Coffeeshopbeleid gemeente Utrechtse Heuvelrug 2013Inhoud Inleiding 3 1 Scheiding van markten 3 2 Het beperken van illegale handel in softdrugs 3 3 Een betere controle van de overheid op de handel in drugs 3 (Juridische) kaders voor het coffeeshopbeleid 4 Algemene Plaatselijke Verordening en de Drank en Horecawet 4 Opiumwet 4 Bevoegdheden burgemeester 5 Bevoegdheden van de gemeenteraad 5 Justitiële gedoogcriteria AHOJG-plus 6 6 Maximumwaarde THC 6 Ruimtelijke criteria met betrekking tot vestiging van een coffeeshop. 7 Maximumstelsel en ruimtelijke criteria 7 4 Verlenen gedoogverklaring 8 5.Inwerkingtreding en overgangsrecht 9 Bijlage 1: gedoogverklaring coffeeshop 10 Inleiding Het coffeeshopbeleid 2013 is gebaseerd op het coffeeshopbeleid van de voormalige gemeente Driebergen-Rijsenburg dat op grond van de Wet Arhi (algemene regels herindeling) geldend verklaard was voor het hele grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De hoofddoelstelling van het nieuwe coffeeshopbeleid is en blijft het beheersen van drugsproblematiek waarbij de volgende beleidsuitgangspunten gelden: 1 Scheiding van markten voor soft- en harddrugs (uit het oogpunt van de gezondheidsrisico's verbonden aan het gebruik van diverse middelen); 2 Het beperken van illegale handel in softdrugs; 3 Een betere controle van de overheid op de handel in drugs. 1.1 Scheiding van markten Scheiding van de markten: coffeeshops leveren een belangrijke bijdrage aan de scheiding van de markten. We gaan uit van een aanbod van één coffeeshop), passend voor de grootte van onze gemeente, zodat softdrugsgebruikers niet zijn aangewezen op illegale verkoop. 1.2 Het beperken van illegale handel in softdrugs Door het gedogen van de gereguleerde verkoop van softdrugs wordt de illegale handel in cannabis beperkt. Naast de bepalingen voor het beheersbaar verkopen van cannabis uit de coffeeshop in dit coffeeshopbeleid nemen wij ook maatregelen tegen de illegale productie en handel in cannabis en organisaties die hennepteelt voorbereiden of bevorderen (Programma Integrale Veiligheid 2011-2014 / Ondermijning / Hennepconvenant) 1.3 Een betere controle van de overheid op de handel in drugs Uitgangspunt is om het gebruik door jongeren en kwetsbare gebruikers te voorkomen door strikte handhaving van de minimumleeftijd in coffeeshops, het weren van coffeeshops in de nabijheid van scholen en jongerencentra en het geven van voorlichting over de risico’s van drugsgebruik (Lesprogramma’s Halt, interventies centrum Maliebaan en jongerenwerk bij jeugdgroepen waar sprake is van middelengebruik) (Juridische) kaders voor het coffeeshopbeleid Het coffeeshopbeleid is gebaseerd op een geheel aan wet- en regelgeving en landelijk en lokaal beleid. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke wet- en regelgeving en beleid van toepassing is. Ook wordt beschreven hoe de bevoegdheden zijn verdeeld. Algemene Plaatselijke Verordening en de Drank en Horecawet Een coffeeshopexploitant is op grond van artikel 2:28APV exploitatievergunning plichtig. Een gedoogverklaring maakt de verkoop van softdrugs mogelijk in de coffeeshop. De exploitatievergunning wijkt af van een ‘gewone’ exploitatievergunning door de aanvullende voorschriften (hoofdstuk 4). De coffeeshop is een alcoholvrije inrichting. Hiervoor is geen drank- en horecavergunning nodig. Opiumwet Voor het huidige Nederlandse drugsbeleid is de wijziging van de Opiumwet in 1976 van groot belang. In de wet is het onderscheid tussen soft- en harddrugs tot stand gebracht. Harddrugs zijn als stoffen met een onaanvaardbaar risico op lijst I geplaatst. Op lijst II staan met name de hennepproducten die als softdrugs worden aangemerkt. Het bezit van harddrugs is strafbaar gesteld als zijnde een misdrijf. Sinds 1991 hanteert de Nederlandse overheid een expliciet gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop van softdrugs. Dit beleid is vooral gericht op het beheersbaar maken en houden van het gebruik en de verkoop van softdrugs, het scheiden van de hard- en softdrugsmarkt, een afname van het aantal cannabisverkooppunten (kwantitatieve sanering), een toename van het aantal bonafide ondernemingen (kwalitatieve sanering) en een afname van het gebruik van (soft-)drugs onder minderjarigen. De invoering van de zogenaamde Wet Damocles (artikel 13b Opiumwet) op 21 april 1999 heeft de burgemeester de bevoegdheid gegeven bestuursdwang toe te passen als er in voor publiek toegankelijke lokalen drugs worden verhandeld. Deze bepaling vormt de bestuursrechtelijke basis van het coffeeshopbeleid. Artikel 13b Opiumwet is tevens het juridische instrument om op te treden tegen een coffeeshop die gestelde voorwaarden overtreedt. Het artikel is per 1 november 2007 aangepast waardoor de burgemeester ook de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen indien er in voor niet publiek toegankelijke lokalen/woningen drugs zoals bedoeld in Lijst 1 en II worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De systematische handel in cannabis en harddrugs buiten coffeeshops om kan daarmee beter worden aangepakt, ook als er geen sprake is van overlast. Vóór de wijziging van 2007 kon alleen tegen ‘voor publiek toegankelijke lokalen’ worden opgetreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Voor niet ‘publiek toegankelijke lokalen’ (zoals woningen) kon worden opgetreden op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. In de praktijk bleek het vaak moeilijk om verstoring van de openbare orde, met name overlast, aan te tonen waardoor artikel 174a van de Gemeentewet veelal te kort schoot. Bestuursdwang kan nu worden ingezet tegen alle illegale verkooppunten wegens overtreding van de Opiumwet. Verstoring van de openbare orde hoeft niet meer aangetoond te worden. Bevoegdheden burgemeester De burgemeester is het bevoegde gezag inzake de uitvoering van het lokale coffeeshopbeleid. De burgemeester verstrekt de gedoogverklaring voor de verkoop van softdrugs en de exploitatievergunning voor het exploiteren van een coffeeshop. Op basis van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op openbare inrichtingen en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht. Op grond van artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug (APV) is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren. Ook een coffeeshop is een openbare inrichting in de zin van de APV. Het is een bevoegdheid van de burgemeester om nadere beleidsregels op te stellen omtrent het verlenen van vergunningen ten behoeve van de exploitatie. Deze regels hebben het karakter van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. De betreffende APV-bepalingen ten aanzien van horeca-inrichtingen zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede de weigeringsgronden. De burgemeester kan de vergunning weigeren of intrekken, conform het handhavingsarrangement artikel 13b Opiumwet, de wet bevordering integriteitsbeoordeling openbaar bestuur (BIBOB), als de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed, rekening houdend met het karakter van de beoogde vestiging en de directe omgeving, de al aanwezige horeca en de wijze van bedrijfsvoering. Bevoegdheden van de gemeenteraad In het duale stelsel heeft de gemeenteraad een kaderstellende en controlerende rol. In de Gemeentewet is de raad een aantal bevoegdheden gegeven om deze kaderstellende taken waar te kunnen maken. De belangrijkste daarvan zijn de budgettaire bevoegdheid en de verordenende bevoegdheid. Deze kaders bepalen voor de burgemeester en het college de ruimte om hun bestuurlijke verantwoordelijkheden uit te kunnen voeren. Vervolgens is het weer de raad die controleert of het college en de burgemeester hun bestuurstaken goed uitvoeren. Daartoe hebben college en burgemeester een actieve informatieplicht om de raad die inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor een goede vervulling van de taken van de raad. Verhouding bij het coffeeshopbeleid Hoe moeten de taken en bevoegdheden gezien worden bij het coffeeshopbeleid: strekken de kaderstellende en controlerende bevoegdheden van de gemeenteraad zich ook uit tot het coffeeshopbeleid? Mag de gemeenteraad een kaderstellende nota coffeeshopbeleid vaststellen? Kan de gemeenteraad de burgemeester controleren? Om deze vragen te beantwoorden is artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht van belang, dat bepaalt dat beleidsregels worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan. De burgemeester is het bevoegd gezag inzake het coffeeshopbeleid. Daarom kan de raad geen beleidsregels vaststellen. Deze bevoegdheid is toegekend aan de burgemeester. Justitiële gedoogcriteria AHOJG-plus Het Openbaar Ministerie is belast met de handhaving van de verbodsbepalingen uit de Opiumwet. Het beleid voor coffeeshops, binnen de kaders van de richtlijnen (zie onderstaande), wordt afgestemd in het lokale driehoeksoverleg. Op basis van het opportuniteitsbeginsel – dat er op neerkomt dat het OM kan bepalen of wordt vervolgd, of dat in het kader van het algemeen belang van vervolging wordt afgezien – is een gedoogbeleid ontwikkeld ten aanzien van de verkoop van softdrugs in coffeeshops. Dit beleid is vastgelegd in “De Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet” en per 1 oktober 1996 in werking getreden. In 2000 (Staatscourant 2000, 250) zijn deze AHOJG-criteria aangescherpt en per 1-1-2012 zijn deze AHOJG aangevuld met het ingezetenencriterium (I-criterium). Het begrip “coffeeshops” wordt in de richtlijnen gedefinieerd als “alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt”. Coffeeshops zijn “voor het publiek openstaande gebouwen” als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet. Het OM kan tegen een coffeeshop optreden indien niet voldaan wordt aan de AHOJG-pluscriteria In de richtlijnen wordt onder meer expliciet aangegeven wat de AHOJG plus-criteria betekenen: Affichering: dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Het afficheringsverbod is aangescherpt in die zin dat ook internet-affichering verboden is; Geen Harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht mogen worden; Geen Overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshop, geluidshinder, doorverkoop in de nabije omgeving, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten; Geen verkoop aan Jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop, waarbij is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar; Geen verkoop van Grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper. Ook geen aanwezigheid van grote hoeveelheden in voorraad (G). De voorraad mag niet meer zijn dan 500 gram. Geen aanwezigheid van alcohol in een coffeeshop (plus). Kleinschalige cannabisverkoop wordt uitsluitend gedoogd in de alcoholvrije coffeeshop. Situaties waar sprake is van een samengaan van alcohol- en cannabisverkoop in één horeca-inrichting dienen te worden tegengegaan. Geen toegankelijkheid voor niet-ingezetenen. Onder ingezetenen wordt verstaan een persoon die zijn adres heeft in een gemeente van Nederland. Geen coffeeshop in de nabijheid van scholen voor voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs voor scholieren jonger dan 18 jaar. De minimale afstand tussen een coffeeshop en een school voor voortgezet of beroepsonderwijs voor scholieren jonger dan 18 jaar moet 350 meter zijn. 2.6 Maximumwaarde THC Het is op dit moment nog niet mogelijk voor de exploitant om snel de kwaliteit van de softdrugs te controleren. Een sanctie stellen op maximumwaarde is daarmee nog niet haalbaar. Het kabinet overweegt om softdrugs met een THC-waarde hoger dan 15% op lijst I van de Opiumwet te plaatsen en daarmee tot harddrugs te verklaren. De landelijke richtlijnen worden van toepassing verklaard op het moment dat hier duidelijkheid over komt. Ruimtelijke criteria met betrekking tot vestiging van een coffeeshop. In dit hoofdstuk staan de voorwaarden en criteria benoemd voor de vestiging en exploitatie van een coffeeshop binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Maximumstelsel en ruimtelijke criteria In het coffeeshopbeleid uit 1997 waren geen ruimtelijke criteria opgenomen. In deze notitie zijn wel ruimtelijke criteria opgenomen. Deze criteria zijn opgenomen om overlast te beperken, de controle te kunnen behouden en de drempel tot coffeeshops voor jongeren te verhogen. Het betreft de volgende ruimtelijke criteria: De gemeente houdt vast aan de 1-optie. Dat betekent dat er ruimte is voor één coffeeshop binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug (conform de afspraak uit de coffeeshopnotitie district Binnensticht 1997) Niet binnen een loopafstand van 350 meter van instellingen voor voortgezet en beroepsonderwijs voor jongeren jonger dan 18 jaar. Niet gelegen in een woonwijk; Niet gelegen op monofunctionele bedrijventerreinen; In een pand met een horeca-bestemming, minimaal bestemd voor middelzware horeca (b.v. café, restaurant met afhaalfunctie) In een pand dat voldoet aan de inrichtingseisen uit het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. De vestiging van een coffeeshop mag noch het woon- en leefklimaat in een straat of wijk noch het karakter van een straat op onaanvaardbare wijze aantasten. Bij vestiging van een coffeeshop in woonwijken is zonder meer sprake van overlast en aantasting van het woon- en leefklimaat. Vestiging van een coffeeshop is alleen mogelijk in winkelgebieden buiten de historische kernen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In straten waar de woonfunctie dominant aanwezig is, is de vestiging van een coffeeshop niet mogelijk. Het winkelklimaat in de naaste omgeving mag door de aanwezigheid van de coffeeshop niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed of dreigen te worden beïnvloed. Van ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het winkelklimaat is in elk geval sprake zodra een coffeeshop wordt of is gevestigd in een omgeving met overwegend winkels in een voetgangerszone, waarbij de bezoekers van de coffeeshop zijn aangewezen op dezelfde parkeervoorzieningen (parkeerterreinen/parkeergarages) voor voertuigen als het publiek van die winkels. 4 Verlenen gedoogverklaring Gedoogverklaring: Het is niet toegestaan een coffeeshop te exploiteren zonder een daartoe door de burgemeester afgegeven gedoogverklaring; De gedoogverklaring is aan de locatie van het verkooppunt en aan de persoon van de exploitant gebonden en is niet overdraagbaar. Aanvraag gedoogverklaring: De gedoogverklaring dient schriftelijk te worden aangevraagd bij de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. C.Te overleggen documenten bij aanvraag Bij de aanvraag dienen in ieder geval de volgende documenten te worden meegezonden: een kopie arbeidsovereenkomst leidinggevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.