Verordening op de archeologische monumentenzorg (raadsbesluit van 17 december 2009) De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. Besluit vast te stellen de volgende VERORDENING op de archeologische monumentenzorg Artikel1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; archeologievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4, eerste lid van deze verordening; archeologische waarde: de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten als bedoeld in artikel 38a van de Monumentenwet 1988; archeologische waardenkaart: de bij deze verordening behorende kaart waarop de gebieden zijn aangegeven waar sprake is van archeologische waarde; gebied met hoge archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone op de archeologische waardenkaart met de aanduiding hoge archeologische waarde waar op basis van historische bronnen en archeologisch onderzoek een hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen bekend is; gebied met hoge archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone op de archeologische waardenkaart met de aanduiding hoge archeologische verwachting waar op basis van historische bronnen, archeologisch onderzoek en geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen wordt verwacht; gebied met archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone op de archeologische waardenkaart met de aanduiding archeologische verwachting waar op basis van historische bronnen, archeologisch onderzoek en geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht; opgravingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 45 van de Monumentenwet 1988. Artikel2Reikwijdte van de verordening 1.Deze verordening is gebaseerd op artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en is alleen van toepassing op de gebieden met archeologische waarde voor zover zij op de bij de verordening behorende archeologische waardenkaart zijn aangewezen. 2.Deze verordening is niet van toepassing op de bouwvergunningvrije bouwwerken als bedoeld in het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Staatsblad 2008, 94). Artikel3Archeologievergunning bouwwerkzaamheden 1.Het is verboden op of in de gronden die met een rode, gele of groene kleur zijn aangeduid op de archeologische waardenkaart zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerkzaamheden uit te voeren. 2.Het verbod, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet: in de matrix bij de legenda van de archeologische waardenkaart is aangegeven dat er gelet op de aard van de archeologische waarde en de omvang van de te verstoren oppervlakte geen vergunning nodig is; de bouwwerkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld geen verstoring; de bouwwerkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld geen verstoring en vinden niet plaats in de gronden die op de archeologische waardenkaart met een streeparcering zijn aangeduid; de bouwwerkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; de bouwwerkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende bouwvergunning; de bouwwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening; de bouwwerkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; de bouwwerkzaamheden worden verricht zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden; de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek. 3.Als één van de gevallen genoemd in het tweede lid zich voordoet zien burgemeester en wethouders af van nader onderzoek als bedoeld in artikel 38, eerste lid, sub b van de Monumentenwet 1988. Artikel4Archeologievergunning werkzaamheden 1.Het is verboden op of in de gronden die met een rode, gele of groene kleur zijn aangeduid op de archeologische waardenkaart zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden zijnde, uit te voeren: de werkzaamheden betreffen grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; de werkzaamheden betreffen het verlagen of verhogen van het waterpeil; de werkzaamheden bettreffen het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; de werkzaamheden betreffen het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur 2.Het verbod, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet: in de matrix bij de legenda van de archeologische waardenkaart is aangegeven dat er gelet op de aard van de archeologische waarde en de omvang van de te verstoren oppervlakte geen vergunning nodig is; de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld geen verstoring; de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld geen verstoring en vinden niet plaats in de gronden die op de archeologische waardenkaart met een streeparcering zijn aangeduid; de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of ontgrondingsvergunning; de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening; de werkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek. 3.Als één van de gevallen genoemd in het tweede lid zich voordoet zien burgemeester en wethouders af van nader onderzoek als bedoeld in artikel 38, eerste lid, sub b van de Monumentenwet 1988. Artikel5Voorwaarden aan de vergunning Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de bescherming van de archeologische waarden of verwachting voorwaarden aan de vergunning als bedoeld in de artikelen 3 en 4 verbinden. Artikel6Wijziging waardenkaart 1.Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet of op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college van burgemeester en wethouders de gebiedsindeling van de archeologische waardenkaart wijzigen door alsnog een gebied of terrein aan te wijzen als gebied van hoge archeologische waarde, hoge archeologische verwachting of archeologische verwachting. 2.Op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college de archeologische waardenkaart wijzigen door de categorie-indeling van een gebied of terrein te wijzigen naar een lagere categorie. Artikel7Intrekking vergunning De vergunning als bedoeld in de artikelen 3 en 4 kan door het college van burgemeester en wethouders worden ingetrokken als blijkt dat: de vergunning verleend is ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave; niet binnen 52 weken gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel8Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen. Artikel9Strafbepaling 1.Degene die handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. 2.Onder een handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3 en 4 wordt ook aangemerkt het faseren of splitsen van bouwwerkzaamheden of werkzaamheden met het kennelijke oogmerk om het verbod in de artikelen 3 en 4 te ontduiken. Artikel10Inwerkingtreding en toepassing 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van publicatie. 2.Deze verordening is niet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor 1 december 2009. Artikel11Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op de Archeologische Monumentenzorg Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 17 december 2009 De griffier, De voorzitter, Drs. A.A.H. Smits Mr. A. Wolfsen Publicatie is geschied op 21 december 2009. Deze verordening is in werking getreden op 22 december 2009. BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2009, NR. 77Toelichting op de verordening op de archeologische monumentenzorg1.Algemene toelichting archeologiebeleid (nota archeologiebeleid) 1.1 AanleidingAl sinds 1972 wordt in Utrecht systematisch archeologisch en bouwhistorisch onderzoek verricht. Dat is geen overbodige luxe in een stad die meer dan tweeduizend jaar geschiedenis kent. Zeker als het gaat over de eerste elf, twaalf eeuwen is het eigenlijk alleen de archeologie die iets over de geschiedenis van de stad kan vertellen. Deze betrokkenheid tot de geschiedenis van Utrecht is niet ontstaan omdat het moet, maar vanuit de wil om de geschiedenis een plek te geven in het stedelijke beleid. Als reactie op de grote veranderingen die er in de stad plaatsvonden door de bouw van Hoog Catharijne is vanuit de bevolking het Utrechtse Monumenten- en Archeologie-beleid ontstaan. De gemeente heeft daartoe bij de Rijksoverheid een opgravingbevoegdheid aangevaagd en verkregen. Het hiermee samenhangende beleid is breder dan alleen archeologie. Bouw- en stedenbouwhistorie behoren daar ook bij. De gemeente heeft archeologen, bouwhistorici en stedenbouwhistorici in dienst. Op het gebied van de regelgeving met betrekking tot archeologie is de afgelopen jaren veel veranderd. In de negentiger jaren heeft de Nederlandse overheid steeds meer oog gekregen voor het beheer van archeologische resten in onze bodem. Aan de basis daarvan staat de ondertekening van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg “Het Verdrag van Malta”. Sindsdien is het beleid gericht op het streven om archeologische waarden volwaardig mee te wegen bij beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. Na vele jaren van voorbereiding is het verdrag op 1 september 2007 wettelijk verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), een herziening en uitbreiding van de Monumentenwet 1988 (MW). Het doel van deze wet is het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Parallel daaraan heeft de rijksoverheid de laatste jaren een aantal initiatieven genomen om de plaats van de cultuurhistorie binnen de ruimtelijke ontwikkeling te versterken. De resultaten daarvan zijn onder andere terug te vinden in de Nota Ruimte, de Nota Belvedère en opeenvolgende Cultuurnota’s. De archeologie is daarmee integraal onderdeel geworden van het rijksbeleid op het gebied van de kwaliteit van de leefomgeving. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) met ingang van1 juli 2008 is het sluitstuk van het wetgevingstraject waarbij de verschillende wetten op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en cultuur nauwer op elkaar worden aangesloten. Eenzelfde tendens is waar te nemen in het provinciale beleid. Via het Streekplan (provinciale structuurvisie), de Cultuurhistorische Hoofdstructuur en de provinciale richtlijnen en toetsingskaders voor ruimtelijke plannen bestaat ook bij de provincie steeds meer aandacht voor het behoud van archeologische waarden, bijvoorbeeld als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Bovendien leidt het adagium 'centraal wat moet, decentraal wat kan' tot een verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed. Waar voorheen de provincie een wettelijke toetsende taak had op het gebied van de archeologie in bestemmingsplannen, is met de nieuwe Wro deze toetsing komen te vervallen. Bovendien moeten provincies zich in hun archeologiebeleid beperken tot die zaken die een direct provinciaal belang vertegenwoordigen. De gemeenten krijgen daardoor meer ruimte (en verantwoordelijkheid) ten aanzien van het gemeentelijke archeologiebeleid. De nieuwe Monumentenwet en de genoemde toegenomen aandacht voor de archeologische zorg binnen het ruimtelijke beleid hebben grote gevolgen voor de gemeente. Gezien de geleidelijke decentralisatie van overheidstaken, die het rijksbeleid op het gebied van ruimtelijke ordening en monumenten sinds de negentiger jaren kenmerkt, wordt de gemeente steeds meer de centrale spil bij het streven naar versterking van de kwaliteit van de leefomgeving en de daaraan gekoppelde zorg voor het culturele erfgoed. Vanwege het feit dat in Nederland het grootste deel van de ruimtelijke ingrepen op gemeentelijk niveau plaatsvindt, zijn gemeenten in de Wro en de Monumentenwet 1988 aangewezen als bevoegd gezag betreffende de zorg voor archeologische waarden. Bij ruimtelijke planvorming zal onze gemeente dan ook zelf nadrukkelijk rekening moeten houden met de bekende en te verwachten cultuurhistorische (waaronder archeologische) waarden binnen het eigen grondgebied. Aan besluitvorming en vergunningverlening kunnen zonodig voorwaarden worden verbonden. De gemeente dient zelf toezicht te houden op de uitvoering van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten en -indien het gaat om gemeentelijke (bouw) projecten– eventueel fungeren als opdrachtgever voor de noodzakelijke archeologische werkzaamheden. De provincie heeft op grond van artikel 44 in de Monumentenwet 1988 de bevoegdheid de gemeente achteraf te corrigeren. Voor zover bij de vaststelling van geldende bestemmingsplannen onvoldoende rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten, kunnen provinciale staten binnen het grondgebied van de provincie gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn, aanwijzen als archeologische attentiegebieden. Gezien het bovenstaande staat de gemeente van nu af aan voor de taak een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. De gemeentelijke organisatie dient te worden ingericht op het maken van dit soort afwegingen en de uitvoering van de bijbehorende taken. Voor gemeenten met een eigen opgravingbevoegdheid, zoals Utrecht, spelen nog andere vraagstukken. Bijvoorbeeld welke opgravingen de gemeente zelf uitvoert en in welke gevallen particuliere bureaus opgravingen uitvoeren. 1.2 DoelDe gemeente stelt zich tot doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Voorkomen moet worden dat waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen. Daarnaast biedt de Monumentenwet 1988 ruimte aan gemeenten om op een eigen manier de archeologische waarden te beschermen. Deze nota is het benodigde beleidskader om aan te geven op welke manier de gemeente Utrecht de ruimte benut die de Monumentwet biedt. Het doel van deze nota is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente streeft daarbij naar een juiste balans tussen het provinciale en rijksbeleid op het gebied van archeologie en de eigen invulling daarvan via het behoud van representatieve delen van het landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. De gemeente Utrecht heeft echter van oudsher al laten zien verder te willen gaan dan wat het Rijk in de Monumentenwet 1988 heeft geregeld. Het erfgoedbeleid van de gemeente Utrecht gaat verder voor wat betreft: het publieksbereik, het toegankelijk maken van de verworven kennis en het integreren van de onderzoeksresultaten ten behoeve van nieuwe historische beeldvorming. Dat betekent dat de formulering van het archeologiebeleid nauw verweven is met de eigen ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme. 1.3 LeeswijzerNa deze inleiding komen in het volgende hoofdstuk de beleidslijnen aan de orde. Daarna volgt de uitleg over de verordening op de archeologische monumentenzorg. Voor meer achtergrondinformatie over het wettelijk kader wordt verwezen naar Hoofdstuk 3 waarin het wettelijk kader is opgenomen. De nota sluit in paragraaf 2 af met een conclusie. 2.Beleid 2.1 InleidingIn deze paragraaf staan de beleidsuitgangspunten. Er zijn zes hoofdlijnen geformuleerd die in samenhang het gemeentelijk beleid vormen. Bij het opstellen van deze hoofdlijnen heeft de bescherming van archeologische waarden centraal gestaan. Er is echter ook nadrukkelijk gezocht naar een beleid dat publieksgericht is met zo min mogelijk regeldruk voor de burgers. 2.2 Behoud ex situ te beschouwen als goed alternatief voor behoud in situHet Verdrag van Malta is uitgangspunt geweest voor de wetgeving. Dit verdrag spreekt de voorkeur uit voor behoud van de archeologische waarden in de bodem (in situ) en streeft ernaar om, indien mogelijk, door planafwegingen verstoring van het bodemarchief te voorkomen. De achtergrond hiervan is dat verwacht wordt dat de onderzoeksmethoden in de toekomst zullen verbeteren en toekomstige generaties met andere vraagstellingen het bodemarchief moeten kunnen raadplegen. Archeologisch materiaal blijft het beste bewaard in de bodem en blijft op deze manier beschikbaar voor eventueel toekomstig onderzoek. Er zijn twee vormen van behoud van archeologische waarden: behoud in de bodem, ofwel in situ, of behoud nadat het materiaal uit de bodem is gehaald, ofwel ex situ. Het Verdrag van Malta streeft naar behoud in situ. Mocht er echter sprake zijn van belangen die erom vragen dat de bodem verstoord wordt, dan kan het materiaal uit de bodem (ex situ) worden gehaald. In een verstedelijkt gebied, zoals in de stad Utrecht, is het niet reëel om in alle gevallen uit te gaan van behoud in situ. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen altijd meerdere belangen een rol, bijvoorbeeld volkshuisvesting of economische belangen. Archeologie vormt één van de belangen waar in een vroeg stadium van de planvorming rekening mee moet worden gehouden. Daarbij staat uiteraard wel het behoud van de archeologische waarden voorop, maar dit hoeft niet perse in situ te zijn, het kan ook behoud ex situ zijn. 2.3 De veroorzaker betaalt de kosten voor onderzoek en opgravenIn de Monumentenwet is het verdrag van Malta ‘vertaald’ naar de Nederlandse praktijk. De Monumentenwet biedt de mogelijkheid voor behoud ex situ, maar verbindt daar de voorwaarde aan dat de veroorzaker betaalt. Oftewel de partij die het initiatief neemt tot het verstoren van de bodem is verantwoordelijk voor de kosten die zijn gemoeid met een eventuele opgraving. Uitgangspunt hiervoor is dat deze financiële lasten het verstoren van het bodemarchief zullen ontmoedigen. De gemeente dient deze wettelijke lijn door te voeren in het eigen beleid. Ten eerste wordt hiermee bereikt dat er een afweging wordt gemaakt of het gewenst is om de bodem te verstoren. Zijn de belangen voldoende groot om tot behoud ex situ over te gaan? Ten tweede komen de kosten van onderzoek en opgraving terecht bij degene die profijt heeft bij het verstoren van de bodem. 2.4 De wettelijke norm van 100 m2 aanpassen aan de hand van de archeologische waardenkaartBij de totstandkoming van de wet is door een amendement vrijstelling gegeven aan "bodemingrepen op huis- tuin- en keukenniveau". Dit wordt vertaald in artikel 40 waardoor bouwwerkzaamheden waar geen of lichte bouwvergunning voor nodig is buiten het wetsvoorstel vallen en artikel 41a waarin staat dat artikel 39, 40 en 41 niet van toepassing zijn op projecten kleiner dan 100 m2. Ook geeft artikel 41a gemeenten de vrijheid deze begrenzing naar eigen inzicht zowel naar beneden als naar boven bij te stellen. Afwijken van de wettelijke 100 m2 norm kan uitsluitend door de gemeenteraad worden bepaald. De motivatie van de gemeente om af te wijken is gebaseerd op de bekende en/ of de te verwachten archeologische resten in de bodem. De bekende en/of te verwachten archeologische resten zijn terug te vinden op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, die behoort bij de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Deze kaart is een verfijning van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Cultuurhistorische kaart van de Provincie Utrecht op basis van gemeentelijke kennis en onderzoeksresultaten. Op de archeologische waardenkaart staan met verschillende kleuraanduidingen gebieden binnen de gemeente aangegeven waar archeologische resten aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. Er zijn ook gebieden in de gemeente waarvan bekend is dat de bodem verstoord is of waar geen archeologische resten verwacht worden. Deze gebieden staan zonder kleuraanduiding op de archeologische waardenkaart. De archeologische waardenkaart vormt dus de basis om beslissingen te nemen ten aanzien van de 100 m2 norm. In de op de archeologische waardenkaart genoemde gevallen dient een archeologievergunning te worden aangevraagd en is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de kosten die hieruit voortvloeien. In de legenda van de archeologische waardenkaart staat per gebied aangegeven vanaf welke te verstoren oppervlakte een vergunning noodzakelijk is op basis van het gemeentelijk beleid. Daarnaast staat op de archeologische waardenkaart met een streeparcering de diepte vermeld waar de resten zich bevinden. Hier geldt een vergunningsplicht vanaf 0,30 meter diepte ten opzichte van het maaiveld in de met een arcering aangegeven gebieden en een vergunningplicht voor een diepte vanaf 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld in de gebieden zonder streeparcering. Bij de bouw- en andere werkzaamheden (waartoe ook sloopwerkzaamheden worden gerekend) wordt gekeken naar de daadwerkelijke bodemverstoring. In de archeologievergunning wordt aangegeven welke stappen moeten worden genomen om vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn en welke acties moeten worden genomen om deze eventuele resten ex situ te behouden en aan welke eisen moet worden voldaan. Oppervlakte te verstoren Hoge archeologische waarde Hoge archeologische verwachting Archeologische verwachting Geen verwachting 50 - 100 m2 Vergunning Geen vergunning Geen vergunning Geen vergunning 100 – 1.000 m2 Vergunning Vergunning Geen vergunning Geen vergunning > 1.000 m2 Vergunning Vergunning Vergunning Geen vergunning Tabel 1: vergunningplicht in de verschillende gebiedenBinnen de gemeente Utrecht geldt dat in sommige gebieden in Utrecht de norm van 100 m2 kan worden verlaagd en in sommige gebieden verhoogd. In gebieden met een hoge archeologische verwachting is de100 m2 norm verruimd en wordt pas bij initiatieven groter dan 1.000 m2 een archeologievergunning verplicht gesteld. Voor andere delen van Utrecht, de gebieden met hoge archeologische waarde geldt dat het bekend is dat hier veel archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. In deze gebieden bevat het bodemarchief veel waardevolle informatie. Daarom wordt in de gebieden met een hoge archeologische waarde de algemene norm van 100 m2 verlaagd en ook voor de initiatieven tussen 50 m2en 100 m2een archeologievergunning verplicht gesteld. Dit betekent dat voor (bouw)werkzaamheden beneden de 50 m2 in de daartoe aangewezen gebieden op de archeologische waardenkaart geen archeologievergunning nodig is. Bij de voorgestelde werkwijze kan het voorkomen dat er archeologische vondsten gedaan worden zonder dat er een vergunningsplicht geldt. In de Monumentenwet staat dat grondeigenaren en vinders van archeologische vondsten deze direct bij een gemeente moeten melden. In die gevallen draagt de gemeente de kosten die voortvloeien uit de gemelde vondsten. Zij heeft immers als bevoegd gezag de terreinen vrijgegeven om werkzaamheden in de bodem toe te staan. Dit kan voorkomen in de volgende gevallen: ingrepen < 50 m2in gebieden met een hoge archeologische waarde ingrepen < 100 m2 in gebieden met hoge archeologische verwachting ingrepen van < 1000 m2in gebieden met een archeologische verwachting ingrepen in gebieden zonder archeologische verwachtingswaarde. De gemeente wil voor deze gevallen toch een borging voor het behoud van het archeologisch bodemarchief ex situ inbouwen door middel van een eigen gemeentelijke ‘brandweerdienst’ die snel en flexibel kan reageren en onderzoeken conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De archeologische waardenkaart is een dynamische kaart. Uit onderzoek en opgravingen kunnen nieuwe feiten en gegevens naar voren komen. Gelet op het belang dat wordt toegekend aan deze kaart, is het belangrijk om hem actueel te houden. Het college past de archeologische waardenkaart aan indien uitgevoerd onderzoek hiertoe aanleiding geeft. Tot slot is er nog een categorie van gevallen, waarbij op basis van andere wet- en regelgeving (de m.e.r.-regelgeving en het Tracébesluit) een archeologische afweging gemaakt moet worden. In die gevallen geldt altijd een wettelijke onderzoeksplicht. Ook voor aangewezen archeologische gemeentelijke- en rijksmonumenten geldt in alle gevallen een wettelijke onderzoeksplicht. Op de archeologische waardenkaart is het Beschermde archeologische Rijksmonument op Utrechts grondgebied aangegeven. De verordening heeft hierbij meer een signalerende dan een regulerende werking. De Monumentenwet is op Beschermde archeologische Rijksmonumenten van toepassing. 2.5 Rol als bevoegd gezagDe gemeente heeft in de nieuwe wet een belangrijke rol als bevoegd gezag waaruit verschillende taken voortvloeien. De gemeente Utrecht wil met haar archeologiebeleid zorg dragen voor de volgende taken: de gemeente ontwikkelt en onderhoudt archeologische beleidsinstrumenten; de gemeente stelt een onderzoeksagenda op en onderhoudt deze; de gemeente houdt bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a Monumentenwet); de gemeente houdt met bekende en te verwachten archeologische waarden rekening in bestemmingsplannen; de gemeente brengt archeologische belangen in bij ruimtelijke ontwikkelingsplannen; de gemeente toetst bouwplannen en andere plannen (waaronder sloopplannen) met bodemingrepen groter dan de op de archeologische waardenkaart vermelde oppervlakten en de op deze kaart en in de artikelen 3 en 4 van de verordening vermelde diepten op archeologie; de gemeente informeert/adviseert derden over het bodemarchief en het archeologiebeleid; de gemeente voert bureauonderzoek uit of beoordeelt bureauonderzoek dat door derden is uitgevoerd; de gemeente stelt Programma’s van Eisen (PvE’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.