Burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht hebben in hun vergadering van 5 november 2013 het beleidskader 'tegenprestatie naar vermogen' vastgesteld. Beleidskader Tegenprestatie naar vermogen Inleiding Vanaf 1 januari 2012 hebben gemeenten krachtens de WWB de bevoegdheid een tegenprestatie naar vermogen te verlangen van iemand die een beroep doet op een bijstandsuitkering (WWB) of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Hiermee wordt bedoeld dat van iemand die een bijstandsuitkering ontvangt, wordt verlangd dat deze hiervoor iets terug doet voor de maatschappij; een soort burgerplicht dus. Er zijn enkele voorwaarden gedefinieerd aan de invulling van het begrip “tegenprestatie naar vermogen”, maar de nadere uitwerking is aan het college zelf. Zo kan het college de aard, de duur en de omvang van de maatschappelijk nuttige werkzaamheden bepalen. Momenteel worden er van rijkswege plannen opgesteld voor een aantal wijzigingen in de WWB, op grond waarvan de tegenprestatie in 2015 een wettelijke verplichting zal worden. In dit voorstel wordt een kader geschetst voor het opleggen van de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie door mensen met een uitkering. Nadere invulling, bijvoorbeeld in de vorm van beleidsregels, kan in een later stadium plaatsvinden. Argumenten De gedachte achter het invoeren van een tegenprestatie is dat wanneer iemand een beroep doet op een uitkering, betaald vanuit de algemene middelen, er van deze persoon hiervoor een inspanning mag worden gevraagd. Op deze manier kan de persoon iets terugdoen voor de samenleving. Dit staat los van de arbeidsverplichtingen die aan het recht op bijstand gekoppeld zijn, waarmee een betrokkene zich inspant om zo snel mogelijk zelf weer te kunnen voorzien in de kosten van het bestaan. Het rijk stelt zich daarnaast op het standpunt dat het uitvoeren van een tegenprestatie ook in het belang is de van de betrokkene zelf, omdat deze zo invulling kan geven aan zijn of haar maatschappelijke betrokkenheid en weer “mee kan doen”. Voorwaarden De voorwaarden die aan de invulling van het begrip tegenprestatie worden gesteld, zijn de volgende: Aard van de werkzaamheden Ten eerste moeten de werkzaamheden van maatschappelijk nut zijn. Dat wil zeggen dat de gemeenschap moet kunnen profiteren van het resultaat van de inspanningen. Tijdelijk karakter Ten tweede dienen de werkzaamheden een tijdelijk karakter te hebben. Dat wil zeggen dat er een concrete einddatum bekend moet zijn. Beperkte omvang Ten derde dient de omvang van de werkzaamheden beperkt te zijn. Het kan niet zo zijn dat de werkzaamheden een aantal dagen per week in beslag nemen. Additioneel, niet verdringend karakter Ook wordt als voorwaarde aan de aard van de werkzaamheden gesteld dat deze additioneel dienen te zijn: daarmee wordt bedoeld dat het geen arbeid mag betreffen waarvoor iemand (anders) loon zou kunnen krijgen. Dit zou immers tot gevolg kunnen hebben dat betaald werk wordt vervangen door onbetaalde werkzaamheden als invulling van de tegenprestatie, en dat is uiteraard onwenselijk. Ook mag het (het accepteren van) betaald werk niet in de weg staan. Naar vermogen Tot slot geldt dat de tegenprestatie moet aansluiten bij de vermogens van de betrokkene, en dat er gekeken moet worden naar diens beschikbaarheid; mensen die mantelzorg verlenen of de zorg hebben voor kinderen jonger dan 12 jaar kunnen worden vrijgesteld. Praktische invulling Draagvlak en dialoog Uit ervaringen van andere gemeenten is gebleken dat er meer en beter effect gesorteerd wordt als de uitkeringsgerechtigde zelf met initiatieven en ideeën kan komen. Dwang met bijbehorende sancties heeft vaker een negatieve uitwerking.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.