Verordening op de heffing en de invordering van rioolrecht Havenschap Moerdijk 2014DE RAAD VAN BESTUUR VAN HET HAVENSCHAP MOERDIJK; Gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 6 november 2013; Gelet op de artikelen 10 en 11 van de gemeenschappelijke regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997, zoals hierna gewijzigd op 8 april 2004, 8 juli 2004 en op 18 september 2007 en artikel 223 van de Provinciewet; BESLUIT: vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN RIOOLRECHT HAVENSCHAP MOERDIJK 2014 Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt: onder de riolering van het Havenschap Moerdijk mede het voor de openbare dienst bestemde water begrepen, voor zover gelegen binnen het beheersgebied van het Havenschap Moerdijk; onder afvalwater verstaan water en stoffen die worden afgevoerd via de riolering van het Havenschap Moerdijk; onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak; onder verbruiksperiode verstaan de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft; onder beheersgebied verstaan het gebied zoals omschreven in artikel 3 van de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997, en aangegeven op de bij die Gemeenschappelijke Regeling behorende kaart. Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1 Onder de naam “rioolheffing” wordt een recht geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de riolering van het Havenschap Moerdijk wordt afgevoerd. 2 Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens zakelijk recht of persoonlijk recht gebruikt; ingeval een gedeelte van een eigendom – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 – ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. 3 Geen rioolheffing ingevolge deze verordening wordt geheven van een eigendom in gebruik bij het Havenschap Moerdijk. Artikel 3 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de heffing geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1 De heffing als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd en naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2 Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3 Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of; bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4 De op voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt, voor zover de hoeveelheid geloosd water lager is dan de som van de hoeveelheden toegevoerd en/of opgepompt water, verminderd met de hoeveelheid water dat niet als afvalwater is afgevoerd. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1 De heffing als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2 Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor de heffing als bedoeld in artikel 2 in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3 Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor de heffing als bedoeld in artikel 2 in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.