo, in aanmerking komt voor een gesprek. Dat geldt ook voor mensen die al bekend zijn met de Wmo, maar waarbij er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoonlijke situatie. Het gesprek vindt doorgaans plaats bij belanghebbende thuis. Tijdens het gesprek wordt aan de hand van de in hoofdstuk 2 vermelde resultaten besproken wat de beperkingen zijn van belanghebbende en welke oplossingen daarvoor het best passen in zijn of haar situatie. • Lid 1 van artikel 5 van de verordening bepaalt dat tijdens het gesprek de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. Functiestoornissen kunnen leiden tot beperkingen bij de participatie. Op dit niveau zal compensatie op basis van de Wmo moeten plaatsvinden. Ook bij de vermelding van deze beperkingen zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. 1.2 Medisch adviesLid 1 van artikel 25 van de verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden. In lid 2 van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin het college de door haar aangewezen adviesinstantie om advies kan vragen. Het gaat hier om de volgende situaties: a. de sociaal medische situatie van belanghebbende geeft daarvoor aanleiding; of b. het voornemen bestaat de gevraagde voorziening om medische redenen af te wijzen; of; c. het college vindt dat overigens gewenst. 1.3 Indicatiestelling door het collegeIndien er geen aanleiding is voor het inschakelen van een medische adviesinstantie, vindt de indicatiestelling plaats: • Middels een huisbezoek door een Wmo-consulent (al dan niet in combinatie met dossieronderzoek); • Middels een telefonische indicatie door een Wmo-consulent (al dan niet in combinatie met dossieronderzoek). 2. Besluitvorming Het college beoordeelt het medisch advies en besluit tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening. 3. Motiveringsplicht Artikel 26 van de wet bepaalt dat het college een motiveringsplicht heeft. Dit houdt in dat het college verplicht is om een besluit op een aanvraag van een individuele voorziening goed te motiveren in de beschikking. Het besluit moet bijdragen aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. 4. Vergewisplicht Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het college zich ervan dient te vergewissen dat het onderzoek dat door een externe adviesinstantie is uitgevoerd, op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het college dient daarbij aandacht te besteden aan de volgende zaken: 1. de wijze van onderzoek; 2. naam van de huisarts en/of specialist waarbij informatie is ingewonnen, datum van ontvangst van de informatie en of dit mondeling of schriftelijk is verstrekt; 3. de medische gegevens waarop het advies is gebaseerd; 4. de analyse op basis van de medische gegevens en gevolgtrekkingen met betrekking tot de aanvraag in kwestie. 5. Bezwaarprocedure Artikelen 7:1 en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat een belanghebbende binnen zes weken na verzending van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen tegen het besluit van het college. Overschrijding van deze termijn heeft tot gevolg dat het bezwaar inhoudelijk niet in behandeling wordt genomen. Het wordt niet ontvankelijk verklaard. Hiervan wordt alleen afgeweken als de belanghebbende een verschoonbare reden heeft voor het te laat indienen. Belanghebbende dient het bezwaarschrift officieel in bij het college. Het bezwaarschrift wordt ondertekend en voorzien van: a. naam en adres; b. dagtekening; c. een kopie van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; d. de gronden van het bezwaar. Een bezwaarschrift schorst de werking van het besluit niet. Als een bezwaarschrift in behandeling wordt genomen, ontvangt de indiener een uitnodiging voor een hoorzitting. Tijdens deze zitting krijgt hij de gelegenheid om zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Bij de hoorzitting is een vertegenwoordiger van de vakafdeling aanwezig om het besluit toe te lichten en vragen te beantwoorden. Op grond van de bezwaren wordt het bestreden besluit heroverwogen d.w.z. dat nagegaan wordt of het besluit op de goede gronden en volgens de juiste procedure tot stand is gekomen. Deze heroverweging kan resulteren in het herroepen van het besluit dan wel het in stand laten hiervan met eventuele wijziging of aanvulling van de motivering. BIJLAGE 1. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN RESULTATEN 1, 3, 4 EN 5 Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis Omschrijving van de werkzaamheden Licht huishoudelijk werk - afwassen - bedden opmaken - stof afnemen/ragen - kamers opruimen - planten water geven Zwaar huishoudelijk werk - stofzuigen/dweilen/vegen - schoonhouden van sanitair en keuken - bedden verschonen - opruimen huishoudelijk afval - ramen lappen 1 x per 3 maanden - periodiek keukenkastjes en koelkast schoonmaken Bedden- en linnengoed wassen Dagelijkse organisatie van het huishouden - organisatie huishoudelijke activiteiten - plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden (checken aanwezigheid schoonmaakmiddelen, stofzuigerzakken enz.) - eenvoudige administratieve werkzaamheden (postbehandeling / invullen formulieren) Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden - formuleren/bijstellen doelen met betrekking tot het huishouden instructie omgaan met huishoudelijke apparatuur - instructie huishoudelijke taken - instructie textielverzorging/was - instructie koken + boodschappen doen Normtijden De normtijden worden weergegeven in minuten en zijn indicatief, waardoor er gemotiveerd (zowel naar boven, als beneden) van afgeweken kan worden. Uitgangspunten bij de verschillende normen zijn type/ grootte van de woning en de omvang van de leefeenheid. Norm A: eenpersoons huishouden, tweekamerwoning/gelijkvloers (woonkamer en één slaapkamer). Norm B: eenpersoons huishouden, meerkamerwoning (woonkamer en minimaal twee slaapkamers) of tweekamerwoning (woonkamer en slaapkamer) niet gelijkvloers. Norm C: meerpersoons huishouden (waarbij grootte van de woning niet van belang is). figuur 2.pdf (versie geldig sinds: 16-09-2013; PDF-bestand; grootte: 9.63 kB) *maximaal 3 keer per week, maximaal 6 tot 12 weken. Factoren om van de norm af te wijken kunnen zijn: Bij licht en zwaar huishoudelijk werk - hoge vervuilingsgraad - aanwezigheid van kinderen < 12 jaar - aanwezigheid huisdieren - COPD problematiek - psychogeriatrische problematiek/communicatieproblemen - bij ernstige beperking in gebruik van handen en/of armen kan (indien geen maaltijd geïndiceerd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.