Nota inbreidingsbeleid Rijssen-Holten 2014De raad van de gemeente Rijssen-Holten overwegingen: - gelezen het voorstel van het college van 25 maart 2014; - gezien de bespreking in de commissie Grondgebied op 10 april 2014; besluit: De nota "Inbreidingsbeleid 2014" met de hieronder genoemde aanpassingen vaststellen. Beleid inbreidingslocaties 2014 april 2014 IInleiding 1.1Aanleiding Bij de politieke behandeling van de “inbreidingslocatie Stokmansveldweg” en “het toestaan van extra inbreidingslocaties in de kern Rijssen in de periode 2010 t/m 2014” als onderdeel van het Deltaplan, is gevraagd om heroverweging van het beleid op inbreidingslocaties en het inzichtelijk maken van de kwantitatieve effecten van het toestaan van extra inbreidingslocaties op het woningbouwprogramma. In deze notitie “Beleid inbreidingslocaties 2014” wordt de heroverweging van het beleid op inbreidingslocaties aan de orde gesteld. De kwantitatieve effecten van het toestaan van extra inbreidingslocaties komt aan de orde in de notitie “Kwantitatieve evaluatie woningbouwprogramma 2010 t/m 2014”. In de politieke discussie over het beleid inbreidingslocaties is naar voren gekomen dat in het huidige beleid en in de eerdere voorstellen tot wijziging van het beleid de vraag “of c.q. wanneer” inbreiding wordt toegestaan en een stedenbouwkundige onderbouwing daarvan, wordt gemist. Het nu voorgestelde beleid is opgesteld na analyse van diverse beleidsstukken over inbreidingslocaties van andere gemeenten en na raadpleging van de fractiespecialisten. 1.2Huidig beleid en werkwijze Het huidige beleid inbreidingslocaties ten behoeve van de woningbouw ligt vast in de onderstaande documenten: Woonvisie met relevante beleidsdocumenten zoals nota onderzoek naar inbreidingen in Rijssen-Holten van maart 2011. Het beleidsdocument stedenbouwkundige toetsing inbreidingslocaties van december 2002. De prestatieafspraken in combinatie met de woonvisie vormen het kwantitatieve en kwalitatieve kader(beleid) voor de realisering van woningbouw. Vaak is het zo dat inbreidingslocaties voor het grootste deel niet vooraf zijn aan te geven in een woningbouwplanning en ook moeilijk zijn in te plannen wanneer deze in uitvoering komen. Wanneer inbreidingslocaties zich aandienen dan worden deze stedenbouwkundig beoordeeld in samenhang met de beleidsregel toetsing stedenbouwkundige inbreidingslocaties uit 2002 en voor besluitvorming aangeboden. 1.3Leeswijzer De beleidsnotitie is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt het doel van het op te stellen beleid beschreven en algemene uitgangspunten aangegeven. In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wanneer inbreiding onder voorwaarden mogelijk is. In hoofdstuk 4 worden de voorwaarden uitgewerkt en wordt aangegeven wanneer en hoe een stedenbouwkundige onderbouwing moet worden opgesteld. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven wanneer een gebiedsvisie moet worden opgesteld en in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op o.a. procedurele aspecten. In hoofdstuk 7 is een en ander weergegeven in een processchema. 2Doel beleid inbreidingslocaties en algemene gemeentelijke beleidsuitgangspunten Het doel van deze beleidsnotitie is om verzoeken om te mogen inbreiden transparant te kunnen beoordelen en hieraan voorwaarden te verbinden voor de realisatie van één of meerdere woningen binnen het stedelijk gebied. Doel van het beleid is eveneens om de leefbaarheid te ondersteunen en de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied te behouden. Gemeente Rijssen-Holten wil een ruimtelijk beleid voeren dat er op gericht is om de leefbaarheid te ondersteunen en impulsen te geven aan eenlevensloopbestendige gemeente. Inbreiding draagt hier aan bij, maar dit mag niet ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit in de wijken en buurten. Het beleid inbreidingslocaties schept de kaders waarbinnen verantwoord kan worden ingebreid. De toekomstvisie van Rijssen-Holten staat beschreven in de Strategische Visie. In de visie staat dat de markt van de woningbouw kantelt van aanbod- naar vraaggericht: de consument zegt hoe hij wil wonen en de ontwikkelaar/bouwer richt zich daarop. De gemeente schept de planologische kaders in de vorm van bestemmingsplannen, bouwplannen, etc. Binnen deze omkadering kunnen bedrijven bouwen wat de markt vraagt. Hierbij laat de gemeente zoveel mogelijk speelruimte vrij voor de eigen invulling van woonconcepten. Waar mogelijk vermindert de gemeente de regels waaraan de ontwikkelaars zich moet houden. In ons huidig woningbouwbeleid staat dat, door de beperkingen met betrekking tot uitbreiding, inbreiding - het bouwen van huizen in een bestaande wijk of straat - en aanpassen van bestaande bouw nog belangrijker wordt.Ruimte is schaars, hierdoor is inbreiding onder voorwaarden mogelijk. Regelmatig worden verzoeken gedaan om medewerking aan wijziging van bestemmingsplannen om de bouw van woningen in de bestaande woonomgeving mogelijk te maken c.q. vrijkomende locaties in te vullen. Om enige richting te kunnen geven aan het toetsen van verzoeken voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is beleid nodig. Naast uitgangspunten en stedenbouwkundige voorwaarden zijn er nog andere voorwaarden gesteld waaraan getoetst wordt. In lijn met de bovengenoemde algemene beleidsmatige uitgangspunten is het beleid inbreidingslocaties opgesteld. 3Wanneer is inbreiding (onder voorwaarden beschreven in hoofdstuk 4) mogelijk 3.1Algemene uitgangspunten 3.1.1.Invulling van geldende bouwrechten valt buiten onderhavige beleid. Onder geldend bouwrecht wordt in dit kader verstaan een aanduiding in het geldende bestemmingsplan dat er ter plaatse een woning gebouwd mag worden dan wel de mogelijke herbouw van een woning kan plaatsvinden. Voor de bouw van extra woningen of woningsplitsing is altijd een bestemmingsplanwijziging of passende ruimtelijke procedure nodig. 3.1.2.Inbreiding kan alleen plaatsvinden binnen de grenzen van de bestemmingsplannen Wonen Holten, Wonen Rijssen, Kern Rijssen en Kern Holten met uitzondering van de gebieden Holterberg en Look (zie kaarten op bijlage 1). 3.1.3.Dit beleid heeft betrekking op verzoekenmet betrekking tot woningbouw. 3.1.4.Splitsing van woningen wordt gezien als inbreiding. De mogelijkheden in het bestemmingsplan buitengebied staan los van dit inbreidingsbeleid. 3.1.5.In de onder 3.1.2. genoemde bestemmingsplannen vastgelegde bestemmingenGroen/Bos (zowel openbaar als particulier), Water, Verkeer, die structurerend van aard zijn,worden in principe niet aangetast ten behoeve van inbreiding tenzij naar aanleiding van een opgestelde gebiedsvisie anders wordt besloten. Hierbij moeten dan een verbetering van de stedenbouwkundige structuur of het oplossen van een stedenbouwkundig of maatschappelijke knelpuntaan de orde zijn. 3.1.6.Het verzoek moet kwantitatief en kwalitatief passen binnen het beleid van de gemeentelijk woonvisie met daarbij behorende woningbouwprogramma. 3.2Inbreiding is (onder voorwaarden - zie hoofdstuk 4) mogelijk op onderstaande locaties: 3.2.1. Wanneer de locatie valt binnen de bestemming wonen c.q. valt binnen een bestemming waar wonen is toegestaan van de onder 3.1.2 genoemde bestemmingsplannen of; 3.2.2. Sanering van een milieuhinderlijk bedrijf binnen de onder 3.1.2. genoemde bestemmingsplannen of; 3.2.3. Oplossen van een milieuknelpunt (b.v. een bodemverontreiniging of een geluidsprobleem) binnen de onder 3.1.2. genoemdebestemmingsplannen of; 3.2.4. Als voor een gebouw (geen woning) geen passende andere bestemming gevonden kanworden en woningbouw hierbij kan bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (leegstand leidt tot verpaupering) binnen de onder 3.1.2. genoemde bestemmingsplannen of; 3.2.5. Een bestemming van een perceel die niet meer past in de woonomgeving, binnen de onder 3.1.2. genoemde bestemmingsplannen of; 3.2.6. Verbeteren van de stedenbouwkundige structuur van een woonomgeving of; 3.2.7. Wanneer hiermee een stedenbouwkundig of maatschappelijk knelpunt kan worden opgelost. 4Voorwaarden die op de mogelijke inbreidingslocaties van toepassing zijn: 4.1.Er moet een stedenbouwkundig ontwerp en/of onderbouwing worden opgesteld als: Er nu geen woonbebouwing aanwezig is op de potentiele ontwikkellocatie of; Het totale perceel, inclusief de potentiele ontwikkellocatie, groter is dan 1500 m2 of; In de nieuwe situatie appartementen worden gebouwd of; Er een functiewisseling plaats vindt of; Er is of zijn binnen het plangebied monumenten (Rijks/gemeentelijk) aanwezig of ze bevinden zich binnen het zicht of directe nabijheid van het plangebied of; Bij beïnvloeding van dorps- c.q. stads front/dorps- c.q. stadsaanzicht. Is er geen sprake van één van bovengenoemde gevallen dan hoeft er geen stedenbouwkundige ontwerp en/of onderbouwing opgesteld te worden. Maar moet wel worden voldaan aan de in hoofdstuk 4.2. genoemde toets criteria, om een goede plattegrond en goede stedenbouwkundige inpassing in de omgeving te garanderen. 4.2Waaraan moet het stedenbouwkundig ontwerp en/of onderbouwing voldoen: Het stedenbouwkundig ontwerp en/of onderbouwing moet aan onderstaande voorwaarden voldoen: Bebouwing moet als logisch worden beschouwd. Moet iets toevoegen aan de ruimtelijke situatie; Aantoonbare verbetering van de bestaande situatie. Logische aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur. Samenhang met de omgeving. Woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast. Bij de uitwerking moet ook rekening worden gehouden met de onderstaande toets criteria: (de genoemde kavelafmetingen (ad.4) zijn niet van toepassing voor de onder 4.1. genoemde appartementen en functiewisselingen). Toets criteria: De kavel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.