Langdurigheidstoeslag 2014 verordening ”LANGDURIGHEIDSTOESLAG 2014” Artikel 1 begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: wet: Wet Werk en Bijstand; langdurigheidstoeslag: de bijzondere bijstand op grond van artikel 36 van de wet in relatie tot deze verordening; langdurig: een ononderbroken periode van zesendertig maanden voorafgaande aan de maand waarin de aanvraag langdurigheidstoeslag wordt ingediend; laag inkomen: het inkomen inclusief vakantietoeslag dat per maand niet hoger is dan honderd procent van de voor een aanvrager toepasselijke maandelijkse bijstandsnorm, daargelaten marginale inkomens-overschrijdingen. In deze verordening wordt onder belanghebbende mede het gezin verstaan. In deze verordening wordt verstaan onder het in aanmerking te nemen vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet. Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet. Artikel 2 recht op langdurigheidstoeslag Recht op langdurigheidstoeslag op grond van de wet en deze verordening heeft de belanghebbende die: langdurig een laag inkomen heeft; op de dag van een aanvraag voor langdurigheidstoeslag geen in aanmerking te nemen vermogen, zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, van deze verordening heeft; geen zicht heeft op inkomensverbetering. Geen langdurigheidstoeslag wordt toegekend wanneer belanghebbende in de afgelopen 36 maanden: wegens een gedraging van de 4de categorie een maatregel opgelegd heeft gekregen; of wegens tekort schietend besef van verantwoordelijkheid een maatregel opgelegd heeft gekregen; of wegens het verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van de bestuurlijke boete een maatregel opgelegd heeft gekregen; of een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen op grond van schending van de inlichtingenplicht die geleid heeft tot een benadelingsbedrag Artikel 3 uitsluitingen Artikel 3 uitsluitingen 1. Een belanghebbende is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, indien: deze op enig moment gedurende de periode zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van deze verordening niet als Nederlander, of daaraan gelijkgesteld in de zin van artikel 11 van de wet, kan worden aangemerkt, of; deze op enig moment gedurende de periode zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van deze verordening één van de uitsluitingsgronden, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef onder a tot en met e van de wet, van toepassing is; deze tijdens of na afloop van de in artikel 1, aanhef en onder c genoemde periode uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt. 2. Kortdurende detentie en een kortdurende overschrijding van de gebruikelijke vakantieduur in de zin van artikel 13, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 13, eerste lid, onder d van de wet zijn geen reden om een belanghebbende uit te sluiten van het recht op langdurigheidstoeslag. 3. Onder kortdurend in de zin van het tweede lid wordt verstaan: een termijn van maximaal negentig dagen gedurende 36 maanden. Artikel 4 hoogte van de langdurigheidstoeslag 1. Het jaarlijkse recht op langdurigheidstoeslag bedraagt in de volgende leefsituaties: gezin: €530,00 alleenstaande ouder: €475,00 alleenstaande: €371,00 2. De leefsituatie op datum aanvraag is bepalend voor de hoogte van de Langdurigheidstoeslag. 3. De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de alimentatie-index en afgerond op hele euro’s. 4. De langdurigheidstoeslag wordt in 2014 toegekend voor de duur van een half jaar. Artikel 5 inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 6 citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening langdurigheidstoeslag 2013 gemeente Heerlen. Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Heerlen van 10 september 2013. griffier, burgemeester, 1. Toelichting 1.1 Decentralisatie langdurigheidstoeslag Op 1 januari 2009 heeft wetsvoorstel 31 441 kracht van wet gekregen. Door de inwerkingtreding van voorgenoemd wetsvoorstel is artikel 36 WWB ingrijpend gewijzigd. Met het nieuwe artikel 36 WWB is de langdurigheidstoeslag in beleidsmatige en financiële zin gedecentraliseerd naar de gemeenten. De langdurigheidstoeslag is een vorm van categoriale bijzondere bijstand geworden. De doestelling van de toeslag is om personen met een langdurig laag inkomen en beperkte reserveringscapaciteit extra financiële ondersteuning te bieden. 1.2 Bevoegdheid gemeente In het artikel 36, eerste lid, is de rechtsgrond voor de langdurigheidstoeslag opgenomen: “Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen, als bedoeld in artikel 34 WWB, heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.” Artikel 8, eerste lid, onder d WWB bepaalt dat de gemeenteraad via een verordening regels stelt met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 WWB. De raad is dus via delegatie aangewezen om regels te stellen. Dit is een exclusieve aan de raad voorbehouden bevoegdheid. Het college mag dus geen regels stellen, tenzij het beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, Awb betreft. In artikel 8, tweede lid, onder b WWB is bepaald dat die regels in ieder geval betrekking moeten hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. De raad is dus in ieder geval verplicht om een verordening met betrekking tot het verlenen van langdurigheidstoeslag op genoemde punten in het leven te roepen. 1.3 Hoogte langdurigheidstoeslag Hoewel de raad vrij is om te bepalen hoe hoog de langdurigheidstoeslag zal zijn, dient het uitgangspunt te zijn dat deze ook daadwerkelijk kan dienen als reservering voor onverwachte uitgaven. Aangesloten kan worden bij de wettelijke bedragen van langdurigheidstoeslag zoals deze golden voor het artikel 36 WWB, dat op 1 januari 2009 is gewijzigd. 1.4 Langdurig De eerdere, in artikel 36 van de WWB bepaalde beoordelingsperiode, destijds ook wel referteperiode genoemd, was vijf jaar. Het staat de gemeenteraad echter vrij om een andere beoordelingsperiode te benoemen. In de verordening wordt die periode op 36 maanden vastgesteld. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat bij een minimuminkomen (toepasselijke bijstandsnorm) na drie jaar de capaciteit om te reserveren voor vervangingsuitgaven niet langer aanwezig is. Vanaf dat moment is extra inkomensondersteuning gewenst. 1.5 Laag inkomen Gemeenten hebben de vrijheid om zelf een inkomensgrens te kiezen. In de verordening wordt gekozen voor een inkomensgrens die honderd procent van de voor een belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, uitgezonderd marginale overschrijdingen. Daarnaast worden de volgende inkomsten buiten beschouwing gelaten: een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag; premies verstrekt wegens maatschappelijke participatie of re-integratie activiteiten; huurtoeslag, zorgtoeslag, Kindgebondenbudget en kinderopvangtoeslag; andere vrijlatingen op grond van artikel 31 lid 2 WWB. 1.6 Wetswijziging 1 juli 2013 Langdurigheidstoeslag wordt niet meer met terugwerkende kracht toegekend. In de voorgaande verordening (2013/1736) was opgenomen dat er geen langdurigheidstoeslag werd toegekend over een langere periode dan drie jaren voorafgaande aan het jaar waarin de aanvraag werd gedaan. Rechthebbenden konden dus 3 jaar (exclusief aanvraagjaar) recht hebben op langdurigheidstoeslag indien voldaan werd aan alle eisen. Vanaf 1 juli 2013 is dit niet meer mogelijk. De terugwerkende kracht komt per deze datum te vervallen en langdurigheidstoeslag wordt alleen nog maar toegekend vanaf het moment dat de langdurigheidstoeslag wordt aangevraagd. Dit betekent dat 1 januari vervangen wordt door de aanvraagdatum. 2. Toelichting per artikel van de verordening 2.1 Artikel 1 begripsomschrijvingen Eerste lid (ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.