Verordening op de heffing en de invordering van haven- en kadegeld Goeree-OverflakkeeDe raad van de gemeente Goeree-Overflakkee; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 november 2013; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van haven- en kadegeld Goeree-Overflakkee(Verordening haven- en kadegeld Goeree-Overflakkee) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Haven- en kadegeld Krachtens deze verordening worden geheven: havengeld; kadegeld. Artikel2Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: beroepsvaartuig: vaartuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen tegen betaling, waaronder coasters, binnenvaartschepen, tankschepen en (beroeps)vissersschepen; dag: een periode van 24 uren, aanvangende bij binnenkomst in de haven, of een gedeelte daarvan; goederen: alle zaken die in het economisch verkeer een waarde bezitten; haven: het voor de openbare dienst bestemde, uit land en water bestaande gemeentelijk gebied (zoals aangegeven op de in bijlage 1 behorende bij deze verordening opgenomen kaart), met werken en voorzieningen ten behoeve van het vervoer over water, het meren van vaartuigen of het laden, lossen of opslaan van goederen; havenmeester: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar belast met het toezicht op de haven of diens plaatsvervanger; laadvermogen: de maximale belasting van het schip, uitgedrukt in tonnen, zoals blijkt uit de bij het schip behorende meetbrief of ambtshalve wordt vastgesteld als geen meetbrief wordt overgelegd of als deze niet de vereiste gegevens vermeldt; lengte: de grootste van de drie afmetingen van het vaartuig inclusief vaste uitstekende delen (de lengte over alles), uitgedrukt in strekkende meters (m1), zoals blijkt uit de bij het vaartuig behorende meetbrief of ambtshalve wordt vastgesteld als geen meetbrief wordt overgelegd of als deze niet de vereiste gegevens vermeldt; meetbrief: de meetbrief die voldoet aan de eisen, neergelegd in het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, Londen 1969 (Traktatenblad 1979, nummers 122 en 194); oppervlakte: het product van de lengte over alles en de grootste breedte inclusief vaste uitstekende delen, uitgedrukt in vierkante meters (m2), zoals blijkt uit de bij het vaartuig behorende meetbrief of ambtshalve wordt vastgesteld als geen meetbrief wordt overgelegd of als deze niet de vereiste gegevens vermeldt; overige vaartuigen: kraanschepen, baggermateriaal, heistellingen en soortgelijke objecten; passagiersschip: een vaartuig dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van ten minste twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen; pleziervaartuig: een vaartuig dat wordt gebruikt voor vermaak, ontspanning of amateurvisserij, zoals kano's, roeiboten, pleziermotor- en zeiljachten en soortgelijke vaartuigen voor vermaak of ontspanning; rechten: het havengeld en het kadegeld; schipper: degene die over een vaartuig het gezag voert of die feitelijk met het gezag is belast of, bij afwezigheid van deze gezagvoerder, de eigenaar van het vaartuig of degene aan wie het vaartuig in gebruik is gegeven, dan wel degene die als vertegenwoordiger voor één van dezen optreedt. ton: een massa van 1.000 kilogram; vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen; week: een periode van 7 achtereenvolgende dagen of een gedeelte daarvan; woonboot: een vaartuig dat zodanig is ingericht dat men erop kan wonen en waarvan de primaire functie ook wonen is; zeeschip: een vaartuig dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee is bestemd. Hoofdstuk2Havengeld Artikel3Belastbaar feit Onder de naam havengeld wordt een recht geheven voor het gebruik van de haven met een vaartuig en voor het genot van door of vanwege de gemeente in verband hiermee verleende diensten. Artikel4Belastingplicht Belastingplichtig voor het havengeld is de schipper van het vaartuig. Artikel5Vrijstellingen Het havengeld wordt niet geheven voor: vaartuigen welke dienst doen als roeiboten en behoren bij binnenvaartuigen waarvoor reeds havengeld ingevolge deze verordening is verschuldigd; vaartuigen van de gemeente, de politie, het leger, de marine, de provincie en rijkswaterstaat, het loodswezen, de betonning, bebakening en verlichting van vaarwater; beroepsvaartuigen welke door ijsgang, storm, ondiepte of dergelijke redenen van overmacht gedwongen zijn in de haven te blijven; baggermachines met bijbehorende sleepboot en vaartuigen, die gebezigd worden voor vervoer van specie, gedurende de tijd dat zij in de haven werken. schepen die ter reparatie liggen bij de ondernemers langs het havenkanaal, gedurende de eerste zes weken en geldt per kalenderjaar. Artikel6Maatstaven van heffing en tarieven 1.Het havengeld wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.In geval van twijfel over het soort vaartuig, bepaalt de havenmeester tot welke soort het vaartuig behoort. 3.Wanneer een vaartuig kennelijk niet meer overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming wordt gebruikt, wordt bij de toepassing van de tarieven uitgegaan van de feitelijke omstandigheden. 4.Bij de berekening van het havengeld wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde tijdseenheid of tonnen-, lengte- of oppervlaktemaat als een volle eenheid aangemerkt. 5.De in de tarieventabel opgenomen tarieven gelden per dag, per week of per kalendermaand van het belastingtijdvak. Artikel7Abonnementen 1.Op verzoek van degene die een vaste ligplaats tot zijn beschikking heeft, kan het havengeld voor beroepsvaartuigen, passagiersschepen en pleziervaartuigen bij abonnement worden voldaan. 2.Een abonnement is geldig gedurende een periode van maximaal twaalf kalendermaanden, met dien verstande dat de geldigheid eindigt op 31 december na de datum van afgifte. 3.Op aanvraag van de houder van het geabonneerde vaartuig wordt het abonnement, bij blijvende vervanging van dit vaartuig in de loop van de abonnementsperiode door een ander vaartuig, voor het vervangende vaartuig van toepassing verklaard. Artikel8Belastingtijdvak 1.Het belastingtijdvak is de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet, overeenkomstig de door belastingplichtige vooraf of bij de aanvang van die periode verstrekte opgave. 2.Indien na afloop van de door belastingplichtige opgegeven periode het gebruik en genot van de haven wordt voortgezet, vangt met ingang van de dag waarop die voortzetting plaatsvindt een nieuw belastingtijdvak aan. Artikel9Ontstaan van de belastingschuld en ontheffing 1.Het havengeld is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak, dan wel bij de aanvang van het gebruik van de haven of de dienstverlening. 2.Indien bij toepassing van artikel 7, vierde lid, het vervangende vaartuig groter is dan het vervangen vaartuig, is voor de verdere duur van het abonnement voor het hoger aantal tonnen laadvermogen of voor het hoger aantal strekkende meters van de lengte havengeld verschuldigd, berekend overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 2.3 van de tarieventabel. 3.Indien bij toepassing van artikel 7, vierde lid, het vervangende vaartuig een kleiner laadvermogen of een geringere lengte heeft, bestaat geen aanspraak op ontheffing van een deel van het havengeld. 4.Indien de vaste ligplaats gedurende de abonnementsperiode wordt opgezegd, bestaat voor het havengeld bedoeld in artikel 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.