(3)en het vergroten van het draagvlak voor het te voeren beleid. Naast het vorenstaande legt het stadsdeelbestuur in de lijn van het Programakkoord, ten behoeve van bewoners, bedrijven en bezoekers, meer de nadruk op inspanningen om de besluitvorming transparant te maken en de participatie te versterken. Een uitvloeisel van deze benadering is dat het Dagelijks Bestuur meer aandacht geeft aan interactieve, bestuurlijke beleidsprocessen in het voortraject van de beleids- en besluitvorming. Dit gebeurt op velerlei manier. Deze activiteit valt buiten de verordening. Denk bijvoorbeeld aan beheergroepen, wijkveiligheidsavonden, buurtvergaderingen, werkconferenties, consultaties, brainstorm-gesprekken, enzovoort. Inspraak als geregeld in de verordening is te beschouwen als het (formele) sluitstuk van dit voortraject. De inspraak en het recht op inspraak knopen (daarna) aan bij tot het totstandgekomen geconcretiseerde beleidsvoornemen. Dualisme en inspraak Door de invoering van dualisering zijn de rollen van Dagelijks bestuur en Deelraad scherper geprofileerd. Het Dagelijks Bestuur oefent de bestuurstaken en -bevoegdheden uit, terwijl de deelraad zich concentreert op zijn kaderstellende, controlerende en volksvertegenwoordigende taken en bevoegdheden. Vertaald naar de inspraak houdt dit in dat de raad de (kader)verordening vaststelt die door het DB wordt uitgevoerd. Op de uitvoering kan door de raad controle worden uitgeoefend met de daarvoor geëigende middelen. Hiervoor kunnen signalen van belang zijn die naar voren komen in de volksvertegenwoordigende bezigheden van de raad. Indien het een besluit van de raad betreft, zoals een verordening, zal in de raadscommissie en raad het gelopen inspraaktraject mede aan de orde zijn. Het DB verstrekt dan aan de raadscommissie en de deelraad informatie over de inspraak en de manier van verwerken van de inspraakreacties. Het DB is volgens de Gemeentewet belast met het voorbereiden van raadsbesluiten. Gaat het om een besluit van het DB zelf dan kan de deelraad dit besluit desgewenst op een andere manier (politiek) aan de orde stellen, bijvoorbeeld door het stellen van vragen of door bespreking in de raadscommissie. Betrekkelijk nieuw is dat de raad, met name gelet op zijn volksvertegenwoordigende rol, middelen heeft om zelf vormen van inspraak te entameren. Ze zijn gerelateerd aan het functioneren van de raad. Er is de mogelijkheid om deskundigen, belanghebbenden of anderen uit te nodigen, al of niet in combinatie met een door de raad of commissie gekozen thema of onderwerp. Te denken is ook aan buurtbijeenkomsten, en werkbezoeken. Klachtregeling Onder de oude verordening was er voor klachten over inspraak een Beklagcommissie werkzaam. Het merendeel van de klachten sinds 1996 is ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard. Uit de adviezen van de commissie blijkt wel dat er behoefte is aan een transparantere regeling. De Beklagcommissie is door het centrale bestuur opgeheven. Klachten worden behandeld volgens de intussen in de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen klachtregeling. Dit houdt in dat klachten kunnen worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur dat over de klacht een besluit zal moeten nemen. De raad beschikt over de reguliere mogelijkheden in de (gedualiseerde) verhouding tussen DB en raad dit desgewenst kritisch te volgen. In het Burgerjaarverslag zal de stadsdeelvoorzitter jaarlijks verslag doen, onder andere over de inspraak en eventuele klachten daarover. Zienswijze en bezwaar In de verordening wordt inspraak omschreven als het geven van een zienswijze. Deze terminologie is in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht: een zienswijze of een bedenking gaat vooraf aan het besluit. In het geval iemand het met het genomen besluit niet eens is, volgt erna het indienen van een bezwaar, volgens de daarvoor geldende regels van de Awb (bezwaar indienen binnen de scherpe termijn van zes weken na het besluit). Beschikkingen en zienswijzeprocedure Algemene wet bestuursrecht Beschikkingen vallen niet onder de Inspraakverordening. De Awb kent voor beschikkingen een eigen, verplichte zienswijzeprocedure. Er is een hoorplicht in het geval het bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk wil afwijzen. De aanvrager wordt dan in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.Wanneer de voorgenomen beschikking bij anderen dan de aanvrager bedenkingen zou kunnen oproepen, geldt eveneens een hoorplicht. Ook dan wordt de (derde)belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het Stadsblad wordt wekelijks informatie over binnengekomen aanvragen gepubliceerd, om gelegenheid voor het indienen van zienswijzen te geven. Dit is geen inspraak als bedoeld in de verordening, al komt het voor een deel daarmee overeen. Het gaat in de Awb bij de hoorplicht om de noodzaak dat het bestuursorgaan uitgaat van de juiste feiten en dat het een juist gewicht kan toekennen aan de belangen die voor de burger van betekenis zijn. Daarvoor is voorafgaand contact tussen burger en bestuursorgaan onontbeerlijk. De Awb gaat er van uit dat het horen zinvol moet zijn. Daarom geldt de hoorplicht niet indien de belanghebbende zelf de feiten al heeft verstrekt, of als een besluit moet worden genomen ongeacht eventuele belangen van een (derde)belanghebbende. Voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht De Inspraakverordening komt wat de vorm van inspraak betreft nagenoeg overeen met de (facultatieve) voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. De wet bevat voorbereidingsprocedures voor besluiten. Deze procedures zullen worden samengevoegd tot een uniforme voorbereidingsprocedure, in 2004. In de verordening wordt naar de bepalingen in de Awb verwezen. De Inspraakverordening bevat verder toevoegingen (website stadsdeel bijvoorbeeld), en bepalingen voor flexibiliteit en doelmatigheid (die het mogelijk maken maatwerk te kiezen voor een bepaalde inspraakprocedure). Verhouding Algemene wet bestuursrecht en Inspraakverordening Samenvattend in deze paragraaf hierover het volgende. De Inspraakverordening gaat niet over beschikkingen, omdat de Awb dit onderwerp regelt zoals hierboven is toegelicht. De voorbereidingsprocedure van de Awb voor besluiten waarbij grote aantallen belanghebbenden of geïnteresseerden betrokken kunnen zijn is niet dwingend voorgeschreven, maar is in de Inspraakverordening, zoals in bovenstaande paragraaf is aangeduid, overgenomen, met aan het stadsdeel aangepaste toevoegingen waaronder bepalingen om maatwerk te kunnen kiezen. De werkingssfeer van de Inspraakverordening is ruimer dan de Awb-voorbereidingsprocedure die alleen betrekking heeft op ‘besluiten’ in de zin van de Awb, te weten publiekrechtelijke rechtshandelingen. De verordening heeft ook betrekking op besluiten waarvan de inhoud feitelijk van aard is (bv herinrichting), of besluiten tot vaststellen van plannen en beleidsnota’s, of besluiten inzake privaatrechtelijk te voeren beleid. Concept-beleidsbesluit In de Inspraakverordeningen is van oudsher het centrale begrip beleid of beleidsvoornemens. Dat is ook in modelverordeningen van de VNG zo. Beleid wordt niet precies verder gedefinieerd. Dat is om de werkingssfeer van de verordening ruim te houden. Beleid omvat meer dan de eerder besproken ‘besluiten’ van de Algemene wet bestuursrecht. Het omvat ook meer dan de ‘beleidsregels’ in de zin van de Awb die betrekking hebben op het bestuursorgaan dat kenbaar moet maken hoe het een specifieke bevoegdheid uitoefent (afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften in dat kader). Beleid betreft ook voornemens inzake feitelijk handelen van bestuursorganen. Kortom, het is aan het Dagelijks Bestuur om in de bestuurspraktijk inhoud te geven aan de verordening. Dit is ook nodig gelet op het feit dat een ‘beleidsvoornemen’ een rol kan spelen in vele fasen van de besluitvorming. Het gaat dan om het kiezen van het goede moment van inspraak: het beleidsvoornemen dient voldoende geconcretiseerd te zijn. In de verordening wordt daarom gekozen voor het markeren van het concept-beleidsbesluit, te weten het geconcretiseerde voornemen van het bestuursorgaan, als startpunt voor de (formele) inspraakprocedure. Door, vanuit, of namens het bestuursorgaan (DB) wordt kenbaar gemaakt wat het beleidsvoornemen inhoudt, met het oog op besluitvorming door het DB. Waar het voor de inspraak om draait is dat de burger weet of kan weten wat het bestuursorgaan van plan is. Het behoeft geen toelichting dat in alle fasen heldere en tijdige informatievoorziening zowel over inhoud als procedure een cruciale voorwaarde vormt. Interactieve beleidsprocessen, beleidsnota’s en inspraak Interactieve vormen van beleidsvorming gaan in belangrijke mate vooraf aan het inspraakproces. Zij vallen niet onder de Inspraakverordening. Daarvoor is immers een concreet beleidsvoornemen nodig. Daaraan vooraf gaat het in samenspraak met diverse betrokkenen zoeken naar de gewenste of mogelijke beleidsalternatieven. Dit is vanaf het begin een meer open proces. Het stadsdeel kent daarvan tal van voorbeelden. Te denken is onder meer aan de totstandkoming van wijkveiligheidsplannen, de Woonvisie, de gebiedsgerichte aanpak van de Czaar Peterbuurt, en de herinrichting van pleinen. Wanneer deze processen in concrete beleidsvoornemens van het bestuursorgaan uitmonden die moeten leiden naar beleidsbesluiten is de Inspraakverordening van toepassing. Wanneer het gaat om veel omvattende, grote beleidsnota’s is het doorgaans zo dat aan de totstandkoming en de vaststelling ervan vele stadia vooraf gaan. Gebruikelijk is bijvoorbeeld dat op verschillende manieren aan deskundige of belanghebbende organisaties of burgers specifiek om een inbreng wordt gevraagd. Die wordt gebruikt om tot een concept te komen. Het is van belang in dit proces een moment vast te stellen waarop een totstandgekomen concept-nota door het DB wordt vrij gegeven voor (formele) inspraak. Dan kunnen degenen die in het voortraject nog niet waren betrokken dan wel met de verwerking van hun inbreng niet tevreden zijn, in het inspraakproces (opnieuw) aan de beurt komen. Het DB heeft de mogelijkheid aan het begin helderheid te scheppen over het proces door het nemen van een besluit waarin de procedure wordt vastgelegd, eventueel met gebruikmaking van art. 7 waardoor de inspraak op maat kan worden gesneden. Dit besluit ex art. 7 kan ook worden genomen wanneer het DB overgaat tot het vaststellen van een concept-beleidsnota. Ziet het DB geen aanleiding voor de inspraak een specifiek besluit te nemen, dan blijft de standaardprocedure als vastgelegd in de Inspraakverordening van toepassing. Dit betekent als gezegd dat zodra sprake is van een geconcretiseerd beleidsvoornemen de in de verordening beschreven inspraakprocedure moet worden gevolgd. Samenvatting besluitvormingsproces en inspraak Het stramien van de verordening gaat in hoofdzaak uit van het volgende besluitvormingsproces: 1. Een open, interactief voortraject (van het DB; de deelraad en commissies steken eigen voelhorens en antennes uit) waarin velerlei vormen van inbreng worden georganiseerd, of mogelijk zijn, en waarin de beleidsvoornemens in meerdere of mindere mate nog moeten uitkristalliseren; dit betreft nog geen inspraak in de zin van de verordening. 2. Na het totstandkomen van een geconcretiseerd voornemen van het bestuursorgaan wordt dit kenbaar gemaakt of ´vrij gegeven’ voor inspraak als bedoeld in de verordening. 3. Voor de niet in het (al dan niet interactieve) voortraject betrokken burgers of belanghebbenden is er nu formeel gelegenheid een zienswijze te geven. Ook degenen die menen dat met hun inbreng in het voortraject niet voldoende is gedaan, hebben gelegenheid hun zienswijze te uiten. 4. Het Dagelijks Bestuur verwerkt een en ander, komt terzake tot een besluit, neemt het in uitvoering als het besluit tot de bestuurscompetentie van het DB behoort. 5. Het besluit wordt kenbaar gemaakt aan de deelraad. In bepaalde gevallen wordt het ter bespreking aan een raadscommissie gezonden. Het gaat via een raadscommissie ter besluitvorming naar de deelraad indien het tot de competentie van de deelraad behoort om het besluit te nemen. 6. Bij de behandeling in de raadscommissie of deelraad is er –volgens de op die organen toepasselijke regelingen- recht op inspreken voor ieder die daartoe behoefte heeft. 7. Na behandeling in raadscommissie of deelraad is het besluit rijp voor uitvoering. De praktijk van inspraak Het verlenen van inspraak is in het stadsdeel een vanzelfsprekendheid. In het Stadsblad wordt wekelijks en sinds enige tijd ook permanent via de website van het stadsdeel bekend gemaakt welke voornemens van besluiten bestaan, wordt om zienswijzen gevraagd, en wordt geattendeerd op inspraakavonden. Zowel op het beleidsterrein van Openbare Ruimte als dat van Bouwen en Wonen is standaard dat voor beleidsvoornemens van enige omvang zoals plannen voor herinrichting en bouw- en bestemmingsplannen een (informatie-
- en)inspraakavond wordt belegd. Gebruikelijk is ook dat vooraf informatie wordt geboden via de website of in daarvoor belegde bijeenkomsten. ----------------------------------------- [1] Sinds 1996 zijn volgens opgave van de Beklagcommissie over ingediende klachten 13 adviezen aan de gemeenteraad uitgebracht. Het merendeel van de klachten is ongegrond of niet-ontvankelijk bevonden. Enkele betroffen bevoegdheden van de centrale stad. Daarnaast zijn 15 klachten ingediend die zijn ingetrokken na bemiddeling van de Beklagcommissie. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Eerste lid, ad b In de oude verordening stonden als bestuursorganen genoemd de raad, het college en de burgemeester. In het stadsdeel neemt het Dagelijks Bestuur uiteraard de plaats in van het college. In plaats van de burgemeester wordt nu de stadsdeelvoorzitter genoemd. Aan de stadsdeelvoorzitter zijn weliswaar nog geen bevoegdheden gedelegeerd zoals in het kader van de binnengemeentelijke decentralisatie aan het Dagelijks Bestuur is geschied, maar wel heeft de burgemeester bepaalde bevoegdheden aan de stadsdeelvoorzitter(
- s)gemandateerd. Door deze worden op basis daarvan namens de burgemeester besluiten genomen. Een voorbeeld hiervan betreft de in art. 2.16 APV opgenomen bevoegdheden (straatartiesten). Indien het om beleidsbesluiten gaat zijn deze voor inspraak vatbaar. Hierbij wordt aangetekend dat in de herziening van de Verordening op de Stadsdelen in 2004 mede wordt bezien of er bevoegdheden aan de stadsdeelvoorzitters kunnen worden gedelegeerd. Ook dan treedt de stadsdeelvoorzitter als zelfstandig bestuursorgaan op, ook al is dit binnen het collegiale bestuur van het DB (zoals Burgemeester en College). De (deel)raad is als afzonderlijk orgaan uit de verordening gehaald om de rollen duidelijk gescheiden te houden. Het zwaartepunt van de inspraak ligt in de beleidsvoorbereiding die door het DB ter hand wordt genomen. In de gevallen dat de deelraad tot een besluit moet komen, zoals voor het vaststellen van een verordening, wordt door het DB inspraak verleend inzake zijn voorstel aan de deelraad tot het doen vaststellen van die verordening. De deelraad kan vervolgens laten inspreken over dit onderwerp in commissie of raad. Meestal vindt aldus filtering plaats van de kritische aspecten in het voorstel. Voorstanders van het besluit spreken doorgaans niet (meer) in. De kritische momenten zijn dan uitgezeefd en worden (politiek) gewogen door de commissie en uiteindelijk door de deelraad. Dit orgaan hoeft de inspraak niet in zijn geheel over te doen. Dit zou inefficiënt zijn en niet passen bij de kaderstellende rol van de deelraad. ad c De term inspraakgerechtigde verwijst naar het recht op inspraak dat ingezetenen van het stadsdeel hebben, alsmede personen of vertegenwoordigers van organisaties die (statutair) een belang in het stadsdeel hebben. Dit houdt bijvoorbeeld in dat in de binnenstad gevestigde bedrijven doorgaans inspraakgerechtigd zijn. Ook bezoekers van de binnenstad kunnen een belang hebben, die hen inspraakgerechtigd maakt. Het zal duidelijk zijn dat de kring van inspraakgerechtigden ruim tot zeer ruim kan zijn. Maar niet iedereen heeft altijd het recht op het geven van zijn zienswijze. Inspraak is geen vrijbrief zich te bemoeien met concept-besluiten die iemand geenszins kunnen raken. ad d De term ‘concept-beleidsbesluit’ is gekozen ter vervanging van het woord ‘beleidsvoornemen’ dat tot dusver in de (centrale) verordening is gebezigd. Dit heeft tot doel om beter tot uitdrukking te brengen dat het in de inspraak, en bij het recht op inspraak, gaat om een geconcretiseerd voornemen van het Dagelijks Bestuur. De aanduiding beleidsbesluit is gekozen om te laten zien dat het bij inspraak niet om beschikkingen gaat, t.w. besluiten die gericht zijn op (een) specifieke belanghebbende (n). Verder geeft deze aanduiding aan dat een breed terrein van overheidshandelen onderwerp van inspraak kan zijn (de verderop genoemde uitzonderingen daargelaten). Hieronder vallen ook de geconcretiseerde voornemens tot wijziging van bestaand beleid. Het stadsdeelbestuur zet meer en meer in op open en interactieve beleidsprocessen. Dat is een manier om meer burgers bij de beleidsvorming in een eerdere fase te betrekken, om tot beter beleid te komen, en om draagvlak te verwerven. Te denken is bijvoorbeeld aan consultaties, werkbezoeken en gedachtewisselingen van DB of portefeuillehouder met burgers, organisaties of bijzondere deskundigen. Te denken is ook aan beheergroepen. Een ander voorbeeld betreft de jaarlijkse opstelling van buurtwijkveiligheidsplannen. Op avondbijeenkomsten in een buurt kunnen actiepunten worden aangedragen en gekozen. Dit is een interactief proces om te komen tot een goed plan. Dit is geen inspraak in de zin van de verordening. Die is pas aan de orde als een geconcretiseerd voornemen van het bestuursorgaan is tot stand gekomen en beschikbaar is. Inspraak kan plaats vinden indien de burger weet of kan weten wat het bestuursorgaan van plan is. Bij de totstandkoming van beleidsnota’s wordt veelal een weg gevolgd van een interactief voortraject, waarin deskundigen en belangenorganisaties worden betrokken, waarna een concept-nota door het DB wordt vastgesteld, welk besluit na inspraak, en eventuele wijziging, door de raadscommissie en deelraad als beleidskader wordt aanvaard dan wel in gewijzigde vorm wordt vastgesteld. ad e In tegenstellling tot beschikkingen vallen besluiten van algemene strekking onder de Inspraakverordening. Te denken is aan algemeen verbindende voorschriften zoals een verordening die voorschriften bevat waaraan burgers zich moeten houden. Deze worden door de deelraad vastgesteld. Het DB verzorgt in het voortraject de inspraak om te komen tot een voorstel aan de deelraad. Ook het Dagelijks Bestuur kan besluiten van algemene strekking nemen. Bij deze besluiten gaat het niet om het in leven roepen van het voorschrift zelf. Dat is een bevoegdheid van de deelraad. Gedoeld wordt op besluiten ter uitvoering van een verordening die een voorschrift op een bepaalde plek of tijd concretiseren. Een voorbeeld hiervan is het benoemen van een plein waar geen alcohol mag worden genuttigd. De mogelijkheid tot het nemen van zo een besluit is in de APV gegeven. Dit besluit is van algemene strekking omdat het op die plaats voor ieder geldt. Een ander voorbeeld is het instellen van een parkeergebied (op grond van de Parkeerverordening), of het besluit tot het instellen van een verkeersregime (op grond van de Wegenverkeerswet, het RVV, resp. het delegatiebesluit van de deelraad). Artikel 2 Werkingssfeer verordening De Inspraakverordening bestrijkt een breed terrein. De omschrijving van datgene waarover inspraak wordt gegeven, is tamelijk open gehouden. Het uitgangspunt van de regeling is immers dat het bestuursorgaan in principe inspraak geeft, en dat het bestuursorgaan zich actief inspant om inspraak inhoud te geven. Aan de andere kant moet inspraak voor de burger zinvol zijn. Ook zijn tijdverlies, dubbel werk en herhalingen van zetten, niet bevorderlijk voor een goede verhouding tussen bestuursorgaan en burger. Met het oog hierop wordt evenals in de oude verordening een aantal uitzonderingen op de inspraak opgenomen. Zo leent een besluit waarin het stadsdeelbestuur geen beleidsvrijheid heeft, zich niet voor inspraak, omdat de burger geen invloed kan uitoefenen om een ander besluit tot stand te laten komen. In zekere zin geldt dit ook voor de uitzondering ter bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving. Deze bepaling is van oudsher opgenomen omdat sommige besluiten, zoals de vestiging van een bepaalde voorziening, door het bestuursorgaan moeten kunnen worden genomen in weerwil van daartegen bestaande grote weerstanden. Weliswaar houdt inspraak niet in dat het bestuursorgaan daaraan gebonden is, en zal het bestuursorgaan steeds uiteindelijk zijn eigen afwegingen dienen te maken, maar het geven van inspraak terwijl de kern van het besluit naar het oordeel van het bestuursorgaan op voorhand niet veranderbaar is, is niet zinvol. Vanzelfsprekend ontslaat dit het bestuursorgaan niet van de plicht optimale duidelijkheid en informatie vooraf te bieden. Een andere uitzondering betreft de financiële besluiten, zoals die over tarieven, belastingen, leges en begroting. Het gaat hier om besluiten waarin bij uitstek, in bestuurlijke en politieke zin integrale afwegingen aan de orde zijn, die in het samenspel tussen DB en deelraad tot stand komen. De burger heeft hierbij, geholpen door tijdige en goede informatie van het DB, de beschikking over de kanalen van de belangenorganisaties, de fracties van de politieke partijen, en de behandeling in raadscommissies en deelraad, om invloed uit te oefenen. Artikel 3 Inspraakgerechtigden Inspraak is bedoeld om ingezetenen de gelegenheid te geven het besluitvormingsproces te kunnen beïnvloeden inzake besluiten die hen kunnen betreffen of raken. Het is niet de bedoeling van inspraak dat ieder zijn zienswijze kan geven, ook al wordt hij in het geheel niet geraakt door het voorgenomen beleid. Daarom brengt art. 3 een beperking aan. Hierdoor krijgen degenen die het werkelijk aangaat meer ruimte. Deze kunnen zich desgewenst –op de rechtsgeldige manieren- laten vertegenwoordigen door wie zij willen. De beperking is op deze laatsten niet van toepassing. De beperking betekent overigens niet dat te verwachten valt dat de kring van inspraakgerechtigden sterk wordt beperkt. Zo kunnen organisaties die statutair bepaalde belangen behartigen, inspreken over beleidsbesluiten op die terreinen. In het geval dat onduidelijkheid bestaat over de vraag wie kunnen inspreken, zal het Dagelijks Bestuur de grenzen dienen aan te geven; het spreekt vanzelf dat in geval van twijfel de grenzen ruim dienen te worden getrokken. Met de aanduiding ‘gevolgen hebben’wordt niet gedoeld op de eventuele financiële consequenties van een besluit. Een beleidsmaatregel zal in de regel geld kosten. In het derde lid wordt bepaald dat de in het eerste lid aangegeven beperking niet geldt voor organisaties die blijkens hun statuten belangen behartigen die door het concept-besluit kunnen worden geraakt. De statuten moeten op dit punt helderheid verschaffen. Verder is in het derde lid een uitzondering gemaakt in verband met art. 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De kring van inspraakgerechtigden is daarin ruimer getrokken dan in het eerste lid van art. 3. Artikel 4 Vorm van inspraak Uitgangspunt voor inspraak is het in de gelegenheid stellen mondelinge zienswijzen in te dienen. Dat is in het stadsdeel op het moment ook de gebruikelijkste manier: het organiseren van een inspraakavond, in combinatie met (daaraan al of niet voorafgaande) informatieverstrekking. Te denken valt onder meer aan het Stadsdeelnieuws, en aan bewonersbrieven. Op de website en in de wekelijkse stadsdeelpagina van het Stadsblad worden deze avonden aangekondigd. Ook komt het voor dat gericht aan (belangen)organisaties en instellingen schriftelijk een reactie wordt gevraagd over concept-beleidsbesluiten. Deze hebben dan wel al concrete vorm aangenomen. In een eerder stadium vindt ook veel overleg plaats en een uitwisseling van gedachten en informatie. Doorgaans zijn bestuurders hierin voor hun eigen portefeuille ook actief. Deze interactieve processen gaan aan inspraak vooraf, of staan daarnaast. Zo bestaan er gemengde beheergroepen (bewoners en ambtenaren), zijn er wijkveiligheidsoverleggen, is er het integraal Burgwallenoverleg, en zo meer. In het vijfde lid is bepaald dat voor besluiten van algemene strekking een schriftelijke ronde wordt belegd, bijvoorbeeld bij een verordening. Dit levert doorgaans een beter resultaat op. Indien een dergelijk besluit zodanig leeft dat een goede opkomst is te verwachten of indien het DB om een andere reden aanleiding ziet een bijeenkomst te beleggen, kan dit volgens het vijfde lid ook. Door actief gebruik te maken van art. 7 (Bijzondere inspraakprocedures) kan het bestuursorgaan in een schriftelijke uitnodiging voor een inspraakbijeenkomst de mogelijkheid opnemen dat belanghebbenden schriftelijk dan wel per e-mail reageren. De stadsdeelraad heeft een hiertoe strekkende motie aangenomen. Artikel 5 Bekendmaking inspraak en termijn In deze bepaling wordt uitgegaan van enkele voorzieningen in de Awb. Zo is de standaardtermijn van zes weken die in het derde lid wordt gekozen, overeenkomstig het bepaalde in de Awb. Daarvan mag bij verordening worden afgeweken. In het vierde lid is daarvan gebruik gemaakt door het bestuursorgaan de bevoegdheid te geven de termijn te verkorten tot vier weken in het geval dat wettelijke termijnen overschreden dreigen te worden. Het in het eerste lid vermelde art. 3:12, eerste lid van de Awb, houdt in dat kennis wordt gegeven door middel van “een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huis-bladen of op een andere geschikte wijze”. In het eerste lid van artikel 5 wordt daarnaast nadrukkelijk bepaald dat ook de eigen website van het stadsdeel hiervoor gebruikt moet worden. In de kennisgeving dient vermeld te worden waar en wanneer de stukken ter inzage liggen (art. 3: 12, derde lid) en daarnaast, in welke vorm inspraak wordt geboden, welke termijnen voor het uiten van zienswijzen bestaan, en waar en wanneer de bijeenkomst wordt gehouden. Daarbij dienen ook andere gegevens te worden vermeld die relevant zijn voor de inspraak. Welke dat zijn, is niet precies op voorhand aan te geven. Wel is zeker dat –ook in dit verband- veel aandacht nodig is voor het aangeven van de kaders van inspraak: wat ligt om welke reden dan ook al vast, en in hoeverre is sprake van een voornemen waarover een zienswijze kan worden geuit die tot een wijziging kan leiden. Artikel 6 Verslag Aan het verslag wordt een aantal eisen gesteld. Belangrijk is dat zowel bij mondelinge als schriftelijke reacties wordt aangegeven op welke punten de inspraak tot wijzigingen heeft geleid. Het verslag wordt toegezonden aan degenen die op de presentielijst zijn vermeld, en tevens aan degenen die schriftelijk hebben gereageerd. Het verslag wordt tevens gepubliceerd op de website van het stadsdeel. Indien het aantal deelnemers groter was dan 50 wordt het verslag ter inzage gelegd in het Voorlichtingscentrum van het stadsdeel, en de wijkcentra, en eveneens op de website beschikbaar gesteld. Dit wordt bekend gemaakt op de gebruikelijke manier, via de website en de pagina in het huis-aan-huis-blad. In art. 6, derde lid, onder b, wordt gesproken van ‘de’ zienswijzen; de formulering houdt in dat dit voor alle naar voren gebrachte zienswijzen geldt. Artikel 7 Bijzondere procedures Op het eerder beschreven stramien van de besluitvorming moeten in de bestuurspraktijk variaties mogelijk zijn met het oog op de nodige flexibiliteit en doelmatigheid. Het is verder uit een oogpunt van overzichtelijkheid bezwaarlijk allerlei speciale regelingen en uitzonderingen in de verordening te regelen. Om deze redenen is in het eerste lid de bevoegdheid verleend van de in de verordening opgenomen standaardprocedure af te wijken. Dit kan zowel een beperking als een toevoeging inhouden (bijvoorbeeld het opnemen zoals eerder vermeld van een reactiemogelijkheid in de schriftelijke uitnodiging voor een inspraakbijeenkomst). Een voorbeeld van een veel voorkomende procedure is die welke thans –naar tevredenheid- gevolgd wordt bij herprofileringen die niet als complex zijn aan te merken. Na bespreking van knelpunten, doorgaans in de betreffende beheergroep, wordt –indien dit in de planning past- ambtelijk een voorstel ontwikkeld, rekening houdend met vaste beleidskaders zoals het handboek Openbare Ruimte, dat na machtiging van de portefeuillehouder wordt bekend gemaakt en in een inspraakavond wordt voorgelegd. Een en ander mondt uit in een voorstel aan het DB waarin ook wordt aangegeven wat de inspraak heeft behelsd en wat wel of niet in het voorstel is aangepast. Na het DB-besluit is er geen inspraak meer (en wordt het voorstel eventueel ter bespreking aan de raadscommissie gestuurd). Deze procedure kan als standaardprocedure worden vastgelegd. Het kan ook zijn dat het beleidsbesluit complexer is, meer tijd en zorgvuldige voorbereiding vraagt of meer inspanning uit een oogpunt van participatie en inspraak dan normaal gesproken het geval zal zijn. In die gevallen kan het DB voor wat de inspraak betreft een afzonderlijke procedure vaststellen. Dit zal doorgaans nodig zijn bij de grote beleidsnota’s. In de vast te stellen procedure zal ook aandacht kunnen worden gegeven aan de verhouding tussen het (open) voortraject tot de (formele) inspraakprocedure, en de verhouding tot het het politieke besluitvormingsproces. Ook de raad en raadscommissies zullen hierbij doorgaans behoefte hebben aan informatie en tijdige, eigen meningsvorming. Voor bestemmingsplannen kan op sommige punten een afwijkende procedure wenselijk zijn. Zo is het meezenden van het bestemmingsplan met het verslag van een daarover gehouden inspraakavond (hetgeen door art. 6, eerste lid wordt verlangd) niet goed mogelijk. Er wordt van de inspraakavond eerst een verslag gemaakt dat wordt toegezonden aan degenen die aanwezig waren met de mogelijkheid daarop te reageren. Daarna wordt een rapportage gemaakt waarin verantwoording wordt afgelegd over de gemaakte keuzes in het plan. Het verslag en de rapportage worden opgenomen in de toelichting op het bestemmingsplan. Degenen die hebben ingesproken kunnen tijdens de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan zien hoe er op de inspraakreacties is gereageerd. Degenen die hebben ingesproken worden geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Deze inspraakprocedure werkt in de praktijk naar tevredenheid, en berust voor een deel op het Besluit Ruimtelijke Ordening 1985. Artikel 7 biedt de ruimte de vorenaangeduide inspraak procedure afzonderlijk vast te stellen. Dit geldt ook voor de termijnen die in de praktijk worden gehanteerd voor de concept-plannen en de art. 19-procedures. De afwijkende procedures dienen als uitvoeringsbesluit door het DB te worden vastgesteld en bekendgemaakt. Volgens het tweede lid moet daarvan een afschrift worden gezonden aan de deelraad ter attentie van de betrokken raadscommissie. Hierdoor worden de (afwijkende) procedures voor ieder inzichtelijk en kan de deelraad controle over de uitvoering van de verordening uitoefenen.