Peuterspeelzalen, kwaliteitsregelsHoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijvingen 1In deze verordening wordt verstaan onder: peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen vanaf twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinde-ren bij een peuterspeelzaal. Hoofdstuk2MELDINGSPLICHT Artikel2Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 2De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar ge-steld formulier. Artikel3 1De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van het peuter-speelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’; ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’; ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. Artikel4Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding. 2Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerder is ge-bleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit het onderzoek van de toe-zichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan. Artikel6Register 1Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt 2Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het regis-ter heeft plaatsgevonden. 3Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage. Artikel7Wijzigingen van gegevens 1De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college. 2Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend. Hoofdstuk3KWALITEITSEISEN Artikel8Algemene kwaliteitseisen 1De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goe-de en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 2De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zo-danige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Artikel9Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid 1De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Artikel10Oppervlakte speelruimte 1Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar. 2Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is. Artikel11Groepen en groepsgrootte 1De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlij-ke ruimtes. 2In een groep zijn ten hoogste het volgende aantal kinderen gelijktijdig aanwezig: in 2008 maximaal twintig kinderen in 2009 maximaal negentien kinderen in 2010 maximaal achttien kinderen in 2011 maximaal zeventien kinderen vanaf 2012 en verder maximaal zestien kinderen Artikel12Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep 1Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 2Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’ zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders aanwezig en er is één beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 3Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en sig-naleren’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig. 4Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signa-leren en ondersteunen’ zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. Artikel13Overeenkomst tussen houder en ouder 1Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. Artikel14Informatieplicht aan de ouders 1De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pe-dagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeel-zaal. Artikel15Verklaring omtrent het gedrag 1Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. 2Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon zijn werkzaamheden aan-vangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. 3Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer vol-doet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. Artikel16Protocol kindermishandeling 1De houder heeft een protocol kindermishandeling. Dit protocol is gelijk of gelijkwaardig aan het landelijke protocol zoals bijgevoegd in bijlage. 2De houder zorgt ervoor dat de beroepskrachten en begeleiders op de hoogte zijn van de meld-code kindermishandeling. Hoofdstuk4HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel17Aanwijzing van toezichthouders 1Het college wijst toezichthouders aan. Artikel18Onderzoek door de toezichthouder 1De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschrif-ten in hoofdstuk 3 van deze verordening. 2Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. 3Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel19Het inspectierapport 1De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. 2Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ont-werprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. 4De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daar-van zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 5De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. Artikel20Aanwijzing en bevel 1Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectie-rapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. 2In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zoda-nig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven da-gen, die door het college kan worden verlengd. 4De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel ge-stelde termijn. Artikel21Strafbepaling 1Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Hoofdstuk5SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel22Overgangsbepaling 1Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtre-ding van deze verordening één of meerdere peuterspeelzalen in Heiloo exploiteren. 2Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register. 3Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de in-werkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over. Artikel23Inwerkingtreding 1Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 augustus 2008. Artikel24Citeertitel 1De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Heiloo. VERMOEDEN KINDERMISHANDELING, PROTOCOL VOOR KINDERDAGVERBLIJF, PEUTERSPEELZAAL EN BUITENSCHOOLSE OPVANG1 Dit landelijke voorbeeldprotocol is tot stand gekomen in samenwerking met de MOgroep, de Branchevereniging voor Ondernemers in de Kinderopvang en het Landelijk Platform Peuterspeelzaalwerk. Dit protocol gaat in op de aanpak van kindermishandeling en is afgeleid van het Protocol 'Vermoeden kindermishandeling' van JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding, Preventie Kindermishandeling Haaglanden. InhoudsopgaveAchtergrondinformatieInleiding protocolVerdeling verantwoordelijkhedenStappenschemaToelichting op stappenschema Bijlagen1. Informatie over Bureau Jeugdzorg en het Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK)2. Signalenlijst A. kindermishandeling 0-4 jarigen3. Signalenlijst B. kindermishandeling 4-12 jarigen4. Observatieformulier5. Gesprekspunten overleggroep6. Aandachtpunten voor een gesprek met verzorgers7. Enkele aandachtspunten in het contact met allochtone gezinnen8. Aandachtspunten tijdens een gesprek met een jong kind9. Aandachtspunten voor een gesprek met een kind10. Omgaan met privacy11. Meldrecht, meldplicht en zorgplicht12. Sociale kaart13. Invulblad sociale kaart14. Verdere informatie15. Literatuurlijst16. Bronnen17. Protocol ‘Hoe te handelen in geval van ongewenste omgangsvormen cq. seksuele intimidatie door een medewerker’ Achtergrondinformatie Kindermishandeling komt overal voor. In Nederland zijn naar schatting minstens 80.000 kinderen per jaar slachtoffer van kindermishandeling. Tussen de 50 en 80 kinderen per jaar overlijden aan de gevolgen van kindermishandeling.Kindermishandeling is een ernstig probleem. Kinderen die mishandeld worden hebben recht op hulp. En liefst zo vroeg mogelijk. De schade kan dan beperkt blijven.Kinderopvang is bij uitstek een plaats waar (een vermoeden van) kindermishandeling gesignaleerd kan worden. Kindercentra dragen een eigen verantwoordelijkheid voor het signaleren van kindermishandeling en voor het ondernemen van actie na het signaleren. De signalen moeten worden doorgegeven aan de instanties die hulp kunnen bieden aan het gezin. De leidsters hebben hierin een duidelijke taak. Zij zien de kinderen regelmatig en kunnen opvallend of afwijkend gedrag signaleren. Nadat zij signalen hebben opgemerkt is het ook hun taak actie te ondernemen, waarna het protocol wordt gevolgd. De leidinggevenden steunen de leidsters bij deze taak en geven sturing aan de uitvoering van het protocol. Zij zijn er verantwoordelijk voor dat de signalen bij de juiste instantie terechtkomen. Dit betekent dat er enige deskundigheid moet zijn in het signaleren en in het omgaan met de signalen van kindermishandeling Dit protocol geeft de stappen aan die gezet kunnen worden in het proces van signaleren. Een specifieke vraag van veel kindercentra was: hoe ga ik handelen als een medewerker binnen het kindercentrum zich schuldig maakt aan bijvoorbeeld seksueel misbruik. Daarom is achter dit protocol een protocol specifiek voor het omgaan met ongewenste omgangsvormen en seksuele intimidatie door een medewerker binnen de kinderopvang opgenomen. Zie bijlage 16. N.B. In dit protocol wordt over leidsters gesproken. Waar leidster staat kan ook leider gelezen worden. Inleiding protocol Kindermishandeling is geen eenduidig begrip. Wat iemand kindermishandeling noemt, heeft te maken met eigen normen en waarden, de manier waarop men zelf is opgevoed en de cultuur waarin men leeft. Het is van belang onderscheid te maken tussen kindermishandeling en minder gewenste opvoedingssituaties. Iedere ouder maakt immers wel eens fouten, is onredelijk of driftig of deelt een tik uit. Bij kindermishandeling is er echter sprake van structureel, stelselmatig, steeds terugkerend geweld of het ontbreken van zorg van de ouder(
(2005)is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin. In de wet op de Jeugdzorg is ook de meldplicht opgenomen: Wanneer een medewerker van een instelling het vermoeden heeft dat een medewerker van de-zelfde instelling zich schuldig maakt aan kindermishandeling moet hij dit direct melden bij zijn lei-dinggevende en het bestuur. Deze hebben de plicht direct het AMK hiervan in kennis te stellen. Naast het meldrecht heeft ieder burger in Nederland een zorgplicht. Dit houdt in dat je de plicht tot zorgen voor het kind hebt. Aan de ene kant de plicht tot zorgen voor het kind en aan de andere kant de privacywetgeving in de vorm van de Wet bescherming Persoonsgegevens. Dat betekent dat je niet zomaar gegevens zonder toestemming mag geven aan derden.Dit heet een conflict van belangen. Bij een conflict van belangen weeg je zorgvuldig de belangen die in het geding zijn af. Dat doe je door het protocol te volgen en door alle stappen die je zet, schriftelijk te vermelden in het dossier. Wanneer je dit doet, kun je voldoen aan de zorgplicht en het meldrecht zonder bij-voorbeeld juridisch te worden vervolgd. Sociale kaart13 Bijlage 12: Sociale kaartLandelijke telefoonnummersAdvies en Meldpunt Kindermishandeling (tel. 0900-123 123 0)Kindertelefoon (0800-0432)Landelijk Bureau Slachtofferhulp (030-2340116)Transact (030-2300666) NIZW Jeugd / Expertisecentrum Kindermishandeling (030-2306564)Opvoedtelefoon (0900-8212205) RegioZoek de regionale gegevens van de onderstaande instellingen zelf op. Advies en Meldpunt Kindermishandeling Bureau JeugdzorgRegionaal preventieteam kindermishandelingBureau Slachtofferhulp GGD, afd. JeugdgezondheidszorgPolitieRaad voor de KinderbeschermingMaatschappelijk werkHuisarts (verwijzing naar Thuiszorg, Riagg)SchoolbegeleidingsdienstBlijf van m’n lijfVrouwenopvangTelefonische HulpdienstConsultatiebureau voor Alcohol en DrugsSteunpunt opvoeding/ Opvoedwinkel/OpvoedbureauRegionaal preventieteam kindermishandeling Invulblad sociale kaart14 Bijlage 13: Invulblad sociale kaart Controleer regelmatig of de gegevens van de sociale kaart kloppen. Vul veranderde gegevens in op deze extra invulbladen. Hierop is ook ruimte voor het invullen van gegevens van relevante in-stellingen die nog niet zijn genoemd. Het is handig om een leeg invulblad achter de hand te hou-den voor extra kopieën. Instelling: Adres:Telefoonnummer/fax:E-mail:Contactpersoon:Telefoonnummer:De instelling biedt: advies / consult / melding / hulpverlening/ ondersteuning / voorlichtingBeschrijving werkwijze instelling: Instelling:Adres:Telefoonnummer/fax:E-mail:Contactpersoon:Telefoonnummer:De instelling biedt: advies / consult / melding / hulpverlening/ ondersteuning / voorlichtingBeschrijving werkwijze instelling: Instelling:Adres:Telefoonnummer/fax:E-mail:Contactpersoon:Telefoonnummer:De instelling biedt: advies / consult / melding / hulpverlening/ ondersteuning / voorlichtingBeschrijving werkwijze instelling: Verdere informatie15 Bijlage 14: Verdere informatie Voor informatie over kindermishandeling kan je terecht bij: NIZW Jeugd / Expertisecentrum KindermishandelingInformatie en beleidsadviseringPostbus 191523501 DD UtrechtInfolijn: 030-2306564Fax: 030-2319641E-mail: kindermishandeling@nizw.nl Internet: www.kindermishandeling.nl (voor kinderen en jongeren)www.kindermishandeling.info (voor volwassenen) JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding(voorheen S&O stichting voor opvoedingsondersteuning en ZOK Zuidhollandse Ondersteuningsorganisatie Kinderopvang)Voorlichting, training, lezing, workshops, ontwikkeling van protocollen, onderhouden van netwer-ken, lesmateriaal weerbaarheid.Preventieteam kindermishandelingRegio Haaglanden: 070-3029845Regio Zuid-Holland Zuid: 078-6391903Regio Midden Holland en Zuid-Holland Noord: 0182-547888Internet: www.jso.nl Kijk voor informatie over het internationale Verdrag voor de Rechten van het Kindwww.kinderrechten.nl Relevante web siteswww.nizwjeugd.nl www.kindertelefoon.nlwww.seksueelkindermisbruik.nlwww.seksueelgeweld.nlwww.huiselijkgeweld.nl Literatuurlijst16 Bijlage 15: Boeken over kindermishandeling Achtergrondinformatie Adriaenssens, P.Mijn kind is bang (en ik ook). Opvoeden tot weerbaarheid - Tielt, Lannoo nv, , 1998, ISBN 90-209-3120-2 Baartman, H.Opvoeden kan zeer doen. Over oorzaken van kindermishandeling, hulpverlening en preventie - Utrecht, SWP, 1996, 256 blz., ISBN 90-6665-218-7Boek over de oorzaken van lichamelijke mishandeling en verwaarlozing. Met aandacht voor de hulpverleningspraktijk en primaire preventie. In dit verband worden de risicofactoren besproken. Baeten, P., Geurts, E.In de schaduw van het geweld. Kinderen die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. NIZW 2002, Utrecht. ISBN 90-5050-936-3Dit boek brengt de kinderen in beeld die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. Het belicht de achtergrond en de aard van de problematiek en beschrijft, wat het voor kinderen betekent getuige te zijn van geweld. Er worden handreikingen gedaan voor het signaleren van deze kinderen en adviezen gegeven voor de hulpverlening. Doef, S. van derKleine mensen grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit - Amsterdam, De Brink, Ploegsma bv, 1994, ISBN 90-216-7161-1 Hondsmerk, R., E. KokEen geheim teveel….. - ISBN 90-6067-636-X Imbens, Al., I. JonkerGodsdienst en incest - Amersfoort, An Dekker, 1991, 269 blz., ISBN 90-5017-094-8Aan de hand van interviews wordt ingegaan op incest binnen godsdienstige milieus en de samen-hang met de geloofsbeleving. Tevens aandacht voor de begeleiding van vrouwen en kinderen als slachtoffer. Killen, K.Het mishandelde kind. Kindermishandeling en een tekort aan zorg - Rotterdam, Ad Donker, 1999, 403 blz., ISBN 90-6100-461-6 Rensen, B.Kindermishandeling: voor het leven beschadigd - Utrecht, Bruna, 1990, 192 blz., ISBN 90-229-7928-8Aandacht voor de vormen, achtergronden, gevolgen, signalering, diagnostiek, behandeling en pre-ventie van kindermishandeling. Voorbeelden uit de praktijk van de auteur (jeugdarts) verduidelijken het geheel. Strik, W., M. BorghorstBoos, bang, blij - ISBN 90-609-2902-0 Wolzak, A.Kindermishandeling - signaleren en handelen - Utrecht, NIZW Uitgeverij, ISBN 90-5050-797-2 Ervaringsverhalen en romans Lichtenburcht, C. van, K. de KleinSporen op de ziel. Mannen en vrouwen over de verwerking van hun incestverleden - Amsterdam, Anthos, 1997, 279 blz., ISBN 90-414-0219-5Achttien incestslachtoffers vertellen over hun ervaringen, de invloed die het misbruik op hun leven heeft gehad en de, mede dankzij therapeutische hulp, geslaagde verwerking van deze ervaringen. Liebeek-Hoving, I.Céleste's kleine oorlog - Utrecht, Kwadraat, 1996, 96 blz., ISBN 90-6481-262-4Roman over Céleste die als kind geestelijk mishandeld is door haar stiefvader en zijn zoon. Als ze achttien is, vlucht ze het huis uit. Met hulp van haar zusje, een hospita en haar vriendinnen over-wint ze de gebeurtenissen uit haar jeugd. Mitgutsch, A.Het land van de geslagen kinderen - Amsterdam, Van Gennep, 1988, 222 blz. ISBN 90-6012-625-4Roman waarin een moeder terugblikt op haar jeugd en de kindertijd van háár moeder, die net als zijzelf werd mishandeld. Zij nam zich voor haar dochter beter op te voeden. De erfenis van haar moeder bleek echter sterker dan zijzelf. Rubin, L.Het onverwoestbare kind - Amsterdam, Ambo, 1997, 239 blz., ISBN 90-263-1484-1De auteur laat aan de hand van acht levensverhalen van in hun jeugd mishandelde volwassenen zien dat het ondanks een verwoestende kindertijd mogelijk is als een gelukkig mens in het leven te staan. Slee, C.Moederkruid - Amsterdam, Prometheus, 2001, 202 blz., ISBN 90-446-0008-7 Boeken voor kinderen Botte, M.F., P. LemaitreKaatje Cactusbloem en haar egel: wij mij aanraakt, krijgt een prik - Houten, Van Reemst Uitgeverij, 1996, ISBN 90-410-9028-2Aan de hand van grappige tekeningen bespreekt Kaatje situaties waarin kinderen (seksueel) be-dreigd worden. Kaatje vindt elke keer een oplossing voor de problemen. Het boekje is geschreven om kinderen weerbaar te maken, maar suggereert daardoor wellicht ook een schijnveiligheid. Delfos, M.Sanne - Westbroek, Harlekijn Uitgeverij, 1993, 35 blz., ISBN 90-6386-106-0Therapeutisch voorleesverhaal. Sanne wordt mishandeld door haar moeder. Ze verzint allerlei vriendjes en vriendinnetjes die haar helpen en troosten. Ze denkt dat ze het altijd fout doet.Vanaf 4 jaar. Delfos, M.Blijf van me af! - Westbroek, Harlekijn, 1995, 31 blz., ISBN 90-638-6115-XTherapeutisch voorleesverhaal. Er is een versie voor meisjes en een voor jongens. De hoofdper-soon wordt seksueel misbruikt door een stiefvader. De schoolarts bemerkt bij onderzoek iets.Van 8 tot 12 jaar. Doef, S. van derBen jij ook op mij? - ISBN 90-216-1498-7Ik vind jou lief - ISBN 90-216-1150-3Vanaf 6 jaar Dorrestijn, H.Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling - Amsterdam, Bert Bakker, 1995, 98 blz., ISBN 90-351-1449-3Zijn jeugdervaringen motiveerden de auteur een boek te schrijven met verhalen en gedichten over kindermishandeling.Vanaf 10 jaar. Glansbeek, J.Tante Pech en de pechvogeltjes - Amsterdam/Antwerpen, Piramide, 1994, 55 blz., ISBN 90-254-0741-2Tante Pech, een oude uil, beschermt met haar vleugels en troostende woorden dieren die door hun ouders lelijk behandeld worden. Een symbolisch verhaal over wat je na mishandeling kunt doen.Vanaf 8 jaar. Grootel, L. vanNina Regenboog - Haarlem, Holland, 1998, 126 blz., ISBN 90-2510-792-4Hester komt erachter dat haar vriendin Nina een geheim verbergt waarover ze niet wil praten. Hes-ter maakt zich zorgen. Uiteindelijk vindt ze uit waarom Nina zich anders gedraagt dan de andere kinderen: ze wordt thuis mishandeld.Vanaf 12 jaar. Hindman, J., T. Novak (ill.)Een pakkend boek voor kleine en voor grote mensen - Groningen, Uitgeverij Reco Multi Media, 1998, ISBN 90-764-5701-8Een zeer komisch geïllustreerd boek dat allerlei aspecten van seksualiteit beschrijft, waaronder seksueel misbruik. Het doel is vooral om de weerbaarheid van kinderen te vergroten. Het boek heeft een mooi evenwicht gevonden tussen prettige en vervelende seksuele ervaringen en tussen humor en respect. Boeken voor ouders Adriaenssens, P.Mijn kind is bang (en ik ook). Opvoeden tot weerbaarheid - Tielt, Lannoo nv, , 1998, ISBN 90-209-3120-2 Doef, S. van derKleine mensen grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit - Amsterdam, De Brink, Ploegsma bv, 1994, ISBN 90-216-7161-1 Lamers-Winkelman, F.Een werkboek voor ouders van seksueel misbruikte kinderen - Amsterdam, SWP, 20 blz., ISBN 90-6665-347-7 Marsten, S.Geef uw kind zelfvertrouwen - ISBN 90-215-2563-1 Bronnen17 Bijlage 16: Bronnen • Protocol voor het omgaan met vermoedens van kindermishandeling voor kinderdagverblijven en peuterspeelzalen in Den Haag, 2002, Gemeente Den Haag/dienst OCW en GGD Den Haag, afdeling GVO in samenwerking met Stichting voor opvoedingsondersteuning, het IBBK en de Stichting Welzijnsorganisatie Escamp.• Meldcode kindermishandeling, 2002, Paul Baeten, NIZW Jeugd / Expertisecentrum Kindermis-handeling.• Protocol “Vermoeden kindermishandeling” voor het primair onderwijs in Zuid Holland Noord, 2001, GGD ZHN. S&O, AMK; Gezamenlijke uitgave van de preventieteams Zuid Holland Noord.• Protocol vermoeden kindermishandeling voor 0-4 jaar, de Petteflet, januari 2001.• Handleiding kwaliteitsstelsel kinderopvang&peuterspeelzaalwerk, uitgave MO-groep/Elsevier, versie december
- Protocol 'Hoe te handelen in geval van ongewensten omgangsvormen cq. seksuele intimidatie door een medewerker'18 Bijlage 17: Protocol ‘Hoe te handelen in geval van ongewenste omgangsvormen cq. seksuele intimidatie door een medewerker’ Mei 2005Auteur: JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding, Patricia Ohlsen Inhoudsopgave Inleiding1 Begripsbepaling ongewenste omgangsvormen1.1 Seksuele intimidatie1.2 Agressie en geweld1.3 Pesten1.4 Discriminatie2 Seksuele intimidatie2.1 Verbod op seksueel misbruik2.2 Meldingsprocedure2.2.1 Maatregelen naar aanleiding van een melding2.3 Procedure van onderzoek2.3.1 Maatregelen naar aanleiding van het onderzoek2.4 Omgaan met de media2.5 Informeren betrokkenen Bijlagen
- Algemene aandachtspunten Inleiding Dit protocol geeft handvatten voor hoe te handelen in geval van (een vermoeden van) ongewenste omgangsvormen en in het bijzonder seksueel misbruik door medewerkers van het kindercentrum. Het is belangrijk dat men in een dergelijk emotioneel moeilijke situatie zorgvuldig met alle betrok-kenen om kan blijven gaan. Een protocol kan hierbij houvast bieden. Een protocol legitimeert het handelen van een ieder die stappen zet naar aanleiding van een melding. Bovendien biedt het achtergrondinformatie en tips. Voor alle medewerkers van het kindercentrum is het van belang dat er een protocol op de instelling aanwezig is over het onderwerp ongewenste omgangsvormen. Een melding over ongewenste omgangvormen is meestal plotseling. Het gaat gepaard met veel emoties. En er zal gehandeld moeten worden. De aangeklaagde zal, of de melding nu terecht is of niet, met gevoelens van frus-tratie, boosheid en schaamte kampen. Teamleden voelen zich vaak boos, schuldig, machteloos of kunnen het niet geloven. De vraag schuldig/niet schuldig dringt zich op en kan tot twee kampen leiden zowel binnen een team van leidsters als tussen ouders en kinderen. De gevolgen van ongewenste omgangsvormen kunnen heel groot zijn. Het negatieve gevolgen voor je zelfbeeld en je zelfvertrouwen en het vertrouwen in anderen wordt geschaad.Wanneer zich een geval van ongewenste omgangsvormen voordoet, is het belangrijk dat het slachtoffer zijn verhaal kwijt kan. Slachtoffers vinden het vaak moeilijk hun verhaal te vertellen. Angst niet geloofd te worden en angst voor represailles spelen daarbij een rol. 1 Begripsbepaling ongewenste omgangsvormen Ongewenste omgangsvormen komen tot uiting in verbaal, fysiek of ander non-verbaal gedrag. Dit gedrag kan zowel opzettelijk als onopzettelijk zijn, maar degene die hiermee wordt geconfronteerd ervaart het als ongewenst en onaangenaam. Onder ongewenste omgangvormen verstaan we handelingen van een groep of van een individu, die door een persoon, die deze handelingen als tegen zich gericht ziet, als vijandig, vernederend of intimiderend worden beschouwd . De volgende vormen van ongewenst gedrag kunnen zich voordoen: seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en discriminatie. Een strikte afbakening van deze begrippen is niet mogelijk, want pesten kan een vorm van seksuele intimidatie zijn, discriminatie kan een vorm van agressie zijn enz.. Door definities te geven lijkt het probleem van de ongewenste omgangsvormen een objectief ge-geven te zijn. Niets is minder waar. Bij de beoordeling of bepaalde situaties of gedragingen van personen bestempeld moeten worden als 'intimiderend' of 'bedreigend' spelen subjectieve facto-ren een doorslaggevende rol. De persoonlijke beleving van de betrokkenen en hun eigen waarden en normen bepalen uiteindelijk of er al dan niet sprake is van ongewenste omgangsvormen. De beleving van de direct betrokkene moet altijd het uitgangspunt zijn van een analyse van de pro-blemen met ongewenste omgangsvormen. Binnen een kindercentrum zijn het vaak ouders van kinderen die aangeven dat iets als ongewenst wordt ervaren, of collega’s vinden bepaald gedrag over de grens gaan. Van belang is het zo dicht mogelijk bij de beleving van het kind te blijven staan, bij het vaststellen van de zwaarte of omvang van het ongewenste gedrag. 1.1 Seksuele intimidatieSeksuele intimidatieOngewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten of ander verbaal, non verbaal of fysiek gedrag. Dit gedrag wordt door degene die het ondergaat, ongeacht sekse en/of seksuele voorkeur, ervaren als ongewenst en onplezierig. Seksuele intimidatie kan zowel opzettelijk als onopzettelijk zijn . Voorbeelden van verbale seksuele intimidatie: • aanspreekvormen: Erica verbasteren tot Erotica; kinderen aanspreken met "Hé stuk!"• dubbelzinnigheden: "Zo, heb jij een poes?"• uitnodigingen met bijbedoelingen: "Je mag met ons meedoen, als we je onderbroek mogen zien". Voorbeelden van fysieke seksuele intimidatie:• handtastelijkheden, zoals rug strelen, vastpakken, op schoot trekken van oudere kinderen, te-gen zich aan drukken, strelen, verkrachting;• geslachtsdelen strelen of betasten boven of onder de kleding;• weg versperren;• uitkleden. Voorbeelden van non-verbale seksuele intimidatie:• bepaalde manieren van kijken: kind niet in de ogen kijken maar op borsthoogte; gluren; kind met de ogen uitkleden;• confrontatie met (kinder)porno;• condoom/onderbroekje cadeau geven. 1.2 Agressie en geweldAgressie en geweld op de bsoVoorvallen waarbij een kind psychisch of fysiek lastig gevallen, bedreigd of aangevallen wordt, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het kindercentrum. Voorbeelden van agressie en geweld op de bso zijn: • fysiek geweld: schoppen, slaan, verwonden, vastgrijpen;• psychisch geweld: chantage, irriteren, achtervolgen, vernederen;• verbaal geweld: schelden, treiteren, dreigen; 1.3 PestenPesten op het kindercentrumPesten op het kindercentrum is het systematisch uitoefenen van psychisch, fysiek of sek-sueel geweld door één persoon of groep tegen meestal één ander, die niet (meer) in staat is zich zelf te verdedigen . Voorbeelden van pesten:• psychisch: luid lachen of schreeuwen als iemand binnen komt, negeren, voortdurend onder-breken, afkeurende blikken of gebaren, luide zuchten slaken, geruchten verspreiden, roddelen, dreigen, belachelijk maken;• fysiek: mishandelen;• seksueel: obscene scheldwoorden, seksuele verzoeken of handtastelijkheden, aanranding, verkrachting. 1.4 DiscriminatieDiscriminatie Het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun sekse, ras, godsdienst of levensovertuiging . Discriminatie kan plaats vinden op grond van uiterlijk, huidskleur, geloofsovertuiging, geslacht, seksuele voorkeur enz. De Wet kinderopvang vereist sinds januari 2005 dat elke medewerker bij een kinderopvangorgani-satie, die daadwerkelijk bij de kinderen werkzaam is, een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) moet overleggen. Dit kan preventief werken in het beleid ten aanzien van ongewenste omgangsvormen en seksuele intimidatie in het bijzonder.
- Seksuele intimidatie Seksueel misbruik is een (ernstige) vorm van seksuele intimidatie. Deze vorm werken we hieron-der verder uit. 2.1 Verbod op seksueel misbruikDe medewerker zal zich ervan onthouden het kind te bejegenen op een wijze die het kind in zijn waardigheid aantast. Seksuele handelingen en intieme relaties in de contacten met het kind zijn onder geen beding geoorloofd en worden beschouwd als seksueel misbruik. Dit omvat onder meer een verbod om het kind op zodanige wijze aan te raken dat het kind en/of de medewerker deze aanraking naar redelijke verwachting als seksueel of erotisch van aard zal ervaren. De medewer-ker mag ook niet ingaan op seksuele en/of toenaderingspogingen van het kind, ook als verlangt het kind dat of nodigt je daartoe uit. 2.2 MeldingsprocedureIn de wet op de Jeugdzorg is de meldplicht opgenomen. Wanneer een medewerker van een in-stelling het vermoeden heeft dat een medewerker van dezelfde instelling zich schuldig maakt aan kindermishandeling of dat dit hem/haar ter ore komt, moet hij dit direct melden bij zijn leidingge-vende en het bestuur. Deze hebben de plicht direct het AMK hiervan in kennis te stellen. a. Melding door het kindAls de melding van seksuele intimidatie, aanranding of verkrachting afkomstig is van een kind, is opvang en steun voor het kind het eerste aandachtspunt. De persoon bij wie het slachtoffer de klacht meldt belooft geen geheimhouding aan het kind en is verplicht dit te melden bij zijn leidinggevende. Deze laat weten discreet te zullen handelen.De leidinggevende doet in alle gevallen melding aan de directeur en het bestuur. Naast het AMK worden zonodig anderen ingeschakeld voor hulp. De ouders van het betrokken kind wor-den geïnformeerd. Aan de ouder wordt eveneens opvang en steun geboden. Het waarborgen van het gevoel van veiligheid van het kind is uitgangspunt van dit handelen. b. Melding door de ouderAls de melding van de ouder(s) komt, zal uitgezocht worden over welke informatie de ouder beschikt en waar de melding op gebaseerd is. De persoon bij wie de klacht wordt gemeld is verplicht dit te melden bij de leidinggevende. Deze meldt het weer bij de directie en bestuur. c. Melding door collega-medewerkerWanneer een medewerker seksueel misbruik door een collega-medewerker constateert of vermoedt, is hij/zij verantwoordelijk voor melding hiervan aan de leidinggevende, die dat in alle gevallen aan de directeur of bestuur meldt. Aan de medewerker die meldt wordt opvang en steun aangeboden. d. Melding door derdenAls de melding van derden komt, dient eveneens uitgezocht te worden over welke informatie deze precies beschikken en waar deze informatie op is gebaseerd. De persoon bij wie de klacht wordt gemeld is verplicht dit te melden bij de directie. 2.2.1 Maatregelen naar aanleiding van een meldingIn alle gevallen wordt de directeur zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Deze is gehouden alle nood-zakelijke maatregelen te nemen ten aanzien van:• het regelen van opvang van kind en ouders, en• afschermen van het kind van de mogelijke dader• het instellen van een onderzoek
- Het regelen van opvang van kind en ouders• Voor de opvang en steun voor het kind wordt een beroep gedaan op een instelling (GGD) die hierin gespecialiseerd is. • In overleg met ouders en GGD, wordt bezien of de opvang in het kindercentrum kan wor-den gecontinueerd dan wel dat er een andere oplossing moet worden geboden.• Het kindercentrum informeert ouders over de mogelijkheid aangifte te doen bij de politie.• De directeur houdt contact en toont betrokkenheid en informeert de ouders regelmatig over de voortgang van het onderzoek en andere zaken die voor de ouders van belang zijn.
- Afscherming van het kind van de mogelijke dader• De directeur beslist in het belang van de afscherming van het kind van de mogelijke dader, of de vermeende dader hangende het onderzoek op non-actief wordt gesteld of wordt ge-schorst.• Het verdient aanbeveling om voor de betrokken medewerker een contactpersoon aan te wijzen en de betrokken medewerker erop te wijzen waar steun verkregen kan worden bui-ten het kindercentrum.
- Instellen van een onderzoek
- De directeur draagt zorg voor een zorgvuldige procedure van onderzoek en legt een dos-sier aan.
- Bij het interne onderzoek laat het kindercentrum zich adviseren door de politie. Zo mogelijk na raadpleging van de ouders besluit het kindercentrum of eerst een intern onderzoek wordt gedaan of onmiddellijk aangifte wordt gedaan bij de politie. Ouders kunnen natuurlijk ook los van de directeur beslissen onmiddellijk aangifte te doen. In het geval van aangifte bij de politie vindt het instellingsonderzoek plaats in nauw overleg met de politie.
- De directeur stelt binnen maximaal 2 werkdagen na de melding een commissie van onder-zoek in. De commissie bestaat uit 3 personen, twee interne en een extern deskundige. De leden van de onderzoekscommissie hebben een geheimhoudingsplicht uit hoofde van hun verantwoordelijkheid als lid van de commissie van onderzoek.
- De commissie voert het intern onderzoek uit en adviseert de directeur op grond van de re-sultaten van het onderzoek over de te nemen maatregelen.
- De termijn voor intern onderzoek bedraagt maximaal 3 weken. 2.3 Procedure van onderzoeka. De commissie vraagt de ouders de door hen bemerkte reactie van het kind weer te geven. In-dien het kind in staat is om zelf de toedracht te verwoorden, wordt altijd na overleg met de ou-ders, het kind door de commissie gehoord. Hierbij wordt er zorg voor gedragen dat dit door een daartoe deskundige gebeurt.b. De onderzoekscommissie hoort de betrokken medewerker. De toedracht van zaken volgens de medewerker wordt vastgelegd. De medewerker wordt geïnformeerd over het verder verloop van de procedure.c. De commissie voert binnen maximaal 2 weken nadat zij is ingeroepen gesprekken met alle betrokken personen. Op basis van deze eerste gesprekken adviseert de commissie de direc-teur over de te nemen voorlopige maatregelen voor het kind en de medewerker, voor zover dit nog niet is gebeurd.d. Van de gesprekken wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat door de geïnterviewden moet worden goedgekeurd. e. Alle verslagen worden gebundeld en voorzien van advies overhandigd aan de directeur. Deze informatie is geheim. 2.3.1 Maatregelen naar aanleiding van het onderzoeka. RehabilitatieWanneer de directeur constateert dat er op grond van het verrichte onderzoek geen aanleiding is aan te nemen dat seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, wordt de betrokken medewerker die voor de duur van het onderzoek geschorst is of op non-actief gesteld, door de directeur van de instelling in ere in zijn functie hersteld. In een dergelijke situatie kan het in het belang van de medewerker of in het algemeen belang wenselijk zijn de betreffende medewerker binnen de organisatie over te plaatsen. b. WaarschuwingDe directeur kan besluiten tot het geven van een schriftelijke waarschuwing, onder mededeling dat herhaling arbeidsrechtelijke gevolgen heeft.c. Arbeidsrechtelijke maatregelenWanneer de directeur constateert dat er op grond van het verrichte onderzoek aanleiding is om aan te nemen dat seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, neemt de directeur maatregelen van arbeidsrechtelijke aard, zoals ontslag wegens een dringende reden op grond van art. 677 en art. 678 boek 7 BW, of ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter (art. 685 boek 7 BW).d. Inschakelen van politie en justitieDe directeur doet, wanneer het rapport van de onderzoekscommissie hiertoe aanleiding geeft, formeel aangifte van seksueel misbruik bij de politie en het Openbaar Ministerie. 2.4 Omgaan met de media Als op een kindercentrum een incident plaatsvindt, is de kans groot dat ook de media hier van op de hoogte raken. Het is verstandig van tevoren zorgvuldig te overwegen hoe er zal worden omge-gaan met de pers. Enkele aandachtspunten bij het omgaan met de pers:(bron: ‘concept calamiteitenwaaier van De Veilige School’ ontwikkeld door Anke Visser en Frits Prior.)• Denk na over de keuze van een passieve of actieve opstelling. Door zelf de pers te informeren houdt u de regie min of meer in handen en voorkomt u wellicht erger.• Wijs een vaste, liefst geoefende persoon aan die de contacten met de pers onderhoudt. Over-weeg daarbij of een persoon van buiten het team (bijv. een bestuurslid) te verkiezen is omdat deze toch wat verder van de zaak af staat. Overleg zo mogelijk met de politievoorlichter.• Denk goed na over de boodschap: wat willen we wel/niet vertellen en hoe formuleren we dat kort en concreet?• Selecteer: wie staan we wel te woord en wie niet?• Noteer voorwaarden: bijv. vragen vooraf op papier, afspraken over inzien tekst voor publicatie.• Wanneer wordt de pers ingelicht? In ieder geval niet voordat personeel, ouders en kinderen goed zijn ingelicht.• Wat is ons belang om in te gaan op vragen van de pers? Wat is wenselijk, wat is nodig?• Betracht openheid binnen grenzen: vertel de waarheid, tot de feitelijke kern beperkt. Noem geen namen, bewandel geen zijpaden.• Zorg voor een adempauze: niet direct in de uitzending, vragen vooraf inzien, terug (laten) bel-len, afspraak later op de dag.• Doe de contacten met de pers nooit alleen: de boodschap samen met anderen voorbereiden, iemand meenemen of mee laten luisteren, samen evalueren. 2.5 Informeren betrokkenen a. Informeren van het teamEen belangrijke stap is het informeren van de teamleden. Zij moeten goed op de hoogte zijn om:• De schok in teamverband te verwerken.• Om te gaan met vragen en opmerkingen van ouders.• Om te gaan met vragen en opmerkingen van de “buitenwereld”.• Mogelijke andere slachtoffers te signaleren.• Eenduidige afspraken te maken over de aanpak van de situatie.Een niet te onderschatten factor is de loyaliteit van personeel ten opzichte van aangeklaagde collega’s. De ervaring leert dat collega’s in situaties van twijfel eerder de kant van de volwassene kie-zen dan die van het kind, zeker als het gaat om seksuele intimidatie. Meldingen van seksuele inti-midatie berusten zelden op waargenomen feiten door volwassenen. Meestal moet de volwassene zich baseren op het woord van het kind. Geloof en ongeloof, loyaliteit ten opzichte van de collega of het kind, kunnen een team in partijen opsplitsen. Belangrijk is teamleden voor te houden dat zij niet hoeven te beslissen over wat “waar” of “niet waar” is. Zij zijn wel verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de kinderen. Aandachtspunten en overwegingen bij het informeren van het team:• Zorg dat het hele crisisteam aanwezig is.• Zorg dat alle teamleden aanwezig kunnen zijn. De aangeklaagde is niet aanwezig, maar zal (achteraf) schriftelijk geïnformeerd dienen te worden over de globale inhoud.• Overweeg welke andere personeelsleden moeten worden uitgenodigd, zoals vaste invalkrach-ten.• Informeer afwezigen en zieken persoonlijk over wat is besproken.• Overweeg of er deskundigen van buitenaf bij aanwezig moeten zijn.• Nodig de teamleden liefst mondeling uit.• Geef tijdens de vergadering feitelijke informatie over de melding en de tot nu genomen stappen en de nog te nemen stappen. Geef aan wat de verwachtingen naar de teamleden zijn.• Biedt ruimte voor emoties, vragen, laat stoom af blazen.• Maak afspraken over de omgang met de buitenwereld: -bij vragen van derden doorverwijzen naar het crisisteam, -geen uitspraken naar de pers, -geen contact met de aangeklaagde.• Organiseer opvang voor leidsters die daaraan behoefte hebben. b. Informeren van de “andere” oudersEen moeilijke, maar meestal niet te vermijden stap is het informeren van de “andere” ouders over de beschuldigingen van ongewenste omgangsvormen. Bedoeld worden de ouders waarvan niet bekend is dat hun kinderen slachtoffer zijn. Ouders hebben recht op informatie, zeker als hun kind ook een mogelijk slachtoffer is.Er kennen overwegingen zijn om de andere ouders (voorlopig) niet te informeren:• De mogelijke dader is een kind van het kindercentrum. De bescherming van de kind-dader telt dan even zwaar als de rechten van de slachtoffers.• Ouders van een slachtoffer eisen geheimhouding. • Politie vraagt om geheimhouding. Overleg in zo’n geval met de politie of het informeren van de ouders daaraan ondergeschikt mag worden gemaakt. Aandachtspunten en overwegingen bij het informeren van de ouders:• Informeer ouders schriftelijk en mondeling.• Overweeg welke ouders moeten worden uitgenodigd voor een ouderavond. De ouders van kinderen die nu bij de aangeklaagde in de groep zitten, de ouders van kinderen die voorgaan-de jaren bij de aangeklaagde in de groep zaten, de ouders van kinderen die bij het slachtoffer in de groep zitten, de ouders van alle kinderen als het gaat om iemand die met alle kinderen van het kindercentrum te maken heeft.• Hoe groot kan de groep zijn die op een avond wordt geïnformeerd.• Zorg dat de ouders van slachtoffers op de hoogte zijn van de informatieavond die gaat komen. Bespreek met hun welke informatie er gegeven gaat worden.• Nodig deskundigen uit die antwoord kunnen geven op vragen van ouders: bijv. politie, jeugdarts/jeugdverpleegkundige, vertrouwenspersoon.• Nodig ouders schriftelijk uit, geef brieven niet aan kinderen mee naar huis.• Houd rekening met taalproblemen bij allochtone ouders.• De voorzitter van de bijeenkomst is bij voorkeur de voorzitter van het bestuur. Het crisisteam en eventuele deskundigen zitten naast hem. Bespreek van tevoren de onderlinge taakverde-ling.• Geef feitelijke informatie met in acht nemen van privacy van betrokkenen. • Vertel welke stappen zijn genomen en welke nog zullen volgen.• Geef aan waar ouders terecht kunnen als zij vermoeden dat hun kind ook slachtoffer is.• Geef aan wat het kindercentrum te bieden heeft.• Geef ruimte voor de vragen en emoties die bij ouders zullen los komen.• Wees voorbereid op boosheid, ga niet in de verdediging. De boosheid van ouders zal terecht of onterecht tegen het kindercentrum richten. • Bedank ouders voor hun aanwezigheid en betrokkenheid. Bijlage 1Algemene aandachtspunten Een melding komt bijna altijd onverwacht en op een ongelegen moment. Het is prettig in zo’n geval een stappenplan bij de hand te hebben dat handvatten geeft tot hoe te handelen. Realiseer je ech-ter dat het slechts richtlijnen zijn en dat iedere situatie zijn eigen specifieke verloop zal hebben. De volgende overwegingen en aandachtspunten zijn gewenst:• Probeer zo snel mogelijk een gesprek te regelen (met melder door directeur), liefst meteen. Voer dit gesprek bij voorkeur niet alleen.• Verslaglegging. Begin met dossiervorming. Noteer zo nauwkeurig mogelijk, data, tijden, feite-lijkheden, afspraken, betrokkenen. Mogelijk is het van belang dit later nog eens terug te lezen. Leg aan de klager uit dat je een en ander opschrijft. • Stel de klager op de hoogte van de procedure.• Stel het bestuur op de hoogte van de klacht.• Het bestuur stelt de aangeklaagde zo snel mogelijk op de hoogte van de melding.• Neem, als dat nodig is, beschermende maatregelen t.o.v. de aangeklaagde. Betreft het bijv. een personeelslid, dan is het wellicht onmogelijk voor hem/haar nog te functioneren of moet hij/zij beschermd worden voor represailles. • Stel de aangeklaagde op de hoogte van de procedure.• Als de klager een kind betreft, betrek dan zo snel mogelijk de ouders/verzorgers erbij.• Is de veiligheid van het kind gewaarborgd?• Nemen de ouders de verantwoordelijkheid voor de zorg voor hun kind? Stellen ze hun kind veilig en zoeken ze de benodigde hulp? Zo nee, dan kun je dit ook (anoniem) melden bij het AMK.• Adviseer klager en aangeklaagde niet met “derden” over de melding te praten.• Zeg geen geheimhouding toe. Als er actie moet worden ondernomen kun je die belofte niet nakomen.• Vraag je af of hier sprake is van een strafbaar feit en of je meldplicht hebt.• Is iedereen die erbij betrokken moet worden op de hoogte?• Is er een tolk nodig om een gesprek te voeren.• Stel een crisisteam samen. Dit kunnen mensen van de overleggroep zijn.• Wie zijn er allemaal op de hoogte van de melding?• Is er onrust bij andere ouders/ kinderen, in de wijk? Moeten andere ouders geïnformeerd wor-den, moet er een voorlichtingsavond worden georganiseerd voor de ouders uit de betreffende groep of voor het hele kindercentrum? 1ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel
- BegripsomschrijvingenDe beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd. Hiermee vallen beroepskrach-ten in opleiding automatisch onder de begripsomschrijving van een begeleider, te weten: ‘degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeel-zaal’ (onderdeel e). Artikel
- Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaalDit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal willen gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier.Het stelsel van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen actief zijn op het terrein van het peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan de gemeente de mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een nieuw initiatief aan de kwaliteitsei-sen voldoet. De gemeente moet een gemelde peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor een ieder toegankelijk is. Opneming in het register geeft ouders de zekerheid dat het peuterspeel-zaalwerk bij de aanvang van de exploitatie van voldoende kwaliteit is en dat er van gemeentewege zal worden toegezien dat de kwaliteit van voldoende niveau blijft. Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld, maar moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels. Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil. In een vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten. Artikel
- Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerkDit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het gekozen ambitieniveau bepaalt de kwalificatie-eisen die aan de leidinggevenden worden gesteld (zie artikel 12). Het ambitieniveau 0 (‘spelen en ontmoe-ten’) is het minimumkwaliteitsniveau. Aan dit kwaliteitsniveau dienen alle peuterspeelzalen in ieder geval te voldoen. Door de melding en registratie worden de ouders op de hoogte gesteld van het ambitieniveau. De toezichthouder kan controleren of een peuterspeelzaal zich houdt aan het gestelde ambitieniveau. Artikel
- Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaalDit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder) nodig heeft om te beoordelen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen aan de eisen van de verordening. Elke gemeente zal in overleg met de toezichthouder moeten bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan om een termijn die enerzijds de toezichthouder de mogelijkheid biedt een deugdelijk onderzoek te doen naar de wijze waarop de nieuwe peuterspeelzaal zal worden geëxploiteerd en die anderzijds de-gene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen niet onnodig lang laat wach-ten op het moment dat met de exploitatie kan worden gestart. Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de houder om vóór het verstrijken van de termijn in het eerste lid met de exploitatie van de peuterspeelzaal te beginnen. Artikel
- Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaalDit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de eisen van de verordening voldoet. Op grond van deze verbods-bepaling kan het college tot bestuursdwang (sluiting) overgaan of een dwangsom opleggen, indien de peuterspeelzaal toch in gebruik wordt genomen. Artikel
- RegisterDit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt dat het register openbaar is. Artikel
- Wijzigingen van gegevensOm het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens die bij de melding zijn verstrekt. Artikel
- Algemene kwaliteitseisenHet eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan artikel 48 Wk. Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met inachtneming van de verordening, invulling moe-ten geven. In deze bepaling wordt vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn het uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk. Het tweede lid is ontleend aan artikel 50, eerste lid, Wk. Deze bepaling geeft aan dat verantwoord peuterspeelzaalwerk mede het product is van de wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft. De wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en aan welke aspecten daarbij aandacht moet worden besteed, wordt naast de eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door de voorschriften in deze verordening. Artikel
- Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid Dit artikel is gelijk aan artikel 51 Wk. De houders van peuterspeelzalen moeten een risico-inventarisatie uitvoeren ten aanzien van de domeinen veiligheid en gezondheid. De risico-inventarisatie heeft tot doel het in kaart brengen van veiligheid- en gezondheidsrisico’s die kinde-ren in peuterspeelzalen lopen. Daarbij wordt uitgegaan van het gedrag van kinderen. De risico-inventarisatie dient als basis om de omstandigheden voor kinderen te verbeteren en om te stimule-ren dat personeel en de kinderen adequaat met risico’s omgaan. Deze risico-inventarisatie vervangt niet de risico-inventarisaties die op grond van andere wetgeving verplicht is (artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7 Infectieziektewet). Ook vervangt een risico-inventarisatie niet de veiligheidsnormen waaraan de peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn gebonden, zoals de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverorde-ning. Ook laat de risico-inventarisatie toepassing van de Wcpv onverlet. Artikel
- Oppervlakte speelruimteGekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder zijn vast te stellen. Artikel
- Groepen en groepsgrootte Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte. Gefaseerd wordt deze jaarlijks met één kind per groep afgebouwd van twintig kinderen in 2008 naar zestien kinderen in 2012.. Dit maxi-mum geldt voor alle drie ambitieniveaus. Artikel
- Aantal beroepskrachten of begeleiders per groepHet gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of begeleiders dat in elke groep aanwezig moet zijn. Artikel
- Overeenkomst tussen houder en ouder Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een overeenkomst te expli-citeren wat wederzijds de rechten en verplichtingen zijn. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat het peuterspeelzaalwerk plaatsvindt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder. Artikel
- Informatieplicht aan de ouders De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een contract tekenen te infor-meren over een aantal essentiële onderwerpen. Deze informatie biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van een peuterspeelzaal en eventueel op basis van een onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde peuterspeelzaal te maken. Artikel
- Verklaring omtrent het gedrag Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te zorgen dat alle beroepskrachten en begeleiders die zijn peuterspeelzaal werkzaam zijn, op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van een recente verklaring omtrent het gedrag die aan de houder moet