Herziene regels energiebesparing en hernieuwbare energie 2013GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 1.2, tweede lid, in samenhang met artikel 5.10.1, tweede lid, van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011; BESLUITEN Vast te stellen de volgende regeling: Herziene regels energiebesparing en hernieuwbare energie 2013 Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1.1 In deze regels wordt verstaan onder: AGVV: Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Europese Commissie van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 214); bodemenergie: het gebruik en de opslag van warmte of koude in de ondiepe ondergrond; businessplan: een plan dat informatie bevat over de planning, de financiering, de haalbaarheid en de risico’s van de pilot en de werkwijze die wordt gehanteerd bij het uitvoeren van de pilot; CNG: Compressed Natural Gas, ofwel aardgas dat met behulp van een compressor is gecomprimeerd tot een druk van 200 bar; eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont; Energy Service Company: samenwerking tussen partijen met als doel om energiebesparende maatregelen uit te voeren voor de eigenaar van een gebouw, waarbij een van de partijen risicodragend participeert; gaswarmtepomp: een installatie die met behulp van gas warmte verplaatst van buiten het betreffende gebouw naar binnen waarbij minimaal 75.000 m3 gas en maximaal 500.000 m3 gas wordt gebruikt per jaar; groen gas: biogas dat is gezuiverd tot aardgaskwaliteit en dat vervolgens is gecomprimeerd; grote onderneming: een onderneming die gelet op de grootte niet behoort tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en microondernemingen (PbEU L 124); hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; LBG: Liquefied Bio Gas, ofwel biogas dat is gecomprimeerd door het te vervloeien bij een temperatuur lager dan -162 °C; LNG: Liquid Natural Gas, ofwel aardgas dat is gecomprimeerd door het te vervloeien bij een temperatuur lager dan -162 °C; lokaal: binnen een afstand van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van hernieuwbare energie; lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van voornoemde onderneming; masterplan bodemenergie: visiedocument over het optimaal gebruik van de ondergrond voor het gebruik van bodemenergie; mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie: een installatie die in één proces gelijktijdig thermische energie en elektrische energie opwekt waarbij minimaal 75.000 m3 gas en maximaal 500.000 m3 gas wordt gebruikt per jaar; onderneming: elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd; ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten; pilot: proefproject dat een indicatie geeft van de omvang, inpassing en haalbaarheid van een project; rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag; regionale centra voor technologie: de stichting Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk Stedendriehoek te Apeldoorn en de stichting Veluws Centrum voor technologie te Nunspeet; terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing; warmtepomp: een installatie die met behulp van elektriciteit warmte verplaatst van buiten het betreffende gebouw naar binnen waarbij minimaal 150.000 kWh stroom en maximaal 1.000.000 kWh stroom wordt gebruikt per jaar. Paragraaf 2 Haalbaarheidsonderzoek Artikel 2.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor het doen uitvoeren van haalbaarheidsonderzoeken voor nieuw te ontwikkelen installaties en infrastructuur gericht op energiebesparing of de opwek van hernieuwbare energie. 2 Een haalbaarheidsonderzoek zoals bedoeld in het eerste lid bevat het volgende: een beschrijving van de projectopzet; een opgave van de deelnemende of anderszins te betrekken partijen; een omschrijving van hun rol in het project; het vermogen en de energieopbrengst (in Joules); de globale kosten en baten; een schatting van de opbrengst in termen van CO2-emissiebeperking en; eventuele andere milieueffecten. Artikel 2.2 Subsidiabele kosten De kosten van de eigen personele inzet van de aanvrager of van de onderneming ten behoeve waarvan de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 2.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de stichting Programmabureau EMT en de regionale centra voor technologie. Artikel 2.4 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie voor de stichting Programmabureau EMT bedraagt maximaal € 200.000,-. 2 De subsidie voor de regionale centra voor technologie bedraagt maximaal € 50.000,-. Artikel 2.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: om per onderneming ten behoeve waarvan de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd maximaal € 25.000,- te verstrekken; om de onderneming ten behoeve waarvan de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, te verplichten om ten minste 50% van de kosten van de subsidiabele activiteit zelf te dragen; om de opdracht tot uitvoering van de subsidiabele activiteit te verstrekken binnen een jaar nadat de subsidie is verleend; om ervoor zorg te dragen dat de subsidiabele activiteit binnen een jaar na het verlenen van de opdracht is voltooid en; om het haalbaarheidsonderzoek openbaar te maken. Paragraaf 3 Businesscase Artikel 3.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor het opstellen van een business case voor: het realiseren van installaties en energie infrastructuur gericht op energiebesparing of de opwek van hernieuwbare energie; het oprichten van een lokaal duurzaam energiebedrijf gericht op energiebesparing of de opwek van hernieuwbare energie of; een Energy Service Company gericht op energiebesparing of de opwek van hernieuwbare energie. 2 De businesscase bevat het volgende: een toelichting op de hoedanigheid van de aanvrager, waaronder in ieder geval de juridische en de bestuurlijke structuur en een opgave van de partners; een haalbaarheidsanalyse; een financiële haalbaarheidsanalyse waarbij de volgende zaken worden meegenomen: projecties van de winst- en verliesrekening over een periode van 5 jaar; projecties van de balans over een periode van 5 jaar; een liquiditeitsprognose per maand over een periode van 2 jaar; een omschrijving van de betrokken patenten, en; een beschrijving van de gegenereerde energieopbrengst, een beschrijving van het opgewekte vermogen en een schatting van het resultaat in joules. Artikel 3.2 Subsidiabele kosten De kosten voor eigen personele inzet van de onderneming ten behoeve waarvan de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 3.3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een minimum € 7.500,- en een maximum van € 75.000,-. Artikel 3.4 Verplichting De subsdieontvanger is verplicht om de business case openbaar te maken. Paragraaf 4 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen Artikel 4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten die aan de volgende voorwaarden voldoen: minimaal 50 natuurlijke personen nemen deel middels een financiële bijdrage; de financiële deelname van voornoemde personen bedraagt minstens 25% van de subsidiabele kosten; de bijdrage per natuurlijk persoon bedraagt minimaal € 50,-; het lokale hernieuwbare energieproject heeft een terugverdientijd van minimaal vijf jaar. Artikel 4.2 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven. Artikel 4.3 Aanvraag Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de aanvraag een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen en van de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon. Artikel 4.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 200.000,-. Artikel 4.5 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd: indien minder dan 50 natuurlijke personen financieel deelnemen; indien de financiële deelname van voornoemde personen minder dan 25% van de subsidiabele kosten bedraagt; indien de bijdrage per natuurlijk persoon niet minimaal € 50,- bedraagt; voor lokale hernieuwbare energieprojecten met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar. Artikel 4.6 Verplichting De subsidieontvanger is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdrage van natuurlijke personen zoals genoemd in artikel 4.1 onder c minimaal 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit. Paragraaf 5 Woningisolatie Artikel 5.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor het verstrekken van subsidie voor woningisolatie van koopwoningen. Artikel 5.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt: indien de eigenaar-bewoner vloerisolatie aanbrengt met een Rd-waarde van minimaal 2,5 m² K/W, of; indien de eigenaar-bewoner dakisolatie aanbrengt met een Rd-waarde van minimaal 2,5 m² K/W, waarbij isolatie van de vloer van niet-verwarmde vliering wordt beschouwd als dakisolatie, of; indien de eigenaar-bewoner muurisolatie aanbrengt door middel van het aanbrengen van spouwmuurisolatie in de bestaande spouw, of door middel van het aanbrengen van andere gevelisolatie waarbij de Rd-waarde 2,5 m² K/W is, of; indien de eigenaar-bewoner bestaand glas vervangt door HR++-glas. Artikel 5.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 5.4 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd: indien de subsidie niet wordt aangevraagd door en niet ten goede komt aan de betreffende eigenaar-bewoner; indien de subsidie wordt aangewend voor isolatie van woningen die geen woonbestemming hebben of die niet worden bewoond door de eigenaar, of; indien de subsidie wordt aangewend voor isolatie van woningen die zijn opgeleverd na 1 januari 1980. Artikel 5.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: om ervoor te zorgen dat, indien de subsidie wordt verstrekt op grond van meerdere aanvragen, de totale som van de subsidie niet hoger is dan ten hoogste een derde van de subsidiabele kosten per koopwoning met een maximum van € 500,- per koopwoning; om ervoor te zorgen dat, indien de subsidie wordt verstrekt op grond van meerdere aanvragen, elk ondertekend door tenminste zes eigenaar-bewoners die afkomstig zijn uit één gemeente, de totale som van de subsidie niet hoger is dan ten hoogste één derde van de subsidiabele kosten per koopwoning met een maximum van € 750,- per koopwoning; om de subsidie zoals beschreven onder a en b aan te laten vragen binnen een periode van 3 jaar te rekenen vanaf 1 januari 2013; om ervoor te zorgen dat het maximaal aantal koopwoningen dat voor subsidie in aanmerking komt 20% bedraagt van het aantal woningen dat binnen de gemeente voldoet aan de criteria genoemd in artikel 5.4, aanhef en onder b en c. Paragraaf 6 Masterplan bodemenergie Artikel 6.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor het doen opstellen van een masterplan bodemenergie. Artikel 6.2 Subsidiabele kosten De kosten voor eigen personele inzet van de aanvrager komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 6.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit gericht is op: het voorkomen van de negatieve onderlinge beïnvloeding van bodemenergiesystemen; het voorkomen van negatieve beïnvloeding van andere bodemfuncties door bodemenergiesystemen of; het waar mogelijk benutten van positieve interactie tussen bodemenergiesystemen onderling en tussen bodemenergiesystemen en ander bodemgebruik. Artikel 6.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 6.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-. Paragraaf 7 Rijden op biogas: bedrijfsmatig te gebruiken wegvervoermiddelen Artikel 7.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 lid 2 van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor de aanschaf van nieuwe wegvervoermiddelen die geschikt zijn voor het rijden op CNG, groen gas, LNG of LBG. Artikel 7.2 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen de extra investeringskosten in aanmerking voor een wegvervoermiddel dat rijdt op CNG, groen gas, LNG of LBG, ten opzichte van de investeringskosten voor een vergelijkbaar wegvervoermiddel dat op diesel of benzine rijdt. Artikel 7.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen en publiekrechtelijke rechtspersonen. Artikel 7.4 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten indien het betrokken wegvervoermiddel een massa heeft van minder dan 3500 kilogram en rijdt op CNG, groen gas, LNG of LBG, met een maximum van € 2.000,- per wegvervoermiddel en met een totaal maximum, indien aanvrager meerdere wegvervoermiddelen aanschaft, van € 12.000,-; 2 De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten indien het betrokken wegvervoermiddel een massa heeft van meer dan 3500 kilogram en rijdt op CNG of groen gas, met een maximum van € 6.000,- per wegvervoermiddel en met een totaal maximum, indien aanvrager meerdere wegvervoermiddelen aanschaft, van € 30.000; 3 De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten indien het betrokken wegvervoermiddel een massa heeft van meer dan 3500 kilogram en rijdt op LNG of LBG, met een maximum van € 15.000,- per wegvervoermiddel, en met een totaal maximum, indien aanvrager meerdere wegvervoermiddelen aanschaft, van € 60.000,-. Artikel 7.5 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd: indien voertuigen in het kader van een concessie tussen een overheidsinstantie en een aanvrager worden aangeschaft; indien de aanvrager subsidie ontvangt, op basis van andere soortgelijke subsidieregelingen, voor hetzelfde wegvervoermiddel of dezelfde wegvervoermiddelen als waarvoor aanvrager onderhavige subsidie aanvraagt, waardoor de totale subsidie, te weten de subsidie die aanvrager wenst te ontvangen op basis van deze regeling en mogelijke andere soortgelijke subsidieregelingen, boven de maximale subsidiehoogte komt zoals beschreven in artikel 7.4 of; indien de aanvrager het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.