Maatregelenverordening IOAW en IOAZDe raad van de gemeente Gemert-Bakel; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 oktober 2013; gelet op artikel 147, eerste lid, en artikel 108, tweede lid, Gemeentewet, artikel 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, en artikel 20, eerste lid IOAZ; BESLUIT: vast te stellen de volgende: Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven,hebben dezelfde betekenis als in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijkarbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozewerknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezenzelfstandigen; De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld inartikel 5, vierde of zesde lid, IOAW, en de netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid,IOAZ; Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; College: het college van burgemeester en wethouders; Hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en repressieve maatregelen gericht op het voorkomen, ontmoedigen en bestrijden van oneigenlijk gebruik of misbruik van uitkeringen van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling tezamen met het beleid over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering; Fraude: het ten onrechte geheel of gedeeltelijk ontvangen van uitkering door het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan het college; Misbruik: het ontvangen van uitkering in strijd met de wettelijke voorschriften, waarbij het ten onrechte ontvangen aan de belanghebbende te wijten is; Oneigenlijk gebruik: het ontvangen van uitkering conform de regels, maar in strijd met of tegen de bedoeling van die regels. Artikel1.2Het opleggen van een maatregel Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting - anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c, IOAW/IOAZ- schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. Artikel1.3Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. Artikel1.4Hoogte en duur van de maatregel 1.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin debelanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 2.Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de maatregel eenmaand. 3.De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien debelanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid. Artikel1.5Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, eventuele dringende redenen die ertoe nopen om af te zien van het opleggen van een maatregel en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel1.6Horen van belanghebbende 1.1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; of de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Artikel1.7Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringenderedenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringenderedenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel1.8Ingangsdatum en tijdvak 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, volgendop de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2.Bij een aanvraag om uitkering wordt de maatregel met ingang van de ingangsdatum vande uitkering opgelegd. 3.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht wordenopgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 4.Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan worden uitgevoerd omdatde uitkering is beëindigd of ingetrokken, wordt het besluit alsnog uitgevoerd indien debelanghebbende binnen 12 maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het besluit tot beëindiging of intrekking van de uitkering bekend is gemaakt, wederom een beroep doet op uitkering. Artikel1.9Samenloop van gedragingen 1.Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deIOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. 2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerderein de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 1.4, eerste lid, niet verantwoord is. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel2.1Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c, IOAW/IOAZ, en artikel 38 IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.