De ecologische structuur van Uithoorn reikt echter verder dan de gebieden en verbindingen die in de PEHS zijn opgenomen. Ook daarbuiten gelegen groengebieden en verbindingen hebben een ecologische betekenis. In ‘Natuur in Beeld’ wordt aandacht besteed aan de natuurwaarden op het gehele grondgebied van de gemeente Uithoorn. Verschillende typen groengebieden worden in beeld gebracht, waarbij kenmerkende, beschermde soorten worden beschreven. Dit biedt tevens de basis op grond waarvan een visie en maatregelen worden uitgewerkt ter versterking van de natuurwaarden. Natuur voor mensenBehoud en versterking van (samenhang in) de ecologische structuur van Uithoorn is niet alleen van belang voor de flora en fauna, maar ook voor de mens. Een belangrijke rol van de natuur in de stad is zonder meer de veraangenaming van de woon- en werkomgeving, de verhoging van de leefbaarheid. Het stedelijk groen speelt bovendien een belangrijke rol in de primaire behoefte van de mens naar het kennen en kunnen plaatsen van de eigen leefomgeving. Gebiedseigen groen draagt bij aan de identiteit van een plek: de genius loci. 1.3 Doelstelling en opzet rapport De Natuurkaart Uithoorn dient een middel te zijn om de binnen de gemeentegrenzen aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te maken, te waarborgen en waar mogelijk te versterken. De natuurkaart bestaat allereerst uit een inventarisatiegedeelte, waarin bestaande beleidskaders en natuurwaarden (typen groengebieden en kenmerkende soorten) in kaart worden gebracht. Vervolgens wordt in de natuurkaart de visie verwoord voor de ontwikkeling van ecologische infrastructuur in de komende jaren, met een plantermijn van ca. 15 jaar, waarbij tevens een overzicht wordt gegeven van knelpunten en kansen. De visie wordt tot slot vertaald naar een uitvoeringsprogramma met concrete inrichtings- en beheersmaatregelen. De natuurkaart schept tevens een kader voor de uitvoering van de Flora- en faunawet, voor zover deze betrekking heeft op beheer en ruimtelijke ingrepen. De natuurkaart geeft daarbij het kader op grotere schaal. In het kader van concrete planvorming zal het nodig blijven om gedetailleerde gebiedsinformatie te verkrijgen, de effecten op beschermde flora en fauna in kaart te brengen en op basis daarvan een ontheffing aan te vragen in het kader van de Flora- en faunawet. Met de nieuwe natuurkaart zullen dergelijke onderzoeken eenvoudiger kunnen worden uitgevoerd, omdat door middel van de natuurkaart veel gegevens over voorkomende flora, fauna en beschermde soorten beschikbaar zijn gemaakt en op inzichtelijke wijze in kaart gebracht. Voorliggende rapportage betreft het hoofdrapport. Achterliggende inventarisatiegegevens en gebiedsbeschrijvingen zijn in een separaat bijlagenrapport opgenomen. 2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Ligging De gemeente Uithoorn ligt in het zuiden van de provincie Noord-Holland, nabij plaatsen als Aalsmeer, Amstelveen, Jacobswoude, Nieuwveen en Mijdrecht. Uithoorn ligt tussen de Westeinderplassen en de Vinkeveense Plassen (beide kerngebied binnen de Noord-Hollandse PEHS) en wordt aan de zuidoostzijde begrensd door de rivier de Amstel en aan de zuidwestzijde door de rivier de Drecht. In het noordoosten wordt de gemeente begrensd door de Randweg en de Hollandse Dijk en in het noordwesten door de N231 en de Hoofdtocht. De N201 doorsnijdt de bebouwing van Uithoorn. Deze provinciale weg loopt van Haarlem naar Hilversum via Uithoorn en Mijdrecht. In de toekomst zal de N201 ten noorden van Uithoorn komen te liggen. Verder is nabij het oude centrum het natuurgebied Zijdelmeer aanwezig, een kerngebied van de PEHS. Daarnaast zijn er twee forten in de gemeente aanwezig: Fort De Kwakel en Fort aan de Drecht. Zij vormen een onderdeel van de Stelling van Amsterdam. WoonwijkenUithoorn is gelegen in een gebied dat van oorsprong moeras was. De kern Uithoorn is opgebouwd uit een aantal woonwijken: het ‘oude’ dorpscentrum aan de Amstel, Thamerdal (±1960), Zijdelwaard (±1970), De Legmeer (±1975), Meerwijk-Oost (±1985) en Meerwijk- West (±1995). De woonwijken Thamerdal, Zijdelwaard en De Legmeer zijn gebouwd in uitgeveende en daarna drooggelegde veenplassen. De woonwijk Meerwijk is gebouwd op de zogenaamde bovenlanden, het niet-afgegraven moerasveen. In het oude dorpscentrum zijn weinig waterelementen aanwezig. In Thamerdal, Zijdelwaard en De Legmeer zijn watergangen aangelegd voor het drooghouden van de wijken en voor de opvang van water vanuit riooloverstortingen. Bij aanleg van Meerwijk zijn de bestaande hoofdtochten zoveel mogelijk bewaard gebleven. Hierdoor heeft de wijk een waterrijk karakter. Het landelijke De Kwakel bestaat uit een lintbebouwing van eensgezinshuizen langs enkele polderdijkjes, de wijk De Kuil en een poldergebied met land- en tuinbouw. De naam van het gebied is ontleend aan ‘Kwakel’: een hoge smalle voetbrug, die men voorheen veel in dit gebied kon aantreffen. De Kwakel wordt doorkruist door de Ringvaart. 2.2 Landschap en cultuurhistorie De aanwezige natuurwaarden in de gemeente Uithoorn worden voor een belangrijk deel bepaald door de landschappelijke ligging en ontstaansgeschiedenis van het gebied. Vandaar dat hier wordt ingegaan op de in het gebied aanwezige landschappelijke eenheden, het ontstaan en de ontwikkeling hiervan, en op de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn. De gemeente Uithoorn bevindt zich op de overgang van droogmakerijen naar het veenweidegebied. Figuur 2.2 geeft hiervan een overzicht. Deze figuur is overgenomen uit het Amstelgroen Gebiedsperspectief. Het veenweidegebied wordt hierin aangeduid als ‘veenrivierengebied’. Droogmakerijenbevinden zich in het noordelijk en noordwestelijk deel van Uithoorn. Het gebied staat onder zeer hoge druk van verstedelijking (glastuinbouw, wonen en werken) met een onduidelijke en rommelige ruimtelijke structuur met in de huidige situatie een lage recreatieve waarde. Linten en tochten vormen aanknopingspunt voor ecologische en recreatieve routes. Het veenweidegebiedbevindt zich in het zuidelijk en zuidoostelijk deel van Uithoorn. Het gebied kenmerkt zich door een agrarisch karakter, openheid en relatief lage dynamiek. In delen van deze polders is een functieverandering voorgesteld (van agrarisch beheer naar meer natuurlijk beheer). Rivieren, dijken en het (historisch) verkavelingspatroon zijn kenmerkend voor het veenweidegebied en vormen goede aanknopingspunten voor (ecologische) verbindingen. Uithoornse polder, veenplassen en droogmakerijen Het veengebied van de Uithoornse Polder bestaat uit onverveend bovenland dat sporen draagt van het oude land ten tijde van de middeleeuwen. Toen de eerste ontginners rond 1100 het gebied introkken, troffen zij een waterrijk veenlandschap aan dat door natuurlijke riviertjes doorsneden werd. Men startte met het ontginnen van de hoger gelegen kleiige oevers van de natuurlijke waterlopen. In de lengte groef men sloten om het gebied af te wateren. Het gebied werd in de loop der tijd opgehoogd en bemest met zogenoemde ‘toemaeck’ (huishoudelijk afval als retourvracht uit Amsterdam aangevoerd met turfschuiten). Het land dat op deze wijze ontstond was geschikt voor veeteelt. De huidige structuur van de Uithoornse Polder is voor een belangrijk deel in deze periode gevormd. Het Zijdelmeer is een restant van het voormalige Legmeer, dat zich uitstrekte van Uithoorn tot Bovenkerk. Het hele gebied rond het Legmeer veranderde door vervening sterk. Het werd een plassengebied met legakkers. De vervening nam met name in de 17e eeuw sterk toe. Om te voldoen aan de steeds groter wordende vraag naar turf werd veengrond onder de waterspiegel tot vrij grote diepte weggebaggerd. Hierdoor ontstonden er in de omgeving diverse veenplassen die een bedreiging voor de bewoners vormden. In 1876 werd begonnen met de droogmaking van de Legmeerplassen en een deel van het Zijdelmeer en ontstonden de droogmakerijen. De droogmakerijen hebben dan ook een veel lagere maaiveldligging (ruim 3 meter lager) dan de zuidelijker gelegen veenpolders. Forten van de Stelling van AmsterdamDe forten in het gebied vormen onderdelen van de Stelling van Amsterdam. In totaal omvat de Stelling 42 forten die in een wijde cirkel rond de hoofdstad liggen. Het omringde gebied bood ruimte aan legers, bevolking en vee. De vijand kon buiten gehouden worden door rondom de Stelling gebieden onder water te zetten (inundatievelden). De Stelling van Amsterdam is in de praktijk nooit gebruikt. Bij de aanleg van het Fort aan de Drecht is de slappe veenondergrond vervangen door zand en verder is het gebouw onderheid. Ook de afdeklaag van het fort bestaat uit een 0,5 tot 1,0 meter dikke zandlaag, die later deels is verwijderd. De liniedijk (Vuurlijn) loopt in westelijke richting langs de noordzijde van het Natuurgebied Uithoorn naar het Fort De Kwakel en in noordoostelijke richting, langs de Amstel, naar het Fort Waveramstel. Het vormde de grens tussen het inundatiegebied aan de zuidkant (Zuider Legmeerpolder) en de Noorder Legmeerpolder en Thamerpolder. Inundatie vond plaats vanuit de Ringvaart. 2.3 Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat voornamelijk uit zeeklei en veen: klei in de droogmakerijen en veen in de veenpolders. Het veen komt nog voor in de Uithoornse Polder omdat het van te slechte kwaliteit was om er turf van te maken. Het grondgebruik in de veenweidegebieden bestaat uit grasland en tussengelegen (brede) sloten, kleinschalige glastuinbouw met erfbeplanting (nabij dorp De Kwakel), bebouwing van Uithoorn en De Kwakel en natuur (onder andere het Zijdelmeer). De zeeklei in het gebied betreft de droogmakerijen. In de Zuider Legmeerpolder is de klei iets zaveliger dan in de Noorder Legmeerpolder en komen zandbanen voor. Het grondgebruik op de klei bestaat uit glastuinbouw, akkerbouw (waar de ontwatering voldoende is), grasland en bebouwing (woonwijk De Legmeer). GrondwaterDoor de grote hoogteverschillen in het gebied is er een permanente grondwaterstroming vanuit de hoger gelegen Uithoornse polder (onder andere vanuit het Zijdelmeer) naar de dieper gelegen polders (Noorder Legmeerpolder en Zuider Legmeerpolder). De Noorder en Zuider Legmeerpolders zijn daardoor polders met de meeste kwel. Het wegzijgende water uit de Uithoornse Polder wordt (afhankelijk van de neerslag) aangevuld door het inlaten van water vanuit de Amstel. Deze aanvulling is ook nodig vanwege de verdamping van water en voor de handhaving van een redelijke waterkwaliteit. 3 Beleidskader Dit hoofdstuk bevat een analyse van de meest relevante beleidsstukken op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Overige relevante beleidstukken zijn opgenomen in het bijlagenrapport. 3.1 (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur Voor het duurzaam in stand houden van de ruimtelijke structuur van natuurgebieden in Nederland is op rijksniveau het begrip Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gedefinieerd. Het rijksbeleid ten aanzien van de EHS is verwoord in de nota “natuur voor mensen, mensen voor natuur”
figuur 3.1). Binnen Uithoorn vormen het Zijdelmeer en het veenweidegebied kerngebieden. Het veenweidegebied is onder andere van belang voor het voortbestaan van weidevogels. Buiten de gemeentegrenzen vormen onder andere de Westeinderplassen en Vinkeveense plassen kerngebieden. De forten zijn als landschapselementen aangemerkt. PEHS: verbindingszonesBinnen de gemeente Uithoorn zijn een viertal belangrijke verbindingszones onderscheiden waarvoor tevens beleid is vastgesteld. Het betreft de Amstel, de Drecht (zuidzijde Zuider Legmeerpolder), de Vuurlijn en de toekomstige verbindingszone tussen de Hollandse Dijk en de toekomstige N201. Figuur 3.1 Ecologische verbindingen en kerngebieden binnen de PEHS Amstel (figuur 3.1: nr. 7) Ecologische verbindingszone ter hoogte van het oude centrum van Uithoorn en het bedrijventerrein: het betreft een verbindingszone van de PEHS voor planten en dieren met biotooptype ‘veenmoerassen met schraallanden en wateren’. De Amsteloever is een structuurlijn in het landschap die gecombineerd kan worden met wandel-en fietsroutes. Langs de Amsteloever staat boombeplanting met onderbeplanting in clusters. Er dient geen doorgaande beplanting aangeplant te worden. Volgens de visie dient een beperkt aantal aanlegplekken voor de pleziervaart gemaakt te worden. De Amstelbrug vormt een ingang van Uithoorn. Onder de brug is geen doorgaande oever aanwezig. Ook is er langs het overige deel van de oever – ter hoogte van het stedelijk gebied – weinig ruimte voor flora en fauna (weinig migratiemogelijkheden) aanwezig. De brug evenwijdig aan de Amstelbrug bestaat uit een metalen constructie waaronder evenmin migratiemogelijkheden voor flora en fauna aanwezig zijn. Toekomstige verbinding Drecht-Westeinderplassen (figuur 3.1: nr. 3) Ecologische verbindingszone tussen veenweidegebieden en Westeinderplassen uit rapport ‘Groene Wegen’ (onderdeel Natte As): het deeltraject moet gaan fungeren als een ‘moerasverbinding met kleine en grotere moerasjes (stapstenen), al dan niet met bos- en/of grasstrook. Het is tevens een gewenste recreatieve zone. Doelsoorten zijn ringslang, heikikker, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Gidssoorten voor dit traject zijn ringslang, heikikker, rugstreeppad, waterspitsmuis, noordse woelmuis, oranjetip, hooibeestje, koevinkje, meervleermuis en geelsprietdikkopje. Vuurlijn (figuur 3.1: gestippeld) Ecologische verbindingszone uit streekplan: N201, langs noordzijde van het Zijdelmeer, via Vuurlijn naar Westeinderplassen. Is tevens een gewenste recreatieve zone: de Vuurlijn is een structuurlijn in het landschap die gecombineerd kan worden met wandel- en fietsroutes. Samen met de Groene Scheg is het streefbeeld van de Vuurlijn een hoogwaardige natte groen inrichting met mogelijkheden voor recreatie. De Vuurlijn is ter hoogte van het Zijdelmeer kort begraasd. Extensievere begrazing heeft een vergroting van de natuurwaarden tot gevolg. Op de kaart betreffende de PEHS zoals vastgesteld op 2 november 2004 is de Vuurlijn aangewezen als provinciale ecologische verbinding. Toekomstige verbinding langs toekomstige N201 (figuur 3.1: nr. 1) Grotendeels op Amstelveens grondgebied gelegen; uitsluitend aan de binnenzijde ligt de verbinding op Uithoorns grondgebied. Ecologische verbindingszone uit rapport ‘Groene Wegen’ (onderdeel Natte As): het deeltraject moet gaan fungeren als een ‘moerasverbinding met kleine en grotere moerasjes (stapstenen), al dan niet met bos- en/of grasstrook. Het is tevens een gewenste recreatieve zone. Doelsoorten zijn ringslang, heikikker, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Gidssoorten voor dit traject zijn ringslang, heikikker, rugstreeppad, waterspitsmuis, noordse woelmuis, oranjetip, hooibeestje, koevinkje, meervleermuis en geelsprietdikkopje. Overig provinciaal groenbeleid (
ook bijlagenrapport)Groene As: ecologische verbindingszone tussen Amstelland en Spaarnwoude. In het noorden grenst een deeltraject van deze groene verbinding aan Uithoorn en overlapt met de toekomstige ecologische verbindingszone tussen de bebouwing van Uithoorn en de nieuw aan te leggen N
ook bijlagenrapport) vormt het kader waarbinnen concrete groenplannen kunnen worden opgesteld en geeft inzicht in de middelen die daarvoor noodzakelijk zijn. Het plan geeft richting aan renovaties, herinrichtingen en omvormingen van openbaar groen en geeft aanwijzingen ten aanzien van het gewenste beheer. Tevens wordt ingegaan op de potentiële ecologische infrastructuur binnen de gemeente (
figuur 3.2). Binnen de ecologische infrastructuur van Uithoorn vormen de Groenrode Scheg en De Biezenwaard grote eenheden. Regionaal gezien zijn onder andere de verbinding met de Bovenkerkerpolder ten noorden van Uithoorn en Polder Blokland en de Drecht ten zuiden van Uithoorn de belangrijkste aandachtspunten. De Amstel is een belangrijke natte verbinding, die via de Drecht verbonden kan worden met de Westeinderplassen. De belangrijkste onderdelen van de huidige ecologische infrastructuur van Uithoorn zijn de Uithoornse en de Kalslager Polder, het Zijdelmeer (beschermd natuurgebied) en de groenzone tussen Meerwijk-Oost en Meerwijk-West (helofytenzone). Er is geen duidelijke verbindingszone aanwezig tussen het Zijdelmeer en de Bovenkerkerpolder. Het belangrijkste knelpunt wordt gevormd door de sterke barrièrewerking van de huidige N201. Figuur 3.2 Potentiële ecologische infrastructuur volgens het plan voor ontwikkeling van het openbaar groen in de gemeente Uithoorn Beheerplan Natuurgebied Uithoorn 1997-2006Het natuurgebied Uithoorn is grotendeels in eigendom van de gemeente Uithoorn en in erfpacht bij Stichting Landschap Noord-Holland. In het beheerplan zijn beschreven de bij het Landschap Noord-Holland in beheer zijnde terreinen en enkele particuliere terreinen die mogelijk in de toekomst in beheer bij Landschap Noord-Holland komen. Recreatievormen in het gebied zijn natuurgerichte recreatie en natuureducatie. Het gebied wordt op de zuidzijde na begrensd door bebouwing. De groenstrook verbindt het noordelijke en zuidelijke deel van het gebied met elkaar. Er zijn vier deelgebieden binnen natuurgebied Uithoorn te onderscheiden, namelijk het Zijdelmeer, het veenweidegebied (Uithoornse Polder), het Fort aan de Drecht en de verbindingsstrook met helofytenfilter. De Uithoornse Polder is kerngebied (laagveen) in de EHS. Het gebied vormt een schakel in de verbinding tussen onder andere de Westeinderplassen en ‘De Venen’. Het Zijdelmeer (moeras) en de Uithoornse Polder (veenweidegebied) zijn onderdelen van de PEHS. Het Zijdelmeer bestaat uit open water, oeverland (hooiland, rietland, veenmosrietland), bos, moerasbos en grasland. Het veenweidegebied bestaat uit graslanden en een duidelijk slotenpatroon. Het Fort aan de Drecht vormt een onderdeel van de Stelling van Amsterdam. De groenzone tussen Meerwijk-West en Meerwijk-Oost is 4 ha groot en bestaat uit een helofytenfilter (500 x 50 meter strook) en drie rietlandpercelen langs de zuidzijde van de Boterdijk (ook met natuurbouw ingericht). Figuur 3.3 Natuurgebied Uithoorn: het Zijdelmeer, de verbindende helofytenzone, veenweidegebied en het Fort aan de Drecht (bron: Beheerplan Natuurgebied Uithoorn Noordhollands Landschap 1997-2006). Natuurkaart Uithoorn, 1994Op de (inmiddels achterhaalde) natuurkaart zijn de natuurwaarden binnen de gemeente Uithoorn weergegeven. Daarnaast zijn er kaarten gemaakt waarop de natuurgebieden met beschermde status en de lokale en regionale ecologische verbindingen zijn aangegeven. Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de kwaliteit en bereikbaarheid van bepaalde natuurgebieden in Uithoorn, zijn ook verspreidingskaarten van indicatorsoorten in de nota opgenomen. Tenslotte is een inventarisatie gemaakt van (dreigende) knelpunten in de ecologische infrastructuur. Deze nota is het begin van verdere uitwerking van de natuurwaardenkaart van de gemeente Uithoorn. In deze natuurkaart zijn de volgende natuurtypen met gidssoorten omschreven: Veenweide en grasland: watersnip, kemphaan en patrijs; Bos en ruigte: nachtegaal en egel; Water: laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, aarvederkruid, drijvend fonteinkruid, gele plomp, groot nimfkruid en zwanenbloem; Oever: hermelijn, bunzing, waterspitsmuis, ringslang, beekpunge, dotterbloem, egelboterbloem, kleine watereppe en waterscheerling; Moeras en rietland: waterspitsmuis, ringslang, hakig veenmos, kamvaren, krabbenscheer, ronde zonnedauw, veenpluis, veenreukgras en waternavel. Overige visies en plannen (
bijlagenrapport)Op gemeentelijk niveau zijn verder de volgende visies en plannen relevant: Intergemeentelijke gebiedsvisie, 2000; opgesteld naar aanleiding van (onder andere) het verleggen van de N201 en realisatie van ‘groene’ en ‘blauwe’ verbindingen. Landschapsontwikkelingsplan Uithoorn: visie en uitvoeringsprogramma (per landschapstype) ten aanzien van de ontwikkeling van het landelijk gebied. Leefbaarheidsplan De Kwakel: gericht op het aanpakken van leefbaarheids-knelpunten, wensen en oplossingsrichtingen. Stedelijk Waterplan Uithoorn, betreffende het watersysteem van het stedelijke gebied van Uithoorn, inclusief de uitbreidingsplannen. Nota implementatie natuurwetgeving: visie van de gemeente in relatie tot toepassing van de Flora- en faunawet. Watergebiedsplan Westeramstel, betreffende het watersysteem van de Bovenkerkerpolder, Uithoornse Polder, Noorder Legmeerpolder en Zuider Legmeerpolder. 4 Natuurwaarden Gebruikmakend van bestaande literatuur, inventarisatiegegevens en atlasgegevens is een inventarisatie gemaakt van aanwezige flora en fauna binnen de gemeente Uithoorn. Van deze soorten is tevens de beschermingsstatus aangegeven conform de Flora- en faunawet. Vervolgens is binnen de huidige groenstructuur van de gemeente Uithoorn een onderscheid gemaakt in verschillende typen groengebieden, rekening houdend met abiotisch-landschappelijke verschillen en verschillen in vegetatiestructuurtype. Deze indeling in groengebieden is gekoppeld aan de gegevens over voorkomende flora en fauna, zodat per type groengebied op eenvoudige wijze een beeld kan worden verkregen van kenmerkende en beschermde soorten flora en fauna. De verschillende typen groengebieden zijn op kaart gepresenteerd in figuur 4.1 en op staalkaarten beschreven. Achterliggende gegevens zijn per type groengebied beschreven in het bijlagenrapport en op kaarten die zijn opgenomen in de kaartenbijlage van dit rapport. 4.1 Gegevens NatuurloketgegevensVan alle voor het plangebied van belang zijnde kilometerhokken is bij het Natuurloket bekeken of plant- en diersoorten goed of niet zijn onderzocht. De Natuurloket tabellen en een toelichting zijn in bijlage 1 van het bijlagenrapport weergegeven. In de gemeente Uithoorn zijn volgens de Natuurloketgegevens waarnemingen gedaan van Flora- en faunawet soorten (FF-soorten), Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten (HR/VR-soorten) en van Rode Lijstsoorten (RL-soorten). De FFsoorten betreffen vaatplanten, zoogdieren, broedvogels, watervogels, amfibieën, dagvlinders en reptielen. De HR/VR-soorten betreffen mossen, zoogdieren, amfibieën, libellen, dagvlinders. De RL-soorten betreffen vaatplanten, paddenstoelen, broedvogels, korstmossen, sprinkhanen, libellen, dagvlinders en reptielen. Alle soorten zijn over het algemeen niet tot matig onderzocht, behalve de vaatplanten, deze zijn overal goed onderzocht. Er is besloten geen gegevens bij het Natuurloket op te vragen omdat er geen totaalbeeld verkregen kan worden van het voorkomen van de diverse soorten. Het voorkomen van de soorten is echter met behulp van de atlassen, overige literatuur en deskundigenoordeel per deelgebied goed in te schatten. Atlasgegevens en overige literatuurIn diverse atlassen en overige literatuur is het voorkomen van dier- en plantensoorten in het plangebied uitgezocht. De resultaten zijn weergegeven in een tabel en teksten in bijlage 2 van het bijlagenrapport. In de hiernavolgende beschrijving van de groenstructuur van Uithoorn zijn de inventarisatie-gegevens van flora en fauna uit de literatuur verwerkt. Het voorkomen van flora en fauna is per deelgebied ingeschat en beschreven (met daarbij de beschermingsstatus van elke soort). Naast de reguliere atlassen is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: flora- en fauna- inventarisatiegegevens van de Provincie Noord-Holland, in beheer bij Landschap Noord-Holland; flora- inventarisatiegegevens DWR; natuurtoetsen en quickscans zoals uitgevoerd voor diverse locaties binnen de gemeente; zoogdiergegevens VZZ/NOZOS; visstandgegevens Amsterdamse Hengelsport Vereniging; visstandbemonstering Zijdelmeer; persoonlijke waarnemingen Groengroep Uithoorn. Literatuur die in het eindstadium van het project werd gemeld door dhr. T. Pick (Groengroep Uithoorn), maar niet in deze rapportage zijn betrokken: vegetatiekundig onderzoek rond het Zijdelmeer vanaf 1974 tot 1991, deels in opdracht van de gemeente (aangevuld door plaatselijke werkgroep); provinciale milieu-inventarisatie 1981, 1982 en 1989 betreffende waterplanten; waterplantenonderzoek Uithoornse Polder 1978 t/m 2000, met nadruk op groot nimfkruid door dhr. T. Pick; de inventarisaties van de vogelwerkgroep op het terrein van het Landschap Noord-Holland ten zuiden van de Molenvaart. VeldwerkOm een globale indruk te krijgen van de (potentiële) natuurwaarden is het plangebied op 8 december 2004 en 13 januari 2005 door medewerkers van Bureau Waardenburg bezocht. Op 8 december 2004 is het gehele plangebied bekeken met de nadruk op het stedelijk gebied van Uithoorn, De Kwakel, de glastuinbouwgebieden en het Zijdelmeer. Op 13 januari 2005 is samen met medewerkers van het Landschap Noord-Holland en de gemeente Uithoorn een bezoek gebracht aan de gebieden die in beheer zijn bij het Landschap Noord-Holland (Zijdelmeer, veenweidegebied, helofytenzone in Meerwijk en het fort aan de Drecht). De resultaten van deze oriënterende veldbezoeken zijn verwerkt in de beschrijving van de afzonderlijke deelgebieden. 4.2 Deelgebieden Op basis van de bestaande natuurkaart van Uithoorn, relevante (beleids)gegevens en veldbezoeken is de huidige groenstructuur van de gemeente Uithoorn in kaart gebracht. Daarbij is een onderscheid gemaakt in verschillende typen groengebieden. Deze verdeling is tot stand gekomen op basis van verschillen in natuurwaarde, abiotischlandschappelijke ondergrond en structuur. Er is gekozen voor een indeling in deelgebieden omdat het voorkomen van de diverse natuurtypen duidelijk samenhangt met de aanwezige landschapstypen, de bodem, de waterhuishouding en het grondgebruik. De indeling in deelgebieden wordt op kaart gepresenteerd in figuur 4.1. In het hiernavolgende wordt per deelgebied op staalkaarten een beschrijving gegeven van de belangrijkste kenmerken en voorkomende beschermde (Flora- en faunawet) en bedreigde (Rode Lijst) soorten. Een meer uitgebreide beschrijving per deelgebied is opgenomen in het bijlagenrapport. Hierin wordt per natuurtype ingegaan op algemene kenmerken en kenmerkende flora en fauna. Tevens wordt een beschrijving gegeven van beschermde en bedreigde soorten. De indeling in groengebieden is gebaseerd op de bestaande situatie ten aanzien van het groen. De natuur in Uithoorn is in tien verschillende typen groengebieden onderverdeeld. Deze deelgebieden worden op kaart in figuur 4.1 weergegeven en hierna op staalkaarten beschreven: Veenweidegebied Zijdelmeer en directe omgeving Forten Biezenwaard Stadsgroen Kleinschalig stadsgroen Grootschalige glastuinbouw Kleinschalige glastuinbouw, erfbeplanting en ander groen Grootschalige akkers Bedrijventerrein Ecologische verbindingszones en groene assen worden behandeld in § 4.3. Voor de ligging van deze verbindingen wordt verwezen naar figuur 4.1. Beschermde soorten in de gemeente UithoornOp de staalkaarten wordt per deelgebied een overzicht gegeven van voorkomende beschermde (Flora- en faunawet) en bedreigde (Rode Lijst) soorten. Voor de beschermde soorten wordt daarbij een driedeling gehanteerd: FF1, FF2 of FF3. Dit correspondeert met de drie categorieën van beschermde soorten volgens de Flora- en faunawet: Algemene beschermde soorten; Bedreigde beschermde soorten; Strikt beschermde soorten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar § 7.1. 4.3 Groene verbindingen Naast groengebieden zijn er binnen de gemeente in de huidige situatie ook een aantal groene verbindingen aanwezig. De natuurwaarden van deze verbindingen worden in dit hoofdstuk beschreven. Het betreft verbindingen die reeds aanwezig zijn en mogelijk versterkt (dienen te) worden in de toekomst. Er wordt grofweg een onderscheid gemaakt in een tweetal typen verbindingen: Ecologische (moeras)verbindingszones op regionale schaal. Dit zijn de belangrijkste verbindingszones die binnen de gemeente gelegen zijn. Voor deze verbindingszones is tevens beleid vastgesteld (
Het betreft: Amstel Drecht Vuurlijn Toekomstige verbindingszone tussen Hollandse Dijk en toekomstige N201 (nog niet aanwezig, dus niet hieronder beschreven) Toekomstige verbindingszone Legmeer-West (geplande aanleg: 2005; nog niet aanwezig, dus niet hieronder beschreven). Groene linten op lokale schaal. Deze verbindingen zijn op regionaal niveau van ondergeschikt belang. Er is geen beleid vastgesteld voor deze verbindingen. Het betreft: Huidige N201 Zijdelweg Busbaan Boterdijk / Drechtdijk N231 Randweg-Oost / Hollandsedijk In deze paragraaf worden de huidige natuurwaarden beschreven van de aanwezige groene verbindingen. Het beleid ten aanzien van de verbindingen A t/m D is beschreven in § 3.1. A. Amstel en B. DrechtDe Amstel en de Drecht zijn beiden van oorsprong veenriviertjes. Beiden zijn inmiddels sterk gekanaliseerd. De oevers zijn grotendeels voorzien van beschoeiing en er is maar een smal strookje land dat het water scheidt van de weg die langs de Amstel voert. Hier en daar zijn wat rietkragen aanwezig. Gezien de overeenkomstige natuurwaarden worden de beide verbindingen hier gezamenlijk behandeld. Ecologische karakteristiek Met name voor vis vormen de rivieren een belangrijk biotoop en verbindingszone. Veel polders lozen hun water op de Drecht en de Amstel, en op die manier is er contact tussen de vis en macrofaunapopulatie van de rivieren en die van de polders. Vooral voor de iets grotere vis en grote vis vormen veel gemalen echter een onoverbrugbare barrière. Het komt regelmatig voor dat vissen die willen migreren (zoals bijvoorbeeld paling) worden verhakseld in de gemalen. Behalve voor vis hebben de rivieren een betekenis als habitat voor enkele algemene watervogelsoorten als wilde eend, meerkoet, fuut en knobbelzwaan. In de rietkragen zijn niet-kritische rietvogels te vinden als kleine karekiet, smient en rietgors. De vegetatie van de Amstel kent niet veel bijzondere soorten, het water zelf is te troebel voor veel waterplanten. Langs de oevers komen op enkele plaatsen zwanenbloem en dotterbloem voor. Verder op de oever is hoofdzakelijk een grasberm aanwezig met kruiden als witte dovenetel en fluitekruid. In deze grasberm staan op veel plaatsen bomen en struiken. Op het sluizencomplex, op de plaats waar de Amstel de Drecht ontmoet, groeien tongvaren en steenbreekvaren. Voor amfibieën hebben de rivieren niet al te veel betekenis, het water is te groot en bevat te veel vis. Op een aantal plaatsen zijn waardevolle boezemlandjes aanwezig. De rietoevers kunnen betekenis hebben voor de dwergmuis en wellicht ook de kritische waterspitsmuis. De grasbermen vormen geschikt habitat voor de veldmuis. Verder zijn in lage dichtheden de bosspitsmuis, huisspitsmuis, egel, mol, aardmuis, woelrat, haas, hermelijn, bunzing, wezel, en de onbeschermde soorten bruine rat en muskusrat te verwachten. Tot slot hebben de rivieren een belangrijke betekenis als foerageergebied en trekzone voor de meervleermuis. Ook de laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn te verwachten, maar vooral langs beplantingen. Dit geldt ook voor het Drijflandje in de Amstel, Rode Paal (grenspaal) op de grens van de Hollandse dijk / Amsteldijk Noord. Voor libellen en vlinders heeft de Amstel weinig betekenis. C. VuurlijnDe Vuurlijn maakt onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam, een historische verdedigingslinie (
De Vuurlijn bestaat uit een grazige dijk met langsliggend inundatiekanaal. In de dekking van de dijk is een weg gelegen. Vuurlijn en inundatiesluis. Ecologische karakteristiek De Vuurlijn is voornamelijk begroeid met algemene grassoorten en kruiden. Beschermde of bedreigde soorten flora worden niet verwacht. Vanwege de geringe afmetingen en de ligging van de weg naast de dijk heeft de Vuurlijn waarschijnlijk weinig betekenis voor broedvogels. Er is alleen mogelijke betekenis voor algemene watervogelsoorten als wilde eend en meerkoet. De Vuurlijn biedt foerageerterrein voor de torenvalk. De Vuurlijn is als dijk bij uitstek geschikt voor de veldmuis. Ook voor de mol is de dijk geschikt. Langs de oevers van sloten zijn bruine rat, woelrat en muskusrat te verwachten. Op meer begroeide delen: bosmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis, egel en wezel. De Vuurlijn kan een migratie- en foerageerroute vormen voor vleermuissoorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Naar verwachting heeft de Vuurlijn nauwelijks betekenis voor amfibieën, door gebrek aan dekking en moeras. De sloten naast de Vuurlijn kunnen wel geschikt zijn. Hetzelfde geldt voor vissen. Groene linten op lokale schaalGezien de overeenkomstige natuurwaarden van de groene verbindingen F t/m K (het zijn alle wegbermen), worden deze hier gezamenlijk beschreven. Een ecologische verbindingszone is een gebied dat voor veel diersoorten een veilige zone vormt om van het ene naar het andere groene gebied te komen en deels ook zelf geschikt is als leefgebied voor dier- en plantensoorten. De verbindingszones F t/m J betreffen wegbermen langs wegen. Enerzijds vormen de wegbermen verbindingen voor bijvoorbeeld vogelsoorten, kleine zoogdieren en vlinders. Anderzijds vormen de wegen in veel gevallen ook een obstakel in de verbinding. Aangezien het merendeel van de verbindingen in een kaal en/of verstedelijkt landschap gelegen is dat weinig (doorlopend) groen bevat (bebouwing, grootschalige akkers), hebben de wegbermen wel degelijk natuurwaarde en een betekenis als ecologische verbinding. De N201 met boombeplanting en langsliggende groenzones; één van de groene linten op lokale schaal. Flora In de bermstrook die direct aan de weg grenst, zijn vaak zouttolerante soorten aanwezig als Deens Lepelblad, hertshoornweegbree en kweek, aangezien deze soorten het afspoelende strooizout kunnen verdragen. Verderop in de wegberm staan meestal soorten die grazige voedselrijke situaties indiceren. Op kleibodem kunnen aantrekkelijke combinaties worden aangetroffen van wilde chichorei, rode klaver en pastinaak. In wegbermen met een opgebrachte zandbodem zijn ook wat meer voedselarme situaties met even bloemrijke soorten mogelijk zoals bijvoorbeeld gewone veldbies, vlasbekje, duizendblad, biggenkruid en schapezuring. In uitzonderlijke gevallen kunnen zelfs bijzondere orchideeën als de bijenorchis in opgebrachte zandlichamen van wegbermen worden gevonden, maar deze soort is uit Uithoorn niet bekend. Vooral daar waar bomen en struiken zijn aangeplant, is in iets schaduwrijkere grasbermen bloeiend fluitekruid te vinden. Op enkele plaatsen komt vogelmelk voor in de wegberm (N201 en N231), in ruige delen van wegbermen valt de grote kaardebol te verwachten. Struiken en bomen langs de wegen zijn meestal aangeplant en er worden langs de verschillende wegen diverse soorten gebruikt. Vogels Zelfs boom- en struikrijke wegbermen worden door de meeste broedvogels nauwelijks gebruikt, vanwege verstoring door verkeer. Slechts niet-kritische soorten als winterkoning, ekster en zwarte kraai kunnen er in lage dichtheden tot broeden komen. Met name de beplante wegbermen vormen een geschikte migratieroute voor vogels. Voor muizenetende soorten als de torenvalk, buizerd en de kerkuil vormen wegbermen een belangrijke voedselbron. De kerkuil is nog niet bekend uit de gemeente Uithoorn, maar neemt in Noord- Holland aanzienlijk toe. Met name kerkuilen worden regelmatig als verkeersslachtoffer langs wegen gevonden. Zoogdieren Grasbermen vormen vaak een belangrijk leefgebied voor de veldmuis en de mol. Daar waar bomen en struiken staan zijn ook soorten als bosspitsmuis, huisspitsmuis en bosmuis te vinden. Ook egel, konijn, wezel, hermelijn en bunzing maken gebruik van bredere bosschagerijke wegbermen. Ook de vos kan gebruik maken van wegbermen. Kruisende wegen vormen echter een belangrijke belemmering voor zoogdieren. Voor veel vleermuissoorten vormen wegen en de bomen langs die wegen een belangrijke migratieroute. Hoewel ze enige last kunnen ondervinden van het verkeer, belet het vleermuissoorten als de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger niet om langs wegen te foerageren. Ook meervleermuis kan van bosschages langs wegen gebruik maken om bij geschikte wateren te komen. Amfibieën en reptielen Bosrijke wegbermen kunnen leefgebied vormen voor gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker. In geschikte bermsloten kan de groene kikker worden aangetroffen. Verspreiding van amfibieën via wegbermen vindt slechts bij toeval plaats. Incidenteel wordt ook de ringslang in wegbermen aangetroffen. Wegen vormen een obstakel voor amfibieën en reptielen. In de periode dat padden hun eieren afzetten worden vaak talrijke dieren doodgereden op plekken in de omgeving van de eiafzetwateren. Libellen en vlinders Voor libellen vormen wegbermen meestal maar een marginaal habitat. Voor enkele algemene soorten kunnen bosschages langs de wegberm een foerageerbiotoop vormen voor volwassen dieren. Voor vlinders kunnen wegbermen een niet onbelangrijk leefgebied vormen. In grasbermen zijn soorten te verwachten als bruin zandoogje, kleine vuurvlinder en hooibeestje. In de meer bosrijke gebieden soorten als gehakkelde aurelia, citroenvlinder en boomblauwtje. Voor vlinders kunnen wegbermen ook een belangrijke migratieroute vormen. 5 Ontwikkelingsvisie Op grond van de gebiedsinventarisatie is een visie opgesteld op de gewenste ontwikkeling van de ecologische structuur binnen de gemeente Uithoorn. Deze visie wordt in dit hoofdstuk gepresenteerd. Er wordt allereerst een samenvattend overzicht gegeven van de huidige ecologische structuur. Daarna wordt ingegaan op aanwezige knelpunten en kansen. De visie richt zich op een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de huidige structuur en het opheffen van belangrijke knelpunten. Tevens vormden de uitkomsten van de bespreking met de klankbordgroep een belangrijke basis voor de formulering van kansen en knelpunten. Door middel van doelsoorten wordt per type groengebied een streefbeeld aangegeven voor de toekomst. 5.1 Ecologische structuur De natuurwaarden voor Uithoorn liggen historisch gezien met name in de onafgegraven bovenlanden: de Uithoornse polder met daarin het veenweidegebied en het Zijdelmeer met directe aangrenzende veengebieden (onder andere het Land van Haak). Daarnaast vormen de forten aan de Drecht en bij de Kwakel (onderdelen van de Stelling van Amsterdam) belangrijke elementen in de ecologische structuur. Voornoemde gebieden zijn dan ook als kerngebieden in de nieuwe natuurkaart opgenomen. De gebieden maken grotendeels onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en zijn grotendeels in beheer bij het Landschap Noord-Holland. Ook de Biezenwaard is een belangrijk gebied in de groenstructuur van Uithoorn. Daarnaast dragen het parkgroen, kleinschalig stadsgroen en het (kleinschalige) glastuinbouwgebied bij aan de ecologische structuur van de gemeente Uithoorn. Deze structuur is samenvattend op kaart weergegeven in figuur 5.
staalkaarten in hoofdstuk 4). Door beheer en inrichting af te stemmen op deze doelsoorten, die staan voor een scala aan representatieve soorten, wordt een algehele versterking van natuurwaarden binnen de gemeente Uithoorn bewerkstelligd. Aanvullend hierop worden voor de Uithoornse natuur een reeks knelpunten en kansen onderscheiden, met name op het vlak van waterkwaliteit, peilbeheer, versnippering, verstoring, inrichting, beheer en proces (communicatie). Door deze knelpunten en kansen gericht aan te pakken wordt een impuls gegeven aan de verdere ontwikkeling van natuurwaarden binnen de gemeente Uithoorn. Hierop aansluitende maatregelen worden nader uitgewerkt in het volgende hoofdstuk. Een samenvattend overzicht van de knelpunten en kansen is weergegeven in figuur 5.
figuur 6.1). Figuur 6.1 Enkele voorbeelden van natuurvriendelijke oeverprofielen (bron: De Boer & Van Eekelen, 2003). Voor de Amstel staat voor 2006 t/m 2008 het project Natuurontwikkeling oeverlanden Amsteldijk-Zuid gepland (project 1.10 uit het LOP). Voor de Vuurlijn kan wellicht een koppeling worden gelegd met het provinciale project ‘Aan de slag op de Stelling’ (projecten 1.5 en 4.1 uit het LOP). E2. Versterking droge verbindingenDe busbaan en de wegbermen binnen de gemeente Uithoorn, begroeid met ruigte en struweel, bos- en mantelvegetatie en grasland, hebben een betekenis als ecologische verbindingszone. Door gericht beheer kan deze ecologische functie van de busbaan en de wegbermen verder worden versterkt. Allereerst zijn er mogelijkheden ten aanzien van het maaibeheer, door dit beter af te stemmen op te ontwikkelen natuurwaarden. Er dient bij voorkeur een verschralend beheer te worden ingesteld, gericht op het afvoeren van voedingsstoffen. Meest effectief is een hooilandbeheer (maaien en afvoeren), waarbij één of enkele keren per jaar de vegetatie wordt gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Streefbeeld is natuurlijk, bloemrijk grasland, met potenties voor diverse fauna (o.a. zoogdieren, vlinders). Ook kunnen in de droge ecologische verbindingen geleidelijke overgangen worden nagestreefd tussen hoge en lage typen begroeiingen, met zoom- en mantelvegetaties (
figuur 6.2 en § 6.2). Ook bij de inrichting van het groengebied Amstelgroen kan hier aandacht aan worden besteed; de beplanting van de huidige N201 gaat hier in de toekomst onderdeel van uitmaken. Hierdoor ontstaan potenties voor diverse diersoorten. Ook ontstaat er foerageergebied voor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Figuur 6.2 Voorbeelduitwerking zoombeheer (bron: Landschapsbeheer Nederland, 1998). E
figuur 6.3). Het treffen van snelheidsbeperkende maatregelen, bijvoorbeeld het aanbrengen van verkeersdrempels en wegversmallingen, of zelfs het geheel afsluiten van wegen voor gemotoriseerd verkeer. Het aanbrengen van uittree-plaatsen voor de fauna langs water met een oeverbeschoeiing (met name bij sluizen, gemalen, bruggen en duikers);
figuur 6.4 en 6.
project 1.4b uit het LOP) en door het leveren van groene diensten (
project 2.3 uit het LOP). Ook zijn in overleg met agrariërs wellicht maatregelen mogelijk gericht op de ontwikkeling van krabbenscheervegetaties ten behoeve van groene glazenmaker en zwarte stern, en overige maatregelen ter versterking van de natuurwaarden in het veenweidegebied (
figuur 6.7). Figuur 6.7 Voorbeelduitwerking libellen-vriendelijk oeverbeheer (bron: Landschapsbeheer Nederland, 1998). E
ook maatregel E5 en E6). Van belang daarbij is een verbetering van de waterkwaliteit (maatregel W1), vermindering van de schoningsfrequentie, uitzetting van krabbescheer en extensivering van agrarisch gebruik van aangrenzende percelen. D
Daarnaast zijn er sterke relaties met de projecten W1, W2 en E1. 7 Handleiding toepassing Flora- en faunawet Om in de toekomst bij ruimtelijke ingrepen goed rekening te kunnen houden met de Flora- en faunawet, is hiervoor een handleiding gemaakt. Daarbij wordt ingegaan op het wettelijk kader en de te volgen procedures bij een ruimtelijke ingreep. Deze rapportage vormt hierbij een belangrijk hulpmiddel, aangezien het inzicht geeft in de aard en waarde van de aanwezige groengebieden, en op de aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Voorliggende rapportage biedt belangrijke gegevens op basis waarvan een toetsing van ruimtelijke projecten plaats kan vinden. Dit rapport beschrijft echter slechts een momentopname. Bij daadwerkelijke toetsing van ruimtelijke ingrepen dient actualisatie van de gegevens plaats te vinden; de natuurkaart biedt slechts een eerste houvast. Het beschrijft de te verwachten flora en fauna op gebiedsniveau, op basis van bestaande veldinventarisatiegegevens, literatuur en deskundigenoordeel. Bij toetsing van concrete ruimtelijke maatregelen dient te allen tijde een verkennende veldinventarisatie op de betreffende locatie plaats te vinden, om na te gaan welke specifieke natuurwaarden op die betreffende locatie actueel zijn. 7.1 Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wetgeving. De belangrijkste Europese wetgevingselementen zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming en gebiedsbescherming staan grotendeels los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. De soortenbescherming is in Nederland verankerd in de Flora- en faunawet
onder). Naast de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt de zorgplicht ten aanzien van alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving (
kader). De zorgplicht geldt altijd, voor iedereen en in alle gevallen. Algemene Maatregel van BestuurDe Minister van LNV heeft door middel van een Algemene Maatregel van Bestuur de regelgeving rond de Flora- en faunawet aangepast, zodat de werking van de wet eenvoudiger wordt. Het belangrijkste gevolg is dat de procedures bij ruimtelijke ingrepen en bij bestendig gebruik en beheer aanzienlijk eenvoudiger worden, aangezien voor de meest algemene soorten er een vrijstelling van de verbodsbepalingen komt (voor onder meer ruimtelijke ingrepen en bestendig gebruik en beheer). De interpretatie van een aantal artikelen is, onder meer door het ontbreken van jurisprudentie, nog niet op alle punten geheel helder. Bij het toepassen van de Flora- en faunawet wordt voortaan een onderscheid gemaakt in drie categorieën van beschermde soorten: De algemene beschermde soorten waarvoor ten aanzien van activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig gebruik en beheer een vrijstelling zonder nadere voorwaarden geldt. Ontheffing ten behoeve van andere activiteiten kan worden verleend voor het verjagen, verontrusten, verstoren en onopzettelijk doden van deze groep soorten, mits de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. De zorgplicht blijft van kracht. De bedreigde beschermde soorten: voor een aantal soorten planten en dieren geldt een strikter beschermingsregime. Omdat ze in Nederland als bedreigd worden beschouwd. Vrijstelling geldt als op basis van een goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt. Ontheffing kan worden verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De strikt beschermde soorten: alle vogelsoorten alsmede planten diersoorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn of bij Algemene Maatregel van Bestuur zijn aangewezen als bedreigde soorten (genoemd in Bijlage 1 van het betreffende besluit). Voor verstoring (met wezenlijke invloed) van deze soorten kan geen vrijstelling of ontheffing worden verkregen. Voor bestendig gebruik en beheer geldt ook voor deze soorten een vrijstelling ten aanzien van de verbodsbepalingen in artikelen 8, 9, 11 en 12, mits men werkt op basis van een door de minister goed gekeurde gedragscode. Voor het overtreden van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen is altijd een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet noodzakelijk. Ontheffing kan alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is, er sprake is van een in de wet genoemde reden van openbaar belang en er geen afbreuk worden gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Een compensatieplan, waarin wordt aangegeven hoe schade aan een soort wordt voorkomen, dan wel wordt gecompenseerd, is doorgaans vereist. Daarnaast is er een kleine categorie van zeldzame soorten die op Bijlage II van de Habitatrichtlijn voorkomen, maar niet beschermd zijn op grond van de Flora- en faunawet. Derhalve bestaat er geen noodzaak of mogelijkheid ontheffing aan te vragen voor ingrepen die deze soorten kunnen beïnvloeden. Deze soorten zijn (strikt) beschermd in de Speciale Beschermingszones, die ten behoeve van deze soorten zijn ingesteld. Voor het plegen van ingrepen in zulke gebieden geldt altijd het afwegingskader van de Habitatrichtlijn. Dergelijke gebieden komen echter niet voor in (de directe omgeving van) de gemeente Uithoorn. Binnen de gemeente Uithoorn komen beschermde soorten van alle drie de bovengenoemde categorieën (FF1, FF2 en FF3) voor. Op de staalkaarten, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, wordt per deelgebied aangegeven om welke soorten het gaat. Verbodsbepalingen volgens de Flora- en faunawet Verboden handelingen met betrekking tot beschermde planten: Artikel 8: Het plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op een andere manier van de groeiplaats verwijderen van planten. Artikel 13: Het vervoeren en onder zich hebben (in verband met verplaatsen) van planten. Verboden handelingen met betrekking tot beschermde dieren: Artikel 9: Het doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren. Het met het oog van bovenstaande doelen opsporen van dieren. Artikel 10: Het opzettelijk verontrusten van dieren. Artikel 11: Het beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen, verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren; Artikel 13: Het vervoeren en onder zich hebben (in verband met verplaatsen) van dieren. Zorgplicht volgens de Flora- en faunawet Artikel 2: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. NatuurbeschermingswetDe Natuurbeschermingswet heeft als doel het beschermen en instandhouden van bijzondere gebieden in Nederland. In (de directe omgeving van) de gemeente Uithoorn zijn geen gebieden aanwezig die vallen onder de Natuurbeschermingswet. 7.2 Te volgen procedures bij ruimtelijke ingrepen Uitvoeren Quick scan beschermde flora en faunaDe eerste stap bij het toetsen van een ruimtelijke ingreep aan de natuurwetgeving is veelal het laten uitvoeren van een quick scan. Een quick scan betreft een beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast worden de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten beoordeeld. De resultaten van de quick scan kunnen dienst doen bij de onderbouwing van de ontheffingsaanvraag ex artikel 75 van de Flora- en faunawet. Tevens wordt nagegaan of de ingreep plaatsvindt binnen een gebied dat onderdeel uitmaakt van de (provinciale) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ruimtelijke ingrepen zijn in deze gebieden niet toegestaan, tenzij die ingreep een aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang dient en aan dit belang niet redelijkerwijs elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen. Wanneer na de maatschap74 pelijke afweging een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan in de EHS, is de initiatiefnemer van de ingreep verplicht het compensatiebeginsel toe te passen, dat onderdeel uitmaakt van het Structuurschema Groene Ruimte (SGR). Een beoordeling in het kader van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Natuurbeschermingswet is binnen de gemeente Uithoorn niet nodig, aangezien er in (de directe omgeving van) de gemeente Uithoorn geen gebieden aanwezig zijn die vallen onder deze wet- en regelgeving. Gebruik staalkaarten: Voorliggende rapportage biedt belangrijke basisgegevens op grond waarvan actuele natuurwaarden in kaart kunnen worden gebracht bij toetsing van ruimtelijke projecten. Daartoe dient allereerst te worden bekeken in welk deelgebied het projectgebied ligt (
figuur 4.1). Per deelgebied wordt op de staalkaarten (
hoofdstuk 4) een overzicht gegeven van de (mogelijk) voorkomende beschermde flora en fauna volgens de Flora- en faunawet. Door gebruik te maken van de staalkaarten is in één oogopslag duidelijk met welke beschermde soorten rekening moet worden gehouden in het kader van de ingreep. Aanvullend bronnenonderzoek (gericht op meer recente gegevens, voorzover beschikbaar) kan een meer actuele en gedetailleerde inschatting geven van mogelijk voorkomende natuurwaarden op de betreffende locatie, aanvullend op datgene wat reeds in de Natuurkaart is opgenomen. Het bronnenonderzoek kan onder meer uitgevoerd worden door bij het Natuurloket na te gaan voor welke soortgroepen goede verspreidingsinformatie beschikbaar is. Het Natuurloket (www.natuurloket.nl) vermeldt per km2 of er gegevens van beschermde soortgroepen bekend zijn. De onderliggende gegevens over soorten en vindplaatsen kunnen apart worden opgevraagd. De gegevens van het Natuurloket van 2005 voor Uithoorn zijn te vinden in het Bijlagenrapport behorend bij onderliggend rapport. Deze gegevens kunnen op het moment van de ingreep echter verouderd zijn; er dient dus altijd uitgegaan te worden van de meest recente gegevens. Op basis van de staalkaarten in dit rapport, Natuurloketgegevens, verspreidingsatlassen en eventuele aanvullende recente gegevens, kan een lijst opgesteld worden van beschermde soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen. Tevens dient nagegaan te worden of er beschermde gebieden in de nabijheid liggen. Terreinbezoek: door het plangebied éénmaal te laten bezoeken door een deskundig ecoloog, wordt zoveel mogelijk concrete informatie verzameld die inzicht kan geven in het huidige voorkomen van beschermde soorten. De onder de vorige punten genoemde lijsten vormen hierbij een referentie. Het veldonderzoek richt zich zowel op directe waarnemingen en sporen als terreinkenmerken, die relevant zijn voor het voorkomen van deze soorten. Gepoogd moet worden om alle terreindelen te bezoeken en te beoordelen, om zodoende ook plaatselijke waarden die niet uit deze natuurkaart kunnen worden afgeleid (zoals het voorkomen van monumentale bomen, kolonies vleermuizen en vogels, etc.) niet te missen. Rapportage quick scanDe rapportage dient aan te sluiten op het aanvraagformulier voor ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en faunawet en dient de volgende onderdelen te omvatten: Een beoordeling van het huidige voorkomen van beschermde soorten op basis van de Natuurkaart, aanvullend bronnenonderzoek en het terreinbezoek. Een beoordeling van de te verwachten effecten van de voorgenomen ingrepen op beschermde soorten. Een lijst van soorten waarvoor een ontheffing van de Flora- en faunawet nodig is. Indien sprake is van strikt beschermde soorten kan het nodig zijn om een beschrijving van het maatschappelijk belang van het project en van de uitvoering van alternatievenonderzoek te geven en een Project- en compensatieplan op te stellen. Voorzover van toepassing dient in de rapportage tevens uitspraak gedaan te worden over: Advies over de noodzaak mitigerende of compenserende maatregelen te treffen. Aanbevelingen over eenvoudige mitigerende maatregelen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. Aanbevelingen over uit te voeren nader onderzoek, indien kennisleemten blijken te bestaan die door de quick scan niet konden worden opgevuld (bijvoorbeeld nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen). Afbakening quick scanEen quick scan betreft een momentopname op basis van best professional judgement. Een quick scan betreft geen complete veldinventarisatie. Een veldinventarisatie omvat verscheidene opnamerondes in het veld die seizoensgebonden zijn en volgens een standaardmethode worden uitgevoerd. Dit betekent dat een quick scan niet in alle gevallen uitsluitsel kan geven over het al dan niet voorkomen van beschermde soorten. Op basis van de quick scan kan worden aanbevolen om: de basisgegevens van het Natuurloket op te vragen; een aanvullende inventarisatie naar een aantal beschermde soorten uit te voeren; een Project- en compensatieplan op te stellen. Project- en compensatieplanIndien binnen het plangebied strikt beschermde soorten voorkomen (beschermde soorten die tevens op de Rode lijst van de betreffende soortgroep staan en soorten die staan vermeld op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn), kan voor het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet een Project- en compensatieplan noodzakelijk zijn. Hierin worden de effecten van de ingreep ten aanzien van deze strikt beschermde soorten in detail beschreven en worden compenserende en mitigerende maatregelen concreet uitgewerkt. Meer informatieDoor het Ministerie van LNV is een brochure opgesteld met een handleiding hoe om te gaan met de Flora- en faunawet na het inwerking treden van de AMvB van 23 februari 2005 (
Er wordt ingegaan op de belangrijkste procedures, de gedragscode en er worden enkele relevante begrippen en uitgangspunten van de Flora- en faunawet toegelicht. In bijlage 2 is het stappenplan opgenomen dat onderdeel uitmaakt van deze brochure. 8 Literatuur Amer Adviseurs b.v. ruimtelijke ordening,
figuur 1). Tijdens de aanleg is dit mogelijk door bijvoorbeeld in de rand van voorziene boselementen alleen struiken aan te planten. Bij het beheer kan hierop worden ingespeeld door boomvormers uit de rand van boselementen te verwijderen en stroken langs de boselementen niet vaker dan 1 keer per 3 jaar te maaien. Zorg voor zo lang mogelijke overgangszones tussen verschillende milieutypen / begroeiingstypen. Dit kan bij uitstek in de ontwerpfase ingebracht worden. Voorkom te veel rechtlijnige ontwerpen. Grillige overgangszones bieden veel meer verschillen op klein niveau (microhabitats) en bieden daardoor meer mogelijkheden voor de flora en fauna. Figuur 1 Een natuurlijke overgang tussen hoge en lage vegetaties (bron: De Boer & Van Eekelen, 2003). Instelling van een verschralend maaibeheer voor bermen en grasvelden. Het beheer is hierbij gericht op de afvoer van de plantaardige productie en daarmee voedingsstoffen. Vaak zal dit ook een extensivering van het beheer inhouden. De twee belangrijkste beheermethoden zijn maaien + afvoeren en beweiden. Meest effectief is het beheer van maaien + afvoeren (hooilandbeheer), waarbij één of enkele keren per jaar de vegetatie wordt gemaaid en het maaisel afgevoerd. Bij beweiding is de termijn waarop verschraling plaatsvindt veel groter. Een deel van de opgenomen plantaardige productie wordt namelijk omgezet in mest welke direct weer beschikbaar komt voor de plantengroei. Op locaties waar op grote schaal honden worden uitgelaten, zijn de kansen voor een verschralingsbeheer beperkt. Maak brede overgangszones tussen water en land (natuurvriendelijke oevers);
figuur 6.
n. Netjes is in dit verband een relatief begrip maar zwerfvuil hoort niet thuis in het groen. Bepaalde delen van groenvoorzieningen zijn meer gevoelig voor zwerfvuil dan andere. In ruigere begroeiingstypen, in (vooral de randen van) beplantingselementen en in open wateren kan zich makkelijk zwerfvuil ophopen. Papier, plastic en ander materiaal waait er in en blijft er liggen of in de vegetatie hangen. Vaak verlaagt dit voor passerende mensen de drempel om nog meer rommel achter te laten. Daarbij verhoogt het de negatieve associaties die mensen hebben met ruige begroeiing. In de tweede plaats is het ook een milieutechnisch probleem door milieuvreemde stoffen (mogelijk giftige stoffen), die er in kunnen zitten en die het planten- en dierenleven nadelig kunnen beïnvloeden. Voorkomen van het achterlaten van zwerfvuil en het tijdig opruimen van zwerfvuil is derhalve belangrijk voor het slagen en de acceptatie van een meer ecologisch groenbeheer. Bij het instellen van een meer ecologisch beheer dienen de specialisten van de buitendienst hierin te worden opgeleid. Een goede methode hiervoor is het geven van cursussen in ecologisch groenbeheer. Tevens dient het beheer per groeneenheid in een plan te worden vastgelegd. 04-370 Bijlagenrapport 2 Bijlage 1 kaartje 1 Vegetatie Bijlage 1 kaartje 1 Vegetatie 2 Bijlage 1 kaartje 2 Vogels buitengebied Bijlage 1 kaartje 2 Vogels buitengebied Rode lijstsoorten Bijlage 1 kaartje 3 Zoogdieren Bijlage 1 kaartje 4 Muizen Bijlage 2 Stappenplan Flora en Faunawet Bijlage 3 Figuur 1 Een natuurlijke overgang tussen hoge en lage vegetaties Bijlage 3 Figuur 2 Principe-profiel poel Figuren 6.3 tot en met 6.7 Figuur 2.1 Kaart met toponiemen Figuur 2.2 Landschapstypen in de omgeving van Uithoorn Figuur 2.3 Bodemkaart Gemeente Uithoorn Figuur 3.1 Ecologische verbindingen en kerngebieden binnen de PEHS Figuur 3.2 Potentiele ecologische infrastructuur volgens het plan voor ontwikkeling van het openbaar groen in de gemeente Uithoorn Figuur 3.3 Natuurgebied Uithoorn Figuur 4.1 Typen groengebieden binnen de gemeente Uithoorn. Ook de verschillende ecologische verbindingen zijn in de kaart opgenomen. Figuur 5.1 Ecologische structuur gemeente Uithoorn Figuur 5.2 Samenvattend overzicht van doelsoorten voor de gemeente Uithoorn Figuur 5.3 Samenvattend overzicht van knelpunten en kansen binnen de ecologische structuur van de gemeente Uithoorn. Figuur 6.1 Enkele voorbeelden van natuurvriendelijke oeverprofielen Figuur 6.2 Voorbeelduitwerking zoombeheer (bron, Landschapsbeheer Illustratie bij 5.3 Analyse knelpunten (Verkeersinfrastructuur zoals de brug over de Amstel) Illustraties bij 4.3 Groene verbindingen Factsheet 1 Factsheets 2 pag 1-4 Factsheets 2 pag 5-8 Factsheets 2 pag 9-12 Voetnoot [1] Dit is reeds opgenomen in de plannen dit water niet op openbaar water te lozen maar op de riolering of in opvangtanks (binnen het project ‘Sanering ongezuiverde afvalwaterlozingen buitengebied Gemeente Uithoorn’).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.