2e wijziging Damoclesbeleid Lokalen en woningenDe burgemeester van Eijsden-Margraten: Overwegende: dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de burgemeester de bevoegdheid geeft tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in, op of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordtverkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; dat bij besluit van 1 maart 2011, inwerking getreden 1 april 2011 beleidsregels zijn vastgesteld waarin is aangegeven hoe deze bevoegdheid zal worden toegepast: het zogenoemde “Damoclesbeleid Lokalen en woningen”, welk beleid is gewijzigd op 13 december 2012; dat tot de middelen waarop de bevoegdheid betrekking heeft, gelet op lijst II bij de Opiumwet, eveneens behoort elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden; dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang aanwezig wordt geacht indien er sprake is van een handelshoeveelheid verdovende middelen, dan wel (bij hennepplanten) van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, voor de uitleg waarvan aansluiting wordt gezocht bij het daartoe gestelde in de Aanwijzing Opiumwet; dat bij de toepassing van deze bevoegdheid gekozen wordt voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het in plaats daarvan opleggen van een last onder dwangsom, omdat bestuursdwang een directer middel is dat, in tegenstelling tot de dwangsom op termijn tot feitelijke beëindiging van de overtreding zal leiden en van een dwangsom in de meeste gevallen weinig effect mag worden verwacht, gelet op het feit dat het financiële gewin in het verdovende middelen circuit dusdanig groot is dat met een dwangsom naar verwachting niet zal worden bereikt dat een overtreding ophoudt of niet meer wordt herhaald; dat bij het opleggen van een last onder bestuursdwang gekozen wordt voor het opleggen van een last tot sluiting van de woning/het lokaal, gelet op het feit dat dit als de meest effectieve maatregel wordt beschouwd om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen; dat, gelet op het doel van artikel 13b van de Opiumwet (te weten preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden) bij het vaststellen van de sluitingsduur in overweging is genomen de noodzaak om de bekendheid van de inrichting als drugsadres teniet te doen, het doen wederkeren van de rust in de directe omgeving, het voorkomen van herhaling van de verstoring van de openbare orde alsmede het voorkomen van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat; dat specifiek ten aanzien van hennepteelt kan worden gesteld dat deze teelt een negatieve invloed heeft op het openbare leven en het woon- en leefklimaat en zorgt voor overlast, verloedering en verhoogd brandrisico door overbelasting van het energienetwerk en veelal gepaard gaat met uitkeringsfraude, belastingontduiking en energiediefstal; dat woningen waarin drughandel plaatsvindt vaak niet overeenkomstig de bestemming worden gebruikt, er sprake is van bedrijfsmatigheid en dat het verplaatsingseffect van de desbetreffende handel vanuit inrichtingen naar woningen moet worden voorkomen; dat de burgemeester van de gemeente Maastricht het Damoclesbeleid heeft aangescherpt, met name wat betreft het meteen opleggen van een last tot sluiting bij het aantreffen van hennepplantages en verlenging van de duur van de sluitingstermijn; dat deze beleidswijziging kan leiden tot een verplaatsingseffect van hennepteelt en/of handel in verdovende middelen naar de omringende gemeenten van Maastricht, waaronder de gemeente Eijsden-Margraten, hetgeen voorkomen moet worden; dat overigens regionale afstemming wat betreft het Damoclesbeleid voor de hand liggend en gewenst is; dat het bestrijden en terugdringen van de gevolgen van drugshandel en de daarmee gepaard gaande onveiligheid, ook aansluit op het door de gemeenteraad van Eijsden-Margraten eerder vastgestelde “nul-beleid” voor coffeeshops; dat, gelet op het uitgangspunt van het Nederlandse cannabisbeleid (het scheiden van markten in softdrugs en harddrugs) onder zéér strenge voorwaarden wordt gedoogd, dat in zogenaamde coffeeshops zeer kleine hoeveelheden softdrugs worden verkocht. Elke vorm van handel in softdrugs in grotere hoeveelheden dan de in coffeeshops gedoogde, of handel in of vanuit andere woningen en/of inrichtingen dan deze coffeeshops wordt niet getolereerd; dat illegale verkooppunten een aanzuigende werking hebben op drugskopers en –verkopers waarbij het geen verschil maakt of de handel bestaat uit de verkoop van hard- en/of softdrugs. De inbreuk op de openbare orde en de aantasting van het woon- en leefklimaat is voor softdrugs en harddrugs vergelijkbaar; dat, gelet op de hoeveelheid illegale verkooppunten en de invoering van het ingezetenencriterium voor wat betreft coffeeshops, het niet opportuun wordt geacht om bij de handel in softdrugs te volstaan met een waarschuwing, maar dat in principe direct wordt overgegaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in de vorm van een tijdelijke sluiting; dat bij de afweging in concreto in geval van een geringe overschrijding van de hoeveelheid verdovende middelen die conform de Aanwijzing Opiumwet bedoeld is voor eigen gebruik niet per definitie wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid, maar dat in de afweging eveneens andere indicatoren die wijzen op handel worden meegenomen; dat dit eveneens geldt ten aanzien van hennepteelt waarbij sprake is van meer dan een kleine hoeveelheid voor eigen gebruik; dat bij wijze van uitzondering in concrete gevallen, waar het middel van sluiting niet evenredig zou zijn in verhouding tot de met de maatregel te dienen belangen, gemotiveerd kan worden afgeweken van de beleidslijn en de daarin genoemde (zwaarte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.