Verordening Wet investeren in jongeren 2009Hoofdstuk1Algemene bepalingen Verordening Wet investeren in jongeren 2009 (raadsbesluit van 1 oktober 2009) De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. Overwegende dat op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot: de inhoud van het werkleeraanbod; het verlagen van het bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste lid; het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wet; de wijze waarop jongeren, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet; het verhogen en verlagen van de norm bedoeld in artikel 35 van de WIJ. Besluit vast te stellen de volgende VERORDENING Wet investeren in jongeren 2009 Artikel1Definities 1.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); het college: het college van burgemeester en wethouders van Utrecht; gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28 van de wet; verlaging: de verlaging van de norm of de toeslag als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 van de wet; toeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 30 van de wet; werkleeraanbod: het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering en ondersteuning bij arbeidsinschakeling; algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; inkomensvoorziening: de inkomensvoorziening bedoeld in artikel 24 van de wet; stageovereenkomst: de overeenkomst die de jongere aangaat met de gemeente of diens rechtmatige waarnemer waarin de arbeidsverhouding gedurende het werkleeraanbod wordt geregeld; stagevergoeding: het inkomen behorende bij de stageovereenkomst; bonus: het deel van het inkomen behorende bij de stageovereenkomst, waarop de jongeren aanspraak kan maken als hij/zij de afspraken uit zijn persoonlijk plan nakomt; sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandig maatschappelijke participatie; scholing: vormen van onderwijs die niet bekostigd worden uit 's Rijks kas; startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs; WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of verlaging; gehuwdennorm de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid onderdeel d, van de wet; maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41van de wet; benadelingbedrag: het bedrag inclusief loonheffing dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de wet; woning: de woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; woonkosten: 1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; 2°.indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. 2.Tenzij anders aangegeven zijn op de begrippen in deze verordening de begripsom-schrijvingen van de wet van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk2Opdracht aan het college Artikel2Opdracht aan het college 1.Het college is verantwoordelijk voor het doen van een werkleeraanbod 2.Het college is verantwoordelijk voor het verstrekken van een inkomensvoorziening 3.Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid samen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering Hoofdstuk3Het werkleeraanbod Artikel3Algemene bepaling 1.Het college biedt jongeren een werkleeraanbod aan als bedoeld in en met inachtneming van artikel 17 van de wet. 2.Het college doet voor het definitieve werkleeraanbod een onderzoek naar de mogelijkheden, omstandigheden en bekwaamheden van de jongere. Artikel4Maatwerk 1.Op basis van het onderzoek volgens artikel 3 van deze verordening wordt een persoonlijk plan met de jongere opgesteld. Dit persoonlijke plan moet leiden tot een werkleeraanbod dat de jongere ondersteunt bij het behalen van een startkwalificatie of het vinden van reguliere arbeid. 2.Voor die jongeren waar het volgen van een opleiding of reguliere arbeid (nog) niet mogelijk is, zal het doel van het werkleeraanbod eerste instantie sociale activering zijn. 3.Voor alleenstaande ouders die geen scholing volgen in het kader van de Wet Verbetering Alleenstaande Ouders (WVAA) zal het werkleeraanbod afgestemd worden op hun omstandigheden. Artikel5Duur en intensiteit van het werkleeraanbod 1.De intensiteit van het werkleeraanbod zal 32 uur bedragen, tenzij 36 uur nodig is om een inkomen te genereren op het niveau van de WIJ. 2.Voor jongeren met beperkingen zal de intensiteit van het aanbod afgestemd worden op hun mogelijkheden. Het werkleeraanbod heeft een intensiteit van tenminste zestien uur per week. 3.Voor alleenstaande ouders die geen scholing volgen maar aan een werkleeraanbod deelnemen, zal de intensiteit tenminste zestien uur per week bedragen. 4.De duur van het werkleeraanbod zal afhankelijk zijn van de bekwaamheden en omstandigheden van de jongere 5.Het college stelt nadere regels vast over de duur, intensiteit en inhoud van het leerwerkaanbod. Artikel6Intrekking van het werkleeraanbod Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten valt. Hoofdstuk4De subsidies voor de werkgever Artikel7Algemene voorwaarden Het college kan werkgevers die een jongere in dienst nemen een subsidie verlenen voor de loonkosten. De artikelen in de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2004 (Gemeenteblad van Utrecht 2009, nr. 39) zijn hierbij van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk5Het inkomen bij een werkleeraanbod Artikel8Het inkomen bij een werkleeraanbod 1.De jongere ontvangt via het werkleeraanbod een stagevergoeding. 2.Het college stelt nadere regels over de vaststelling en de hoogte van de stagevergoeding. 3.Het college kan besluiten de door haar betaalde stagevergoeding te verdelen in een basisbedrag en een bonus. 4.De bonus wordt uitgekeerd nadat de jongere de afspraken van het persoonlijke plan is nagekomen. 5.Het basisbedrag en de hoogte van de bonus zijn samen minimaal gelijk aan de op de situatie van de jongere van toepassing zijnde norm en toeslagen conform de bepalingen van de wet en deze verordening. Hoofdstuk6De hoogte van de inkomensvoorziening Artikel9Doelgroep inkomensvoorziening Dit hoofdstuk is van toepassing op jongeren, die geen inkomen uit een werkleeraanbod ontvangen. Artikel10Toeslagen 1.De toeslag, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt: 20% van de gehuwdennorm, voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 20% van de gehuwdennorm voor de jongere die op basis van een commerciële relatie als kostganger of onderhuurder met anderen in dezelfde woning woont; 10% van de gehuwdennorm voor de jongere die inwoont bij zijn ouders of bij wie zijn ouders inwonen; 10% van de gehuwdennorm voor degene die al dan niet als verhuurder of kostgever met anderen in dezelfde woning woont. 0% indien artikel 28, derde lid van de wet van toepassing is. 2.De toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt verlaagd op grond van artikel 34, eerste lid, van de wet met een bedrag gelijk aan 15% van de gehuwdennorm indien belanghebbende een alleenstaande van 21 of 22 jaar oud is. Artikel11Verlaging gehuwden De verlaging, als bedoeld in artikel 31 van de wet, bedraagt: 10% van de gehuwdennorm voor degenen die inwonen bij hun ouders of bij wie hun ouders inwonen; 10% van de gehuwdennorm voor degenen die al dan niet als verhuurder of kostgever met anderen, niet zijnde hun eigen kinderen onder de 21 jaar, in dezelfde woning wonen. Artikel12Verlaging woonsituatie De verlaging, als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: 20% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere geen woonkosten verbonden zijn, dan wel waarvan de jongere de woonkosten niet kan aantonen; 20% van de gehuwdennorm indien de aan de woning verboden woonkosten minder bedragen dan 10% van de gehuwdennorm; 20% van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt. Artikel13Samenloop WIJ en WWB Indien de jongere als gehuwde aan te merken is en samenwoont met een partner die algemene bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand ontvangt, gelden in afwijking van de artikelen 10 en 11, de volgende bepalingen: De jongere op wie artikel 28, derde lid, van de wet van toepassing is, heeft geen recht op een toeslag als bedoeld in artikel 30 van de wet. De norm als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de wet wordt op grond van artikel 32 met 5% van de gehuwdennorm verlaagd, indien de jongere en diens partner inwonen bij hun ouders, of indien hun ouders bij hen inwonen, of indien zij al dan niet als verhuurder of kostgever met anderen, niet zijnde hun eigen kinderen onder 21 jaar, in dezelfde woning wonen. De norm als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de wet wordt op grond van artikel 32 met 10% van de gehuwdennorm verlaagd, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere geen woonkosten of woonkosten lager dan 10% van de gehuwdennorm verbonden zijn, dan wel waarvan de jongere de woonkosten niet kan aantonen, dan wel indien in het geheel geen woning wordt bewoond. De norm als bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de wet wordt op grond artikel 31 met 10% van de gehuwdennorm verlaagd, indien de jongere en diens partner inwonen bij hun ouders, of indien hun ouders bij hen inwonen of indien zij al dan niet als verhuurder of kostgever met anderen, niet zijnde hun eigen kinderen onder 21 jaar, in dezelfde woning wonen. De norm als bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de wet wordt op grond van artikel 31 met 20% van de gehuwdennorm verlaagd, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere geen woonkosten of woonkosten lager dan 10% van de gehuwdennorm verbonden zijn, dan wel waarvan de jongere de woonkosten niet kan aantonen, dan wel indien in het geheel geen woning wordt bewoond. Artikel14Anticumulatie 1.De toepassing van de artikelen 10 tot en met 12 geschiedt zodanig, dat de toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: gehuwden: 80% van de gehuwdennorm; alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm; alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm. 2.De toepassing van artikel 13 geschiedt zodanig, dat de toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: a.gehuwden: 80% van de gehuwdennorm; b.alleenstaanden: 40% van de gehuwdennorm. Hoofdstuk7Maatregelen Artikel15Opleggen maatregel 2.Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college bij wijze van maatregel, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. 3.Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen, zowel in de hoogte als in de duur ervan. Artikel16Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel17Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Artikel18Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien het college dringende redenen aanwezig acht. 2.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel19Ingangsdatum 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de verwijtbare gedraging in het verleden heeft plaatsgevonden en de inkomensvoorziening waarop belanghebbende sindsdien aanspraak kan maken, nog niet is uitbetaald. Artikel20Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm en bestaat uit een percentage daarvan. Artikel21Hoogte en duur van de maatregel 1.Bij de bepaling van de hoogte en de duur van de maatregel worden de volgende categorieën onderscheiden: eerste categorie: 20% van de norm gedurende een maand; tweede categorie: 50% van de norm gedurende een maand; derde categorie: 100% van de norm gedurende een maand. 2.Het college verdubbelt ofwel de duur ofwel de hoogte van de maatregel van een bepaalde categorie als de jongere zich binnen twaalf maanden na de bekendmaking van een eerder besluit tot het opleggen van een maatregel opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging waarop dezelfde of een hogere categorie van toepassing is. Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van artikel 14, tweede lid. 3.Op grond van dringende omstandigheden kan het conform het eerste lid vastgestelde percentage worden gehalveerd als dit meer bedraagt dan twintig procent van de norm, onder gelijktijdige verdubbeling van de duur van de maatregel. Artikel22Niet nakomen van de inlichtingenplicht met financieel nadeel Voor het niet nakomen van de verplichting op grond van artikel 43 van de wet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, legt het college, met inachtneming van de overige bepalingen in dit hoofdstuk, een maatregel op van: de eerste categorie bij een benadelingsbedrag tot EUR 2.000,00; de tweede categorie bij een benadelingsbedrag van EUR 2.000,00 tot EUR 4.000,00; de derde categorie bij een benadelingsbedrag van EUR 4.000,00 of meer. Artikel23Niet nakomen van overige verplichtingen Indien sprake is van het niet-nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 45 van de wet wordt, legt het college, met inachtneming van de overige bepalingen in dit hoofdstuk, een maatregel op van: de eerste categorie bij: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen meewerken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het stellen van onredelijke eisen in verband met de te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende naar beste vermogen verrichten van opgedragen werkzaamheden of activiteiten; het niet ondergaan van een noodzakelijke, door een arts geadviseerde, behandeling van medische aard. de tweede categorie bij: het geen of onvoldoende gebruik maken van een door het college op grond van artikel 3 en volgende van deze verordening aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering; het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de vereiste arbeidsbekwaamheid; het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling. Artikel24Zeer ernstig misdragingen Als een belanghebbende zich jegens het college zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, wordt, met inachtneming van de overige bepalingen van dit hoofdstuk, een maatregel opgelegd van de derde categorie. Hoofdstuk8Cliëntenparticipatie Artikel25De vorm van de participatie 1.De cliëntenparticipatie zal de vorm krijgen van panels die minimaal één keer per jaar bevraagd worden over hun ervaring met het werkleeraanbod. 2.Het college stelt nadere regels op over de wijze waarop de deelnemers aan deze panels geworven worden, zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en de wijze waarop zij van relevante informatie worden voorzien. Hoofdstuk9Misbruik Artikel26Bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet De Verordening handhaving Wet werk en bijstand 2008 (Gemeenteblad van Utrecht 2007, nr. 50) is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk10Slotbepaling Artikel27Citeerwijze en inwerkingtreding Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Wet investeren in Jongeren 2009 Deze verordening treedt in werking op 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.