Beleidsregels boeteoplegging Sociale Zekerheid 2013, gemeente OosterhoutHet college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Oosterhout; gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 18a van de Wet werk en bijstand, artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; besluit vast te stellen de “Beleidsregels boeteoplegging Sociale Zekerheid 2013, gemeente Oosterhout”. Artikel 1 Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: WWB: Wet werk en bijstand; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout; boetebedrag: het boetebedrag vastgesteld volgens artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; boete: de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 18a van de WWB, artikel 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ; benadelingsbedrag: hetgeen hieronder wordt verstaan in de artikelen zoals genoemd in onderdeel g. Artikel 2 Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot het opleggen van een boete De hoogte van de boete is maximaal 100% van het benadelingsbedrag als sprake is van een eerste overtreding. De hoogte van de boete is maximaal 150% van het benadelingsbedrag als sprak is van een tweede of volgende overtreding. Artikel 3 Schriftelijke waarschuwing In plaats van een boete wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven als het niet nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, tenzij: het gegronde vermoeden bestaat dat belanghebbende opzettelijk de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. Artikel 4 Verminderde verwijtbaarheid De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van persoon en gezin. De mate van verwijtbaarheid wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeerde toen hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien: belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die emotioneel zo ontwrichtend waren dat niet volledig is toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; belanghebbende wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting. Indien het college heeft vastgesteld dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid dan verlaagt het college het boetebedrag met 50%. Artikel 5 Het besluit tot opleggen van een boete In het besluit tot het opleggen van een boete worden in elk geval vermeld: de mededeling dat een boete wordt opgelegd, de reden van de boete, de wijze van verrekenen van de boete en, indien van toepassing, de reden om de boete te verlagen. Artikel 6 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing ervan tot kennelijke onredelijkheid en onbillijkheid leidt. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het college. Artikel 7 Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Artikel 8 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels boeteoplegging Sociale Zekerheid 2013, gemeente Oosterhout. Aldus vastgesteld op 16 september 2013de burgemeester de secretarisAlgemene toelichting Met inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten is de bestuurlijke boete in het leven geroepen. Op grond van artikel 18a van de Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 20a in zowel de IOAW als de IOAZ legt het college een bestuurlijke boete op indien er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Er zijn situaties denkbaar waarin het college kan besluiten een lagere boete of in het geheel geen boete op te leggen. Deze bevoegdheid dient nader ingekaderd te worden door middel van beleidsregels. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, de IOAW, de IOAZ of de Awb niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in deze wetten de beleidsregels moeten worden gewijzigd. De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB, de IOAW, de IOAZ of de Awb, of die verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven. Artikel 2 Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete In dit artikel is de hoofdregel opgenomen. Deze hoofdregel is dat de boete in principe 100% van het benadelingsbedrag bedraagt. Indien sprake is van recidive dan wordt het boete bedrag met 50% verhoogd. De boete bedraagt dan dus 150% van het benadelingsbedrag. Artikel 3 Schriftelijke waarschuwing Op grond van artikel 18a, lid 4, WWB, artikel 20a, lid 4, IOAW en artikel 20a, lid 4, IOAZ, heeft de gemeente de bevoegdheid om in de gevallen waarin de schending van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot teveel verstrekte uitkering, geen boete op te leggen maar te volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Met de bepaling in dit artikel 3 wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. In een aantal gevallen waarin sprake is van schending van de inlichtingenplicht zonder dat dit geleid heeft tot teveel verstrekte uitkering, zal echter niet volstaan worden met een waarschuwing. In artikel 3 worden twee situaties aangegeven waarin hiervan sprake is. In eerste plaats in de situatie waarin de belanghebbende willens en wetens zijn inlichtingenplicht schendt. De tweede situatie is als belanghebbende al eerder een boete of een waarschuwing heeft gekregen wegens het schenden van de inlichtingenplicht. Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.