. Verder zijn burgers en bedrijven door debeleidsregel vooraf beter op de hoogte van de criteria die worden gehanteerd bij de beoordelingvan aanvragen om omgevingsvergunning. Toepassing van de beleidsregel maakt dat in gelijke gevallen, gelijk gehandeld wordt. Ten aanzien van een transparante en efficiënte dienstverlening worden met de beleidsregels drie doelen bereikt: vooraf duidelijkheid over de haalbaarheid van bouwplannen in relatie tot de bestemmingsplanregels; buren en andere belanghebbenden weten ook vooraf welke ontwikkelingen zij wel en niet kunnen verwachten in de directe nabijheid van hun woning, bedrijf of perceel; de procedure om tot een besluit te komen op een eventuele aanvraag omgevingsvergunning wordt bespoedigd. Daarnaast biedt in juridische zin het instrument van de beleidsregel de volgende voordelen voorzowel het bestuursorgaan als voor burgers en bedrijven: Rechtszekerheid: de beleidsregel informeert burgers en bedrijven wanneer het bestuursorgaan wel en wanneer het niet gebruik zal maken van een bevoegdheid om een bepaald besluit te nemen (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht). Motivering: het hanteren van beleidsregels zorgt ervoor dat het bestuur een goede invulling geeft aan het motiveringsbeginsel (artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht). Flexibiliteit: de beleidsregel biedt het bestuur meer flexibiliteit dan het instrument van de verordening (wettelijk voorschrift). Het is eenvoudiger om een beleidsregel aan te passen dan een verordening. Afwijkingsmogelijkheid: In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit deze bepaling vloeit voort dat voor het bestuursorgaan de mogelijkheid bestaat om van de beleidsregel af te wijken (dit wordt de inherente afwijkingsmogelijkheid genoemd). De mogelijkheid om van de beleidsregel af te wijken kan slechts in bijzondere omstandigheden gehanteerd worden. Afwijken is mogelijk en geboden, als de strikte naleving van de beleidsregel, gelet op de strekking van de beleidsregel en de onderliggende wettelijke regeling, in het concrete geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor de belanghebbenden zou opleveren. Soms kan dit op voorhand duidelijk zijn, maar soms kan dit ook pas blijken als de beoordelingsprocedure van een vergunningaanvraag al is gestart (bijvoorbeeld als gevolg van zienswijzen die worden ingediend). In het algemeen valt niet aan te geven wanneer sprake is van een onevenredig nadeel. Dit zal per situatie moeten worden beoordeeld. 1.3.Wettelijke bepalingen In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo zijn mogelijkheden opgenomen om van het bestemmingsplan af te kunnen wijken. In artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (
) zijn de gevallen waarvoor van het bestemmingsplan afgeweken kan worden opgenomen. Artikel 1:3, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 4:81 tot en met 4:84 Awb bepalen dat beleidsregels vastgesteld kunnen worden. 1.4.Toepassing 1.4.1. Cumulerende werkingDe Nota van Toelichting bij artikel 4 van bijlage II van het
geeft aan dat het om een regeling gaat waarbij éénmalig omgevingsvergunning kan worden verleend om cumulerende werking te voorkomen. Artikel van bijlage II van het
moet als volgt worden toegepast: indien er in een onderdeel van artikel 4 van bijlage II van het
een maximum is gesteld (voor wat betreft oppervlakte), is toepassing van dit onderdeel in zijn geheel of in delen mogelijk tot éénmaal het maximum. Indien er in een beleidsregel een maximum is gesteld (b.v. maximale oppervlakte aan bijgebouwen), is toepassing van het betreffende onderdeel in zijn geheel of in delen mogelijk tot éénmaal het maximum Indien er geen maximum is gesteld, is toepassing van het betreffende onderdeel van artikel 4 van bijlage II van het
slechts éénmaal per bouwperceel mogelijk. In het geval van het na elkaar toepassen van verschillende onderdelen van artikel 4 van bijlage II van het
op hetzelfde bouwperceel is er geen sprake van cumulatie. 1.4.
. Deze beleidsregel is dan ook niet van toepassing op recreatiewoningen, stacaravans en recreatieterreinen. Dit geldt ook voor de mogelijkheid die in artikel 4 lid 10 van bijlage II van het
benoemd is. 1.4.
. Vergunningvrije bouwactiviteiten zijn in twee categorieën in te delen, te weten: bouwactiviteiten die volledig vergunningvrij zijn en in beginsel ook niet aan de bestemmingsplanvoorschriften hoeven te voldoen en; bouwactiviteiten die vergunningvrij zijn, maar die wel aan de bestemmingsplanvoorschriften moeten voldoen. De bouwactiviteiten in de tweede categorie moeten dus voldoen aan de bebouwingsnormen engebruiksregels van het bestemmingsplan. Als het gebruik van een bouwwerk strijdig is methet bestemmingsplan en/of de bebouwingsnormen van het bestemmingsplan worden overschreden, is voor deze categorie een omgevingsvergunning vereist voor een planologische afwijking. In deze beleidsnota wordt omschreven in welke specifieke situatie meer wordt toegestaan dan de huidige regels van de bestemmingsplannen toestaan. In alle andere situaties zijn de bestemmingsplanregels leidend en wordt in beginsel niet afgeweken van het bestemmingsplan. 1.4.6. Relatie beleidsregel – aanvraag omgevingsvergunningOp grond van artikel 2.10 lid 2 van de Wabo is een aanvraag om omgevingsvergunning tevens een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan. 2.Beleidsregel Artikel 1.Begripsbepalingen Artikel 2.Wijze van meten Bij de toepassing van deze beleidsregel worden de bepalingen uit het desbetreffende bestemmingsplan over de “wijze van meten” toegepast. Artikel 3.Beleidscriteria Artikel 3.1. Artikel 3.1.1.
, eerste lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een bijbehorend bouwwerk, mits: het bouwwerk binnen de bebouwde kom is gelegen; het bouwwerk buiten de bebouwde kom is gelegen; de hoogte niet hoger is dan 5 meter, tenzij er sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, en; het bouwwerk een oppervlak heeft van niet meer dan 150 m, en; het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd en dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden; het aantal woningen gelijk blijft. Artikel 3.1.2.Uitgangspunten bij toepassing binnen de bebouwde kom Bijbehorend bouwwerk Het bijbehorende bouwwerk moet minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag afhankelijk van de totale perceelsgrootte niet meer bedragen dan hieronder staat aangegeven: Totale oppervlakte perceel: Maximaal gezamenlijke oppervlakte: Tot 300 m² 60 m² Van 300 m² tot 500 m² 70 m² Van 500 m² tot 750 m² 80 m² Van 750 m² tot 1000 m² 90 m² Van 1000 m² en meer 100 m²: bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak, de bebouwingsstrook of bij het ontbreken daarvan binnen een diepte van 12 meter van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw tellen niet mee bij de bepaling van de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het perceel; het achtererfgebied, of het gebied waar op grond van het bestemmingsplan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mogen worden, mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd; per bouwperceel mogen niet meer dan 3 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd; de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen; de nok/bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5,5 meter; bijbehorend bouwwerken mogen plat worden afgedekt, gelijk aan de maximale goothoogte; in afwijking van het voorgaande mag de voorgevelrooilijn worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: de overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 meter; de afstand tot de openbare weg mag niet minder bedragen dan 2 meter; de totale hoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; de breedte mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw. bij hoekwoningen geldt dat situering van het bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn (zijgevelrooilijn) van de eigen woning of van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen is toegestaan als voldaan wordt aan de volgende vooraarden: er mag gebouwd worden tot op de perceelsgrens; het bijbehorende bouwwerk moet minimaal 5 meter achter de eigen voorgevel worden gebouwd; het bouwwerk moet voorzien zijn van een platdak met een maximale hoogte van 3,0 meter; het bijbehorende bouwwerk dient uit stedenbouwkundig oogpunt te passen in de directe omgeving; de verkeersveiligheid mag niet worden aangetast; Als niet voldaan wordt of kan worden aan bovenstaande punten zal per geval bekeken worden of medewerking verleend kan worden. Artikel 3.1.3.Uitgangspunten bij toepassing buiten de bebouwde kom Bijbehorend bouwwerk Het bijbehorende bouwwerk moet minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 2 meter bedragen; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag maximaal 150 m² bedragen, dit is inclusief het oppervlak dat al in het bestemmingsplan is toegestaan; het achtererfgebied, of het gebied waar op grond van het bestemmingsplan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mogen worden, mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd; per bouwperceel mogen niet meer dan 3 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd; de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen; de nok/bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter; bijbehorend bouwwerken mogen plat worden afgedekt, gelijk aan de maximale goothoogte. Artikel 3.1.4.Uitgangspunten bij toepassing bij Ruimte voor Ruimte en BIO-woningen Bijbehorend bouwwerk Het bijbehorende bouwwerk moet minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 2 meter bedragen; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag afhankelijk van de totale perceelsgrootte niet meer bedragen dan hieronder staat aangegeven: Totale oppervlakte perceel: Maximaal gezamenlijke oppervlakte: Tot 300 m² 60 m² Van 300 m² tot 500 m² 70 m² Van 500 m² tot 750 m² 80 m² Van 750 m² tot 1000 m² 90 m² Van 1000 m² en meer 100 m²: het achtererfgebied, of het gebied waar op grond van het bestemmingsplan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mogen worden, mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd; per bouwperceel mogen niet meer dan 3 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd; de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen; de nok/bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom mag niet meer bedragen dan 5,5 meter; de nok/bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom mag niet meer bedragen dan 5 meter; bijbehorend bouwwerken mogen plat worden afgedekt, gelijk aan de maximale goothoogte; in afwijking van het voorgaande mag de voorgevelrooilijn worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: de overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 meter; de afstand tot de openbare weg mag niet minder bedragen dan 2 meter; de totale hoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; de breedte mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw. bij hoekwoningen geldt dat situering van het bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn (zijgevelrooilijn) van de eigen woning of van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen is toegestaan als voldaan wordt aan de volgende vooraarden: de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter is; het bijbehorende bouwwerk moet minimaal 5 meter achter de eigen voorgevel worden gebouwd; het bouwwerk moet voorzien zijn van een platdak met een maximale hoogte van 3,0 meter; het bijbehorende bouwwerk dient uit stedenbouwkundig oogpunt te passen in de directe omgeving; de verkeersveiligheid mag niet worden aangetast; Als niet voldaan wordt of kan worden aan bovenstaande punten zal per geval bekeken worden of medewerking verleend kan worden. Artikel 3.2. Artikel 3.2.1.
, tweede lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a van bijlage II van het
, mits: de hoogte niet hoger is dan 5 meter, en; waarvan de oppervlakte niet meer is dan 50 m². Artikel 3.2.2.Uitgangspunten bij toepassing Een omgevingsvergunning is alleen van toepassing als niet wordt voldaan aan de subeisen uit artikel 2, onderdeel 18, onder a (omgevingsvergunningvrije bouwactiviteit) van bijlage II van het
. Per geval wordt bezien of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Artikel 3.3. Artikel 3.3.1.
, derde lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits: de hoogte niet hoger is dan 10 meter, en; de oppervlakte niet meer is dan 50 m². Artikel 3.3.2.Uitgangspunten bij toepassing Erfafscheiding binnen de bebouwde kom Oprichten van een erfafscheiding: de hoogte maximaal 2 meter bedraagt; de oppervlakte van de erfafscheiding maximaal 50 m² bedraagt; de erfafscheiding mag alleen voor de voorgevelrooilijn (zijgevelrooilijn) gebouwd worden bij hoekwoningen de erfafscheiding minimaal 5 meter achter de voorgevel van de eigen woning wordt gebouwd; de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; de ruimtelijke kwaliteit voldoende is veiliggesteld, door te kiezen uit de voorgestelde vormen uit bijlage
, vierde lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw. Artikel 3.4.2.Uitgangspunten bij toepassing Per geval wordt bezien of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Artikel 3.5. Artikel 3.5.1Bor Artikel 4, vijfde lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een antenne-installatie, mits; a.de hoogte niet hoger is dan 40 meter. Artikel 3.5.2.Uitgangspunten bij toepassing Per geval wordt bezien of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Artikel 3.6. Artikel 3.6.1Bor Artikel 4, zesde lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998. Artikel 3.6.2.Uitgangspunten bij toepassing Per geval wordt bezien of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Artikel 3.7. Artikel 3.7.1.
, zevende lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een installatie bij een agrarisch bedrijf, waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen. Artikel 3.7.2.Uitgangspunten bij toepassing Per geval wordt bezien of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Artikel 3.8. Artikel 3.8.1.
, achtste lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en de duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen. Artikel 3.8.2 Uitgangspunten bij toepassing Evenementen zijn toegestaan, mits: het evenement maximaal drie keer per jaar per locatie/adres wordt georganiseerd; voldaan wordt aan de bepalingen uit de APV en uit de Nota evenementenbeleid; in de parkeerbehoefte is voorzien; bij gebruik van een bouwwerk, het bouwwerk tijdens de duur van het evenement uitgerust is met voldoende en deugdelijke brandveiligheidsvoorzieningen, aangegeven op een plattegrondtekening (minimaal schaal 1:100) en op een situatietekening (minimaal schaal 1:1000). Artikel 3.9. Artikel 3.9.1.
, negende lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits: het bouwwerk binnen de bebouwde kom is gelegen, en; de wijziging betrekking heeft op een oppervlakte van niet meer dan 1500 m², en; het aantal woningen gelijk blijft. Artikel 3.9.
, tiende lid van bijlage II van het
Burgemeester en wethouder kunnen omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits: de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen, en; de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderijen en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en; de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en; de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was. Artikel 3.10.2.Uitgangspunten bij toepassing Het gebruiken van deze mogelijkheid is uitgesloten. Hiervan wordt dus geen gebruik gemaakt. Het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden heeft op 8 november 2005 de “Nota permanente bewoning van recreatiewoningen” vastgesteld. Deze nota regelt hoe in Reusel-De Mierden met bewoning van recreatiewoningen wordt omgegaan. Artikel 4.Hardheidclausule Artikel 4.1.Ruimer dan de beleidregel Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd om af te wijken van deze beleidsregel. Het college heeft de bevoegdheid om in ruimere zin af te wijken van de beleidsregel, binnen de maximale mogelijkheden van het
. Afwijken van de beleidsregel is mogelijk wanneer deze onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In deze gevallen wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies voorgelegd aan een stedenbouwkundige en/of aan de welstandscommissie. Artikel 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.