← Nederland

Welstandsnota Capelle aan den IJssel 2013 (Capelle aan den IJssel)

Welstandsnota Capelle aan den Ussel 2013De raad van de gemeente Capelle aan den Ussel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; besluit: 1. de Welstandsnota Capelle aan den Ussel 2007 in te trekken; 2. de Welstandsnota Capelle aan den Ussel 2013 vast te stellen; 3. de bevoegdheid voor kleine aanpassingen in de Welstandsnota ten behoeve van de uitvoering van de welstandstoets te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Vastgesteld in de openbare vergadering 11 november 2013, WELSTANDSNOTA Capelle aan den IJssel COLOFON INHOUDSOPGAVE De Welstandsnota Capelle aan den IJssel 2013 is een herziening van de Welstandsnota uit 2007. Veel van de teksten en een deel van de foto’s zijn uit die nota overgenomen, of zijn uitgangspunt geweest voor de herziening. Deze nota is destijds opgezet door adviesbureau BRO. De Welstandsnota is vastgesteld op 11-11-2013 door de gemeenteraad. Opgesteld door: De afdeling Stadsontwikkeling met medewerking van Adviesbureau BRO: Roelant ten Kate, Beleidsmedewerker. Copyright: Gemeente Capelle aan den IJssel foto’s: Roelant ten Kate / BRO AWELSTANDSBELEID 1. Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 2. GebiedsgerichtWelstandsbeleid........9 1 Identiteit 2 Welstandstypologie 3. Welstandsniveau’s. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 1 Luw welstandsniveau 2 Regulier welstandsniveau 3 Bijzonder welstandsniveau 4 Geen welstandsvrij 4. Onderscheidinbouwopgaven............12 1 Kleinschalige bouwopgaven 2 Grotere bouwopgaven 3 Grootschalige ontwikkelingsopgaven 5. Welstandenoverigbeleid. . . . . . . . . . . . . 14 1 Welstand en het bestemmingsplan 2 Welstand en monumentenbeleid 3 Welstand en beeldkwaliteitsplannen 4 Bouwwerken in de openbare ruimte 5 Reclamebeleid BWELSTANDSTOETSING 6. Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .18 7. ToetsingdoordeCommissie voor welstandenmonumenten.............20 1 Toetsing in reguliere gebieden 2 Toetsing in bijzondere gebieden 3 Toetsing bij grootschalige ontwikkelingsopgaven 4 Toetsing bij uitzonderingen 5 Toetsing bij Excessen 6 Toetsing op verzoek 8. Ambtelijketoetsing. . . . . . . . . . . . . . . . . . .21 1 Toetsing van kleinschalige bouwopgaven 2 Toetsing van grotere bouwopgaven 3 Toetsing van reclame-uitingen 4 Toetsing bij twijfel CWELSTANDSCRITERIA 9. Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .24 10. Basiscriteria .........................25 11. Gebiedscriteria. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .27 1 Historische Dijklinten 2 Historische Polderlinten 3 Planmatige woongebieden 4 Individuele bouw 5 Hoogbouw 6 Architectonische Ensembles 7 Bedrijven en Kantoorlocaties 8 Winkelcentra en Publieke voorzieningen 9 Grootschalige voorzieningen in het groen 10 Historische parken en Begraafplaatsen 11 Sport- en Recreatiegebieden DBIJLAGEN 1. Algemene uitgangspuntenvan welstandstoetsing....................50 2. Excessenregeling ....................53 3. Organisatievanwelstand. . . . . . . . . . . . . .54 4. Vergunningsplicht....................56 5. Gebiedsbeschrijvingen................57 6. Begrippenlijst.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .80 7. Beeldkwaliteitsplannen................84 8. Monumentenen beschermde dorpsgezichten...........86 12. Sneltoetscriteria. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .41 1 Bijbehorende bouwwerken 2 Daktoevoegingen 3 Kozijn- en gevelwijzigingen 4 Zonnepanelen en -collectoren, antennes en schotelantennes 5 Erfafscheidingen en hekwerken 6 Rolhekken en -luiken, terras- en zonnescher- men 9. Bestemmingsplannen . . . . . . . . . . . . . . . . .88 10.KaartGebiedstypen...................90 11.KaartWelstandniveau’s..............92 12.Routeplanner Welstandstoetsing.......94 WELSTANDSBELEID 1.Inleiding.............................6 2.GebiedsgerichtWelstandsbeleid.........9 1 Identiteit 2 Welstandstypologie 3.Welstandsniveau’s....................10 1 Luw welstandsniveau 2 Regulier welstandsniveau 3 Bijzonder welstandsniveau 4 Geen welstandsvrij 4.Onderscheidinbouwopgaven...........12 1 Kleinschalige bouwopgaven 2 Grotere bouwopgaven 3 Grootschalige ontwikkelingsopgaven 5.Welstandenoverigbeleid..............14 1 Welstand en het bestemmingsplan 2 Welstand en monumentenbeleid 3 Welstand en beeldkwaliteitsplannen 4 Bouwwerken in de openbare ruimte 5 Reclamebeleid 1.Inleiding Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van klei- nere bouwwerken zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Het welstandsbeleid dient de samenhang binnen ruim- telijke gebiedseenheden te bewaken en moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het aanvragers vooraf in- zicht in de criteria waar een bouwplan aan getoetst wordt. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eer- der aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen. In 2007 is de Welstandsnota Capelle aan den IJssel voor het laatst aangepast en vastgesteld. Vanwege gewijzigde wetgeving is het noodzakelijk de welstandsnota opnieuw aan te passen. Daar- naast biedt actualisatie ruimte voor aanpassing aan nieuwe inzichten. In hoofdlijnen is het nieuwe welstandsbeleid uitge- werkt in de ‘Notitie Herziening Welstandsbeleid’. De raad heeft deze notitie op 10 juni 2013 vast- gesteld, waarna het voorstel is uitgewerkt in deze welstandsnota. Dit zorgt er voor dat het voor de aanvrager vooraf helder is wanneer zijn bouwplan getoetst wordt en aan welke regels dit gebeurt. Ook wordt meer verantwoordelijkheid bij de aan- vrager gelegd. Nieuw beleid In de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van het bouwen heeft de aanvrager meer ruimte gekregen om bouwopgaven vergunningvrij uit te voeren. Daarnaast maakt nieuwe regelgeving het mogelijk de welstandstoets door anderen dan de Commissie voor welstand en monumenten uit te laten voeren. In aansluiting op de wettelijke versoepeling is onderzocht waar ruimte is om het welstandsbeleid verder te vereenvoudigen. De gemeente wil hel- dere kaders stellen met oog voor behoud van de karakteristieken van Capelle aan den IJssel. In deze welstandsnota is dit uitgewerkt door het reduceren en versimpelen van de welstandscrite- ria (minder en heldere regels), de introductie van gebieden met een luw welstandsniveau en aan- passingen op de wijze waarop het welstandsbeleid wordt getoetst. De welstandsnota uit 2007 maakte onderscheid in 21 gebiedstypen, verdeeld over vijf hoofdgroepen. Verschillende woon- en werkgebieden in Capelle aan den IJssel hebben overeenkomsten in opbouw en architectuur. Ook de welstandscriteria voor deze gebieden zijn in veel gevallen grotendeels gelijk. Het samenvoegen van deze gebieden en daarmee ook van de welstandscriteria is in het kader van de vereenvoudiging van het welstands- beleid goed mogelijk. Er worden dan ook nog maar11 welstandsgebieden onderscheiden. Voor deze gebieden gelden de zogenaamde Gebiedscriteria. Daarnaast zijn Basiscriteria en Sneltoetscriteria ontwikkeld die snelle en overzichtelijke toetsing mogelijk maken. Het herschikken en samenvoegen van de gebiedstypen leidt tot minder criteria. Met de vaststelling van dit welstandsbeleid is het mogelijk geworden een groot gedeelte van de bouwplannen ambtelijk te laten toetsen. Dit sluit aan bij landelijke ontwikkelingen en maakt snelle toetsing mogelijk. StatusDe Welstandsnota geeft op lokaal niveau inhoud aan de wijze van welstandstoezicht, zoals deze is vastgelegd in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en is hiermee het instrument waarmee de welstandstoets van bouw- werken wordt uitgevoerd. De wet heeft daarbij vastgelegd dat deze toets moet zijn gebaseerd op zowel algemene als gebiedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de aanvrager transparant en navolgbaar moet zijn. In essentie komt het er op neer dat: • De gemeenteraad bepaalt welk welstands- niveau en welke criteria in welk gebied van belang zijn bij de toetsing; • De aanvrager in staat moet zijn daarvan ken- nis te nemen en zodoende vooraf weet waarop zijn bouwplan zal worden getoetst; • Welstandstoezicht daar vervolgens naar te handelen heeft en welstandstoezicht haar beoordeling van het bouwwerk op die criteria goed naar de aanvrager dient te communice- ren. Reikwijdte van de welstandsnota Voordat iemand mag gaan bouwen, zal de aanvra- ger in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De aanvraag omgevingsvergun- ning wordt, naast welstand, onder meer getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. Welstand is onderdeel van bredere sturing op ruimtelijke kwaliteit. Naast welstand wordt onder andere door middel van (stedenbouwkundige) visies, beeldkwaliteitsplannen, erfgoed- en monu- mentenbeleid gestuurd op de ruimtelijke kwaliteit van de stad. Het handhaven en het liefst verster- ken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimte- lijke identiteit, het creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in stedenbouw, architectuur en landschap en het verantwoord om- gaan met groen, natuur en ecologische waarden. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwplannen op welstandsaspecten worden getoetst. De nota legt voor een bepaald gebied op wijkniveau een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving en dat de samenhang binnen gebieden gewaarborgd blijft. Evaluatie Er vindt na een jaar na ingang van het beleid een evaluatie plaats van het welstandsbeleid. Hierna kunnen eventueel aanpassingen worden doorge- voerd. Aanpassingen kunnen betrekking hebben op de uitvoerbaarheid van de toetsing, up to date maken van de kaarten of wijzigingen naar aanlei- ding van gewijzigde wetgeving. 2.Gebiedsgerichtwelstandsbeleid 2.1 Identiteit De identiteit van Capelle aan den IJssel is in de tweede helft van de vorige eeuw flink gewijzigd. Van een dorp langs de Hollandse IJssel, onder de rook van Rotterdam, is de stad uitgegroeid naar een woonkern met een eigen identiteit. De groei die de stad heeft doorgemaakt is in de ruimtelijke structuur goed herkenbaar. De verschillende wijken uit de verschillende tijdsperioden (de jaarringen) zorgen voor de nodige afwisseling in het straat- beeld. Hierbij hoort een gebiedsgericht welstands- beleid. 2.2 Welstandstypologie Bij het toetsen van een plan voor nieuwbouw of verbouw aan redelijke eisen van welstand wordt in de eerste plaats gekeken of de karakteristiek van het gebied in stand wordt gehouden of wordt ver- sterkt. Daarnaast wordt gekeken naar de kwaliteit van het gebouw zelf. Voor welstandstoetsing is een goed beeld van de bestaande situatie daarom van groot belang. Die bestaande situatie wordt be- schreven en geanalyseerd in deze welstandsnota (zie bijlage 5, Gebiedsbeschrijvingen). Op grond daarvan zijn Gebiedscriteria opgesteld (uitgewerkt in deel C) op basis waarvan het bouwplan wordt beoordeeld. Omdat veel gebieden beschikken over overeen- komstige karakteristieken als gevolg van een ver- gelijkbare ontstaansgeschiedenis, ontwikkelings- wijze en samenhang van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte, is het onnodig om elke wijk of buurt afzonderlijk te beschrijven. Gebieden met dezelfde karakteristieken worden ondergebracht bij een gebiedstype. De opbouw en onderverdeling in verschillende gebiedstypen wordt de gebiedstypo- logie genoemd. De gebiedstypologie vormt de basis van de wel- standsnota. Ook bepaalt de gebiedstypologie voor een groot deel welk welstandsniveau van toepas- sing is. Er zijn 11 gebiedstypen onderscheiden. Op de Gebiedstypenkaart* ( zie bijlage 10) staat aange- geven tot welk gebiedstype een bepaalde locatie behoort. legenda: HistorischeDijklinten HistorischePolderlinten Planmatigewoongebieden Individuelebouw Hoogbouw ArchitectonischeEnsembles BedrijvenenKantoorlocaties Winkelcentraen Publiekevoorzieningen Grootschaligevoorzieningeninhetgroen HistorischeparkenenBegraafplaatsen Sport-enRecreatiegebieden water hoofdwegen spoorbaan metrobaan Kaart Gebiedstypen * Deze kaart is een momentopname en beschrijft zodanig de huidige situatie. De kaart zal worden geupdate indien veranderingen zijn doorgevoerd. 3.Welstandsniveau’s Er zijn 3 Welstandniveau’s te onderscheiden: • Luw • Regulier • Bijzonder De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal kenmerken van het gebied. Deze kenmerken zijn: • Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gelegen ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; • Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa’s, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); • In welke mate de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); • Of er sprake is van kenmerkend kleur- en ma- teriaalgebruik en van specifieke details. • Of er sprake is van bijzondere cultuurhistori- sche waarden. De wijze van toetsen en de uitwerking van de welstandscriteria zijn direct gekoppeld aan de welstandniveaus. Op de Welstandniveaukaart* (zie bijlage 11) staat aangegeven tot welk welstandni- veau een bepaalde locatie behoort. De wijze van toetsing is uitgewerkt in deel B. De welstandscrite- ria zijn uitgewerkt in deel C. 3.1 Luwwelstandsniveau Grote delen van de stad zijn op een uniforme ma- nier opgebouwd en er is in deze gebieden gestan- daardiseerd gebouwd. Het specifieke karakter van deze gebieden wordt niet bepaald door de bijzon- dere architectuur van de panden in het gebied, maar de eenduidige stedenbouwkundige opzet. Bouwinitiatieven in deze gebieden zijn er hoofd- zakelijk op kleine schaal. Het gaat daarbij om de plaatsing van dakkapellen, aanbouwen, bijgebou- wen etc. Inzet is een ‘ontspannen’ welstandsbeleid voeren. Van bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau wordt verwacht dat deze een beperkte invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt meer ruimte geboden voor het realiseren van dergelijke kleinschalige bouwopgaven. Er zijn voor welstandsluw gebied criteria opgesteld waar bouwplannen aan getoetst worden. Het zijn minimale eisen die initiatiefnemers niet ‘dwingt’ hun bouwwerk op een bepaalde manier te realiseren, maar stimuleert om een bouwwerk binnen ruime criteria vorm te geven. Voor kleinschalige (veelvoorkomende) bouwopga- ven zijn eenduidige criteria opgesteld (deel C; de Sneltoetscriteria). Voor grotere bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau zijn een duidige criteria voor grotere bouwopgaven opge- steld (deel C; de Basiscriteria). Indien het plan aan de Sneltoetscriteria, danwel de Basiscriteria voldoet, kan het bouwplan zonder verdere pro- cedure worden gerealiseerd. Ondanks de ruime mate van ontwerpvrijheid in gebieden met een luw welstandsniveau wordt hierdoor de ‘vinger aan de pols’ gehouden. 3.2 Regulierwelstandsniveau Gebieden die een specifiek karakter hebben of gebieden waarbij de beeldkwaliteit wordt bepaald door de samenhangende architectuur van de pan- den in het gebied hebben een regulier welstand- niveau. Ook gebieden waarbij de impact van een bouwwerk op de omgeving groot is hebben een regulier niveau. Deze gebieden zijn de drager van het stedelijke weefsel en moeten ook als zodanig verzorgd worden. Ook de gebieden direct langs of op het spoor- en metrotracee, de hoofdwegen en openbaar toegankelijk water hebben een regulier niveau van welstand. Voor de gebieden met een regulier welstandsni- veau zijn gebiedsgericht criteria opgesteld (deel C; de Gebiedscriteria). Welstandscriteria zijn daarbij aangepast aan de karakteristiek van een gebied, als aanvulling op de Basiscriteria. Ook zijn in deze gebieden de Sneltoetscriteria van toepassing voor de (veelvoorkomende) kleinschalige bouwopga- ven. 3.3 Bijzonderwelstandsniveau Er zijn enkele gebieden met een specifieke karak- teristieke uitstraling of met een bepaalde te be- schermen waarde (bijvoorbeeld een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht). Voor deze gebieden wordt een specifieke vorm van welstandsbeleid gehanteerd, anders dan het reguliere welstands- beleid. Er is sprake van een bijzonder niveau van welstand. Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouw- plan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in de oude dorpskern van Capelle en aan het oude bebouwingslint in Schenkel, dan zal een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwali- teit worden gezien. Wanneer sprake is van een ge- bied met een grote samenhang door bijvoorbeeld een specifieke overeenkomstige architectonische stijl of stedenbouwkundige compositie is sprakevan een sterke ensemblewaarde. De ensemble- waarde en het verder uitvoeren van de aanwezige kwaliteiten in deze gebieden is gewenst. Hiervoor is naast het opnemen van specifieke regels in het bestemmingsplan een bepaalde mate van welstandsturing nodig. Met deze sturing (en de daaraan gekoppelde specifieke welstandscriteria) kan de ensemblewaarde in de gebieden worden gewaarborgd. Voor gebieden met een bijzonder welstandsniveau zijn altijd de Gebiedscriteria van toepassing, voor zowel kleinschalige als grotere bouwopgaven. Bij de Gebiedscriteria zijn de aanvullingen m.b.t. bijzondere gebieden apart benoemd. 3.4 Geenwelstandsvrij Het beleidsmatige uitgangspunt is regie te houden op de gebouwde omgeving. Bij welstandsvrije ge- bieden kan slechts achteraf worden ingegrepen bij zeer ernstige gevallen (excessen). Er worden voor- alsnog geen welstandsvrije gebieden aangewezen. Er wordt ingezet op welstandsluw. Naar de toe- komst bestaat er altijd de mogelijkheid gebieden alsnog als welstandsvrij aan te wijzen, met name de op zichzelf staande gebieden die nauwelijks invloed hebben op de beleving op stedelijk niveau. legenda Bijzonder Regulier Luw water hoofdwegen spoorbaan metrobaan Kaart Welstandniveau’s * Deze kaart is een momentopname en beschrijft zodanig de huidige situatie. De kaart zal worden geupdate indien veranderingen zijn doorgevoerd. In het welstandsbeleid is rekening gehouden met de verschillende bouwopgaven. Er wordt hierbij on- derscheid gemaakt tussen 3 typen bouwopgaven: • Kleinschalige bouwopgaven • Grotere bouwopgaven • Grootschalige ontwikkelingsopgaven Grote gebieden in de stad hebben een planmatige en projectmatige opbouw. Daarvan zijn de meeste gebieden niet onderscheidend door een bijzondere architectuur of samenhangende stedenbouwkun- dige opbouw. Voor de gebieden met een minder onderscheidende opbouw is het niet nodig om bouwopgaven volgens een specifiek gebiedsge- richt architectuurbeeld uit te voeren. Daarvoor is er in de huidige situatie al een te grote diversiteit in verschijningsvorm. Gebieden waar wel sprake is van een onderschei- dende gebiedskarakteristiek zijn bijvoorbeeld de wijken en buurten Fascinatio, Paradijssel, ‘s- Gravenland. Hiervoor geldt dat er soms sprake is van een grote samenhang tussen al gerealiseerde bouwwerken, of er juist een grote verwantschap is met de architectuur of gebiedskarakteristiek. Er wordt onderscheid gemaakt in hoe de toetsing aan het welstandbeleid zal worden uitgevoerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd. De schaal van een bouwwerk is immers bepalend voor de impact die het heeft op de ruimtelijke kwaliteit. Het is hierbij van belang te omschrijven welke bouwopgaven te onderscheiden zijn. 4.1 Kleinschaligebouwopgaven Bij de kleinschalige bouwopgaven gaat het om ondergeschikte bouwwerken met een beperkte invloed op de ruimtelijke kwaliteit, zoals een dakka- pel, een bijbehorend bouwwerk, erfafscheidingen of een beperkte gevelwijziging. Toch kan per wel- standniveau de impact ervan verschillen. Daarom is het goed de kleinschalige bouwopgaven per welstandniveau te onderscheiden. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau hebben een beperkte invloed op de omgeving. Er is vaak sprake van een veel- voud van al gerealiseerde kleinschalige bouwwer- ken. Hier kunnen bewoners met hun kleinschalige bouwopgave in verschijningsvorm aansluiten op de al gerealiseerde vergelijkbare bouwwerken in de omgeving. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een regulier welstandsniveau. Er zijn gebieden in de stad die op een zorgvul- dige manier zijn ontwikkeld en waar de ruimtelijke karakteristiek op dit moment samenhang vertoont. Deze gebieden hebben geen bijzondere architecto- nische of te beschermen waarde, maar toevoegen van kleinschalige bouwopgaven heeft invloed op het aanzicht van een pand of invloed op het straat- beeld. Het toestaan van dakkapel of aanbouw zou hiervoor een te grote verscheidenheid vormen, ma- teriaal- en kleursoorten leiden. Het is gewenst om in deze gebieden een bepaalde mate van uniformi- teit te blijven hanteren. Kleinschalige bouwopgaven in gebieden met een bijzonder welstandsniveau. Enkele gebieden hebben een specifieke architec- tonische uitstraling of bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten). Kleinschalige bouwopgaven in deze gebieden maken vaak onderdeel uit van de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straat- beeld. Het toestaan van dakkapel of aanbouw zonder zorgvuldige toetsing zou hier voor onge- wenste initiatieven kunnen leiden en afbreuk doen aan de te beschermen/behouden karakteristiek. Het is gewenst om kleinschalige bouwopgaven te beoordelen in samenhang met de vormgeving en uitstraling van de hoofdmassa. 4.2Grotere bouwopgaven Bij de grotere bouwopgaven gaat het om bouw- werken met een grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit, en bouwwerken die niet passen binnen de omschrijving van kleinschalige bouwwerken. Het hierbij in hoofdzaak om nieuwbouwwoningen, bedrijfspanden, een grote verbouwing van een be- staand pand of bouwwerken in de openbare ruimte zoals een brug. Net als bij de kleinschalige bouwopgaven is de gebiedskarakteristiek bepalend voor de impact die het bouwwerk heeft op zijn omgeving. Daarom is het goed ook de grotere bouwopgaven per wel- standniveau te onderscheiden. Grotere bouwopgaven in gebieden met een luw welstandsniveau. Zoals eerder opgemerkt kenmerken grote delen van Capelle aan den IJssel zich door een repete- rend stedenbouwkundig patroon en ‘standaard- bouw’. Woongebieden zijn in bepaalde perioden letterlijk en figuurlijk uit de grond gestampt waar- door er los van de tijdsperiode grote overeenkom- sten zijn in opbouw van de wijken. In deze gebieden is de bouwopgave beperkt. Het bestemmingsplan geeft in deze gebieden maar een beperkte mogelijkheid om bestaande massa’s uit te breiden. Hier zal de bouwopgave veelal beperkt blijven tot het realiseren van kleinschalige bouwwerken aan of bij een pand. Indien er sprake is van huurcomplexen worden deze bouwwerken alleen dan gerealiseerd als dit collectief door de eigenaar wordt opgepakt. Er zal maar beperkt sprake zijn van grotere nieuwbouwplannen. Grotere bouwopgaven in gebieden met een regu- lier en bijzonder welstandsniveau. In gebieden met een regulier en bijzonder wel- standsniveau zijn specifieke gebiedskarakteristie- ken aanwezig die gewaarborgd moeten blijven. De set basiscriteria voor grotere bouwopgaven is in deze gebieden niet toereikend om de welstands- toets uit te voeren. Er zijn gebieden waar een spe- cifieke karakteristieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Gro- tere bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het is gewenst om grootschalige bouwopgaven te beoordelen in samenhang met de vormgeving en karakteristiek van de omgeving. 4.3Grootschaligeontwikkelingsopgaven Bij grootschalige ontwikkelingsopgaven gaat het om bouwopgaven zoals grootschalige herstructu- rering en nieuwbouw of bouwkundige ingrepen die over meerdere bouwwerken gaan en meerdere percelen omvatten. Het gebied waar de groot- schalige ontwikkelingsopgave zal plaatsvinden wordt als ontwikkelgebied aangeduid. Ook kan de gemeente zelf gebieden als ontwikkelgebied aanwijzen. In de Structuurvisie 2030 zijn gebieden aangeduid die de komende jaren meer aandacht krijgen, de zogenaamde kansgebieden. De ruim- telijke kwaliteit in deze gebieden staat onder druk. Voor een aantal gebieden wordt de karakteristiek mogelijk gewijzigd door herstructurering. Grootschalige ontwikkelingsopgaven brengen veelal een wijziging van de bestaande karakteris- tiek met zich mee. Gebieden krijgen door een ont- wikkeling vaak een nieuwe identiteit. Het reguliere welstandsbeleid is in deze situaties als toetsingka- der vaak niet geschikt. Voor deze opgaven is het ontwikkelen van een beeldkwaliteitsplan nodig. Het beeldkwaliteitsplan dient daarbij als toetsingska- der voor de welstandstoets. Voor de ontwikkeling van verschillende, nu gerealiseerde bouwplan- nen, zijn al beeldkwaliteitsplannen opgesteld. Een beeldkwaliteitsplan heeft niet altijd tot doel om een excellente beeldkwaliteit te realiseren. Het plan is vooral bedoeld om de vooraf bepaalde architectuur en gewenste beeldkwaliteit in een gebied daad- werkelijk te realiseren. In Bijlage 7 is een lijst van beeldkwaliteitsplannen opgenomen, alswel een overzichtskaart met de kansgebieden en ontwikkel- locaties uit de structuurvisie. 5.1 Welstandenhet bestemmingsplan Een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen wordt zowel getoetst aan de bouwregels, zoals opgenomen in het bestemmingsplan alswel aan redelijke eisen van welstand. Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota blijven bij toetsing van een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen de betreffende welstandscriteria buiten toepassing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’. De inhoud van de welstandsnota is zoveel mogelijk afgestemd op de inhoud van het bestemmingsplan. Voor wat betreft maatvoering en situering zijn de regels uit het bestemmingsplan leidend. Het bestemmingsplan geeft aan welke bouwwerken vergunningsvrij zijn en waar deze op het perceel gerealiseerd mogen worden (en waar niet). Een welstandstoets is alleen nog maar van toepassing indien een bouwwerk omgevingsvergunningplich- ting is of in die gevallen waar er geen omgevings- vergunning nodig is indien in de welstandsnota criteria zijn opgenomen. Indien een bouwplan afwijkt van het bestemmings- plan, maar er wel medewerking verleend kan wor- den, dan wordt het bouwplan altijd voorgelegd aan de Commissie voor welstand en monumenten. 5.2 Welstandenmonumentenbeleid Monumenten worden in principe getoetst in het kader van de monumentenverordening en de Monumentenwet. Maar bij veranderingen aan de buitenkant en uitbreidingen speelt ook het archi- tectonische aspect. Daarop vindt dan in het kader van de Woningwet tevens een welstandstoets plaats. Die toets is vanzelfsprekend niet ‘regu- lier’, maar ‘bijzonder’. De directe omgeving van een monument, gevormd door de ring van naast en tegenover het monument gelegen panden, is belangrijk voor de beleving daarvan. De omvang van zo’n ring is moeilijk te definiëren. In ieder geval vallen de beide panden of percelen aan weerszij- den van het monument onder bijzondere welstand. In een beschermd dorpsgezicht is dat reeds het geval; de toevoeging van bijzondere welstand voor de naaste omgeving geldt dan ook vooral voor gebieden, waar monumenten geïsoleerd in een omgeving van niet-monumentale objecten voorko- men die onder reguliere welstand vallen. Wanneer een monument duidelijk deel uitmaakt van een architectonische eenheid of stedenbouwkundig ensemble, bijvoorbeeld een kerk op een in samen- hang daarmee ontworpen plein, geldt bijzondere welstand voor de architectonische eenheid / het stedenbouwkundig ensemble als geheel. Bouwplannen in een beschermd dorpsgezichtof aan-of bij een rijksmonument of gemeentelijk monument worden altijd getoetst door de Commis- sie voor welstand en monumenten. De welstands- toets en de monumententoets vinden tegelijkertijd plaats. Alle ingrepen aan voor-, zij-, en achter-kant van een monument zijn object van toetsing, evenals het interieur. Zij worden beoordeeld op de zorgvuldigheid waarmee de oorspronkelijke archi- tectuur, materialen, details en kleuren worden gerespecteerd dan wel gerestaureerd. De basis van die monumententoets is het gebouw zelf ende redengevende omschrijving. Bij de welstands- toets worden naast de redengevende beschrijving de gebiedscriteria aangehouden. Wanneer die ontoereikend zijn kan teruggevallen worden opde ‘uitgangspunten van welstandstoetsing’. De commissie geeft twee onafhankelijke adviezen te weten een advies op grond van de Monumenten- wet en/of Erfgoedverordening en advies op grond van de Welstandsnota. In Bijlage 8 is een lijst van monumenten en be- schermde dorpsgezichten opgenomen. Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is gere- geld in de Monumentenwet of in de Erfgoedveror- dening. Bouwen en verbouwen aan of in de directe omgeving van rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed (RCE). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Ver- anderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd te worden. Het is verboden rijks- monumenten te beschadigen of vernielen. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van de belangen van zowel de belanghebbende(

  1. n)alswel de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed en de Commissie voor Welstand en Monumenten. Deze afweging wordt doorgaans gemaakt door het dagelijks bestuur. De Rijksdienst voor het Cultu- rele Erfgoed wordt alleen bij specifieke gevallen gevraagd om advies. Gemeentelijke monumenten Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk monument uitge- gaan worden van een afweging tussen de belan- gen van de belanghebbende(
  2. n)en het object zelf. Bij een omgevingsvergunning voor bouwen moet de Commissie voor welstand en monumenten verplicht om advies gevraagd worden. Beschermde dorpsgezichten Delen van het oude dorp Capelle aan den IJs- sel zijn aangewezen tot beschermd dorpsgezicht. Bouwen in beschermde dorpsgezichten is aan bepaalde regels gebonden. De regels zijn opge- nomen in een aangepast bestemmingsplan en hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek. Voor de beschermde delen zijn de criteria zoals opgenomen in onderhavige welstandsnota het toetsingskader voor welstand. 5.3 Welstandenhet beeldkwaliteitsplan De welstandsnota bevat geen criteria voor groot- schalige ontwikkelingsopgaven in een ontwikkelge- bied. In de komende periode zal voornamelijk spra- ke zijn van herontwikkeling en herstructurering. In de Structuurvisie wordt hier verder op ingegaan. Dergelijke projecten doorbreken de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek, zodat geen criteria kunnen worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. In ontwikkelgebieden moet worden gelet op de specifieke structuren en kwaliteiten van het gebied. Op deze plek is het gewenst een plan te realiseren met tenminste een regulier welstands- niveau dat kwaliteit toevoegt en representativiteit uitstraalt. Zodra een grootschalig ontwikkelingsproject aan de orde is moeten er welstandscriteria worden opgesteld. Deze criteria worden onderdeel van een beeldkwaliteitsplan. De gemeenteraad stelt het beeldkwaliteitsplan vast zodat deze ook daadwer- kelijk als toetsingskader kan worden gebruikt. Dit beeldkwaliteitsplan vormt dan een aanvulling op de welstandsnota. Het opstellen van de (welstands) criteria in de beeldkwaliteitsplannen is een vast onderdeel van de stedenbouwkundige voorberei- ding. De commissie voor welstand en monumenten heeft hierin een adviserende rol. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de re- guliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden vastgesteld voordat de planvorming van de concrete bouw- plannen start en worden bekend gemaakt aan potentiele opdrachtgevers in het gebied. In Bijlage 8 is een lijst van beeldkwaliteitsplannen opgenomen. 5.4 Bouwwerkenindeopenbareruimte De openbare ruimten en groengebieden worden binnen de gemeentegrenzen over het algemeen begrensd door bebouwing. Over die bebouwing doet welstand een uitspraak om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tus- sen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die openbare ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid voldoende afstem- ming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebou- wing en daarnaast beleidsnota’s waarin de kwali- teiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en het groen. Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden: • Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleids- keuzen voor andere beleidsvelden vast te leg- gen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. Dit zou het geval zijn bij het opstellen van bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan. • Anderzijds kan men bij het opstellen van in- richtingsplannen, de Commissie voor welstand en monumenten bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlich- ting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. Dit zou met name van belang zijn in de gebieden waar sprake is van een bijzonder welstandsniveau. 5.5Reclamebeleid In de Nota buitenreclame 2012 is specifiek re- clamebeleid vastgesteld. Om versobering in het welstandsbeleid aan te brengen en consistent beleid te voeren zijn geen aparte gespecificeerde criteria voor reclame-uitingen in de welstandsnota opgenomen. Wel is bij de Basiscriteria en Ge- biedscriteria omschreven hoe met inpassing van reclame-uitingen op een bouwwerk om te gaan. De welstandstoets vindt echter primair plaats op basis van de criteria zoals vermeld in de Nota Buitenre- clame 2012. 7. WELSTANDSTOETSING [vervallen] 8.Ambtelijke toetsing [Vervallen] WELSTANDSCRITERIA 9. Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .21 10. Basiscriteria .........................23 11.Gebiedscriteria......................25 •1 •2 •3 •4 •5 •6 •7 •8 •9 •10 •11 Historische Dijklinten Historische Polderlinten Planmatige woongebieden Individuele bouw Hoogbouw Architectonische ensembles Bedrijven en Kantoorlocaties Winkelcentra en Publieke voorzieningen Grootschalige voorzieningen in het groen Historische parken en Begraafplaatsen Sport- en Recreatiegebieden 12.Sneltoetscriteria.....................31 •1 Bijbehorende bouwwerken •2 Daktoevoegingen •3 Kozijn- en gevelwijzigingen •4 Zonnepanelen en -collectoren, antennes en schotelantennes •5 Erfafscheidingen en hekwerken •6 Rolhekken en -luiken, terras- en zonnescher- men CInleiding Het welstandsbeleid is gebiedsgericht en schaal- bewust opgezet. Voor de verschillende typen bouwopgaven zijn welstandscriteria opgesteld. De welstandscriteria zijn uitgesplitst in: • Basiscriteria • Gebiedscriteria • Sneltoetscriteria De Basiscriteria zijn opgesteld om een basiskwali- teit vast te stellen waaraan een plan in ieder geval moet voldoen. De Gebiedscriteria gelden als aanvulling op de Basiscriteria. Bij toetsing aan de Gebiedscriteria wordt dus ook getoets aan de Basiscriteria. Samen vormen ze de complete set criteria. De Sneltoetscriteria worden doorgaans los ge- hanteerd van gebiedsgericht beleid. Ze zijn er op gericht veelvoorkomende kleinschalige bouwwer- ken snel te kunnen toetsen. Echter kan bij toetsing van een bouwplan aan de Gebiedsgerichte criteria de set Sneltoetscriteria altijd als richtlijn worden gehanteerd. Grondslag welstandscriteria Aan de verschillende welstandscriteria liggen de algemene uitgangspunten van welstandstoetsing ten grondslag. Deze algemene uitgangspunten zijn als bijlage in de welstandsnota opgenomen (zie bijlage 1). Deze richten zich op de zeggings- kracht en het vakmanschap van het architecto- nisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene uitgangspunten liggen dan ook ten grondslag aan de planbeoor- deling en bestaan uit een uiteenzetting van alge- mene architectonische begrippen en aspecten. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’. Criteria en het bestemmingsplan In bijlage 9 is een schema opgenomen waarin per wijk in Capelle aan den IJssel (afgestemd met de planbegrenzing van bestemmingsplannen) is aan- gegeven welke criteria voor welk type bouwplan van toepassing zijn. In algemene zin geldt dat het bestemmingsplan bepalend is voor de toegestane maatvoering. Mocht hierdoor strijdigheid ontstaan met één van de welstandscriteria dan wegen de bestemmingsplanbepalingen het zwaarst. Basiscriteria Tientallen jaren zijn wijken en buurten met de grootste zorg voor kwaliteit opgebouwd. Er is voor gekozen om dat wat gangbaar is voor wat betreft bouwen en materiaal- en kleurkeuze vooraf aan de bouwer kenbaar te maken in de basiscriteria. Daarmee worden handvatten gegeven voor het uiteindelijke resultaat. Het is gewenst dat er een basiskwaliteit gehandhaafd blijft als het gaat om de wijze van bouwen. De basiskwaliteit bestaat onder meer uit het realiseren van bebouwing van een gangbare vorm en in gangbaar bouwmaterialen en kleuren. De ruimtelijke kwaliteit van Capelle aan de IJssel blijft zo behouden of kan worden versterkt. De Basiscriteria zijn in drie schaalniveaus te onder- scheiden: • Ruimtelijke inpassing; • Bouwwerk op zichzelf; • Uitwerking (Materiaal, kleur en detaillering). Ruimtelijke inpassing: • Bouwinitiatieven respecteren of versterken de ruimtelijke (of stedenbouwkundige) structuur alswel de kwaliteit van het openbaar gebied. • Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afge- stemd op de omliggende bebouwing en/of de stad als geheel. Bouwwerk opzichzelf: • Nieuwbouw heeft een duidelijke en herkenbare hoofdvorm. • Als de locatie onderdeel is van een woonblok, bouwblok of ensemble met een specifieke hoofdvorm, dan moet deze worden gevolgd. • Uitbreidingen en bijgebouwen zijn onderge- schikt aan het hoofdgebouw. • Het gevelontwerp heeft een eigen logica en is goed van verhouding. • Grootschalige ingrepen in de gevel verstoren de opbouw van de gevel niet. • De hoofdingang van een gebouw is vanaf de straat herkenbaar. • Beganegrondgevels grenzend direct aan het openbare gebied zijn kwalitatief goed vormge- geven; de functie achter de gevel is in de vormgeving afleesbaar. • Reclames zijn ondergeschikt aan en afge- stemd op het gevelontwerp. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter van het gevelontwerp. • Bouwwerken grenzend direct aan openbaar gebied zijn van kwalitatief goed materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. • Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk opzichzelf, de omliggende bebouwing en/of de omgeving. In gebieden met een regulier of bijzonder wel- standsniveau zijn specifieke gebiedskarakteris- De 11 Gebiedscriteria inCapelle aan denIJssel: tieken aanwezig. De Basiscriteria zijn in deze gebieden niet toereikend om de welstandstoets 1 Historische Dijklinten gebiedsgericht uit te voeren. Er zijn gebieden waar een specifieke karakteristieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld ge- 2 Historische Polderlinten meentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge 3 Planmatigewoongebieden mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of hebben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het realiseren van 4 Individuelebouw bouwplannen die alleen getoetst zijn aan de set Basiscriteria zou hier tot ongewenste initiatieven 5 Hoogbouw kunnen leiden en afbreuk doen aan de te bescher- men/behouden karakteristiek. De criteria zijn een op de karakteristiek van het gebied gerichte uitwer- 6 Architectonische Ensembles king, aanvullend op de set Basiscriteria en bevat- ten daarnaast criteria die de specifieke opbouw en 7 Bedrijven enKantoorlocaties uitwerking van de bebouwing in het gebied moeten waarborgen. In de Gebiedscriteria zijn ook criteria opgenomen 8 WinkelcentraenPubliekevoorzieningen die specifiek voor een bepaald deelgebied zijn op- gesteld. Het aantal specifieke gebiedscriteria kan 9 Grootschaligevoorzieningeninhet groen per deelgebied verschillen. Vanzelfsprekend zijn er meer specifieke gebiedscriteria in gebieden waar 10 Historische parken enBegraafplaatsen sprake is van een bijzonder welstandniveau. De Gebiedscriteria zijn in drie schaalniveaus te onderscheiden: • Ruimtelijke inpassing • Bouwwerk op zichzelf • Uitwerking (Materiaal, kleur en detaillering) 11 Sport-enRecreatiegebieden 1Historische Dijklinten Ruimtelijke inpassing: • De rooilijn volgt het lint (de weg). Nieuwe bebouwing in lijn met de bestaande lintbe- bouwing situeren. • Aan de linten blijft tussen de bebouwing een voldoende mate van openheid aanwezig. Daarmee blijft het water of ‘achterland’ (gebie- den grenzend aan de achterzijden van perce- len aan de linten) vanuit het lint zichtbaar. • Bebouwing op een perceel in maat en schaal op elkaar afstemmen. • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin of aan de voet van de dijk. • De woning is gesitueerd vóór de bijgebouwen en schuren. • Functioneel onderscheid (het gebruik) tussen het hoofdgebouw en de bijgebouwen zichtbaar houden. • Wordt bebouwing aan het water gesitueerd dan wordt een nadrukkelijke relatie met het water gelegd. De oeverconstructie is onder- deel van het architectonisch en landschappe- lijk ontwerp. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa’s binnen de variatie van het lint. • Aan het lint eenvoudige rechthoekige of lang- werpige hoofdvormen realiseren onder een kap. • Verschillende kapvormen mogelijk; zadelda- ken, schilddaken en mansardekappen, zowel haaks als evenwijdig aan het lint. • Grootschalige ingrepen in de gevel verstoren de opbouw van de gevel niet. • Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbou- wen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. • De voorgevel van het hoofdgebouw heeft een bij de situatie passende horizontale of verticale geleding. • De voorgevel is georiënteerd op het lint. • Wordt bebouwing aan het water gesitueerd dan is de uitraling vanaf het water van groot belang en wordt de waterzijde ook gezien als voorgevel. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten: • Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, be- groeiing/hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebou- wing en inrichting van de openbare ruimte. • Aan de voorzijde van de bebouwing zijn de erfafscheidingen laag. • Gebruik van staande ramen. • Rolluiken zijn niet toegestaan. • Zeer terughoudend omgaan met reclame- uitingen. Reclames zijn ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter van het gevelontwerp. • De keuze voor materialen en detaillering ver- sterken het uiterlijk van het bouwwerk. • Bouwwerken zijn van kwalitatief goed materi- aal en worden zorgvuldig gedetailleerd. • Daken met een overstek toepassen. • Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk opzichzelf, de omliggende bebouwing en/of de omgeving. • De gevel uitvoeren in baksteen/ijsselsteentjes van een passend baksteen formaat, metselver- band, voeg en voegkleur. • Het toepassen van pleisterwerk als hoofdmate- riaal in de gevel is toegestaan. • Baksteenkleur: donkere (aarde) tinten. • Pleisterwerk: lichte tinten. • Toegevoegde elementen zelfstandig vorm- geven in de lijn van de architectuur van het geheel. • Toepassen van karakteristieke bouwelementen zoals windveren, gootlijsten en makelaars is toegestaan. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten: • Kozijnen uitvoeren in hout. • Dakbedekking in de vorm van gebakken/ge- smoorde pannen. • Kozijnkleur: oudhollandse kleuren. • Toepassen van roeden in de ramen (niet op de ramen). • Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. • De rooilijn volgt het lint (de weg). Nieuwe bebouwing in lijn met de bestaande lintbebou- wing situeren. • Aan de linten blijft tussen de bebouwing een voldoende mate van openheid aanwezig. Daarmee blijft het ‘achterland’ (gebieden gren- zend aan de achterzijden van percelen aan de linten) vanuit het lint zichtbaar. • Bebouwing op een perceel in maat en schaal op elkaar afstemmen. • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kop van het perceel, direct of op korte afstand van het lint. • Woning is gesitueerd vóór de bijgebouwen en schuren. • Functioneel onderscheid (het gebruik) tussen het hoofdgebouw en de bijgebouwen zichtbaar houden. In een hoofdgebouw wordt gewoond of gewerkt. Bijgebouwen worden gebruikt voor functies die ondergeschikt zijn aan de functie in het bijgebouw en daar een relatie mee heb- ben. • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa’s binnen de variatie van het lint. • Woningen: uitgangspunt is een zadeldak , haaks op de weg. Bij (kleinere) individuele woningen (van oorsprong geen boerderij) zijn andere dakvormen en een kaprichting parallel aan de wegrichting ook mogelijk, mits passend in het straatbeeld. • (Voormalige) boerderijen en stallen/schuren: kapvorm is een zadeldak haaks op de weg. • Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbou- • wen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ont- worpen. • De voorgevel van het hoofdgebouw heeft een bij de situatie passende horizontale of verticale geleding. • De woning is georiënteerd op het lint. De voor- gevel is vanaf het lint zichtbaar aanwezig. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten: • Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, be- groeiing/hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebou- wing en inrichting van de openbare ruimte. • Aan de voorzijde van de bebouwing zijn de erfafscheidingen laag. • Gebruik van staande ramen. • Rolluiken zijn niet toegestaan. • Zeer terughoudend omgaan met reclame- uitingen. Reclames zijn ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. • Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen het karakter van het gevelontwerp. • De keuze voor materialen en detaillering ver- sterken het uiterlijk van het bouwwerk. • Bouwwerken zijn van kwalitatief goed materi- aal en worden zorgvuldig gedetailleerd. • Daken met een overstek toepassen. • Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk opzichzelf, de omliggende bebouwing en/of de omgeving. • De gevel uitvoeren in baksteen/ijsselsteentjes van een passende baksteen formaat, metsel- verband, voeg en voegkleur. • Het toepassen van pleisterwerk als hoofdmate- riaal in de gevel is toegestaan. • Baksteenkleur: donkere (aarde) tinten. • Pleisterwerk: lichte tinten. • Toegevoegde elementen zelfstandig vorm- geven in de lijn van de architectuur van het geheel. • Toepassen van karakteristieke bouwelementen zoals windveren, gootlijsten en makelaars is toegestaan. Specifiek voor beschermd dorpsgezichten: • Kozijnen uitvoeren in hout. • Dakbedekking in de vorm van gebakken/ge- smoorde pannen. • Kozijnkleur: oudhollandse kleuren. • Toepassen van roeden in de ramen (niet op de ramen). • Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. 3Planmatigewoongebieden Ruimtelijke inpassing: • Bouwinitiatieven zijn in maat, schaal en zij- delingese afstand afgestemd op de wijk als geheel. Specifiek voor Oostgaarde: • Parkeren vindt voor specifieke ensembles bin- nen Oostgaarde onder de woningen plaats. Specifiek voor Capelle West: • Kleine verspringingen in de voorgevelrooilijn. Specifiek voor ’s-Gravenland: • Rechte getande rooilijn. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa binnen het bouwblok. • Aansluiten bij de kapvorm en –richting die voorkomt binnen het bouwblok. • Aanpassingen aan bestaande bebouwing mag ook op een eigentijdse wijze gebeuren, mits van een hoog niveau. • Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van het ensemble als totaal niet wordt aangetast. Specifiek voor Oostgaarde: • Voor specifieke ensembles binnen Oostgaarde toepassen van doorlopende dakvlakken. Specifiek voor Molenbuurt: • Toepassen van een groot overstek bij dakvlak- ken. Specifiek voor Oude plaats: • Bij een toevoegingen aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. • Uitsluitend erfafscheidingen in begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, pas- send bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte. • Gebruik van staande ramen. • Rolluiken zijn niet toegestaan. • Zeer terughoudend omgaan met reclame- uitingen. Reclames zijn ondergeschikt aan en afgestemd op het gevelontwerp. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • Kleuren zijn afgestemd op het bouwwerk op- zichzelf, of de wijk als geheel. Specifiek voor Oostgaarde: • Toepassen van lichte of donkere baksteen. • Toepassen donkere bakstenen en kozijnen. Specifiek voor Oude plaats: • Kozijnen uitvoeren in hout. • Dakbedekking in de vorm van gebakken/ge- smoorde pannen. • Kozijnkleur: oudhollandse kleuren. • Toepassen van afwerkingen langs gevel- en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken. • Bouwinitiatieven sluiten aan op de ontspannen ruimtelijke opzet van de wijk. • Nieuwbouw is een passende toevoeging op de variatie van de omliggende bebouwing. • Er zijn meerdere kapvormen mogelijk. • Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van het ensemble als totaal niet wordt aangetast. • Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbou- wen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. Specifiek voor Bermweg en Schollevaartseweg: • Hoofdrichting van de bouwmassa (en kap) ligt haaks op de weg. Specifiek voor Van Maerlantpark: • Bouwmassa heeft een rechte hoofdvorm en een plat dak. • De gevelwand is (vrijwel) vlak. Geen zware plastiek door erkers, balkons etc. Specifiek voor Ringvaartpark: • Zadeldak met ruime overstek uitvoeren. • Materiaal, kleur en detaillering versterken het eigen karakter van het gevelontwerp. Specifiek voor Bermweg en Schollevaartseweg: • Per woning minimaal 2 kleursoorten baksteen toepassen, waarbij de basiskleur een lichte kleur is. • Grote diversiteit in maten, kleuren en materia- len vermijden. • Dakpankleur is antraciet, ongeglazuurd. Beton- pannen zijn uitgesloten. • Langs goot- en dakranden boeiboorden aan- brengen. Specifiek voor Van Maerlantpark: • Baksteen al dan niet witgeschilderd in combi- natie met natuurlijke materialen en kleuren. Specifiek voor Ringvaartpark: • Toepassen van een lichte baksteen met don- kere pannen. • Toepassen van een grijze gemetselde band in de plint. 5Hoogbouw Ruimtelijke inpassing: • Bouwinitiatieven zijn in maat, schaal en zijde- lingse afstand afgestemd op de wijk en de stad als geheel. • Hoogbouw is vaak specifiek georiënteerd. Aan- sluiting zoeken bij de overwegende oriëntatie in het gebied. • Aan de rand van een gebied met hoogbouw dient de vorm van de massa te zorgen dat de gebouwen worden opgenomen in het (stads) landschap. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bestaande hoogbouw of indien van toepassing ook bij laagbouw binnen het stedenbouwkundig en- semble (bijvoorbeeld stempelplan). • Gezien het alzijdig karakter van hoogbouw, wordt elke gevel van een complex als een voorgevel beschouwd. • Het gevelgeleding benadrukt de verticaliteit of horizontaliteit van het ontwerp • De plint (begane grond) kan een andere vorm- geving krijgen ten opzichte van de bovengele- gen verdiepingen. De functie achter de gevel is in de vormgeving zichtbaar. • Voor entreepartijen is een afwijkende architec- tuur mogelijk mits er in vormgeving een relatie is met het hoogbouwcomplex. • Vervanging van balkonhekken, ballustrades en privacyschermen aanpakken per complex. • Dichtbouwen van balkons is niet toegestaan. • Schotels niet zichtbaar buiten de balkons toe- passen. Plaatsen van schotels gebeurt binnen de omtrek van het balkon of gezamenlijk op het dak. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • De keuze voor materialen en detaillering ver- sterken het uiterlijk van de hoogbouw. • Kleuren zijn afgestemd op logica van de hoog- bouw opzichzelf. • Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afge- stemd op het ensemble als geheel. Specifiek voor Oostgaarde: • Flats staan haaks of in een enkel geval even- wijdig aan de weg of het water. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: • Behoud van het stedenbouwkundig patroon van aaneengesloten ronde gebouwen. • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa binnen het ensemble. • Aansluiten bij de kapvorm en –richting die voorkomt binnen het ensemble of bouwblok. • Accenten op de hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur zijn toegestaan mits de uitstraling van het ensemble als totaal niet wordt aangetast. • Aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbou- wen en andere ingrepen aan het hoofdgebouw zijn in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen. Specifiek voor Oostgaarde: • De bouwmassa bestaat uit samengevoegde bouwmassa’s met haakse en schuine hoeken. Specifiek voor ’t Zandrak en Paradijsselpark: • De bouwmassa bestaat uit een kubistische hoofdvorm met vormvrije, toegevoegde ele- menten. Specifiek voor Fascinatio: • Toegepaste kapvormen in het gebied zijn zadeldaken, lessenaarsdaken en gebogen daken. Specifiek voor Oostgaarde: • Er is een parkeerdek onder bebouwing aanwe- zig. Specifiek voor Capelle West en Schenkel Oost: • Clusters van seriematige woningen heb- ben een vaste ritmiek van ramen, deuren en schoorstenen. Door individuele aanpassingen mag deze ritmiek niet worden doorbroken. Specifiek voor Schenkel: • Horizontale geleding van de woning. • Eenvoudige en sobere gevelarchitectuur. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: • De bouwmassa bestaat uit samengevoegde bouwmassa’s met haakse en schuine hoeken. • Elk element heeft één entree. • Kleuren zijn afgestemd op het ensemble. • Gebouwde erfafscheidingen zijn onderdeel van de architectonische eenheid. Specifiek voor Fascinatio: • Daken met een groot overstek uitvoeren. • Gevels bestaan hoofdzakelijk uit een rode of gele baksteen. • Daken zijn gedekt met rode of oranje pannen. Specifiek voor Oostgaarde: • Gevels worden opgebouwd uit donkere bak- steen. Geleding door toepassing van witte vlakken of witte betonnen banden. Specifiek voor Capelle West en Schenkel oost: • Handhaven van karakteristieke raamvormen in de voorgevel. Specifiek voor Paradijssel: • Woningen aan de woonerven: gebogen dak- vlak, witte bakstenen, donker hout, glas en staal. Specifiek voor Schenkel: • Gevels uitvoeren in rode baksteen. • Kozijnen uitvoeren in hout met een witte kleur. • Daken uitvoeren in rode gebakken pannen. • Witte omlijsting rondom de voordeur toepas- sen. Specifiek voor ‘t Zandrak: • Verschillende kapvormen zoals plat dak, pira- midedak of lessenaarsdak. • Toepassing van baksteen, donkere pannen en hout. Specifiek voor Nederlandse Bergenbuurt: • Toepassing van rode baksteen en forse witte kozijnen. Specifiek voor ‘s-Gravenland: • Elk bebouwingscluster heeft zijn eigen archi- tectonische kenmerken die gevolg moeten worden. 7Bedrijven enKantoorlocaties Ruimtelijke inpassing: • De totale compositie van de bebouwing op één perceel is samenhangend. • Representatieve bebouwing is gericht op de straat of belangrijkste openbare ruimte. • Aan de randen van de werkgebieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/of het land- schap. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa binnen het bouwblok als geheel. • In de gebieden zijn voornamelijk platte daken of bijzondere dakvlakken toegepast. • Entrées onderscheiden zich in of aan de gevel, mits in samenhang met de massa. • Toepassen van open hekwerken en/of beplan- ting als erfafscheidingen. • Bij nieuwbouw worden reclames, rolluiken en installaties meeontworpen. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • Entrées zijn uitgevoerd in kwalitatief duurzaam materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. • Bij voorkeur gedekte kleuren toepassen. • De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. • Gebouwen en complexen hebben een alzijdig karakter. • Representatieve bebouwing is gericht op de straat of belangrijkste openbare ruimte. • Aan de randen van de winkelcentra en ge- bieden met publieke voorzieningen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebieden en/of het land- schap. • Nieuwbouw zoekt aansluiting bij de bouwmas- sa binnen het bouwblok of ensemble. • Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. • Entrées onderscheiden zich in of aan de gevel, mits in samenhang met de massa. • Beganegrondgevels grenzend direct aan openbaar gebied krijgen bijzondere aandacht. Dichte gevels worden voorkomen; de functie achter de gevel is in de vormgeving afleesbaar. • Toepassen van open hekwerken als erfafschei- dingen. • Bij nieuwbouw worden reclames, rolluiken en installaties meeontworpen. • Beganegrondgevels grenzend direct aan openbaar gebied zijn uitgevoerd in kwalitatief duurzaam materiaal en worden zorgvuldig gedetailleerd. • Gebouwen binnen een ensemble zijn in maat- voering, kleur- en materiaalgebruik op elkaar afgestemd. 9Grootschaligevoorzieningeninhet groen Ruimtelijke inpassing: • De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. • Representatieve bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte. • Aan de randen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangren- zende gebieden en/of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw heeft een bouwmassa die is afge- stemd op de eigen positie binnen het groen. • Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. • Entrées onderscheiden zich, mits in samen- hang met de massa. • Toepassen van open hekwerken en/of beplan- ting als erfafscheidingen. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • Gebouwen binnen een ensemble zijn in maat- voering, kleur- en materiaalgebruik op elkaar afgestemd en op de omgeving. • Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardi- ge materialen en hebben een bij de omgeving passende kleur. • Bouwinitiatieven zijn afgestemd op de positie binnen het groen danwel het landschap. • De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. • Representatieve bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte. • Aan de randen moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangren- zende gebieden en/of het landschap. • Er zijn meerdere kapvormen mogelijk. • Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. • Gezien het alzijdig karakter van het bouwwerk binnen de voornamelijk groene omgeving, wordt elke gevel als voorgevel beschouwd. • Toepassen van open hekwerken en/of beplan- ting als erfafscheidingen. • Zeer terughoudend omgaan met reclame- uitingen. Reclames overstemmen het groene karakter van de omgeving niet. • De keuze voor materialen is afgestemd op de omgeving. • Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardi- ge materialen en hebben een bij de omgeving passende kleur. 11Sport-enRecreatiegebieden Ruimtelijke inpassing: • Bouwinitiatieven zijn afgestemd op de positie binnen het groen danwel het landschap. • De totale compositie van de bebouwing is samenhangend. • Gebouwen en complexen hebben een alzijdig karakter. • Representatieve bebouwing is gericht op de straat of belangrijkste openbare ruimte. • Aan de randen van de sport- en recreatiege- bieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende gebie- den en/of het landschap. Bouwwerk op zichzelf: • Nieuwbouw heeft een bouwmassa die is afge- stemd op de eigen positie binnen het groen. • Er zijn meerdere kapvormen mogelijk. • Er is samenhang tussen de inrichting van het perceel en de architectuur van de bebouwing. • Gezien het alzijdig karakter van het bouwwerk binnen de voornamelijk groene omgeving , wordt elke gevel als voorgevel beschouwd. • Toepassen van open hekwerken en/of beplan- ting als erfafscheidingen. • Zeer terughoudend omgaan met reclame- uitingen. Reclames overstemmen het groene karakter van de omgeving niet. Uitwerking (materiaal, kleur en detaillering): • De keuze voor materialen is afgestemd op de omgeving. • Hekwerken worden uitgevoerd in hoogwaardi- ge materialen en hebben een bij de omgeving passende kleur. 40 Welstandsnota Capelle aan den1Jssel2013 Voor veelvoorkomende kleinschalige bouwopga- ven die niet vergunningsvrij zijn, zijn eenduidige randvoorwaarden opgesteld. Deze randvoorwaar- den worden sneltoetscriteria genoemd. Vanuit wel- standsoogpunt zijn de sneltoetscriteria minimale visuele kwaliteitseisen bedoeld om een bepaald ruimtelijk kwaliteitsniveau in stand te houden. De aanvrager van een omgevingsvergunning kan aan de hand van de sneltoetscriteria zien of zijn of haar bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een bouwplan is niet strijdig met rede- lijke eisen van welstand als: • Het bouwwerk voldoet aan de sneltoetscriteria. • Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronke- lijke bouwwerk, mits het oorspronkelijke bouw- werk geen exces betreft. • Soms bevatte het oorspronkelijke door de gemeente goedgekeurde ontwerp van het hoofdgebouw enkele optionele uitbreidingen (bijvoorbeeld een dakkapel). Indien het ge- plande bouwwerk gelijk is aan deze optionele uitbreiding dan is het bouwwerk niet strijdig met redelijke eisen van welstand. • Het kan voorkomen dat in een bepaalde straat of buurt een specifiek beleid voor een van de genoemde categorieën bouwwerken is opge- steld. Mocht dit het geval zijn, dan is dat altijd in de vorm van een referentie aan een daar voorkomend uitgevoerd bouwwerk, bijvoor- beeld als onderdeel van het oorspronkelijke gebouw. Dat bouwwerk wordt dan ten voor- beeld gesteld. Een bijzonder geslaagd voorstel kan eveneens achteraf als voorbeeld worden aangewezen. De 6 Categorieën Sneltoetscriteria: 1Bijbehorendebouwwerken 2Daktoevoegingen 3Kozijn-enGevelwijzigingen 4Zonnepanelenen-collectoren,Antennes en Schotelantennes 5ErfafscheidingenenHekwerken 6Rolhekken en-luiken,Terras-en Zonneschermen 1Bijbehorendebouwwerken Aangebouwdebouwwerken Ruimtelijke inpassing: • Plaatsing; Minimaal 1 meter achter de voorge- velrooilijn. • Plaatsing; Minimaal 1 meter afstand tot de zijerfgrens van openbaar toegankelijk gebied. Bouwwerk op zichzelf: • Een aangebouwd bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. • De gevelindeling sluit aan bij de vormgeving van het hoofdgebouw. • De aanbouw heeft een plat dak. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Vrijstaandebouwwerken Ruimtelijke inpassing: • Plaatsing; Minimaal 1 meter achter de voorge- velrooilijn. • Plaatsing; Minimaal 1 meter afstand tot de zijerfgrens van openbaar toegankelijk gebied. Bouwwerk op zichzelf: • Een vrijstaand bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. • Eenvoudige vormgeving, passend bij de func- tie van het bouwwerk en/of het hoofdgebouw. • De aanbouw heeft een plat dak of een bij het hoofdgebouw passende kapvorm. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw of het tuin- of erfkarakter. • Toepassing van kwalitatief goed materiaal. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Dakkapellen Ruimtelijke inpassing: • Op één dakvlak (woningblok) herhaling van gelijke dakkapellen. • De afstand tussen de dakkapel en de rand van het dakvlak (per woning) is in alle situaties minimaal 0,5 meter. • Bij stapeling van dakkapellen op hetzelfde dakvlak; afstand tussen bovenzijde onderste dakkapel en voet bovenstaande dakkapel mini- maal 0,5 meter. • Bij meerdere dakkapellen op hetzelfde dakvlak (woningblok); bovenzijde steeds op dezelfde hoogte. • De dakkapel is nooit hoger dan vergunningvrij zou zijn toegestaan. Bouwwerk op zichzelf: • Op één dakvlak (bouwblok) herhaling van gelijke dakkapellen. • Geen dichte panelen in het front van de dak- kapel. Ingeval achterliggende dragende muur is een smalle strook toegestaan. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Dakopbouwen Ruimtelijke inpassing: • Op één dakvlak (bouwblok) herhaling van gelijke dakopbouwen. • Bij plaatsing op een bijzondere dakvorm altijd voorleggen aan de commissie. Bouwwerk op zichzelf: • Een dakopbouw is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. • Op één dakvlak (woningblok) herhaling van gelijke dakopbouwen. • De dakopbouw heeft een bij het daktype pas- sende hoofdvorm. • Bij dakopbouwen op een schuin dak; goot- hoogte nooit hoger dan de oorspronkelijke nok. • De gevelindeling sluit aan bij de vormgeving van het hoofdgebouw. • Bij dak één opbouwen op een schuin dak; dichte panelen in het front (voorvlak) beperken. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Dakramen Ruimtelijke inpassing: • Het gesloten karakter van het dak moet behou- den blijven. • De afstand tussen het dakraam en de rand van het dakvlak (per woning) is in alle situaties minimaal 0,5 meter. • Bij meerdere dakramen; identieke maatvoering en logische rangschikking. Bouwwerk op zichzelf: • Dakramen in een staand formaat toepassen. • Eenvoudig vormgeven. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. 3Kozijn-enGevelwijzigingen Ruimtelijke inpassing: • Oorspronkelijke opbouw van de gevel moet herkenbaar blijven. • Samenhang en ritmiek van de gevel als deel van de straatwand behouden. Bouwwerk op zichzelf: • Bij kozijnvervanging; het oorspronkelijke kozijn is uitgangspunt. • Indeling sluit aan bij kozijn- en/of gevelwijzigin- gen die in de omgeving gerealiseerd zijn. Uitwerking: • Materiaal, kleur en detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw. • Transparante geveldelen niet blinderen met panelen of schilderwerk. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Zonnepanelenen-collectoren,Antennes enSchotelantennes4 Zonnepanelenen-collectoren Ruimtelijke inpassing: • De afstand tussen het zonnepaneel of -collec- tor en de rand van het dakvlak (per woning) is in alle situaties minimaal 0,5 meter. • Bij meerdere zonnepanelen of -collectoren; identieke maatvoering en logische rangschik- king. • De hellingshoek van het zonnepaneel of -col- lector is gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. • Bij plaatsing op een plat dak; afstand tot de dakrand is minimaal gelijk aan de opbouw- hoogte. Bouwwerk op zichzelf: • Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: • Materiaal en detaillering van de profielen is eenvoudig. • Kleur van de profielen afstemmen op de kleur van de panelen. Antennes enschotelantennes Ruimtelijke inpassing: • Nooit voor de voorgevelrooilijn. • Schotelantennes hebben een doorsnee van maximaal 1 meter. • Bij balkon aan de binnenzijde van de ballus- trade plaatsen. Bouwwerk op zichzelf: • Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: • Materiaal en detaillering van de profielen is eenvoudig. • Kleur afgestemd op het hoofdgebouw. 5ErfafscheidingenenHekwerken Erfafscheidingen Ruimtelijke inpassing: • Voor de voorgevelrooilijn ; hoogte maximaal 1 meter. • Achter de voorgevelrooilijn; hoogte maximaal 2 meter. Bouwwerk op zichzelf: • Naar openbaar gebied gericht; materiaal moet afgewerkt/geschilderd zijn. • Hoge erfafscheidingen direct grenzend aan openbaar toegankelijk gebied bij voorkeur ingroenen of uitvoeren als beplanting. • Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: • Toepassing van kwalitatief goed materiaal. • Eenvoudige detaillering. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. Hekwerken Ruimtelijke inpassing: • In openbaar gebied; hoogte passend bij de functie. • Voor de voorgevelrooilijn ; hoogte maximaal 1 meter. • Achter de voorgevelrooilijn; hoogte maximaal 2 meter. Bouwwerk op zichzelf: • In openbaar gebied; hekwerken transparant vormgeven. • Bij vervanging oorspronkelijk hekwerk als uitgangspunt. • Eenvoudige vormgeving. Uitwerking: • Toepassing van kwalitatief goed materiaal. • Eenvoudige detaillering. • Geen opvallend en/of contrasterend kleurge- bruik. • Geen onafgewerkte delen. Rolhekken en-luiken,Terras-enZonneschermen6 Rolhekken en-luiken Ruimtelijke inpassing: • Maatvoering afgestemd op het gevelontwerp. Bouwwerk op zichzelf: • Minimaal 75% transparant over de gehele op- pervlakte (in gesloten toestand). • Bij nieuwbouw integreren in het gevelontwerp. Uitwerking: • De kleur is terughoudend en in afgestemd op het hoofdgebouw. • Rolkast en geleiders geminimaliseerd en weggewerkt in de detaillering van het gevel- ontwerp. Terras-enzonneschermen Ruimtelijke inpassing: • Vrije doorloophoogte minimaal 2,3 meter. • Maatvoering afgestemd op het gevelontwerp. Bouwwerk op zichzelf: • Vormgeving afgestemd op het gevelontwerp. • Geen zijschermen die de doorloop belemme- ren. Uitwerking: • De kleur is terughoudend en in afgestemd op het hoofdgebouw. 48 Welstandsnota Capelle aan den1Jssel2013 BIJLAGEN 1. Algemene uitgangspuntenvan welstandstoetsing....................50 2. Excessenregeling ....................53 3. [Vervallen Organisatievanwelstand. . . . . . . . . . . . . .54] 4. Vergunningsplicht....................56 5. Gebiedstypebeschrijvingen.............57 6. Begrippenlijst.. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . .80 7. Beeldkwaliteitsplannen...............84 8. Monumentenen beschermde dorpsgezichten...........86 9. Bestemmingsplannen................88 10.KaartGebiedstypen...................90 11.KaartWelstandniveau’s..............92 12.[vervallen Routeplanner Welstandstoetsing.......94] 1.Algemene uitgangspuntenvan welstandstoetsing Onderstaande algemene uitgangspunten liggen ten grondslag aan een planbeoordeling die niet kan worden getoetst aan de welstandscriteria zoals omschreven in deel C. De uitgangspunten bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectoni- sche begrippen en aspecten. De algemene archi- tectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijks- tra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel ‘Archi- tectonische kwaliteit, een notitie over architectuur- beleid’. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de Commissie voor welstand en monumenten bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene uitgangspunten van wel- standstoetsing In bijzondere situaties, wanneer de Gebiedscrite- ria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene uitgangspunten van welstandstoetsing. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De Commissie voor welstand en monumenten kan het college van burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schrifte- lijk adviseren af te wijken van de Gebiedscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene uitgangspunten van welstandstoetsing wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onder- scheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de ver- schijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te wor- den gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijk- heden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de construc- tie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke re- latie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associa- tieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daar- mee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de beteke-nis die het gebouw heeft in zijn stede- lijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ont-worpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de Gebiedscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwij- zingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maat- schappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouw- werk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehan-teerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en con- structie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen bijvoorbeeld naar zuilenstructuren, zuilen en/of pilasters van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van ver- wijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Er kunnen dan concep- ten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monu- mentale) omgevingen betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toege- voegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detaillerin- gen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de ge- schiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplan- nen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er struc- tuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere struc- tuur biedt houvast voor de waarneming en is be- palend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreek- sen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voor- bijganger worden gedaan. Van oudsher worden helderheid en complexiteit daarom als complemen- taire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouw- werk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en span- ningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betref-fende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiter- aard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling los- staande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maat- verhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelele- menten vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel of een zonnecol- lector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofd- massa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat mate- riaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetre- ding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrij- heid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decora-tieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 2.Excessenregeling Inleiding Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bijbehorende Besluit omgevingsrecht per 1 oktober 2010 is er ook ten aanzien van het begrip ‘vergunningvrij’ het een en ander veranderd. Er be- staan nog steeds gevallen (activiteiten) waarvoor het niet is vereist dat een omgevingsvergunning wordt verleend, zij het dat deze gevallen nu in twee categorieën zijn te onderscheiden: 1) activiteiten die zowel voor het bouwen als de planologische gebruiksactiviteiten omgevingsver- gunningvrij zijn; 2) activiteiten die uitsluitend voor het bouwen om- gevingsvergunningvrij zijn. Op basis van de Wabo is het dan ook nog steeds mogelijk om vergunningvrij te bouwen. Vergun- ningvrij bouwen betekent overigens niet dat er ook op andere vlakken geen regels voor het bouwen gelden. Zo gelden voor het bouwen van vergun- ningsvrije bouwwerken onder andere de regels van het burenrecht uit het Aanvragerlijk Wetboek en moet voldaan worden aan het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit. Formeel gezien dient een omgevingsvergunningvrij bouwwerk ook te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Een omgevingsvergunningvrij bouw- werk wordt echter niet vooraf aan welstandseisen getoetst. Ook ontstaat er geen ‘illegale’ situatie als blijkt dat het opgerichte vergunningsvrije bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Er is als zodanig geen middel voor handen om er voor te zorgen dat het bestaande bouwwerk alsnog gaat voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ondanks het bovenstaande zijn er toch bepaalde grenzen aan wat er gebouwd mag worden. Het gaat hier om uitzonderingen, zogenaamde wel- standsexcessen; uitsluitend bij bouwwerken die ‘in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’ kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde ‘repressieve welstandstoets’ ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden bouwwerken die ernstig uit de toon vallen aan te passen. Het gaat hierbij niet om gebouwen die mooi of lelijk zijn, maar niet als passend worden beschouwd in de omgeving. Een gebouw is een exces als een groot deel van de mensen zich aan de vormgeving ergert. Wettelijk kader In artikel 12, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is bepaald dat het uiterlijk van zowel bestaande, niet tijdelijke, bouwwerken als nog te bouwen vergun- ningvrije bouwwerken niet ‘in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand’. Op grond van artikel 13a van de Ww kan vervolgens het bevoegd gezag – in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders- de eigenaar van een bouwwerk dat “in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand” aan- schrijven om die strijdigheid op te heffen. Hiervoor is het echter wel noodzakelijk dat in de welstandsnota criteria zijn opgenomen die duidelijk maken wanneer een bouwwerk ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaat- sing van een bouwwerk tegen te gaan. Er geldt dat bij ernstige strijdigheid met redelijke ei- sen van welstand sprake moet zijn van een exces, dat wil zeggen een buitensporigheid in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen evident is. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan een groot deel van de mensen zich stoort. Vaak heeft dit betrekking op: • Het visueel of fysiek afsluiten van een bouw- werk voor de omgeving waarin het zich bevindt; • Het ontkennen of vernietigen van architectoni- sche bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; • Armoedig materiaalgebruik. • Toepassing van felle of contrasterende kleu- ren. • Te opdringerige reclames of reclames die een grove inbreuk maken op wat in de omgeving gebruikelijk is. • Ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk. 3.Organisatievan welstand [Vervallen] 4.Vergunningplicht Welstandszorgenruimtelijkeordening Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalin- gen omgevingsrecht van kracht. Deze wet is van invloed op de omgevingsvergunningen en derhalve op onderhavige welstandsnota. De Wabo met bijbehorende AMvB (het Besluit omgevingsrecht) regels onder meer of bij bepaalde activiteiten, zo- als bouwen, een omgevingsvergunning vereist is of juist niet. De Wabo maakt daarbij een onderscheid in drie categorieën: Activiteiten, zoals bouwen en planogische activiteiten (past het bouwwerk binnen het be- stemmingsplan?), die een omgevingsvergunning behoeven (bijvoorbeeld de bouw van een nieuwe woning). Deze activiteiten zijn derhalve vergun- ningplichtig. Activiteiten die voor het bouwen omgevingsver- gunningvrij zijn, maar waarvoor de planologische activiteiten een vergunningvereiste blijft bestaan. De activiteiten moeten derhalve binnen het be- stemmingsplan passen, wanneer dat het geval is zijn ze omgevingsvergunningvrij. Activiteiten die zowel het bouwen als voor de planologische activiteiten vergunningvrij zijn. De desbetreffende activiteiten worden specifiek be- noemd in het Bor (bijvoorbeeld de bouw van een dakkapel aan de achterzijde). De activiteiten waarbij een omgevingsvergun- ning is vereist, dienen te voldoen aan de wel- standscriteria. De omgevingsvergunningvrije activiteiten hoeven geen welstandstoets te onder- gaan, met uitzondering van de activiteiten waarbij specifiek wordt verwezen naar welstandscriteria. Met behulp van de per 1 oktober 2010 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bijbehorende Besluit omgevings- recht (Bor) kan worden bepaald of een omgevings- vergunningaanvraag voor bouwen vergunningvrij danwel vergunningplichtig is. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt in drie categorieën: • Vergunningvrij; • Vergunningvrij onder voorwaarde; • Vergunningplichtig. Vergunningvrij Indien voor bepaalde bouwactiviteiten ingevolge het Bor geen omgevingsvergunning is vereist en derhalve als vergunningvrij kunnen worden aange- merkt, hoeven deze bouwactiviteiten geen wel- standstoets te ondergaan. Vergunningvrij betekend niet Welstandsvrij. Een vergunningvrij bouwwerk dient te voldoen aan de welstandscriteria. Vergunningvrij onder voorwaarden Voor deze bouwwerken is ingevolge het Bor geen omgevingsvergunning vereist, indien aan be- paalde voorwaarden wordt voldaan. Deze bouw- werken liggen vaak in een zone grenzend aan het openbaar gebied en zijn vergunningvrij indien zij passen binnen het bestemmingsplan. Voor een aantal specifiek in het Bor genoemde bouwwerken geldt bovendien de aanvullende voorwaarde dat deze bouwwerken uitsluitend vergunningsvrij zijn, indien geen welstandscriteria zijn opgenomen. De gemeente heeft bij deze specifieke bouwwerken de keuze om hierover al dan niet welstandscriteria op te nemen. Het betreft de volgende bouwwerken: • Een bijbehorend bouwwerk op een afstand korter dan 1 meter van het openbaar gebied; • Dakramen etc. op een voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdak- vlak; • Een erf- of perceelsafscheiding op een afstand korter dan 1 meter van het openbaar gebied; • Dakkapellen aan de voorzijde. De gemeente Capelle aan den IJssel kiest ervoor om voor deze specifieke bouwwerken welstands- beleid te voeren. Vergunningplichtig Valt een bouwplan niet onder de hierboven be- schreven categorieën dan is het bouwplan vergun- ningplichtig. Is een bouwplan vergunningplichtig dan dient deze een welstandstoets te ondergaan. Bij de welstandstoets worden welstandscriteria gehanteerd die in deze nota zijn opgenomen. De welstandstoets vormt een onderdeel van de omge- vingsvergunningprocedure. 5.Gebiedstypebeschrijvingen Er zijn gebieden waar een specifieke karakteris- tieke uitstraling of een bepaalde te beschermen waarde (bijvoorbeeld gemeentelijk beschermde dorpsgezichten) van kracht is. Bouwopgaven in deze gebieden hebben hoge mate van invloed op de karakteristieke opbouw van een pand of heb- ben in een bepaalde vorm een grote invloed op het straatbeeld. Het realiseren van bouwplannen wordt in goede banen geleid indien het bouwplan wordt getoetst aan Gebiedscriteria. Bijgaand zijn de gebiedsbeschrijvingen gevoegd die ten grondslag liggen aan de Gebiedsciteria en als ondersteuning bieden voor de beeldvorming bij de gebiedcriteria. De 11 GebiedstypeninCapelle aan denIJssel: 1Historische Dijklinten 2Historische Polderlinten 3Planmatigewoongebieden 4Individuelebouw 5Hoogbouw 6Architectonische Ensembles 7Bedrijven enKantoorlocaties 8WinkelcentraenPubliekevoorzieningen 9Grootschaligevoorzieningeninhet groen 10 Historische parken enBegraafplaatsen 11 Sport-enRecreatiegebieden 1Historische Dijklinten Algemeen Dijklinten bevinden zich langs de grote rivieren. Kenmerkend is het hoogteverschil, de positie van de bebouwing ten opzichte van de dijk en de dicht- heid van de bebouwing. Vanaf 1200 wordt Capelle aan den IJssel omdijkt en ontstonden er dijklinten. Er is een onderscheid te maken tussen de ver- schillende dijklinten in Capelle aan den IJssel. In Capelle was men genoodzaakt zich op of aan de voet van de dijk te vestigen, vanwege overstro- mingsgevaar in het achterland. De oeverwallen langs de Hollandsche IJssel zijn verschillend in breedte, zodat men zich niet alleen op of aan de dijk kon vestigen, maar tevens verder van de dijk af. De laatste jaren zijn veel dijken langs de grote rivieren verhoogd en verlegd in het kader van de dijkverbetering. In sommige gebieden worden dij- ken doorgestoken als bufferruimte voor de afvoer van rivierwater. Tussen de dijklinten bestaat verschil in dichtheid en in beleving van open- of beslotenheid. Op sommige plekken zijn nederzettingen en buurt- schappen ontstaan en op andere is het dijklint juist landelijk gebleven. Om deze verschillen in dijk- linten te accentueren worden verschillende wel- standseenheden onderscheiden. In Capelle aan den IJssel is verschil gemaakt in ‘dorpse dijklinten’, ‘uitlopers/buurtschappen’ en ‘landelijke dijklinten’. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. Dorpse dijklinten In Capelle aan den IJssel is het dijklint van de oude kern Capelle aan den IJssel een dorps dijklint (Dorpsstraat en de Kerkweg). Dorpse dijklinten worden gevormd door een fysieke verdichting in bebouwing en een visuele verdichting in het beeld. Historische dorpsgebieden zijn ontstaan als een verdichting van de dijklin- ten. In deze verdichtingen vestigden zich naast de agrarische functie ook de dienstverlenende en maatschappelijke functies. Het dijklint van de oude kern Capelle aan den IJssel is een dorps dijklint. Dorpsstraat en Kerklaan De bebouwing aan de Dorpsstraat en de Kerklaan vormen twee gesloten wanden langs de dijk en de weg. Veel van de woningen aan de Dorpsstraat zijn recht op de dijk gezet waardoor er geringe rooilijnverspringingen ontstaan. De bebouwing bestaat uit staafvormige panden, die van dakvorm, nok en goothoogte sterk van elkaar verschillen. De bouwhoogte van de woningen is 1,5 tot 2 lagen met een kap. In het centrumgebied komen er verschillende kappen voor als mansardekap, schilddak of zadeldak. Het kleur- en materiaalge- bruik in het centrumgebied loopt uiteen van wit pleisterwerk tot bakstenen. De voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in boven en onderstuk. Het on- derstuk is meestal niet symmetrisch, bij sommige woningen is het bovenstuk in zijn geheel sym- metrisch. De gevels zijn op veel plaatsen sierlijk vormgegeven met klok-, trap- en lijstgevels. De gevels zijn op veel plaatsen sierlijk vormgegeven met details als muurankers, muurschotels, rolla- gen, strekken windveren en gootlijsten. Sommige gevels zijn zeer opvallend door hun witte spek- lagen. De Dorpsstraat kent een smal wegprofiel evenals de Kerklaan die haaks op de Dorpsstraat ligt. De Dorpsstraat en de Kerklaan wordt gedomi- neerd door de hoge toren van de kerk en heeft een directe relatie met de dijk en de rivier. Uitloper/buurtschappen In Capelle aan den IJssel ligt de uitloper van het dijklint ligt aan de Dorpsstraat, een gedeelte van de Nijverheidstraat en de Ketensedijk. De uitlopers van dijklinten zijn kleine clusters van bebouwing, soms op de kruin en soms aan de voet van de dijk gelegen; soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan de dijk. Dorpsstraat, Nijverheidstraat en Ketensedijk De uitlopers van de dijklinten zijn nog goed aan- wezig in het landschap. De lange uitlopers vormen dichtbij de oude kern aaneengesloten bebouwing en verder van de kern vrijstaande bebouwing. Onder aan de dijk liggen vrijstaande woningen al dan niet met een agrarische functie. De hoofd- bouwmassa’s verschillen van staafvormige boer- derijachtige woningen tot kleinere staaf- en blok- vormige woningen. Deze woningen hebben veelal een bouwhoogte van 1,5 tot 2 bouwlagen. De nok -en goothoogte van de bebouwing varieert sterk in het dijklint. In de uitlopers komen verschillende kapvormen voor als een zadeldak, een mansar- dekap en een schilddak. De diversiteit is enorm, zowel in hoofdvorm, kleur- en materiaalgebruik, als in positie en richting. De bebouwing bestaat uit traditionele materialen als baksteen en rode of grijze dakpannen. Toegepaste kleuren zijn wit en (stand)groen. De panden zijn vaak rijkelijk gedetail- leerd met details als windveren, gootlijsten, spek- lagen en dergelijke. Bij de recente invulling zijn het juist deze eenvoudige ambachtelijke en fijnzinnige middelen die ontbreken. Tevens zijn er erg grote dakkapellen geplaatst op sommige dakvlakken van historische woning, hierdoor wordt het beeld enigszins verstoord. Landelijkedijklinten In Capelle aan den IJssel ligt het landelijke dijklint ligt het landelijke dijklint aan een gedeelte van de Nijverheidstraat. Landelijke dijklinten bestaan uit overwegend vrij- staande bebouwing. Deze kan van oorsprong een relatie hebben met het water of het achterliggende agrarische gebied. Hierdoor bevinden zich aan de dijklinten zowel (voormalige) agrarische bebouwing als eenvoudige arbeiders- en visserwoningen. De bebouwing staat overwegend op een behoorlijke afstand van elkaar. In een aantal gevallen staan enkele gebouwen dichter bij elkaar. Het beeld van een landelijk dijklint wordt echter gekenmerkt door een zekere openheid. Deze wordt versterkt door de situering van de bebouwing (overwegend) aan de voet van de dijk. De Nijverheidstraat Dit dijklint heeft veelal een open karakter met door- kijkjes naar het achterland. De bebouwing in dit gebied bestaat uit staafvormige agrarische bouw- massa’s en kleinere staafvormige bouwmassa’s. Deze liggen binnendijks aan de voet van de dijk. Net als in de uitlopers is ook in het landelijke dijk- lint de diversiteit enorm, zowel in hoofdvorm, kleur en materiaalgebruik, als in positie en richting. De bebouwing bestaat uit traditionele materialen als baksteen, rode of grijze dakpannen en riet. Toege- paste kleuren zijn wit en (stand)groen. De (his- torische) boerderijen zijn vaak gedetailleerd met details als windveren, goot¬lijsten, muurankers en speklagen. 2Historische Polderlinten Algemeen Polderlinten worden gekenmerkt door langgerekte landschappelijke lijnen met bebouwing in verschil- lende dichtheden. Capelle aan den IJssel is verka- veld en in cultuur gebracht vanaf de oeverwallen van de rivier de Lek en de Hollandsche IJssel, later gevolgd door binnenwaartse nederzettingen langs de weteringen: de polderlinten. De bebouwing aan het polderlint heeft overwegend dezelfde richting als de verkaveling. De dichtheid en de beleving van open- dan wel beslotenheid van bebouwing in de polderlinten verschilt. Soms zijn er nederzettingen aan de linten ontstaan. Om deze verschillen in polderlinten te accentueren worden verschillende welstandseen- heden onderscheiden. In Capelle aan den IJssel is verschil gemaakt in ‘dorpse polderlinten‘, ‘uitlopers/ buurtschappen’ en ‘landelijke polderlinten‘. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. Uitlopersvan enbuurtschappeninhet polderlint De uitlopers van polderlinten zijn kleine clusters van bebouwing soms direct aan de kern, als uitlo- per van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan het lint. In Capelle aan den IJssel zijn de Kerklaan, De Ruyterstraat, de Trompstraat, de Piet Heinstraat, de Kanaalweg, Capelseweg, Goudenregenstraat, ’s-Gravenweg en de Bermweg uitlopers van het polderlint. De Kerklaan De Kerklaan ligt haaks op het dijklint en loopt door tot de oude kern van Capelle aan den IJssel. De kleinschalige bebouwing is gesitueerd op de kop van het kavel, aan de weg en een oude wetering. De bebouwing in het lint is divers, maar heeft een duidelijke richting. Kenmerkend voor de Kerkweg is de woonbebouwing met een expressio- nistische architectuurstijl. Deze woon-bebouwing is in de jaren ‘20/30 in veel polderlinten gebouwd. De bebouwing vormden als het ware de eerste uitbrei- dingen van de kern. Deze woningen hebben veelal een bouwhoogte van 1,5 tot 2 bouwlagen met een variërende nok- en goothoogte. In deze uitlopers komen verschillende kapvormen voor zoals een mansardekap, een zadelkap en een schildkap. Alle kapvormen hebben een ruime overstek. De Kerkweg heeft een breed wegprofiel. Op de foto zijn een aantal woningen te zien mt een verticale geleding. De hoofdmassa staat in een rechte rooilijn ten opzichte van de weg. De woningen zijn opgebouwd uit donker rode bakstenen en hebben witte Oud Hollandse kozijnen. De Ruyterstraat, de Trompstraat en de Piet Hein- straat De Piet Heinstraat en De Ruyterstraat liggen haaks op de dijk, de Nijverheidstraat. De Trompstraat verbindt deze twee polderlinten met elkaar. De wo- ningen zijn op de kop van de kavel gesitueerd en hebben geen voortuin. Ook hier is de bebouwing gegroeid en erg divers. In de linten komt woonbe- bouwing met een expressionistische architectuur- stijl voor. De woningen in de linten hebben veelal een bouwhoogte van 1 tot 1,5 bouwlagen met een variërende nok- en goothoogte. In deze uitlopers komen verschillende kapvormen voor zoals een mansardekap en een zadelkap en een schildkap. Deze woningen beschikken over kappen met een ruime overstek. Het kleur- en materiaalgebruik is uiteenlopend van donkere en lichte bakstenen tot wit pleisterwerk. Boven de kozijnen zijn er rollagen en strekken aangebracht in de gevel. Sommige woningen hebben klokgevels. Door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevel is de eenheid van het woongebied enigszins aangetast. De Kanaalweg, Capelseweg, ’s-Gravenweg en de Bermweg uitlopers van het polderlint. De bebouwing in deze polderlinten zijn gesitueerd op de kop van de kavel, aan het polderlint. Er is hier sprake van een zekere verdichting in het lint en vormt hierdoor een buurtschap. In deze linten komen hoofdzakelijk niet-agrarische bebouwing voor. De bebouwingsvorm is divers, maar heeft een duidelijke richting. Ook de kapvormen variëren sterk. Naast zadeldaken komen er mansardekap- pen voor. Ook hier is de expressionistische archi- tectuurstijl bij woonbebouwing kenmerkend voor de uitlopers en buurtschappen. Deze woonbebouwing is in de jaren ‘20/30 in de polderlinten gebouwd. Deze bebouwing vormden als het ware de eerste uitbreidingen van de kern Capelle aan den IJssel. De bouwhoogte is hier 1,5 laag met een kap. De nok- en goothoogte varieert sterk in het lint. De woningen zijn opgebouwd uit donker rode bak- stenen en pannen en hebben witte Oudhollandse kozijnen. De oostzijde van de Capelseweg heeft een rommelige gevelindeling van de gebouwen. Dit wordt veroorzaakt doordat de jaren ‘30 bebouwing in een kwalitatief slechte staat verkeerd en dat woningen en bedrijven elkaar in het lint afwisselen. Tevens variëren de kapvormen sterk van zadelda- ken tot gebroken kappen. Landelijkepolderlinten In Capelle aan den IJssel zijn de ’s-Gravenweg en de Bermweg zijn te typeren als landelijke polder- linten. Landelijke polderlinten bestaan uit overwegend vrijstaande bebouwing. Deze kan van oorsprong een relatie hebben met het achterliggende agra- rische gebied. Ze zijn op de verkavelings-richting en niet op de weg gesitueerd. De bebouwing staat overwegend op een behoorlijke afstand van elkaar. In een aantal gevallen staan enkele gebouwen dichter bij elkaar. Het beeld van een landelijk pol- derlint wordt echter gekenmerkt door een zekere openheid. Deze wordt versterkt door de situering van de bebouwing; overwegend op enige afstand van de wetering of weg. De kapvorm van de bebouwing aan de landelijke polderlinten bestaat overwegend uit een zadeldak in dwarsrichting. 3Planmatigewoongebieden Algemeen Achter de historische structuren en aan de randen van de kernen zijn planmatig ontworpen woon- gebieden gebouwd. Door de jaren heen zijn er verschillende typen planmatig ontworpen buurten en wijken gebouwd, die telkens weer nieuwe ran- den van kernen vormen. Binnen de bouwblokken en soms binnen straten en buurten bestaat een zekere mate van uniformiteit. In de planmatig ontworpen woongebieden kan onderscheid worden gemaakt in verschillende peri- oden waarin de woongebieden zijn gerealiseerd: Vooroorlogse woongebieden. De traditionele bebouwing uit de periode 1900-1945 heeft een ingetogen materiaal- en kleurgebruik voorzien van eenvoudige details. Er is vooral gebruik gemaakt van baksteen als bouwmateriaal. Woongebieden in stroken- en blokverkave- ling. Door de hoge productiestroom is er in de periode 1945-1980 veelvuldig gebruik gemaakt van verschillende bouwmaterialen zoals glas, baksteen, beton en staal. De bouwblokken hebben een repeterend patroon en geheel eigen kenmerkende detaillering. Woonerven. Deze woongebieden uit de jaren 1970-1985 kenmerken zich door het woonerf- concept. De bebouwing is zeer divers een gesitueerd in een groene woonomgeving. De menselijke schaal en maat is hierbij leidend. Kenmerkend zijn ook de vele aan- en uitbou- wen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de hoofdbouwvorm. 4.Woongebieden eind 20e eeuw. In deze woon- gebieden is een grote diversiteit aanwezig in bouwvormen en kleur- en materiaalgebruik. Binnen de bouwblokken en/of straatwanden is de samenhang doorgaans groot. De blokken onderling zijn doorgaans verschillend. Vooroorlogsewoongebieden(1900- 1945) Door de opkomst van de industrialisatie rond 1900 en daarmee de grote economische vooruitgang, nam de bevolking in de steden steeds meer toe. Mensen trokken van het platteland naar de stad voor werk. De slechte woningen van voor de Wo- ningwet

(1901)en de stijgende vraag naar wonin- gen in deze jaren leidde tot een grote behoefte aan betere woningen. Deze werden gesitueerd in een schil rondom de oude kernen en in linten. In Capelle aan den IJssel zijn de woningen aan on- der andere de Wilhelminastraat en de Emmastraat te karakteriseren als gebieden met vooroorlogse woonbebouwing. De revolutiebouw leverde in Nederland een plat- tegrond op die gekenmerkt wordt door minimale planmatigheid. Dit is ontstaan door het onvol- doende leiding geven bij de groei van woonkernen. De woningen bestaan uit kleine arbeiderswoningen die in strokenbebouwing staan. De structuur van de vooroorlogse woongebieden vormt een aan- eenrijging van kleine stratenplannen die slechts het beloop van de straten en rioleringen rege- len. Bepalend zijn ook het beloop van vroegere poldersloten, eigendoms- en perceelgrenzen en oude verkavelingspatronen. De maximalisatie van grondopbrengsten in deze periode heeft geleid tot smalle straten met vrij diepe, gesloten bouw- blokken. Tevens werden de woningen opgedeeld waardoor er een hoge woningdichtheid ontstond. Het vooroorlogse woongebied onder aan de dijk bestaat uit seriematige bebouwing. Emmastraat en Wilhelminastraat Deze woningen staan aan een weg die haaks op de Dorpsstraat en dijk ligt. De arbeiderswoningen zijn zeer kleine woningen en hebben geen voor- tuin. De bouwhoogte is 1,5 laag met een schildkap. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel, er is gebruik gemaakt van donkere bakstenen, hout en rode gebakken pannen. Ritmering van dakkapellen en schoorstenen in het woongebied versterkt het lineaire karakter van de verbinding tussen de dijk en het vroegere buitengebied. De dakkapellen zijn op verschillende wijze toegepast en verstoren hier- door het beeld van het woongebied. Fraai is wel de lijst die onder de dakrand is verwerkt. Het kleurge- bruik is rustig en straalt rust en anti-stedelijkheid uit. De gevels hebben detailleringen als windveren, muurschotels en een rollaag boven deuren en vensters. Woongebiedeninstroken- enblokver- kaveling(1945-1980) Woonwijken in stroken- en blokverkaveling zijn planmatig ontwikkelde woonwijken met een in vorm en uitstraling eenzijdige woonbebouwing. Veel uitleggebieden zijn vanaf de jaren ’50 ge- realiseerd in een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel. Langs deze straten zijn verschillende typen woningen gebouwd, veelal in rijen, afgewisseld met flats, ap- partementenblokken en dubbele woningen. In Capelle aan den IJssel bestaat een groot deel van de wijk Middelwatering en een klein gedeelte van Oostgaarde uit gebieden die zijn te karakteri- seren als gebieden met traditionele bebouwing. Woongebieden in stroken- en blokverkaveling worden gekenmerkt door een eenvoudige ruim- telijke structuur, stedenbouwkundig patroon en eenvoudige hoofdbouwvormen. De architectuur en de toegepaste materialen en bouwvormen stralen anti-stedelijkheid uit. Doorgaans worden natuurlijke materialen toegepast, bij voorkeur baksteen en gebakken pannen. De gevels zijn van een gedekte materiaalkleur en voorzien van een eenvoudige ‘dorpse‘ detaillering. In de stedelijke kernen is er vaker sprake van clusters grote huizenblokken, vaak in een repeterend patroon. Deze wijken wor- den ‘omringd’ door grote autowegen en veel groen. Vaak worden experimentele verkavelingsvormen toegepast zoals stroken- en hofverkaveling. In de kleinere kernen zijn het vooral woonwijken in tra- ditionele blokverkaveling met traditioneel vormge- geven rijen- en dubbele woningen. Vaak komen de straten op de historische structuren in de kernen uit. Er zijn twee typen bebouwingselementen te onder- scheiden: • Seriematige objecten • Bijzondere bebouwingselementen Middelwatering In Middelwatering zijn er veel woongebieden met een stroken- en blokverkaveling te onderschei- den. Deze woningen liggen aan onder andere de volgende straten: Slotlaan, Rubenssingel, Paulus Potterlaan, Gerard Doustraat, Lepelaarsingel, Reigerlaan, Roerdomplaan, Rembrandtsingel, Rozenburcht, Costasingel, Merelhoven, Merellaan, Fazantstraat, Wulpenhof, Sternenhof, Gorzen- hof, Gruttosingel, Karekietstraat. Het woongebied beslaat een groot gedeelte van de wijk Middelwa- tering en bepaalt hierdoor in hoge mate het uiterlijk van deze wijk. Zoals ook te zien aan de foto’s is dit woongebied erg divers en is de eenheid van het woongebied niet sterk. Langs de straten zijn name- lijk verschillende woningtypes gebouwd, veelal in rijen, afgewisseld met appartementencomplexen. De hoofdbebouwing staat in een rechte rooilijn ten opzichte van de weg en bestaat overwegend uit 2 bouwlagen met een kap. In dit woongebied is het kleur- en materiaalgebruik van de woningen sober en traditioneel. De gevels hebben vaak weinig detailleringen. Deuren en kozijnen zijn soms felle kleuren om zo het straatbeeld op te fleuren. Door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevel is de eenheid van de woongebieden enigszins aangetast. Oostgaarde De woningen aan onder andere de volgende straten: Kalundborg, Silkeborg, Dakotaweg, Hordaland, Floridaweg, Nevadaweg, Osloplein, Banda Neira, Ahiolostraat, Namleastraat, Tanim- barstraat, Tualstraat, Aroehof, Leasestraat hebben een stroken- en blokverkaveling. Deze woonge- bieden liggen ten noorden van het winkelcentrum de Terp in de wijk Oostgaarde. De woongebieden worden gekenmerkt door een grote variatie aan bebouwing. Deze woongebieden zijn in de jaren ‘50 en ‘60 gerealiseerd. De woningen liggen veelal aaneengesloten. Vaak liggen deze woningen in korte blokjes van maximaal 6 woningen. De hoofdbebouwing bestaat overwegend uit 2 bouw- lagen met een kap. Het kleur- en materiaalgebruik is sober en traditio-neel. De gevels hebben weinig detaillering. Kenmerkend voor de woonbuurten in Oostgaarde is het rechte symmetrische stratenpa- troon. De wegen hebben een normaal profiel en parkeervoorzieningen. Op dit moment is de een- heid en samenhang in sommige woonbuurten nog erg sterk. Het gevaar bestaat dat door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevel, de eenheid van het woongebied enigszins wordt aangetast. Woonerven(1970-1985) Als reactie op de blok- en strokenverkaveling ont- staat in de jaren ’70 de Forumbeweging die aan- dacht vraagt voor de menselijke schaal en maat van nieuwe woongebieden. Deze wijken worden gekenmerkt door het woonerfconcept. De wijken bestaan hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in een groene woonomgeving waarbij de menselijke schaal en maat leidend is. De woongebieden in Oostgaarde, Capelle West en Schollevaar die zijn gerealiseerd in de periode 1970-1980 en hebben een grillig straten- en ver- kavelingspatroon met hofjes. In Schenkel ligt een woongebied, de Molenbuurt, met woonerven dat eind jaren ‘80 is gerealiseerd in forumgedachte. De bebouwing is deels georiënteerd op de open- bare ruimte en de weg. Bij de woningen die zijn geclusterd rondom de woonerven ontbreekt een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkan- ten. Dergelijke wijken zijn door de clustering en de situering van de woningen op het woonerf sterk naar binnen gekeerd. De architectuur van wonin- gen in dergelijke wijken is ingetogen en sluit aan bij de mode van de jaren ’70: donkere kleurtoon, het gebruik van ambachtelijke materialen zoals hout, baksteen en gebakken pannen. Op enkele plekken dringen erfafscheidingen door tot aan de openbare weg waardoor het grillige beeld nog eens versterkt wordt. In de woongebieden zijn twee typen bebouwings- elementen onderscheiden: • Seriematige objecten • Bijzondere bebouwingselementen Oostgaarde De wijk Oostgaarde bestaat voor een groot ge- deelte uit woonerven. Deze woongebieden zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw een woon- gebied ontstaan. Door dit woongebied liggen de Zuiderbreedte, de Keerkring en de Wester lengte als hoofdontsluitingswegen. Deze ontslui-tings- wegen hebben een breed profiel wat uitnodigt tot hard rijden. De erven hebben een zeer kronkelige structuur waardoor de toegestane snelheid wordt aangehouden. In de bebouwing van de woonerven is veel variatie aanwezig. De woningen zijn zowel traditioneel vormgegeven als gebouwd vanuit de forumgedachte. Traditioneel wil zeggen dat er is gekozen voor een traditionele architectuur van twee bouwlagen met een zadeldak, met een een- voudig kleur- en materiaalgebruik als bakstenen en gebakken pannen. De woningen die zijn gebouwd vanuit de forumgedachte zorgen voor een gevari- eerd beeld. De bebouwing in het woongebied heeft een variërende nok- en goothoogte. Tevens zijn de kapvormen binnen een bouwblok onregelmatig. De dakvlakken zijn overwegend doorlopend. De gevelindeling van de woningen is afwisselend en zorgt voor een speels uiterlijk van het woonge- bied. Tevens hebben veel woningen een carport of parkeermogelijkheid voor de deur of in een par- keergarage onder de woning. De woningen zijn, vanuit de forumgedachte, opgebouwd met een lichte of een donkere baksteen en hebben don- kere dakpannen en kozijnen. Door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevels is de eenheid van de woongebieden enigszins aange- tast. Schollevaar Ten westen van het polderlint de Bermweg is in de tweede helft van de 20e eeuw langzaam een groot woongebied ontstaan. De wijk wordt ontsloten door de volgende straten: de Burg. Van Dijklaan en de Burg. Bakkerlaan, Burg. Schalijlaan en Burg. Van Beresteijnlaan. Aan deze wegen liggen verschil- lende entrees het woongebied in. Deze wegen hebben een kronkelig verloop. In het centrum van het woongebied ligt het treinstation Capelle- Schollevaar. Het woongebied bestaat uit verschil- lende eilanden in het water. Op verschillende plaatsen liggen groenvoorzieningen in de wijk, die op sommige plaatsen beeldbepalend zijn voor het karakter van het woongebied. In de bebouwing van de woonerven is net als in de wijk Oostgaarde veel variatie aanwezig. De woningen zijn zowel traditioneel vormgegeven als gebouwd vanuit de forumgedachte. Traditionele architectuur van twee bouwlagen met een zadeldak, met een eenvou- dig kleur- en materiaalgebruik als bakstenen en gebakken pannen. De woningen die zijn gebouwd vanuit de forumgedachte zorgen voor een geva- rieerd beeld in het woongebied. De bebouwing in het woongebied hebben een variërende nok- en goothoogte. Tevens zijn de kapvormen binnen een bouwblok onregelmatig. De dakvlakken zijn overwegend doorlopend. Er komen verschillende daken in het woongebied voor zoals de zadelda- ken, lessenaarsdaken, platte daken en samenge- stelde daken. Door het gebruik van verschillende kleurstellingen in de voorgevels is de eenheid van de woongebieden enigszins aangetast. Door de gehele wijk Schollevaar slingert zich de zogenaamde voorzieningenstrook. Deze strook wordt gevormd door het Maria Danneelserf, de Flo- ris Burgwal, de Norma en Het Steen. Schenkel De Molenbuurt in de wijk Schenkel ligt onder andere aan de volgende straten: Beltmolen, Zaagmolen, Poortmolen. Het woongebied bestaat uit eilanden in het water met daarom heen de woonerven. De woningen liggen in een gebogen rooilijn langs de weg. De woningen hebben zowel iets traditioneels als forum-achtigs. Traditioneel omdat de woningen een traditionele en eenvou- dig kleur- en materiaalgebruik hebben. Tevens is geko¬zen voor een traditionele architectuur van twee bouwlagen met een zadeldak, met bakstenen en gebakken pannen. Vanuit de forumgedachte zorgt het woongebied voor een zeer gevarieerd beeld. De bebouwing in het woongebied heeft een variërende nok- en goothoogte. Tevens zijn de kapvormen binnen een bouwblok onregelmatig. De grote dakvlakken hebben een zeer grote overstek Tevens hebben de woningen parkeergelegenheid op eigen terrein onder een carport. Capelle West De redebuurt in Capelle West kent een grillig stratenpatroon dat mede wordt gedicteerd door de sloten die nadrukkelijk in de buurt aanwezig zijn. De grillige structuur wordt nog eens versterkt door de kleine verspringingen in de voorgevelrooilijnen. De woningen bestaan uit aaneengesloten rijen en kennen een traditionele opbouw met twee lagen plus een zadeldak. Het straatbeeld wordt veelal bepaald door vrijstaande bijgebouwen met een laag en platdak aan de voorzijde van de woningen. Woongebiedeneind20e eeuw Eind 20e eeuwse en begin 21e eeuwse woon- gebieden worden gekenmerkt door een heldere stedenbouwkundige opzet. De architectuur varieert van wijk tot wijk, terwijl de eenheid en uniformiteit binnen de bebouwingsclusters groot is. Er ontstaan verschillende buurten met verschillen in archi- tectuur, bijvoorbeeld van neo-traditioneel (jaren 30-stijl) tot neo-modern (staal, beton, glas). In Capelle West en ’s-Gravenland zijn enkele woongebieden te karakteriseren als gebieden die gebouwd zijn aan het einde van de 20e eeuw. Als reactie op de naoorlogse architectuur en ste- denbouw vindt eind jaren ’80 een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. De woningnood is achter de rug en er wordt meer marktconform gebouwd. In de stedenbouwkundige opzet van de wijk krijgen verschillende architec- tuurthema’s een plek toegewezen, zodat ook het beeld van de wijken als geheel wordt ondersteund. Enkele grote lijnen, die soms teruggrijpen op een historische route, verbinden de eenheden binnen een wijk visueel. In de verkavelingsopzet wordt, in tegenstelling tot de wijken uit de voorgaande decennia, weer gestreefd naar een helder onder- scheid tussen openbaar en privé. Er worden weer echte woonstraten en bouwblokken gerealiseerd, waarbij de voorzijde is gericht naar de straat en in de binnengebieden aan de achterzijde de private achtertuinen zijn gelegen. Op dit aspect vertonen de wijken een duidelijke gelijkenis met de woon- wijken in traditionele blokverkaveling, waardoor veelal dezelfde gebiedsgerichte criteria zullen gelden. De woongebieden uit deze periode hebben geen eenduidige structuur. Vaak zijn ze opgedeeld in kleinere buurten of clusters door verschillende woontypes, materialen en/of kleuren. De woningen kenmerken zich door hun enorme variatie aan vor- men, kleuren en materialen waarmee de individu- aliteit van een wijk of buurt optimaal tot uitdrukking kan worden gebracht. Er zijn voor deze woongebieden twee typen be- bouwingselementen te onderscheiden: • Seriematige objecten • Bijzondere bebouwingselementen Capelle West In Capelle aan den IJssel is het woongebied Capelle West rond de jaren ’90 uitgebreid. In dit woongebied zijn onder andere de volgende straten te karakteriseren als een gebied dat is gebouwd eind 20e eeuw: Van Beethovenstraat, Lisztstraat, Mozartstraat, Brucknerstraat, Rossinistraat. Dit woongebied is zeer divers. Elke straat of woon- buurt heeft zo zijn eigen architectuurstijl en

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.