Nota speelplaatsen gemeente Midden-DelflandHoofdstuk1.Inleiding In de gemeente Midden-Delfland is nog geen speelplaatsenplan vastgesteld. Inmiddels is duidelijk dat een speelplaatsenplan een bruikbaar instrument is om het beleid te verankeren. In de afgelopen jaren is een aanscherping geweest van de wet- en regelgeving en leven duidelijke wensen bij de gebruikers en inwoners van Midden-Delfland. Bij het begrip speelvoorzieningen hoort buiten spelen. Buiten spelen is gezond en bevordert de fysieke ontwikkeling van kinderen. Ook draagt buiten spelen bij aan de sociale ontwikkeling van een kind. Voor kinderen is het gewoon leuk om buiten te spelen. Omdat kinderen met elkaar spelen bouwen ze een netwerk op en komen met andere kinderen uit de buurt in contact. Dit vergroot de sociale controle en leefbaarheid in de wijk(en). Ook voor de gemeente is het aanbieden van een speelvoorziening van belang. Immers speelvoorzieningen maken deel uit van voorzieningen zoals gazons en ander groen die een wijk aantrekkelijk maken. Deze voorzieningen zijn nodig om bewoners in de wijken te behouden en nieuwe inwoners aan te trekken. Aan de hand van een beschouwing over veiligheidseisen, verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en controle wordt het belang van een goed speeltoestellenbeleid nog eens duidelijk gemaakt. Algemene beleidsuitgangspunten en voorwaarden, waaraan speelvoorzieningen moeten voldoen, worden geformuleerd. De inventarisatie van de huidige situatie van de openbare speelvoorzieningen, het resultaat van een eigen inspectie geven aan welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het niveau van speelvoorzieningen kan aan de hand van algemeen aanvaarde normen, leeftijd en aantal kinderen per wijk worden bepaald en zal steeds evolueren. Betrokkenheid van bewoners (jong en oud) bij het inrichten van speelplaatsen krijgt een steeds belangrijkere plaats in het gemeentelijk beleid. In het collegewerkprogramma wordt het belang van communicatie met bewoners steeds belangrijker. In het toekomstige speelruimtebeleid moeten bewoners betrokken blijven. Deze nota gaat in op de landelijke wet en regelgeving rond het beheer en onderhoud van speelvoorzieningen. Ook komt de situatie in de gemeente Midden-Delfland, de visie op het speelruimtebeleid en de interactie met bewoners aan bod. Hoofdstuk2.Samenvatting en conclusies 2.1 Algemeen Met de nota speelplaatsen wordt een beleidskader gevormd, waarin wordt aangegeven wat de gemeente op het gebied van speelplaatsen wil bereiken, en wat de gemeente daarvoor gaat doen. De algemene doelstelling is: “De gemeente Midden-Delfland stelt zich ten doel om in nauw overleg met bewoners, ouders en jeugdigen een evenwichtig gespreid patroon van speelvoorzieningen te realiseren en stelt daarvoor de benodigde middelen beschikbaar. Daarbij gaat zij uit van de actieradiussen van de leeftijdsgroepen. De gemeente beheert de voorzieningen op adequate wijze en speelt in op toekomstige ontwikkelingen.” Na inventarisatie van alle speelplaatsen in de gemeente Midden-Delfland is inzicht verkregen in het aantal speelplaatsen. Het gemiddeld aantal kinderen per speelplaats is op dit moment 43. Dit aantal wordt als norm gehanteerd. In de kernen is de verdeling van de speelplaatsen over het gebied redelijk tot goed. Het uitgangspunt is om de bestaande speelplaatsen in stand te houden. 2.2 Eisen aan vormgeving en constructie speeltoestellen Alle speeltoestellen hebben een typegoedkeuring, een technisch constructiedossier en een gebruiksaanwijzing. Het Attractiebesluit stelt eisen aan de installatie en montage van speeltoestellen. Aan deze eisen moet de gemeente Midden-Delfland altijd voldoen. 2.3 Eisen aan de inrichting van een speelplaats Speelvoorzieningen moeten aan voorwaarden voldoen. Bij punt 3.7 worden uitgangspunten en voorwaarden geformuleerd. Deze uitgangspunten gelden voor nieuwe speelvoorzieningen maar ook voor bestaande. 2.4 Onderhoud Na onderhoudsinspecties en controles door de Keuringsdienst van Waren blijkt dat alle speeltoestellen in onze gemeente voldoen aan de veiligheidseisen van vandaag de dag. Het huidige beleid is gericht op het binnen de financiële mogelijkheden in stand houden van de speelvoorzieningen met inachtneming van landelijke veiligheidsnormen. Speeltoestellen verouderen en zijn in principe na 12 jaren afgeschreven. Door het opstellen en bijhouden van een beheers-, vervangings- en een onderhoudsprogramma kunnen de speelterreinen kwalitatief in goede conditie worden gehouden en voldoen deze aan de laatste veiligheidseisen. 2.5 Nieuwe wijken In nieuwe wijken is het uitgangspunt voor het opstellen van een speelplan 43 kinderen per speelplaats. Van de bebouwde oppervlakte moet drie procent als speelplaats worden ingericht. Het uitgangspunt is om de speelvoorzieningen in overleg met de toekomstige bewoners te realiseren. De uitslag van de stemming is doorslaggevend voor de definitieve inrichting. Simpel gezegd: “meeste stemmen gelden”. Daarna wordt het gekozen plan uitgevoerd. Hierbij worden de bij punt 2.3 genoemde uitgangspunten gehanteerd. De aanlegkosten komen ten laste van de grondexploitatie. 2.6 Kosten Op basis van het vervangingsschema is per jaar de kosten voor vervanging aangegeven. Vanaf 2006 is jaarlijks een extra krediet nodig om de kwaliteit van de speelplaatsen op niveau te houden. Het voorstel is om dit bedrag jaarlijks toe te voegen aan de lasten van het product "vervangen speelplaatsen”. Hoofdstuk3.Het belang van een gemeentelijk speelplaatsenbeleid Het spelen en de ruimtelijke omgeving waarin kinderen opgroeien zijn van grote invloed op hun ontwikkeling. De toenemende dichtheid van de bebouwing biedt de jeugd echter steeds minder mogelijkheden. Daarom worden ten behoeve van de kinderen speelterreinen aangelegd. Bij de inrichting ervan moet worden aangesloten bij de leeftijd van kinderen. Hierbij wordt rekening gehouden met de opbouw van de leeftijd van de jeugd in de betreffende wijk. Bovendien moet een speelterrein / -toestel een spelwaardeverhogend aspect hebben. Ook aandacht aan de (ontwikkeling van) natuurlijke speelplekken is van belang. De veiligheid op speelterreinen moet, vooral in het belang van de spelende kinderen, optimaal zijn. Risico’s van aansprakelijkstellingen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. 3.1 Veiligheid speeltoestellen/wetgeving en normering De overheid streeft naar het reduceren van ongevallen in de openbare ruimte. Jaarlijks worden14.000 personen op de afdeling Spoedeisende Hulp van een ziekenhuis behandeld als gevolg van ongevallen op een speelgelegenheid. In de Warenwet is daartoe een productveiligheidseis opgenomen (gericht op speeltoestellen bestemd voor privé-gebruik). Een speeltoestel wordt ontworpen, vervoerd, gemonteerd, geplaatst, gebruikt, onderhouden en vervangen. Maar wie controleert dat allemaal? Voor controle is wetgeving nodig. De laatste jaren is de roep om duidelijke richtlijnen voor speeltoestellen steeds groter. Dat geldt op nationaal niveau maar ook op Europees niveau. In 1988 is begonnen met het ontwikkelen van een Europese norm (EN) voor speeltoestellen. Het doel van een EN is harmonisatie. In plaats van verschillende nationale normen komt er één norm die in alle deelnemende landen wordt gepubliceerd. Hieronder wordt ingegaan op de vragen: welke wetgeving ondersteunt de veiligheid van speeltoestellen en welke normen gelden voor speeltoestellen? Iedere burger en instantie moet zich aan de voorschriften uit de wetgeving houden (publiekrecht). Een aansprakelijkstelling kan volgen wanneer de beheerder van een speelterrein nalatig is en een derde daardoor schade heeft (privaatrecht). De volgende wetgeving is van toepassing: Besluit veiligheid attractietoestellen en speeltoestellen (Attractiebesluit); Bouwbesluit / Woningwet / Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken / Burgerlijk Wetboek. Besluit veiligheid attractietoestellen en speeltoestellen In ons land is het Besluit veiligheid attractietoestellen en speeltoestellen op 26 maart 1997 in werking getreden (hierna ook: het Attractiebesluit). Het Attractiebesluit definieert een speeltoestel als “een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt”. Het gaat hierbij om speeltoestellen die collectief worden gebruikt. Speeltoestellen voor privé-gebruik vallen hier dus niet onder. De algemene veiligheidseis zoals in het Attractiebesluit wordt omschreven luidt: “attractie- en speeltoestellen zijn zodanig ontworpen en vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige opschriften voorzien dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van personen”. Alle speeltoestellen moeten voorzien zijn van een typegoedkeuring, een technisch constructiedossier en een gebruiksaanwijzing. Ook worden eisen gesteld aan de beheerder. Beheerder De beheerder is de instantie waar het speeltoestel uiteindelijk in gebruik wordt genomen. Beheerders zijn te vinden in bijvoorbeeld kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, openbare speeltuinen, scholen en de horeca. De gemeente Midden-Delfland is (eigenaar van de speelplaatsen) ook beheerder. In het Attractiebesluit is voor de beheerder een algemene eis opgesteld: “De beheerder van een speeltoestel zorgt er voor dat het toestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat. De beheerder is verantwoordelijk gedurende de gehele periode dat hij het speelterrein beheert. Hij zorgt dat het toestel zodanig is geïnstalleerd en onderhouden dat het veilig is. De verantwoordelijkheid is niet alleen beperkt tot de toestellen. De beheerder is ook verantwoordelijk voor eventuele veiligheidsvoorzieningen (bijv. afrastering) en opschriften. Ook moet hij bijvoorbeeld het juiste schokabsorberende bodemmateriaal (bijv. rubberen tegels) gebruiken. De beheerder dient een logboek bij te houden. Het logboek bevat gegevens over onderhoud en inspecties van het gehele speelterrein. Tevens bevat het logboek per toestel een kopie van de keuringsuitslag en de gebruiksaanwijzing. De beheerder zorgt voor een beheersysteem waarin informatie over inspecties, onderhoud en administratie is vastgelegd. Regelmatig worden controles en herstelwerkzaamheden uitgevoerd. De visuele inspectie vindt maandelijks plaats. Jaarlijks wordt een functionele inspectie uitgevoerd. Ook wordt een logboek bijgehouden met een registratie van het onderhoud en eventuele ongevallen. Het bijhouden van een logboek is verplicht op grond van het attractiebesluit. In het logboek worden gegevens van de speeltoestellen weergegeven. Het logboek is een hulpmiddel om de veiligheid van een speeltoestel te waarborgen. Aan de hand van het logboek wordt vastgesteld welke maatregelen een beheerder heeft genomen voor beheer en onderhoud. Producent Ingevolge het Attractiebesluit zorgen producenten voor een veilig product. Zij moeten bij het ontwerp en vervaardiging van een toestel rekening houden met te verwachten gevaren als verstikking, valhoogte enz. Speeltoestellen moeten voorzien zijn van een gebruiksaanwijzing en moeten worden gekeurd door een daartoe aangewezen keuringsinstantie. Op grond van Europese Verdragen is een aantal buitenlandse keuringscertificaten gelijkgesteld met een Nederlandse keuring. Toezicht De handhaving van de naleving van het Attractiebesluit is opgedragen aan de ambtenaren van Inspectie voedsel en waren autoriteit. (hierna ook: Inspectie VWA). Zij bezoeken onaangekondigd speelgelegenheden, voeren steekproefsgewijs controles uit en beoordelen. Bij ernstige gebreken zullen de verantwoordelijken hiervan in kennis worden gesteld, met de intentie dat verbeteringen worden aangebracht. De Inspectie VWA kan een onveilig toestel laten afsluiten en herstel of verbetering van het toestel eisen. Bij herhaling kan dit leiden tot verbalisering en algehele sluiting van het speelterrein. Consequenties in de praktijk Alle nieuwe toestellen moeten vóór levering / ingebruikname worden gekeurd. Als het speeltoestel vervolgens wordt geïnstalleerd, geïnspecteerd en onderhouden volgens de gebruiksaanwijzing, mag ervan uit worden gegaan dat het speeltoestel voldoet aan de wettelijke eisen. Het Attractiebesluit zegt alleen in algemene termen dat speeltoestellen veilig moeten zijn. Het bevat geen technische specificaties voor die veiligheidseisen. Voor de technisch inhoudelijke uitwerking van de algemene veiligheidseis verwijst het Attractiebesluit naar normen. Deze normen worden hierna weergegeven. Zodra de Europese normen voor speeltoestellen gereed zijn, zullen deze in dit kader worden aangewezen. Bestaande toestellen hoeven niet gekeurd te worden. De beheerder dient deze zelf te controleren aan de hand van de gevaren die het Attractiebesluit noemt. De Europese normen of het “handboek veiligheid van speelgelegenheden” kunnen hierbij als referentie worden gebruikt. Is de afwijking gering dan wil dat nog niet zeggen dat het toestel per definitie onveilig is. Het toestel hoeft dan ook niet te worden aangepast. Als de afwijking wel tot gevaarlijke situaties kan leiden (verstikkingsgevaar) dan moet het toestel vanzelfsprekend worden aangepast. Gevaren In genoemd handboek wordt uitgebreid ingegaan op de gevaren die in het Attractiebesluit worden genoemd. Gevaren en risico-onderdelen van speeltoestellen zijn: verstikking; beklemming; afklemming; vallen; botsen; snijden; onvoldoende draagkracht en stabiliteit; onvoldoende toegankelijkheid en toegangsmiddelen; toegepaste materialen en verbindingsmiddelen. In het handboek worden aanbevelingen gedaan en adviezen gegeven, die zijn opgesteld om de veiligheid op en rond de speelgelegenheden zo veel mogelijk te garanderen. Normen In plaats van verschillende nationale normen komt er één norm die in alle deelnemende landen wordt gepubliceerd. In het handboek ‘Veiligheid van speelgelegenheden’ is een opsomming gemaakt van de bekende normen. Voor de beheerder, in dit geval de gemeente, zijn de toestelnormen (EN 1176 deel 1) nuttig, omdat aan de hand daarvan getoetst kan worden of toestellen, die al enige tijd in gebruik zijn, nog in overeenstemming zijn met de huidige eisen. Als ze op essentiële punten niet meer voldoen, is dat reden voor correcties. Voor wat betreft installatie, inspecties en onderhoud bodemmaterialen dient deel 7 van EN 1176 en EN 1177 te worden geraadpleegd. Bouwbesluit Op grond van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblbb) is voor het plaatsen van een speeltoestel, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit attractietoestellen en speeltoestellen, geen bouwvergunning vereist (mits de hoogte, gemeten vanaf de voet, minder is dan 3 meter). Het bouwvergunningvrij zijn, betekent dat een speeltoestel niet aan enige preventieve gemeentelijke toets is onderworpen. In artikel 20 Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) staat dat de voorschriften van het bestemmingsplan in bepaalde gevallen buiten toepassing blijven. Bij toepassing van artikel 20 WRO is van belang dat voldaan wordt aan de voorschriften die zijn gegeven in het Bblbb, slechts dan blijven de voorschriften, zowel voor het bouwen als voor het gebruik, van het bestemmingsplan buiten toepassing. Ter bescherming van private, individuele belangen van burgers enerzijds, en algemene maatschappelijke belangen zoals veiligheid, gezondheid en ruimtelijke kwaliteit anderzijds, zijn in de Woningwet en het Bblbb wel bepaalde randvoorwaarden opgenomen. Ook het Burgerlijk Wetboek (BW) is van toepassing. Wat de Woningwet betreft, moeten alle bouwwerken (ook de bouwvergunningvrije) voldoen aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften. Het Bouwbesluit is een algemene maatregel van bestuur (AMvB) die een nadere uitwerking is van de Woningwet. Het Bouwbesluit omvat technische bouwvoorschriften die in heel Nederland gelden voor elk bouwwerk. Zo ook voor vergunningsvrije speeltoestellen! 3.2 Aansprakelijkheid Bij een ongeval zullen de ouders van een kind naar de oorzaak gaan zoeken. Bij een vermoeden van schuld bij derden kan dat tot de volgende aansprakelijkstellingen leiden: Producent: productaansprakelijkheid (is het product gekocht of eigen productie); Installateur: wanprestatie als er sprake is van een overeenkomst (ondeugdelijke installatie); Exploitant: onrechtmatige daad (bijv. bij gebrekkig onderhoud). Als oneigenlijk gebruik (capriolen door het kind zelf) verwacht kan worden, dan zal de producent hierover instructies moeten geven aan de installateur en/of de exploitant (bijvoorbeeld dat toezicht bij dat toestel geboden is). Bescherming tegen aansprakelijkstellingen In het geval de gemeente aansprakelijk wordt gesteld voor de gevolgen van een ongeval, zal zij moeten aantonen wat men gedaan heeft om dit te voorkomen. Confrontatie met de gevolgen van een ongeval kan worden voorkomen door: ervoor te zorgen dat de speeltoestellen en -terreinen veilig zijn (veilige producten kopen/deugdelijk onderhoud plegen); een logboek bij te houden; alert te zijn op verander(en)de wetgeving; zonodig instructieborden bij speeltoestellen te plaatsen. Ook oudere, bestaande toestellen moeten aan de veiligheidsnormen voldoen. Dat wil zeggen: een speeltoestel mag bij normaal gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van personen. 3.3 Verantwoordelijkheid Naast het belang van de veiligheid van de speeltoestellen voor de gebruiker, de wettelijke kaders, de aansprakelijkheid e.d. dient ook duidelijk te zijn wie waarover de verantwoordelijkheid heeft. Om dat te bepalen spelen factoren, zoals: wie is de eigenaar van de grond, wie is de eigenaar van de toestellen (wie heeft ze betaald), welke afspraken zijn er gemaakt over het beheer en heeft het speelterrein een openbaar karakter (is het omheind). De eigenaar van een speelterrein is verantwoordelijk. Voor speelterreinen op gemeentelijke grond, als zodanig bestemd en met een openbaar karakter (niet omheind) is de gemeente verantwoordelijk. Dat geldt ook voor de toestellen die daarop staan. 3.4 Verzekering De gemeente Midden-Delfland heeft een W.A.-verzekering afgesloten met een eigen risico van € 2.500,- per gebeurtenis. Voor diefstal en/of beschadigingen van toestellen is de gemeente niet verzekerd. 3.5 Spel- en speelgelegenheden Een definitie van speelgelegenheid is: “Een door volwassenen ten behoeve van het kinderspel geplande ruimte, in meer of mindere mate daartoe ingericht, al dan niet omheind en al dan niet onder toezicht”. Over de verantwoordelijkheid is bovenstaand voldoende gezegd. Hieronder wordt ingegaan op de functies en de risico’s van het spel en op datgene wat verder van belang is voor de speelterreinen, de situering, de inrichting en het beheer van speelterreinen. Functies Spelen biedt een kind plezier. Spelen is ook belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. We spreken van een aantal hoofdfuncties: spel als bewegingsactiviteit (ontwikkeling van kracht, snelheid, lenigheid enz.); spel als middel om te leren met elkaar om te gaan (ontwikkelen sociale vaardigheden); spel als constructieactiviteit (het maken van een zandkasteel, timmeren, materialen leren kennen); spel als fantasie / verkenningsmogelijkheid (vaak zonder materialen). Spel en risico Bij het spelen moet rekening worden gehouden met het extra risico dat het kind loopt wanneer het speelt. Dat risico is vooral aanwezig als kinderen spelen met speeltoestellen. Risico wordt wel omschreven als: de combinatie van een kans op letsel bij kinderen op speelgelegenheden en de ernst van dat letsel. Een onaanvaardbaar risico is, wanneer: het risico aanleiding geeft tot het ontstaan van ernstig letsel; het gevaar onherkenbaar is. Er mag sprake zijn van een aanvaardbaar risico. Zo moet een speeltoestel voor grotere kinderen een bepaalde moeilijkheidsgraad hebben. Alleen dan blijft het toestel interessant en kan het zijn functie vervullen. Zo'n toestel geeft wel een bepaald valrisico dat we moeten accepteren. Dat risico omvat een drietal kenmerken: het geeft geen aanleiding tot ernstige ongevallen; het gevaar is te herkennen (pas vanaf ca. 6 jaar); het verhoogt de speelwaarde. 3.6 Van belang voor speelterreinen Van belang voor speelterreinen is de situering, de inrichting en het beheer. Deze factoren beïnvloeden de risico’s en de veiligheid. Hieronder wordt hierop ingegaan. Situering De situering wil niet meer zeggen dan de plek waar de speelruimte is neergelegd. Speelgelegenheden kunnen diverse niveaus hebben (buurtniveau, wijkniveau). Zo zal een grote, centraal gelegen speelgelegenheid een andere invulling hebben dan de kleuterspeelplek om de hoek. Ook bijvoorbeeld de routing ernaar toe, zeker bij een speelgelegenheid op wijkniveau, zal dan anders zijn en extra aandacht moeten krijgen. De veiligheid bepaalt de mate van gebruik van het speelterrein. In hoofdstuk 4 wordt hierop onder "beleidsuitgangspunten / -voorwaarden” nog even terug gekomen. Inrichting speelterreinen Bij de inrichting van speelterreinen kunnen we het volgende onderscheid maken: algemene voorzieningen: afschermingen (bescherming voor kinderen, ook van buitenaf); hoogteverschillen (spelelement, afbakening); groenvoorziening (spelelement, esthetisch, afscherming, geen hoge beplanting voor betere sociale controle, geen besdragende beplanting); veilige ondergrond (van belang i.v.m. valrisico); waterafvoer (indien nodig aandacht aan schenken); straatmeubilair (banken, bebording, fietsenstalling, afvalbak, verlichting). diverse speeltoestellen en speelaanleidingen: speeltoestellen zijn inrichtingen die bestemd zijn voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt; speelaanleidingen zijn voorzieningen die op het eerste gezicht niet een duidelijk aanwijsbaar gebruik vragen (heuvels, muurtjes, plateaus, autobanden). In onderstaande tabel zijn de situering en de inrichting nader uitgewerkt. Uit onderzoek is gebleken dat er een bepaalde relatie is tussen de leeftijd en het spelbereik van kinderen. Er wordt een actieradius voor verschillende leeftijdsgroepen gehanteerd: hoe ver kunnen kinderen in normale omstandigheden van huis gaan om te spelen. Ook ten aanzien van de behoeften aan speeltoestellen is een typering weergegeven. U ziet één en ander samengevat in onderstaande tabel. Het is een globale indicatie en geldt zeker niet als absolute eis. De feitelijke invulling hangt van veel factoren af, zoals: wat laten ouders toe, zijn voldoende terreintjes en andere speelplekken dichtbij, hoe is de wijk opgebouwd, hoe is de verkeerssituatie, waar spelen vriendjes etc. Naarmate kinderen ouder worden verandert hun gedrag. Leeftijd Actieradius Minuten lopen Gebied Speelruimte (incl. paden, beplanting, toegang e.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.