Geconsolideerde tekst van de regeling De raad van de gemeente Dronten, gelezen het voorstel van het college van 11 mei 2010, No. B10.000622 gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1 onder b en artikel 18, lid 2 van de Wet werk en bijstand (Wwb); gezien het advies van de raadscommissie van juni 2010; B E S L U I T: vast te stellen de: Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010 HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: wet: de Wet werk en bijstand (Wwb); bijstand: De bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 en 3 van de wet; bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten. Artikel2.Afstemming 1.Onverminderd artikel 13 van de wet, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de belanghebbende toegekende uitkering, als de belanghebbende naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen. Artikel3.Berekeningsgrondslag 1.De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief de toepasselijke gemeentelijke toeslag. 2.In voorkomende gevallen kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als de woonsituatie daartoe aanleiding geeft. Artikel4.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden en duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. In het geval dat in een periode van 12 maanden voor de huidige maatregel eveneens een maatregel is opgelegd, wordt indien er sprake is van recidive, dit eveneens meegedeeld. Artikel5.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c.de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 danwel artikel 54 van de wet. Artikel6.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de wet, ziet het college af van het opleggen van een maatregel als: a.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden; het college dringende redenen aanwezig acht. naar oordeel van het college kan worden volstaan met een waarschuwing bij geringe verwijtbaarheid. 2.Als het college afziet van het opleggen van een maatregel wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7.Ingangsdatum 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden opgelegd met ingang van de datum waarop de maatregelwaardige gedraging is geconstateerd, als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3.De maatregel wordt niet ten uitvoer gebracht als de uitkering al is beëindigd. Artikel8.Samenloop 1.Als er sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. 2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. HOOFDSTUK2.HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN Artikel9.Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende inhoudende het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 9 en artikel 55 van de wet, alsmede gedragingen bedoeld in artikel 18 lid 2 van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het niet ingeschreven staan als werkzoekende bij het UWV werkbedrijf. het niet voldoen aan een opgelegde verplichting van artikel 55 van de wet. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijdstip aanwezig te zijn, zonder tegenbericht. d.het langer dan de wettelijke vakantieduur verblijven in het buitenland, ook als dit heeft geleid tot het beëindigen van het recht op bijstand. Tweede categorie: het onvoldoende meewerken aan een onderzoek met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een reïntegratietraject; b.het niet of onvoldoende meewerken aan het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid; c.het niet of onvoldoende meewerken aan de aangeboden activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling waaronder begrepen het langer dan de afgesproken periode vakantie houden waardoor het traject niet kan worden gevolgd; Derde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking; het beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als gevolg van het door eigen toedoen verliezen van arbeid in dienstbetrekking. Artikel10.De hoogte en duur van de maatrege l De maatregel wordt vastgesteld op: 10 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de eerste categorie; 20 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de tweede categorie; 100 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de derde categorie. De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand. HOOFDSTUK3.NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT Artikel11.Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente 1.Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17 en/of artikel 54, van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt een maatregel opgelegd van 5 procent van de bijstandsnorm. De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand. In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met uitzondering van het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a. Artikel12.Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente 1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17 en/of artikel 54 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand. De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20 procent van de bijstandnorm; c.bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40 procent van de bijstandsnorm; d.bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100 procent van de bijstandsnorm. De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een maand. Van een maatregel wordt afgezien: zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen; b.zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen. Artikel13.Verlaging van de bijstand in verband met te snel interen van vermogen 1.Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, door te snel interen van vermogen wordt de bijstand verlaagd. De maatregel bij een gedraging als bedoeld in artikel 1 bedraagt: bij te snel interen van minder dan € 2.300,00: 20% van de bijstandnorm gedurende 6 maanden; b.bij te snel interen van € 2.300,00 tot € 4.700,00: 20% van de bijstandnorm gedurende 9 maanden; c.bij te snel interen van € 4.700,00 tot € 11.700,00: 20% van de bijstandnorm gedurende 12 maanden; d.bij te snel interen van meer dan € 11.700,00: 20% van de bijstandnorm gedurende 18 maanden. Artikel14.Verlaging in verband met het niet gebruik maken van een voorliggende voorziening Indien belanghebbende door eigen toedoen geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening op de bijstand, verlaagt het college, indien deze gedraging heeft geleid tot hogere financiële uitgaven voor de gemeente, de bijstand met 10% voor de duur van de voorliggende voorziening met een maximum van 6 maanden. HOOFDSTUK4.ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN Artikel15.Zeer ernstige misdragingen 1.Als de belanghebbende zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40% van de bijstandsnorm. De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een maand. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven. 4.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met uitzondering van het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a. HOOFDSTUK5.RECIDIVE Artikel16.Recidive en cumulatie 1.De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien. 2.Indien de belanghebbende na de recidive volhardt in de gedraging kan het college de uitkering voor langere tijd verlagen dan wel het verlagingpercentage hoger vaststellen. Wanneer de verlaging wordt opgelegd over meer dan drie maanden, heroverweegt het college dit besluit telkens binnen een periode van ten hoogste twee maanden. 3.Als de belanghebbende binnen 12 maanden nadat een verlaging is opgelegd opnieuw de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt en dit leidt tot een benadelingsbedrag uit dezelfde of hogere categorie, wordt de duur van de verlaging verdubbeld. De minimale hoogte van de verlaging van de uitkering bedraagt in het geval van recidive 10%. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met uitzondering van het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a. 4.Indien er sprake is van verschillende verwijtbare gedragingen die zich tegelijk voordoen, vindt in beginsel, onverminderd artikel 2, tweede lid, cumulatie van de verlagingspercentages plaats. Artikel17.Het handhavingsbeleid Het college informeert jaarlijks de gemeenteraad over het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. HOOFDSTUK6.SLOTBEPALINGEN Artikel18.Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel19.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010 en werkt terug tot 1 jui
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.