Vaststellingsbesluit Mandaatstatuut BaarnHet college, respectievelijk de burgemeester, van de gemeente Baarn, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, gelet op de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht, overwegende dat het gewenst is om gebruik te maken van mandaat, machtiging en volmacht, zodat: er bedrijfsmatiger, sneller en klantgerichter kan worden gehandeld de werklast van het bestuur kan worden verlicht omdat het minder uitvoerend bezig zal zijn en meer tijd zal hebben voor het sturen op hoofdlijnen en het stellen van doelen op (middel)lange termijn de deskundigheid in de organisatie maximaal benut kan worden de verantwoordelijkheden binnen de organisatie duidelijk tot uitdrukking kunnen komen besluit: tot het verlenen van bevoegdheden krachtens mandaat, machtiging en volmacht aan de ambtelijke organisatie, overeenkomstig de onlosmakelijk met dit besluit verbonden lijsten en toelichting en onder de volgende algemene regels: Artikel 1 Het mandaat wordt verleend aan de functionarissen zoals in de bij dit statuut horende mandaat-, machtiging,- en volmachtlijsten is aangegeven. Bij afwezigheid van genoemde functionarissen mag, tenzij dit in genoemde lijsten is uitgezonderd, het mandaat, de volmacht of de machtiging uitgeoefend worden door de plaatsvervang(st)er. Daar waar een bevoegdheid is gemandateerd aan een manager of machtiging/volmacht is verleend wordt de algemeen directeur geacht mede bevoegd te zijn tot uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid of de machtiging/volmacht. Artikel 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1, wordt bij de uitoefening van bevoegdheden in mandaat in acht genomen wat op dat gebied wordt gesteld in wetten, besluiten, verordeningen, circulaires, beleidsregels, regelingen, aanwijzingen en richtlijnen van wetgevers of bestuursorganen van rijk, provincie, regio en/of de gemeente Baarn. Onverminderd het bepaalde in artikel 1 geldt voor de uitoefening van bevoegdheden in mandaat die financiële consequenties hebben, dat hiervoor een toereikend bedrag moet zijn opgenomen in de lopende begroting. Artikel 3 Onverminderd de verlening van mandaat blijft de beslissing voorbehouden aan het college, respectievelijk de burgemeester, indien: het gaat om onderwerpen waarvoor nog geen beleidslijn is geformuleerd het voornemen bestaat tot aanvulling of wijziging van het tot nu toe gevoerde beleid het nemen van een besluit kan leiden tot strijd met bestaand beleid, dan wel overschrijding van een budget c.q. begroting tegen een genomen besluit bezwaar of beroep is aangetekend omtrent een zaak de standpunten van de mandaatgever en een voorgeschreven adviserende instantie of een andere manager c.q. algemeen directeur/gemeentesecretaris uiteenlopen de mandaatgever daartoe de wens te kennen geeft. Artikel 4 Bij de uitoefening van ieder mandaat, machtiging of volmacht worden de specifieke bepalingen, zoals vermeld op de bij het besluit behorende lijsten, onverminderd in acht genomen. Artikel 5 Behalve in zaken met een routinematig karakter geldt het mandaat niet ten aanzien van stukken gericht aan kroon, minister, staatssecretaris, commissaris der koningin en gedeputeerde staten. Artikel 6 Het college respectievelijk de burgemeester kan besluiten dat over de in een bepaalde periode genomen mandaten, machtigingen of volmachten verantwoording wordt afgelegd. De wijze waarop deze verantwoording wordt afgelegd wordt in overleg tussen de portefeuillehouder en de manager c.q. algemeen directeur bepaald. Artikel 7 De bevoegdheid tot het uitoefenen van mandaat, machtiging of volmacht vervalt door een daartoe strekkend besluit van het college respectievelijk de burgemeester, zowel in een incidenteel geval als in het algemeen. Als het laatste geval zich voordoet wordt dit besluit niet genomen dan nadat daarover advies is ingewonnen van het managementteam. Artikel 8 Het college, respectievelijk de burgemeester, heeft te allen tijde de bevoegdheid om over het mandaat, de machtiging of de volmacht nadere instructies te geven, zowel in een incidenteel geval als in het algemeen. Als het laatste geval zich voordoet wordt dit besluit niet genomen dan nadat daarover advies is ingewonnen van het managementteam. Artikel 9 Ingeval van uitoefening van mandaat, luidt de ondertekening van uitgaande stukken als volgt: Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, ………(naam en functie gemandateerde medewerker) Ingeval van uitoefening van ondermandaat luidt de ondertekening van uitgaande stukken als volgt: Namens burgemeester en wethouders van Baarnde manager van programma (naam programma), voor deze, (naam medewerker) Ingeval van ondertekeningsmandaat wordt in de brief vermeld dat en wanneer het college respectievelijk de burgemeester het besluit genomen heeft. Artikel 10 Het mandaatstatuut kan zonodig ambtshalve worden aangepast aan nieuw vastgestelde functiebenamingen in het kader van het functiewaarderingssysteem HR21, zonder dat het mandaatstatuut opnieuw hoeft te worden vastgesteld door het college. De bevoegdheden met betrekking tot de Wet milieubeheer die gemandateerd zijn aan het Servicebureau|Gemeenten, afdeling milieu, worden geacht gemandateerd te zijn aan de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD), zodra deze formeel is opgericht. Artikel 11 Dit mandaat-, machting-, en volmachtstatuut treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking. Eerder vastgestelde mandaten, machtigingen en volmachten worden ingetrokken gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit. Voor zover nodig blijven de mandaten, machtigingen en volmachten verleend aan de medewerkers van in een gemeenschappelijke regeling verbonden partijen onverkort geldig. De eerder door managers genomen ondermandaten, ondermachtigingen en ondervolmachten blijven voor zover nog van toepassing in stand. Baarn, 7 januari 2014 burgemeester en wethouders van Baarn, De burgemeester van Baarn, de secretaris, de burgemeester, M.A. Röell Nota-toelichting gemeente Baarn Programma Ondersteuning Team Juridische Zaken Januari 2014 Mandaatstatuut gemeente Baarn 2014 Toelichting Toelichting op het Mandaatstatuut Baarn 1. Inleiding Op grond van een mandaat-, machtiging-, en volmachtstatuut (kortweg: “mandaatstatuut”) zijn bevoegdheden door bestuursorganen (in dit geval burgemeester en wethouders en de burgemeester) opgedragen aan ambtenaren. Het betekent ook dat de bevoegdheden worden uitgeoefend namens het bestuursorgaan dat de bevoegdheden mandateert. De besluiten van de ambtenaren gelden als besluiten van het bestuursorgaan, dat verantwoordelijk blijft voor het besluit. Een mandaatregeling is een weergave van bevoegdheden, functiebenamingen en functionarissen zoals die op een bepaald moment in een organisatie te vinden zijn. Diverse omstandigheden zijn er de oorzaak van dat een mandaatregeling regelmatig geactualiseerd moet worden. Zo kunnen functiebenamingen wijzigen, functionarissen kunnen de organisatie verlaten, er is een reorganisatie geweest, wetten vervallen of wijzigen, waardoor uitvoeringsbevoegdheden ook vervallen of wijzigen, of nieuwe wetten ontstaan, waardoor nieuwe bevoegdheden in het leven worden geroepen. Het mandaatstatuut is eigenlijk een mandaat-, machtiging-, en volmachtstatuut. In artikel 10:12 van de Awb is namelijk bepaald dat afdeling 10.1.1 van overeenkomstige toepassing is op volmacht (privaatrechtelijke rechtshandelingen) en machtiging (feitelijke handelingen). Het statuut is daarom onderverdeeld in deze drie vormen, nl. mandaten, volmachten en machtigingen. In hoofdstuk 2 en 3 wordt de visie van Baarn en de organisatiestructuur toegelicht. In hoofdstuk 4 en 5 wordt uitleg gegeven over mandaat. Hoofdstuk 6 bevat een begrippenlijst. 2. Visie van Baarn Huis van Baarn Baarn wil een organisatie hebben, die zodanig is ingericht dat het efficiënt, flexibel en creatief kan werken. De Baarnse visie is, dat de ambtelijke organisatie extern en vraaggericht te werk gaat, waarbij elementen als professioneel, zakelijk en integraal de kern vormen. Deze visie is vertaald in het huis van Baarn: Een helder mandaatstatuut ondersteunt deze visie. Mandatering van bevoegdheden heeft vele voordelen. Het bestuur wordt zo ontlast van uitvoeringstaken. Het kan zich dan meer toeleggen op bepaling van hoofdlijnen en - in samenwerking met de andere gemeentelijke bestuursorganen - het stellen van doelen op middellange en lange termijn. Ook verlopen de besluitvormings- en administratieve processen sneller, nu op ambtelijk niveau afdoening en/of ondertekening plaatsvindt. Die versnelling in afdoening impliceert een verbetering van de dienstverlening. Tenslotte is mandaatverlening bij uitstek het middel om bevoegdheden lager in de organisatie te leggen en bij medewerkers het verantwoordelijkheidsgevoel te vergroten. Mandaat heeft gevolgen voor de verhouding tussen bestuur en medewerkers. Maar ook de verhouding tussen programmamanager en medewerker dient in het licht van mandaat aan een nadere beschouwing te worden onderworpen. In beginsel wordt mandaat verleend aan de gemeentesecretaris/algemeen directeur, de programmamanager of aan een teamcoördinator en in een enkel geval direct aan een medewerker. In door het bestuur bepaalde gevallen is ondermandaat mogelijk aan één of meer van zijn/haar medewerkers. De gemandateerde is en blijft tegenover het bestuur verantwoordelijk voor wat krachtens mandaat wordt besloten. Overigens is mandaat vooral gebaseerd op vertrouwen tussen bestuur en medewerker. Het bestuur moet er immers op kunnen vertrouwen dat de medewerker aan wie de bevoegdheid is gemandateerd over voldoende inschattingsvermogen beschikt om te kunnen beoordelen in welke gevallen terugkoppeling naar het college of naar de portefeuillehouder geboden is. De medewerker dient zich bewust te zijn van de aan hem/haar toegekende verantwoordelijkheden en zich te realiseren dat het hebben van verantwoordelijkheid direct gekoppeld is aan het afleggen van verantwoording. De medewerker zal zich in de eerste plaats moeten afvragen of het besluit dat genomen wordt in overeenstemming is met wet en andere regelgeving, maar even zo belangrijk is de inschatting of het bestuursorgaan ook zo zou besluiten als de medewerker voornemens is te doen. 3. Organisatiestructuur Programmastructuur De gemeente Baarn werkt met een indeling van de organisatie in programma’s: Met het programmatisch werken wordt, naast de pijlers van het Huis van Baarn, verder uitvoering gegeven aan de organisatievisie en –doelstelling. Met de programmatisch werkende organisatie wordt een strategische benadering en flexibiliteit bereikt. Deze is nodig om in te spelen op de dynamische omgeving, de steeds sneller veranderende vraag en externe ontwikkelingen. Dit vraagt een proactieve instelling en een organisatie die geëquipeerd is om mee te bewegen met deze ontwikkelingen. Binnen de organisatie worden in de managementstructuur twee hiërarchische lagen onderscheiden: - 1e echelon: algemeen directeur - 2e echelon: programmamanagers Daarnaast is er een hulpstructuur bestaande uit teamcoördinatoren die zijn belast met operationele dagelijkse aansturing gericht op werkverdeling en realisatie werkplanning e.d.. Het betreft hier geen extra hiërarchische laag. Een programma kenmerkt zich door: Samenhang in beleidsterreinen. Integrale doelen en daarmee samenhangend integrale acties – uitvoering – planning. Het samenbrengen van de drie besturingsniveaus per beleidsterrein (strategisch, tactisch en operationeel). Het programma Ondersteuning kenmerkt zich door: Ondersteunen van het primair proces (programma’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.