Maatregelenverordening WWBDe raad van de gemeente Gemert-Bakel; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 oktober 2013; gelet op artikel 8, eerste lid, onder b en h, artikel 8a, artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18, eerste, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) Besluit: vast te stellen de volgende: Maatregelenverordening WWB Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (AWB). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375); Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 bijstand: algemene en bijzondere bijstand; algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de wet; bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet; bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet; langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 5, onderdeel e, vande wet; maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet; zelfstandige: de belanghebbende bedoeld in artikel 1, sub b, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar; Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de wet; Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Hoogwaardige handhaving:het stelsel van preventieve en repressieve maatregelen gericht op het voorkomen, ontmoedigen en bestrijden van oneigenlijk gebruik of misbruik van bijstand en vanvoorzieningen gericht op arbeidsinschakeling tezamen met het beleid over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van bijstand; Fraude: het ten onrechte geheel of gedeeltelijk ontvangen van bijstand door het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan het college; Misbruik: het ontvangen van bijstand in strijd met de wettelijke voorschriften, waarbij het ten onrechte ontvangen aan de belanghebbende te wijten is; Oneigenlijk gebruik: het ontvangen van bijstand conform de regels, maar in strijd met of tegen de bedoeling van die regels. Artikel2.Het opleggen van een maatregel 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef vanverantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet ofartikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk eninkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin debelanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hijverkeert. Artikel3.Berekeningsgrondslag 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; dan wel belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen als bedoeld in artikel 13. Artikel4.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, dat al dan niet is gebleken van dringende redenen die ertoe nopen om af te zien van het opleggen van een maatregel en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel5.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheidgesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Artikel6.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7.Ingangsdatum en tijdvak 1.Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang vanDe eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van de ingangsdatum van deuitkering opgelegd. 3.In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende kracht wordenopgelegd, voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald. 4.In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkeringvoor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 5.Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan worden geëffectueerdomdat de bijstand is beëindigd of ingetrokken, wordt opnieuw beoordeeld of de maatregel alsnog kan worden ingezet of voortgezet indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het besluit tot beëindiging of intrekking van de bijstand bekend is gemaakt, wederom een beroep doet op bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. 6.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periodeVan meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. Artikel8.Recidive en cumulatie 1.De duur van een maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnenTwaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een als maatregelwaardig aangemerkte gedraging en deze tweede gedraging leidt tot een verlaging met eenzelfde of hoger percentage. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 2.Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillendeGedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel bij samenloop van meerdere maatregelwaardige gedragingen de verschillende normeringen opgeteld. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen ofbehouden vanalgemeen geaccepteerde arbeid. Artikel9.Indeling in categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor een verplichting op grond van artikelen 9, 9a, 10a, 41, en 44a van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. Eerste categorie: het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloondemaatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van artikel 9, eerste lid,onderdeel c, van de wet; het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door het college aangebodenonbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a van de wet. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeldin artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoel in artikel 9a, eerste lid, van de wet. 2. Tweede categorie: het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met dearbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evaluerenvan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de wet; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkhedentot (arbeids)participatie anders dan het niet daartoe verschijnen zonder bericht vanverhindering; het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en teaanvaarden; het stellen van onredelijke eisen of vertonen van gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.