Nuloptiebeleid t.a.v. coffeeshops Coffeeshopbeleid Politie Afdeling De Kempen Artikel 1 Inleiding Het drugsbeleid ten aanzien van softdrugs van de Regering is gericht op ontmoediging, schadebeperking en beheersbaarheid. Dit beleid bestaat uit een evenwichtige benadering van het softdrugsprobleem, vanuit de vraag- en aanbodkant, de gezondheidszorg en de invalshoek van de openbare orde. Het aantal coffeeshops is de afgelopen jaren, met name in de grotere steden in ons land enorm toegenomen. Dit is (mede) een gevolg van het strafrechtelijk gedoogbeleid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van softdrugs. Vanwege de negatieve uitstralingseffecten die de vestiging van coffeeshops met zich meebrachten zijn de grotere steden het aantal coffeeshops drastisch aan het verminderen. Het Kabinet steunt deze saneringsoperatie. Eén van de effecten van dit handelen is dat in toenemende mate kleine(re) gemeenten buiten het stedelijk gebied met (aanvragen tot) vestigingen van coffeeshops worden geconfronteerd. Ook is een toename van de vraag naar softdrugs te constateren: het aantal softdrugsgebruikers groeit. Indien gemeenten de vestiging van coffeeshops effectief willen reguleren dan dient hiertoe beleid vastgesteld te zijn door het lokale driehoeksoverleg. Dit beleid is tevens nodig om effectief te kunnen handhaven (zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk). Met de term coffeeshop wordt in deze notitie gedoeld op alcoholvrije inrichtingen (zogenaamde droge horeca) waar handel in en gebruik van softdrugs als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet plaatsvindt. Het gaat om een categorie van inrichtingen waarin softdrugshandel en softdrugsgebruik door het Openbaar Ministerie onder specifieke voorwaarden in principe wordt gedoogd. Alleen voor deze inrichtingen kunnen gemeenten een vestigingsbeleid vaststellen. Overige inrichtingen vallen binnen de reikwijdte van de strafrechtelijke handhaving (Opiumwet). Met het lokale coffeeshopbeleid voor de Politie Afdeling de Kempen wordt invulling gegeven aan de beleidsuitgangspunten ten aanzien van coffeeshops zoals die door het Regionaal College van de Politie Brabant Zuid-Oost zijn vastgesteld en wordt het lokale beleid (voor de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden) bepaald. Uitgangspunt van dit beleid is het voorkomen dat de veiligheid, de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de gezondheid van de inwoners in de gemeenten nadelig wordt beïnvloed als direct of indirect gevolg van de vestiging van een coffeeshop. Het coffeeshopbeleid staat niet op zichzelf, doch maakt deel uit van een breder, in ontwikkeling zijnd integraal drugsbeleid. Door deelname aan het project "Preventie Riskant Gebruik van Genotmiddelen" wil de gemeente onder meer beleid ontwikkelen ten aanzien van genotmiddelen op lokaal en regionaal niveau. Ook in het kader van het Integraal Veiligheidsbeleid zal de nadruk komen te liggen op de jeugd, mede in relatie tot druggebruik. Het op te zetten integraal drugsbeleid vormt het kader voor de aanpak van de drugsproblematiek in de brede zin en omvat de elementen preventie, repressie en hulpverlening. Artikel 2 Ontwikkelingen ten aanzien van coffeeshops Het strafrechtelijk gedoogbeleid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van softdrugs had oorspronkelijk tot doel om de markten van softdrugs en harddrugs te scheiden. Volgens het Kabinet hebben de bonafide coffeeshops bewezen een bijdrage te leveren aan de afscherming van softdrugsgebruikers tegen de wereld van harddrugs. Echter, veranderende externe factoren hebben geleid tot onvoorziene, negatieve neveneffecten van dit gedoogbeleid. Op de eerste plaats is de verkoop van geringe hoeveelheden softdrugs die aanvankelijk slechts werd toegelaten in jongerencentra in grote delen van het land allengs mede in handen gekomen van commerciële uitbaters. De kleinhandel in softdrugs heeft daardoor in de jaren tachtig en negentig in veel gemeenten een grote vlucht genomen. De veelheid aan coffeeshops in sommige gemeenten werkt overlast (verkeer, geluid, vandalisme en sociale onveiligheid) en tevens de handel in harddrugs in de hand (de opbrengst van de handel in softdrugs is vaak te klein voor een rendabele exploitatie). Naast een vergroting van het aanbod op de softdrugsmarkt is tevens een stijging in de vraag naar softdrugs waar te nemen: het gebruik van softdrugs neemt toe. De wildgroei van coffeeshops in de jaren tachtig en negentig in combinatie met een gebrek aan controle en voorlichting zijn mede debet aan de ontstane houding onder met name de jeugd ten aanzien van softdrugs. Er is een beeld ontstaan dat het gebruik van en de handel in softdrugs legaal zijn, dat het gebruiken van softdrugs volkomen onschadelijk is en dat gebruiken "normaal" is. Het bestaan van dit beeld wordt bevestigd door de resultaten van een recent gehouden GGD-onderzoek onder jongeren in Zuid-Oost Brabant. Een andere veranderende externe factor betreft de opkomst van de zogenaamde synthetische drugs, waaronder XTC. Het betreft hier veelal harddrugs die goedkoop en makkelijk verhandelbaar zijn. Het aantal gebruikers van deze synthetische drugs is de laatste jaren fors gestegen. De komst van de synthetische drugs heeft, aangezien deze niet in coffeeshops verhandeld mogen worden, de groei van straathandel en handel vanuit woonhuizen in de hand gewerkt. De straatdealers en huisdealers beperken zich veelal echter niet tot de handel in synthetische drugs, maar voorzien ook in andere soft- en harddrugs. Deze "ongecontroleerde" dealers zijn daarmee voor de afnemers vaak interessanter dan de "gecontroleerde" coffeeshop waar alleen softdrugs verkrijgbaar (mogen) zijn. De veronderstelling dat met de vestiging van een coffeeshop de straathandel en de handel vanuit woonhuizen zou afnemen is dan ook niet juist. Het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops als instrument om de scheiding van de softdrugsmarkt en de harddrugsmarkt te bewerkstelligen of te handhaven, werkt niet. Scheiding van markten lijkt met de (op)komst van de synthetische drugs een utopie geworden. Vóór de grote toename van het aantal coffeeshops in met name de (grotere) steden, werd drugsoverlast voornamelijk veroorzaakt door harddrugsverslaafden (verwervingscriminaliteit). Toename van het druggebruik en de handel in drugs (ook softdrugs) hebben tot gevolg dat de drugsoverlast vandaag de dag niet alleen verband houdt met harddrugs, doch ook gelieerd is met de handel in en het gebruik van softdrugs. Zowel de vestiging van een coffeeshop als het gebruik van (soft) drugs op straat in de woonomgeving wordt door omwonenden veelal beschouwd als een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit blijkt onder meer uit meldingen bij de politie en klachten bij de gemeente. Hierbij speelt de maatschappelijke acceptatie ten aanzien van drugs(handel) een rol: in een plattelandsgemeente zal men deze aantasting eerder ervaren dan in de (grotere) stad. Een van de factoren die bijdragen aan overlast in de nabijheid van coffeeshops is de aanzuigende werking die een coffeeshop uitoefent op klanten van buiten de gemeente. Deze aanzuigende werking reikt zelfs verder dan de landsgrenzen, waardoor de Nederlandse coffeeshops onderwerp van een internationale discussie zijn. Er kan niet aan voorbij worden gegaan dat het voor buitenlanders interessant is om in Nederland (soft)drugs te kopen, zeker na het wegvallen van grenscontroles. Het merendeel van de coffeeshops heeft dan ook klanten uit omliggende landen. Dit beeld wordt bevestigd door de resultaten van gerichte politieacties. Nationaal is de discussie gevoerd om de verkoop van softdrugs aan buitenlanders te verbieden. Een dergelijk verbod zou echter in strijd zijn met de Grondwet en kan om die reden niet worden ingesteld. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de algemene problematiek rondom softdrugs steeds groter wordt. Enkele jaren geleden beperkte de (verslavings) problemen zich tot de handel in en het gebruik van harddrugs. De laatste tijd worden de schadelijke gevolgen (en niet alleen ten aanzien van de gezondheid) van softdrugsgebruik en -handel ook steeds duidelijker. De toename van het (soft)druggebruik door jeugdigen (aantal gebruikers, frequentie) zoals die uit diverse onderzoeken blijkt, is alarmerend te noemen. Het is de vraag of het strafrechtelijk gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops als effectief instrument tegen de toenemende drugsproblematiek kan worden beschouwd. De hierboven weergegeven informatie biedt voldoende aanknopingspunten voor de noodzaak tot het opstellen van een lokaal coffeeshopbeleid. Dit lokale beleid is nader uitgewerkt in de hoofdstukken 3 en 4 van deze notitie. Artikel 3 Nuloptie-beleid De Kabinetsdrugsnota 'Het Nederlandse Drugsbeleid' van maart 1996 geeft gemeenten een handvat om een nulbeleid te voeren met betrekking tot coffeeshops. Letterlijk staat er: "het gemeentebestuur kan besluiten om binnen haar grenzen in het geheel geen coffeeshop toe te staan". De gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden wensen gebruik te maken van deze mogelijkheid om een zogenaamd nuloptie-beleid ten aanzien van coffeeshops te voeren. Dit betekent dat er in de gemeenten binnen de politie Afdeling de Kempen geen horeca-exploitatievergunningen aan coffeeshop(houder)s worden verleend en dat tegen illegale coffeeshops zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk zal worden opgetreden. Aan het nuloptie-beleid van de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden ligt de volgende motivering ten grondslag. Artikel 3.1 Samenhangend regionaal beleid Gezien de actuele problematiek met betrekking tot coffeeshops hebben de burgemeesters, de fungerend hoofdofficier van Justitie en de korpschef van de politie, in de vergadering van het Regionaal College van de politieregio Brabant Zuid-Oost van 18 juni 1997 de navolgende beleidsuitgangspunten vastgesteld: voor de regio Brabant Zuid-Oost wordt een restrictief beleid met betrekking tot coffeeshops voorgestaan; inwonertallen zijn hierbij niet maatgevend; de vestiging van coffeeshops wordt beperkt tot de gemeenten Eindhoven en Helmond; de overige gemeenten in de regio hanteren de nuloptie. Afwijken van dit vastgestelde beleid zou voor de gemeenten in de politie Afdeling de Kempen betekenen dat bij eventuele vestiging van een coffeeshop in één van de gemeenten in de afdeling een onevenredige toeloop op deze coffeeshop zou ontstaan. Het afzetgebied dat dan gecreëerd wordt is groter dan de betreffende gemeente. Redelijkerwijs kan verondersteld worden dat als gevolg van deze aanzuigende werking op de andere regiogemeenten een onacceptabele druk op het woon- en leefklimaat in de gemeente gelegd wordt. Overigens zou afwijking van het regionale beleid dit samenhangende beleid frustreren met alle negatieven gevolgen van dien. Artikel 3.2 (On)mogelijkheden ten aanzien van de controle op coffeeshops In gemeenten die niet kiezen voor de nuloptie maar een zogenaamd maximumstelsel ten aanzien van coffeeshops hanteren, of helemaal geen beleid terzake hebben geformuleerd, zullen de coffeeshops strikt op de gedoogcriteria van het Openbaar Ministerie moeten worden gecontroleerd (indien voor een maximumstelsel is gekozen en het aantal coffeeshops overstijgt het aantal dat is vastgelegd in het beleid, acht het Openbaar Ministerie de gedoogcriteria niet van toepassing op de boventallige coffeeshops en zal zij derhalve strafrechtelijk handhaven). Het gaat hierbij om de zogenaamde AHOJ-G criteria: niet afficheren geen verkoop van harddrugs geen overlast veroorzaken geen verkoop van softdrugs aan en geen toegang in coffeeshops van jongeren beneden de leeftijd van 18 jaar geen verkoop van grotere hoeveelheden dan 5 gram per keer per dag in een coffeeshop en de handelsvoorraad mag maximaal 500 gram bedragen De uitkomsten van het GGD-onderzoek "Jeugd en riskant gedrag" dat recent onder 16‑ tot 25‑jarigen in Zuidoost-Brabant is gehouden, illustreren de onmogelijkheid van deze handhaving. Een citaat uit het onderzoeksrapport: "Het kopen van softdrugs in een koffieshop is wettelijk pas toegestaan vanaf 18 jaar. Toch geeft meer dan de helft van de 16/17-jarige gebruikers aan, hasj/marihuana bij koffieshops te halen". Het toestaan van een coffeeshop betekent dat extra politiecapaciteit vrijgemaakt moet worden voor controle van de AHOJ-G criteria. Aangezien het regionale beleid voorziet in coffeeshops in Eindhoven en Helmond, is het uit effectiviteits- en efficiency-oogpunt beter de schaarse politiecapaciteit van de Afdeling de Kempen in te zetten ten behoeve van de opsporing van straatdealers en huisdealers en het optreden tegen overlast. De vestiging van een coffeeshop betekent immers niet dat de straathandel, de handel vanuit woonhuizen en/of de drugsoverlast afnemen. Artikel 3.3 Geografische ligging De gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden zijn grensgemeenten met goede verbindingen met België. Deze geografische ligging heeft voordelen voor de vestiging van een coffeeshop. De politie heeft in het verleden bij illegale verkooppunten in de Afdeling de Kempen meermaals voertuigen met buitenlandse kentekens gesignaleerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat, indien een coffeeshop in Bergeijk, Bladel, Eersel of Reusel-De Mierden gevestigd zou worden, deze zeker (veel) klanten uit het buitenland zou trekken. Dat daarmee voor de nodige overlast gevreesd kan worden behoeft geen nader betoog. De overlast van "drugstoerisme" is bekend uit andere grensgemeenten. Artikel 3.4 Bescherming van de jeugd Naast het voorkomen van overlast en aantasting van het woon- en leefklimaat beoogt het nul-optiebeleid ook een drempel op te werpen zodat jongeren niet direct de gelegenheid wordt geboden om met softdrugs in aanraking te komen. Uit de onder 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.