Brandveiligheidsverordening 2006Artikel0Dit artikel moet nog worden gesplitst Brandbeveiligingsverordening 2006 Vastgesteld door : d.d. 12 december 2006 Gepubliceerd in de Zandvoortse Courant : d.d. 21 december 2006 Inwerkingtreding : d.d. 1 januari 2007 Registratienr: 2006/12677 Gemeente Zandvoort Telefoon: 023 574 01 00 Fax: 023 571 37 24 E-mail: info@zandvoort.nl Internet: www.zandvoort.nl Postadres: Postbus 2 2040 AA Zandvoort Bezoekadres: Swaluëstraat 2 Zandvoort Bankrekening: BNG 28.50.10.034 Registratienr: 2006/12677 INHOUDSOPGAVE 1 DE VERORDENING 2 1 BEGRIPSBEPALINGEN 2 2 NORMSTELLING 2 3 overgangs- en slotbepalingen 6 2 TOELICHTING OP DE VERORDENING 7 1 aLGEMEEN 7 2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 7 DE VERORDENING De raad van de gemeente Zandvoort: gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 november 2006, nr. 2006/13048; gelet op de overwegingen van de commissie Planning en Control van 29 november 2006; overwegende dat het: gewenst en verplicht is om regels te stellen omtrent het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor zover daarin niet bij of krachtens de Woningwet en de Zandvoortse bouwverordening is voorzien; gelet op Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) en (Stb. 1988, 511), artikel 12 van de Brandweerwet 1985 en artikel 149 van de Gemeentewet; besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te stellen: Brandbeveiligingsverordening 2006. BEGRIPSBEPALINGEN Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zandvoort; de raad: de gemeenteraad van Zandvoort. inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats. NORMSTELLING Werkingssfeer Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening 2006. Vergunning gebruik inrichting Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin: meer dan vijfentwintig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; bedrijfsmatig de in artikel 8 bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen; aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft, aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde voorschriften wijzigen of intrekken. Weigeren vergunning Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan worden bereikt. Artikel 5 Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien: blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de vergunning; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of veranderingen van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen. Artikel 6 Verplicht aanwezige bescheiden In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die belast is met de zorg voor de naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven. Artikel 7 Gebruikseisen voor inrichtingen Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn. Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de bouwverordening. Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de bouwverordening. Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren. Artikel 8 Verbod stoffen aanwezig te hebben Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: het voorhanden hebben voor huishoudelijk en al het andere niet-bedrijfsmatig gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt; het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 3 is verleend; de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of afleveren van vloeibare brandstoffen dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie; de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel. Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid volledig meegerekend. Artikel 9 Opslag en verwerking stoffen Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze. Artikel 10 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt. Artikel 11 Gebruik middelen en voorzieningen Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid wordt belemmerd van: middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand; middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand. Artikel 12 Verrichten van werkzaamheden Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstel-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand. Artikel 13 Verbod open vuur en roken Het is verboden te roken of vuur te hebben; in een ruimte in gebruik als opslagplaats van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188), onder a tot en met h; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.