← Nederland

Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu. (Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013) (PMV)

Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu. (Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013) (PMV)Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu Op voorstel van Gedeputeerde Staten van 11 december 2012, nr. 80D709E7; Gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer; Gezien het advies van de Provinciale Commissie Leefomgeving (PCL) Utrecht van 27 april 2012; Overwegende dat het nodig is de provinciale milieuverordening te actualiseren en te vereenvoudigen; Besluiten de volgende verordening vast te stellen: HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Definities 1 In deze verordening wordt verstaan onder: bodemenergiesysteem: een open of gesloten bodemenergiesysteem; boorput: boring of een met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put; boringsvrije zone: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer; buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; diepinfiltratie: infiltratie van hemelwater in de bodem, op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld; drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drink-waterwet; gehandicaptenvoertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen; gesloten bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie; gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; grond- of funderingswerk: werk in de bodem, daaronder begrepen sonderingen, het plaatsen of verwijderen van palen, dam-, scherm- of diepwanden en folies; grondwaterbeschermingsgebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer; inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; LAeq,1h/ LAeq, 24h: A-gewogen equivalent geluidsniveau ten opzichte van een referentiedruk van 20 Pa over een periode van 1 uur respectievelijk 24 uur, met als eenheid: dB(A); langzaamverkeer: niet-motorvoertuigen (bijvoorbeeld bromfiets, brommobiel, gehandicaptenvoertuig), fietsers, voetgangers, geleiders/berijders van een dier, en motorvoertuigen met een snelheidsbeperking (zoals landbouwvoertuigen). luchtvaartuig: luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart; motorrijtuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994; niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof: stof die als zodanig is aangewezen in bijlage 6 bij deze verordening; openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de wegen die krachtens deze wet alleen openstaan voor voetgangers of fietsers; open bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen in de zin van de Waterwet, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie; parkeerplaats: locatie bestemd voor het parkeren van motorrijtuigen; potentieel voor het grondwater schadelijke stof: stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer; stille kern: het feitelijk stille gebied binnen een stiltegebied, zoals op de kaart in bijlage 3 bij deze verordening is aangeduid; stiltegebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer; toestel: toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van een motorrijtuig en een vaartuig; verharding: alle parkeerplaatsen, alsmede wegen, paden, pleinen en erven met een verhard oppervlak die zijn bestemd of mede bestemd voor verkeer met motorvoertuigen; waterscooter: motorboot als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, onder 18, van het Binnenvaartpolitieregelement; waterwingebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer; 100-jaarsaandachtsgebied: het gebied dat als extra schil om een grondwaterbeschermingsgebied heen ligt, zoals weergegeven in bijlage 2 bij deze verordening. 2 Met betrekking tot de begrippen ‘aardwarmte’, ‘delfstoffen’, ‘opsporen van aardwarmte’, ‘opsporen van delfstoffen’’, ‘winnen van aardwarmte’ en ‘winnen van delfstoffen’ in de met de letters w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen in bijlage 5 bij deze verordening is artikel 1 van de Mijnbouwwet van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 Inspraak 1 Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van: een provinciaal milieuprogramma of de wijziging daarvan; een provinciaal milieubeleidsplan of de wijziging daarvan; een wijziging van deze verordening. 2 Bij de toepassing van het eerste lid dragen Gedeputeerde Staten er zorg voor dat een ieder bij hen zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren kan brengen Artikel 3 Toepassingsbereik agrarische bedrijfsvoering Deze verordening is niet van toepassing op agrarische bedrijfsvoering in de gebieden die op grond van artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer zijn aangewezen. HOOFDSTUK 2 BESCHERMING GRONDWATER MET HET OOG OP DE WATERWINNING Paragraaf 1 Beschermingsgebieden Artikel 4 Bijzondere zorgplicht grondwater 1 Een ieder is verplicht verontreiniging van het grondwater in een beschermingsgebied als bedoeld in artikel 5 te voorkomen of, voor zover verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2 Degene die grondwater verontreinigt of dreigt te verontreinigen, dan wel degene onder wiens verantwoordelijkheid dit gebeurt, informeert terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het betrokken drinkwaterbedrijf. Daarbij wordt aangegeven welke maatregelen zijn of worden genomen ter voorkoming, beperking of ongedaanmaking van de verontreiniging. 3 Dit artikel geldt niet: voor zover artikel 1.1a, artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; met betrekking tot inrichtingen. Artikel 5 Aanwijzing beschermingsgebieden 1 De beschermingsgebieden, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, zijn met hun onderverdeling in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones of 100- jaarsaandachtsgebieden aangewezen op de lijst- en kaartbijlagen 1 en 2 bij deze verordening. 2 Gedeputeerde Staten kunnen een grens van een beschermingsgebied nader bepalen. 3 Gedeputeerde Staten kunnen een beschermingsgebied opheffen indien de waterwinvergunning die samenhangt met het betreffende gebied is ingetrokken; 4 Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied dan wel daaraan grenzen, op of bij de grenzen van dat gebied bijbehorende borden waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, deel I, bij deze verordening. 5 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd bijlage 4, deel I, bij deze verordening te wijzigen. Paragraaf 2 Regels voor waterwingebieden Artikel 6 Verboden inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in waterwingebieden 1 Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht. 2 Het eerste lid geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een waterwingebied gelegen inrichting betreft en de boorput onder een waterwingebied is gelegen. 3 Het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, als het oprichten of in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 7 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden 1 Het is buiten een inrichting in een waterwingebied verboden: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die deze handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem ver¬ontreinigen of kunnen verontreinigen; een constructie of werk op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de bescher¬mende werking van bo¬demlagen ontstaat of kan ontstaan; handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem. 2 Onder de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet alsmede gewas¬beschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. 3 Onder de constructies of werken, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreser¬voirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as. Artikel 8 Vrijstellingen artikel 7 1 De verboden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, gelden niet voor: het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening; aardgasleidingen; het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoer¬tui¬gen, motorwerktuigen of bromfietsen; het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deug¬de¬lijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbe-schermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van nor¬maal gebruik bij die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van bewei¬ding; het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van water¬gangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodem¬kwaliteit; het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembe-scherming en de Wet milieubeheer; het aanleggen en in stand houden van rioleringen door het waterleidingkanaal van het waterwingebied Bethunepolder, die aansluiten op bestaande rioleringen. 2 De verboden, gesteld in artikel 7, gelden niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, als de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 9 Buitengebruikstelling boorput 1 Bij buitengebruikstelling van een boorput is de eigenaar of exploitant verplicht binnen twee weken daarna die boorput te laten afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/

  1. 2 Bij verwijdering van heipalen in de gebieden, genoemd in artikel 16, tweede lid, onder a, dient het ontstane gat zoveel mogelijk te worden afgedicht met bentoniet. 3 Degene die het voornemen heeft tot afdichten als bedoeld in de vorige leden, meldt dit aan Gedeputeerde Staten. Op de melding is artikel 31 van toepassing. Paragraaf 3 Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder Artikel 10 Toepasselijke regime Bethunepolder 1 Voor het waterwingebied Bethunepolder, met uitzondering van het waterleidingkanaal, geldt niet paragraaf 2 (Regels voor waterwingebieden) maar gelden: deze paragraaf (Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder), en paragraaf 4 (Regels voor grondwaterbeschermingsgebieden). 2 Voor het waterleidingkanaal, bedoeld in het eerste lid, geldt paragraaf 2 (Regels voor waterwingebieden). Artikel 11 Bestrijdingsmiddelen en glyfosaat Bethunepolder 1 Het is in het waterwingebied Bethunepolder, met uitzondering van het waterleidingkanaal, verboden bestrijdingsmiddelen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen. 2 Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt niet voor het in een besloten ruimte voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een geringe hoeveelheid van een gewasbeschermingsmiddel of biocide, als dit: zonder bewerking kan worden toegepast; dient of gediend heeft voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig is van normaal gebruik binnen een gebouw; bewaard wordt in een deugdelijke verpakking, en afdoende beschermd is tegen weersinvloeden. 3 Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt niet voor de toepassing van glyfosaat voor het bestrijden van de onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland, indien deze toepassing plaatsvindt: als bestrijding met niet-chemische middelen redelijkerwijs niet kan worden gevergd; volgens de onkruidbestrijkingsmethode; door een deskundige met een licentie als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; als de weersomstandigheden dat toelaten en de hoogte van het gras redelijkerwijs geen beletsel vormt om de onkruiden aan te strijken zonder het gras te raken, en tevens met inachtneming van een afstand van tenminste één meter tot geulen en greppels en tenminste twee meter tot sloten. Artikel 12 Meldingsplicht glyfosaat Bethunepolder 1 Degene die het voornemen heeft om tijdens een groeiseizoen glyfosaat overeenkomstig artikel 11, derde lid, toe te passen, meldt dit aan Gedeputeerde Staten en het betrokken drinkwaterbedrijf. 2 Op de melding is artikel 31 van toepassing, met dien verstande dat: het voornemen tot toepassing van glyfosaat tenminste twee weken van tevoren schriftelijk aan Gedeputeerde Staten wordt gemeld, en tenminste 24 uur van tevoren telefonisch aan het betrokken drinkwaterbedrijf; de schriftelijke melding plaatsvindt met behulp van een daarvoor vastgesteld formulier; de melding niet meer dan één groeiseizoen betreft; en Gedeputeerde Staten de melder binnen vijf werkdagen een schriftelijke bevestiging van ontvangst zenden. Artikel 13 Parkeren Bethunepolder 1 Onverminderd het gestelde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 en in afwijking van artikel 16, eerste lid, onder i, is het in het waterwingebied Bethunepolder toegestaan om te parkeren: in de wegberm langs de Nieuweweg op de door het bevoegde gezag aangewezen parkeerplaatsen ten behoeve van zomerrecreatie bij De Strook, en in wegbermen en op weilanden op de door het bevoegde gezag aangewezen parkeerplaatsen ten behoeve van schaatsrecreatie. 2 Parkeerplaatsen als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden slechts aangewezen, voor zover er geen toereikende alternatieve parkeermogelijkheden aanwezig zijn, de ondergrond van bedoelde wegbermen en weilanden bevroren is en na overleg met het drinkwaterbedrijf. 3 Bij de aanwijzing van parkeerplaatsen, bedoeld in het eerste lid, onder b, treft het bevoegd gezag alle maatregelen die nodig zijn om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, voor zover verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Paragraaf 4 Regels voor grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 14 Verboden inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage 5 bij deze verordening. Dat verbod geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een grondwaterbeschermingsgebied gelegen inrichting betreft en de boorput onder een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. Artikel 15 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, in ieder geval de volgende voorschriften: in de inrichting geen sprake mag zijn van een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof, tenzij het gaat om: een kleine werkvoorraad van maximaal 25 liter of kilogram; een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof, waarvan Gedeputeerde Staten bepaald hebben dat deze vanwege haar specifieke eigenschappen geen gevaar vormt voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening; een door Gedeputeerde Staten aangewezen categorie van gevallen waarin de niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof vanwege specifieke gebruiksomstandigheden geen gevaar vormt voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening. in de inrichting uitsluitend sprake mag zijn van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof tot de hierna aangegeven hoeveelheid: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage 7 bij deze verordening: de in die bijlage aangegeven hoeveelheidsdrempel; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof: maximaal 5 kubieke meter per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof; maximaal 5000 kilogram per opslageenheid bij een visceuze of vaste stof. 2 Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting waar een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onder b, het voorschrift dat de bodembeschermende voorzie¬ningen en maatregelen worden toegepast die de hoogst mogelijke vorm van be¬scherming bieden. Hieronder wordt verstaan dat opslag bovengronds en boven een vloeistofdichte voorziening plaatsvindt en dat proces of overslag boven een vloeistofdichte of vloeistofkerende voorziening plaatsvinden. In geval van een vloeistofkerende voorziening worden aan de omgevingsvergunning bedrijfsvoeringsvoorschriften verbonden met tenminste eenzelfde inhoud als artikel 2.3 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. 3 In aanvulling op dit artikel verbindt het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, voorschriften met eenzelfde inhoud als artikel 16 en 17, voor zover het een activiteit vanuit de inrichting betreft. 4 De voorschriften, bedoeld in dit artikel, zijn rechtstreeks van toepassing op inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, en op activiteiten binnen die inrichtingen. 5 Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden. Artikel 16 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 1 Het is buiten een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied verboden: boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld; een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veran¬deren of te verleggen; werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem; meststoffen op of in de bodem te brengen; een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben; afstromend hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te lozen; afstromend hemelwater van gebouwen en verhardingen binnen de bebouwde kom op of in de bodem te lozen; een parkeerplaats voor meer dan 10 voertuigen of met een groter oppervlak dan 150 vierkante meter aan te leggen, in stand te houden, uit te breiden dan wel daarop te laten parkeren, voor zover deze niet voorzien is van een deugdelijke aaneengesloten verharding. 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, en b, geldt: voor de grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden een diepte van 3 meter of meer onder maaiveld; voor de grondwaterbeschermingsgebieden Driebergen, Leersum en Rhenen een diepte van 10 meter of meer onder maaiveld; voor het grondwaterbeschermingsgebied Beerschoten een diepte van 30 meter of meer onder maaiveld. 3 Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden. Artikel 17 Vrijstellingen artikel 16 1 Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening; Het realiseren van horizontaal gestuurde boringen in de in artikel 16, tweede lid onder a gedefinieerde grondwaterbeschermingsgebieden, indien andere werkmethoden aantoonbaar niet toepasbaar zijn, in de volgende situaties: onder watergangen, waarbij de diepte van de watergang vanaf maaiveld groter is dan 2 m; onder kruisingen van belangrijke (spoor)wegen. De volgende voorwaarden zijn hierbij van toepassing: de diepte van de onderkant van de boring is niet dieper dan 10 meter onder het maaiveld; de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatste van het in-/uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; de vrijkomende grond wordt niet zonder bescherming opgeslagen of verspreid over het perceel; Indien de horizontale boring dient ten behoeve van de aanleg van een riool, dient de mantelbuis te worden voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers. bronbemalingen; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming; sonderingen; ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet; grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; schroefpalen. 2 Het verbod voor het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder c, geldt niet, als met een risico¬analyse van een deskundige overeenkomstig Richtlijn PGS 3 “Guidelines for quantitative risk assesments” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie. 3 Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en d, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als: aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak, en hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet. 4 Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder e, geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: dierlijke meststoffen; anorganische meststoffen, compost of kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. 5 Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder f, geldt niet voor het hebben of uitbreiden van een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats, als daardoor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning niet negatief wordt beïnvloed. Bij een begraafplaats of uitstrooiveld wordt de Inspectierichtlijn Lijkbezorging in acht genomen. 6 Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder h, geldt niet voor het lozen van afstromend hemelwater van: gebouwen waaraan vanuit het dakmateriaal, de gevels, de hemelwaterafvoer of anderszins tot aan het op de bodem brengen geen verontreinigende stoffen worden toegevoegd of redelijkerwijs kunnen worden toegevoegd; verhardingen die schoon of beperkt schoon zijn dan wel verhardingen die deel uitmaken van particuliere erven en tuinen; andere gebouwen en verhardingen waarbij afstromend hemelwater wordt geleid door een doelmatig werkend zuiveringssysteem waardoor de kwaliteit van het geinfiltreerde water minimaal voldoet aan de streefwaarden, genoemd in de Circulaire bodemsaneringen 2013, bijlage 1, tenzij het betreft: gebouwen met grote gevels of daken met uitloogbare materialen die in contact staan met hemelwater; verhardingen waar chemische onkruidbestrijding plaatsvindt; verhardingen van bedrijfsterreinen, marktplaatsen, laad- en losplaatsen, overslagterreinen, busstations, trambanen en tunnels (met uitzondering van tunnels voor langzaamverkeer). 7 Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 18 Meldingsplicht grondwaterbeschermingsgebieden Degene die het voornemen heeft om binnen de vrijstelling van artikel 17: een horizontaal gestuurde boring uit te voeren; een grond- of funderingswerk uit te voeren; een buisleiding te vervangen, te veranderen of te verleggen; een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats uit te breiden of te veranderen; afstromend hemelwater van gebouwen en verhardingen binnen de bebouwde kom op of in de bodem te lozen, meldt dit bij Gedeputeerde Staten. Op de melding is artikel 31 van toepassing. Paragraaf 5 Regels voor boringsvrije zones Artikel 19 Inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in boringsvrije zones 1 Het is verboden in een boringsvrije zone een inrichting op te richten of in werking te hebben, indiendie inrichting behoort tot de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingendie zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze verordening. 2 Het eerste lid geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een boringsvrije zone gelegen inrichting betreft en de boorput onder een boringsvrijezone is gelegen. 3 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, in ieder geval voorschriften met eenzelfde inhoud als de artikelen 20 en 21, voor zover het een activiteit vanuit de inrichting betreft. 4 De voorschriften, bedoeld in dit artikel, zijn rechtstreeks van toepassing op inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, en op activiteiten binnen die inrichtingen. 5 Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden. Artikel 20 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones 1 Het is buiten een inrichting in een boringsvrije zone verboden: boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld; werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem. 2 In afwijking van het eerste lid geldt: voor de boringsvrije zones Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg een diepte van 10 meter of meer onder maaiveld; voor de boringsvrije zone Veenendaal een diepte van 30 meter of meer onder maaiveld; voor de boringsvrije zone WCB Nieuwegein een diepte van 60 meter of meer onder maaiveld. Artikel 21 Vrijstellingen artikel 20 1 Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening; bronbemalingen; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming; sonderingen; ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet; grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; schroefpalen. 2 Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder c, geldt niet voor een open bodemenergiesysteem, als: de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven; en hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet. 3 Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder c, geldt niet voor een gesloten bodemenergiesysteem, als de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven; 4 Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder a en c, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als: aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak; en hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet. 5 Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 22 Meldingsplicht boringsvrije zones Degene die het voornemen heeft om binnen de vrijstelling van artikel 21 een grond- of funderingswerk uit te voeren, meldt dit bij Gedeputeerde Staten. Op de melding is artikel 31 van toepassing. HOOFDSTUK 3 STILTEGEBIEDEN Artikel 23 Bijzondere zorgplicht stiltegebieden 1 Een ieder is verplicht schade aan het bijzondere belang van een stiltegebied te voorkomen of, voor zover schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken. 2 Dit artikel is niet van toepassing: voor zover artikel 1.1a van de Wet milieubeheer van toepassing is; met betrekking tot inrichtingen. Artikel 24 Aanwijzing stiltegebieden 1 De stiltegebieden, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer, zijn met hun begrenzing aangewezen op de lijst- en kaartbijlagen 1 en 3 bij deze verordening. 2 Gedeputeerde Staten kun¬nen een grens van een stiltegebied nader bepalen. 3 Langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied dan wel daaraan grenzen, worden op of bij de grenzen van dat gebied bijbehorende borden geplaatst waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, deel II, bij deze verordening. 4 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd bijlage 4, deel II, bij deze verordening te wijzigen. Artikel 25 Richtwaarden equivalent geluidsniveau 1Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare equivalente geluidsniveau vanwege een geluidsbron die binnen een stiltegebied is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter van de geluidsbron. 2 Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare equivalente geluidsniveau vanwege een geluidsbron die buiten een stiltegebied is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter in een stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied. 3 Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor een vrijstelling geldt als bedoeld in artikel 29, tweede lid, voor zover het de geluidsuitstraling betreft die direct met bedoelde activiteitverband houdt. 4 Gedeputeerde Staten geven voor 31 december 2018 aan in hoeverre genoemde richtwaarden herziening behoeven. Artikel 26 Richtwaarden voor inrichtingen in en nabij stiltegebieden 1 Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting binnen een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting. 2 Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting buiten een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter in een stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied. 3 Dit artikel is niet van toepassing op een inrichting waarbinnen een activiteit wordt verricht waarvoor een vrijstelling geldt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, voor zover het de geluiduitstraling betreft die direct met bedoelde activiteit verband houdt. 4 Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere grenswaarden gelden. 5 Gedeputeerde Staten geven voor 31 december 2018 aan in hoeverre genoemde richtwaarden herziening behoeven. Artikel 27 Doorwerking richtwaarden 1 Met de richtwaarden, genoemd in artikel 25 en 26, wordt rekening gehouden : bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6, 3.26, 3.38, 4.1 en 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening; bij gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet; bij gebruik van de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994; bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; indien een inrichting onder de bepalingen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer valt. 2 Dit artikel is van toepassing, voor zover het gebruik van de bevoegdheden gevolgen heeft voor het belang waarvoor de richtwaarden zijn gesteld. 3 vervalt Artikel 28 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in stiltegebieden Zonder ontheffing als bedoeld in artikel 30 is het buiten een inrichting in een stiltegebied verboden: een toestel te gebruiken, indien daardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. Een toestel als bedoeld in de eerste volzin is in elk geval: een airgun en andere knalapparatuur; een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen; een omroepinstallatie, sirene, hoorn en ander vergelijkbaar toestel, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid; een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien aangedreven door een verbrandingsmotor; een vuurwapen. een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, te gebruiken waarvan het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt; met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande en als zodanig bestemde wegen of terreinen; een toertocht voor motorrijtuigen te houden of daaraan deel te nemen; met een waterscooter te varen; met een vaartuig of ander vervoermiddel te varen met een hogere snelheid dan 12 kilometer per uur, indien het wordt voortbewogen door een verbrandings- of explosiemotor; vuurwerk te gebruiken; met een motorrijtuig of vaartuig proef te draaien; te starten of te landen met een gemotoriseerd luchtvaartuig, tenzij dit wordt ingezet in het kader van uitvoering van een wettelijke taak of bij spoedeisende hulpverlening. Artikel 29 Vrijstellingen artikel 28 1 De verboden, gesteld in artikel 28, gelden niet voor een activiteit die rechtstreeks verband houdt met: de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van kabels en buisleidingen voor het transport van energie of voor de openbare drinkwatervoorziening, met inbegrip van toestellen noodzakelijkvoor dat transport en voorzieningen voor de directe aansluiting van eindgebruikers in de nabije omgeving; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele of telecommunicatiewerken in het gebied; de bouw of het onderhoud van gebouwen in het gebied; de bescherming, het onderhoud of het beheer van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; het met een motorrijtuig rijden naar en parkeren op een tijdelijk parkeerterrein met ten hoogste 30 parkeerplaatsen voor personenvoertuigen. 2De verboden, gesteld in artikel 28, gelden niet voor: het gebruik van een toestel dat wordt gebruikt in of bij een woonhuis en waarbij het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter van dat woonhuis of toestel niet meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt; het gebruik van een vuurwapen: door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; in geval van nood; in het kader van de Flora- en faunawet, met inachtneming van de daar gestelde voorschriften. het gebruik van een gehandicaptenvoertuig voor het vervoer van een minder valide; een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen; het varen met een elektrisch aangedreven waterscooter of vaartuig; het gebruik van vuurwerk indien dat: noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; consumentenvuurwerk betreft dat wordt gebruikt op een afstand van minder dan 50 meter van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangewezen periode; het parkeren van een motorvoertuig, bedoeld in artikel
  2. Artikel 30 Ontheffing artikel 28 1 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de verboden, gesteld in artikel
  3. 2 Voor een activiteit binnen de stille kern van een stiltegebied wordt slechts ontheffing verleend, voor zover zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe nopen en alternatieven buiten die kern ontbreken. 3 Voor een activiteit buiten de stille kern van een stiltegebied wordt slechts ontheffing verleend, als rekening wordt gehouden met het karakter van het stiltegebied. 4 In afwijking van het tweede lid, kan ontheffing worden verleend voor bestaande activiteiten in een stille kern van een stiltegebied als: deze activiteiten zijn aangeduid op de kaart, bedoeld in artikel 24; en rekening wordt gehouden met het karakter van het stiltegebied. 5 In een stiltegebied kan slechts ontheffing worden verleend voor in totaal 12 activiteiten per kalenderjaar, elk met een maximale tijdsduur van 24 uur. 6 Een afschrift van een verleende ontheffing wordt toegezonden aan de gemeenten waarbinnen het stiltegebied ligt. Hoofdstuk 3A ONTGASSEN Artikel 30a Definitiebepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ADN: Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67); binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement; ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft; stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN; vervoerder: de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN. Artikel 30b Verbod ontgassen 1.Het is de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank met restladingdampen van: benzeen (UN-nummer 1114), ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267), aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268), brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863), brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295) vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen.
  4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens voor stoffen met ernstige gezondheidsschadelijke eigenschappen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen. Artikel 30c Minimumconcentratie restladingsdampen
  5. Van een restladingladingsdamp als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.
  6. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen. Artikel 30d Voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 30b, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 30b, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel. Artikel 30e Veiligheidsredenen Het verbod, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. HOOFDSTUK 4 PROCEDURE MELDINGEN EN ONTHEFFINGEN Artikel 31 Melding 1 Als bij of krachtens deze verordening een melding is voorgeschreven, bevat deze melding: de naam en het adres van degene die de melding doet; de dagtekening; een beschrijving van de activiteit en locatie waarop de melding betrekking heeft, en hoe aan de geldende voorschriften kan worden voldaan; de aanvangsdatum van de activiteit. 2 De melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten uiterlijk zes weken voor aanvang van de actviteit waarop de melding betrekking heeft. 3 Gedeputeerde Staten zenden de melder binnen drie weken na ontvangst van de melding een schriftelijke ontvangstbevestiging. Daarin geven zij hun oordeel over de volledigheid van de melding. 4 Gedeputeerde Staten kunnen de melder vragen om aanvullende gegevens voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de melding. 5 Als de aanvangsdatum van de activiteit afwijkt van de melding, bedoeld in het eerste lid, onder d, geeft de melder Gedeputeerde Staten hiervan uiterlijk twee weken voor de uitvoering van de activiteit kennis. Artikel 32 Ontheffing stiltegebied 1 Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 30 wordt ingediend op een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. 2 Bij de aanvraag om een ontheffing of de aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover deze een activiteit als bedoeld in artikel 28 betreft, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de naam en het adres van degene die de aanvraag doet; de dagtekening; een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit; voor zover relevant een plattegrond van de activiteit; de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken; de motivering van de keuze voor de betreffende locatie, onderzochte alternatieve locaties en bezwaren daartegen; in geval de locatie binnen de stille kern is gelegen: of het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 30, vierde lid, dan wel een beschrijving van het maatschappelijk belang van de activiteit; mogelijk samenhangende besluiten (bijvoorbeeld Evenementenvergunning, ontheffing Flora en Faunawet, vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet). 3 De ontheffing kan worden verleend onder voorschriften en beperkingen ter bescherming van het betrokken milieubelang. 4 De ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken als: bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt en de ontheffing op basis van de juiste gegevens anders of niet zou zijn verleend; de voorschriften of beperkingen niet of niet geheel worden nageleefd of veranderingen worden aangebracht ten opzichte van de gegevens op basis waarvan de ontheffing is verleend; gewijzigde inzichten of omstandigheden dat vergen. 5 Op de voorbereiding van de ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, tenzij het een ontheffing van artikel 28, onder c en d, betreft. Wanneer het een ontheffing betreft van artikel 28, onder c, ten behoeve van het parkeren van motorrijtuigen op ten hoogste 300 meter van de openbare weg, is genoemde afdeling eveneens niet van toepassing. HOOFDSTUK 5 HANDHAVING Artikel 33 Aanduiding strafbare feiten Een gedraging in strijd met de artikelen 6, 7, 9, 11, 14, 16, 20, 28 en 30b is een strafbaar feit. HOOFDSTUK 6 OVERGANGSRECHT Artikel 34 Overgangsrecht verboden inrichtingen in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden 1 De verboden tot het in werking hebben van een inrich¬ting in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, gesteld in de artikelen 6 en 14, zijn niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling in overeenstemming met de voor die inrichting geldende regels van de provinciale milieuverordening in werking is. 2 Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 3 Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel
  7. Deze regels treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 4 Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 15 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 5 In aanvulling op het derde en vierde lid geldt voor inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorrijtuigen voor het wegverkeer of aan beroepsvaartuigen het voorschrift, dat aanwezige enkelwandige ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstoffen worden vervangen door dubbelwandige ondergrondse tanks met lekdetectie. De bovengrondse tank(s) moeten wel voorzien zijn van deugdelijke aanrijbeveiliging. In dit geval geldt artikel 15, eerste lid, onder b, sub 2, niet. Genoemd voorschrift geldt vanaf het moment dat deze tanks wettelijk verplicht moeten worden gekeurd en beoordeeld. 6 Het verbod op een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof geldt niet voor een inrichting bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat de stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is. 7 De hoeveelheidsdrempel voor een giftige of anderszins schadelijke stof, genoemd in bijlage 7 bij deze verordening, geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat deze stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is. 8 Het is verboden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een der¬gelijke inrichting te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering naar aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel 35 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden Het verbod tot het hebben of gebruiken van een constructie of werk in een waterwingebied, gesteld in artikel 7, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een construc¬tie of werk welke onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling in overeenstemming met de daarvoor geldende regels van de provinciale milieuverordening werd gehouden of gebruikt. Als de constructie of het werk bestaat uit een gebouw, een weg of een andere verharding zijn de artikelen 16, 17 en 18 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de constructie of het werk wordt onderworpen aan herstructurering of groot onderhoud. Artikel 36 Overgangsrecht overige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 1 Ten aanzien van een andere inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied dan bedoeld in artikel 34 blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 2 Voor zover bij de inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in artikel 15, nog niet zijn opgenomen in de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat binnen drie jaar gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling de omgevingsvergunning overeenkomstig deze regeling is aangepast. Deze voorschriften treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 3 Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning is vereist, is artikel 15 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 4 Het verbod op een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat de stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is. 5 De hoeveelheidsdrempel voor een giftige of anderszins schadelijke stof, genoemd in bijlage 7 bij deze verordening, geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat deze stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is. 6 De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit vanuit een inrichting zoals benoemd in artikel 16, als die activiteit onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Voor deze activiteit geldt het gestelde in artikel
  8. Artikel 37 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 1 Artikel 16, eerste lid, onder a, b, c, d en h, is niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de voor die activiteit geldende regels op grond van de provinciale milieuverordening, indien ten aanzien van grondwerken onderscheidenlijk boorputten artikel 17, eerste en zevende lid, in acht wordt genomen. 2 Het verbod tot het in stand houden van een parkeerplaats voor meer dan 10 voertuigen of met een groter oppervlak dan 150 vierkante meter, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder i, geldt niet als onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling die parkeerplaats overeenkomstig de daarvoor geldende regels op grond van de provinciale milieuverordening is aangelegd. Bij uitbreiding van een bestaande parkeerplaats dient de uitbreiding deugdelijk aaneengesloten verhard te zijn. Artikel 38 Overgangsrecht inrichtingen in boringsvrije zones 1 Ten aanzien van een inrichting in een boringsvrije zone blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 2 Voor zover bij de inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in artikel 19, nog niet zijn opgenomen in de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat binnen drie jaar gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling de omgevingsvergunning overeenkomstig deze regeling is aangepast. Deze voorschriften treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 3 Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning is vereist, is artikel 19 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. 4 De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit vanuit een inrichting zoals benoemd in artikel 20, als die activiteit onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Voor deze activiteit geldt het gestelde in artikel
  9. Artikel 39 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones De artikelen 20 en 21 zijn niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Op deze activiteit blijven bedoelde regels van toepassing, met inbegrip van het gestelde in artikel
  10. Artikel 40 Overgangsrecht richtwaarden stiltegebieden De artikelen 25 en 26 zijn slechts van toepassing op besluiten, activiteiten en inrichtingen die tot stand komen na de inwerkingtreding van deze regeling. Hieronder wordt ook begrepen de uitbreiding van een bestaande inrichting. HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Intrekking De Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995 wordt ingetrokken. Artikel 42 Inwerkingtreding 1 Deze verordening treedt in werking op 1 mei
  11. 2 Bij besluit van Gedeputeerde Staten kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop door hen aan te wijzen artikelen of artikeldelen in werking treden. Artikel 43 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Provinciale milieuverordening Utrecht
  12. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van Provinciale Staten van Utrecht van 4 februari
  13. Provinciale Staten van Utrecht, R.C. Robbertsen, voorzitter L.C.A.W. Graafhuis, griffier.
  14. Inleiding 1.
  15. Algemeen Op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer is de provincie verplicht een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. Aan deze verplichting is invulling gegeven door middel van de Provinciale Milieuverordening Utrecht (PMV). Het voorliggende stuk betreft de toelichting op een geheel herziene en geactualiseerde verordening waarbij alleen de onderdelen grondwaterbescherming en stiltegebieden terugkomen. 1.
  16. Aanleidingen voor vernieuwing PMV Doorvoeren nieuw provinciaal beleid In de vigerende beleidsplannen voor grondwaterbescherming en stiltegebieden is aangekondigd om de milieuverordening op deze onderwerpen aan te passen: De bescherming van gebieden die bestemd zijn voor de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening: de aanpassing van de PMV was aangekondigd in het Provinciale Grondwaterplan 2008-2013; Stiltegebieden: in de Hoofdlijnennotitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht en de bijbehorende Uitwerkingsnotitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Utrecht d.d. 25 oktober 2011 (verder samen te noemen Notitie stiltegebieden 2011), wordt het beleid geschetst en is de wens tot aanpassing van de PMV aangegeven. Aanpassen aan actuele landelijke wetgeving Ook moet de verordening aangepast worden aan de actuele landelijke wetgeving, waaronder de inwerkingtreding van de Waterwet op 22 december 2009 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober
  17. Overige redenen Naast die wetgeving spelen er nog andere aanleidingen voor deze vernieuwing: De ontwikkelingen in het afvalstoffenbeleid in het Landelijk Afvalstoffenplan (LAP) maken dat er geen behoefte meer bestaat aan een afvalstoffenregeling in de PMV; De bestaande regeling in de PMV over bodemsanering is inmiddels opgenomen in landelijke regelingen. Er is geen noodzaak voor een verdere verscherping van deze regels. Dit hoofdstuk in de PMV wordt daarom geschrapt; De wens om strikt te kijken naar nut en noodzaak van de provinciale regelgeving (dereguleringstoets), om daarmee de administratieve lastendruk bij bevoegd gezag en maatschappij zo veel mogelijk te beperken en noodzakelijke regels of instructies zo helder en eenduidig mogelijk te maken; De wens om de PMV begrijpelijker en toegankelijker te maken; De noodzaak om milieubeschermingsgebieden actueel te maken. Het gaat bij elkaar om tamelijk veel wijzigingen. Daarom is gekozen om de verordening integraal te herzien en opnieuw vast te stellen. Dit bevordert de overzichtelijkheid van de regelgeving. 1.
  18. Opzet van de nieuwe PMV Algemene regels In de PMV wordt gewerkt met algemene regels en instructienormen en worden het ontheffingsinstrument en de melding tot het uiterste beperkt. De melding dient daarbij niet als toetsinstrument vooraf maar als informatiebron voor de handhaving; het maakt gerichter toezicht mogelijk. Nadruk op doelvoorschriften Gekozen is om zoveel mogelijk op doelvoorschrift niveau regels op te nemen. Er zijn enkele uitzonderingen hierop, waarin toch vanwege de behoefte aan duidelijkheid middelvoorschriften zijn opgenomen. 1.
  19. Wettelijke kader 1.4.
  20. Milieubeschermingsgebieden Op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer duiden Provinciale Staten in het Provinciaal milieubeleidsplan (PMP) gebieden aan waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft. Het gaat hier om de zogenaamde milieubeschermingsgebieden, zijnde de grondwaterbeschermingszones en de stiltegebieden. Het PMP bevat beleid dat richting geeft aan provinciale beslissingen met betrekking tot de milieubeschermingsgebieden. Bij de PMV wordt met dat beleid rekening gehouden. De PMV geeft regels waaraan burgers, bedrijven of andere overheden zijn gebonden. In de PMV worden de in het PMP aangeduide zones en gebieden met behulp van kaarten op een leesbaar schaalniveau vastgesteld. 1.4.
  21. Reikwijdte van de PMV Grondwaterbescherming en stiltegebieden Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat de PMV regels moet stellen: voor de grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning in bij de PMV aangewezen gebieden (tweede lid, onder a); en voor het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de PMV aangewezen gebieden (tweede lid, onder b). Verder biedt de wet ruimte voor een eigen invulling. In deze verordening zijn alleen deze onderwerpen (grondwaterbescherming voor drinkwater en stilte) opgenomen. Verhouding tot landelijke regelgeving Veel landelijke regelgeving is (mede) gericht op bescherming van de bodem en het grondwater. Daarmee biedt zij al bescherming aan het grondwater en is het de vraag of het binnen de beschermingszones nog mogelijk en nodig is aanvullende regels te maken. De redenering is dat, wanneer de landelijke regeling uitputtend is bedoeld en daarmee ook voor de meest kwetsbare situaties (zoals bij grondwaterwinningen) adequate regels heeft gesteld, er dan +\geen ruimte meer is voor aanvulling in de PMV. Wanneer de landelijke regels niet uitputtend of dekkend zijn om de risico’s voor de drinkwaterwinning te beperken of weg te nemen, hebben Provinciale Staten op grond van artikel 1.2 Wet milieubeheer een regelstellende taak. Verdere grenzen van de verordenende bevoegdheid Verder zijn er nog drie grenzen aan de PMV: Het is niet toegestaan regels te stellen ten aanzien van de samenstelling of de eigenschap-pen van producten; Het is niet toegestaan regels te stellen die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden die door de Minister van Infrastructuur en Milieu zijn aangewezen; Er gelden restricties voor rechtstreekse regels voor inrichtingen. Reden hiervan is het uitgangspunt van de Wet milieubeheer om degene die een inrichting drijft met zo min mogelijk milieuvoorschrif¬ten te confronte¬ren. Op dit principe is alleen een uitzondering gemaakt als het gaat om regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning: ten aanzien van aangewezen categorieën van inrichtingen waarvoor geen vergunning¬plicht geldt; als het gaat om een verbod om in de verordening aangewezen categorieën van inrichtingen op te richten of op een aangegeven wijze te veranderen (artikel 1.2, zesde lid). Voor vergunningsplichtige inrichtingen zijn in de verordening wel bij wijze van instructie regels opgenomen die door het vergunningverlenend gezag niet zijnde een orgaan van het Rijk in acht moeten worden genomen. Samengevat betekent dit dat in de PMV voor inrichtingen de volgende instrumenten kunnen worden ingezet: instructies (vergunningsplichtige bedrijven), algemene voorschriften (niet-vergunningsplichtige bedrijven), verboden (voor alle bedrijven) en milieukwaliteitseisen. De verhouding tussen de PMV en de Wabo In de PMV kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunningen (krachtens art. 1.3c lid 1 van de Wet milieubeheer). In de PMV zijn verschillende van deze regels opgenomen. Op die manier kan het provinciaal bestuur bereiken dat aan vergunningen voor inrichtingen beperkingen of voorschriften worden verbonden,die het nodig acht ter bescherming van het milieu. Een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van de Wabo. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag zal dus niet alleen aan de Wabo en de onderliggende regelgeving getoetst moeten worden, maar ook aan de PMV. Het bevoegd gezag is verplicht de voorgeschreven voorschriften over te nemen in de omgevingsvergunning. Wanneer dergelijke instructieregels zijn gesteld in de PMV, kunnen voorschriften van de omgevingsvergunning daar alleen van afwijken voor zover dat in de PMV is toegestaan. Relatie tot gemeenten Voor zover de medewerking van de gemeenten bij beleid en PMV wordt gevraagd, is geen sprake van nieuwe taken maar van een normering van de taken die de gemeenten reeds op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer moeten uitvoeren (instructies). Daarnaast volgt uit hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer en hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat het bevoegde gezag op grond van die wetten ook belast is met de handhaving van de PMV. Dit houdt in dat, als gemeenten wettelijk verantwoordelijk zijn voor een inrichting, zij tevens belast zijn met de handhaving en uitvoering van de instructiebepalingen, de algemene voorschriften en verboden van de PMV voor die inrichtingen.
  22. Algemene toelichting – grondwater 2.
  23. Beleidskader Hoofdlijnen van beleid Het beleidskader voor het beschermen van gebieden voor de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening is beschreven in het Grondwaterplan provincie Utrecht 2008-
  24. De hoofdlijnen zijn: Het grondwaterbeschermingsbeleid is gericht op het behalen en/of behouden van de goede chemische toestand van het grondwater conform de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en de Europese Grondwaterrichtlijn; De mate van regelgeving voor activiteiten binnen milieubeschermingsgebieden ter bescherming van waterwinningen voor drinkwater zijn afgestemd op de kwetsbaarheid van de specifieke locatie. Op deze wijze blijft de regeldruk beperkt: weinig regels bij lage kwetsbaarheid. Aanleiding voor herziening voor het onderdeel grondwater In het Grondwaterplan provincie Utrecht 2008-2013 is aangegeven dat de PMV voor grondwaterbescherming moet worden aangepast. Gelijktijdig hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan die ook van invloed zijn op de noodzakelijke regels. Het gaat met name om: nieuwe wetgeving, inclusief verplichtingen die voortvloeien uit de KRW; het onderzoek naar de mogelijkheden van een risicobenadering voor bedrijfsmatige activiteiten; aanpassing van de IPO-model PMV (grondwaterbescherming); de rapportage van 2003 van VEWIN, VROM en IPO (“Toekomst grondwaterbescherming in Nederland”); relevante beleidsmatige ontwikkelingen en ontwikkelingen ten aanzien van nieuwe technieken, zoals bodemenergiesystemen en ondergrondse opslag van hemelwater. Daarnaast heeft nieuwe landelijke regelgeving gevolgen voor de regels in de PMV, zoals: het Besluit bodemkwaliteit (inzake toepassing van bouwstoffen en grond- en baggerspecie); het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit); aanpassing van de Wet bodembescherming (gebiedsgericht grondwaterbeheer); de herziening van de meststoffenwetgeving; de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 125); de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de regelgeving voor bodemenergiesystemen (vergaand in ontwikkeling); regels inzake boringen (protocol mechanisch boren); de regels inzake hemelwaterlozingen. 2.
  25. Hoofdlijnen herziening 2.2.
  26. Risico benadering Het kernbegrip voor de legitimering van de regels is het risico dat activiteiten aan maaiveld of in de bodem het grondwater aantasten met stoffen of anderszins, waardoor nu of op termijn het te onttrekken grondwater verslechtert. Dit kan eventueel leiden tot een overschrijding van de normen of tot het benaderen van die norm, wat dwingt tot maatregelen. Beschermen om dit risico aan te pakken gaat langs twee lijnen: preventie en saneren. Preventie gaat met milieuregels en ruimtelijke bescherming. De PMV is het preventie-instrument bij uitstek. Daarnaast geeft de Provinciale ruimtelijke verordening aan dat met dit belang bij ruimtelijke beslissingen zoals bestemmingsplannen, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden. Naast preventie moet met curatieve (bodemsanerings-) maatregelen daar waar al grondwaterverontreinigingen onderweg zijn naar de pompputten, een optimale bescherming worden gerealiseerd . Deze risicogerichtheid via de PMV bestaat uit de volgende elementen: zorgen voor de juiste beschermingszones: alleen in gebieden waar sprake is van risico’s zijn aanvullende beschermingsregels nodig; alleen reguleren waar landelijke regelgeving of de natuurlijke bodembeschermende eigenschappen ontoereikend zijn, om een verslechtering of normoverschrijding te voorkomen; uiteraard gaat het dan om de gecumuleerde potentiële effecten van toe te laten activiteiten. De voorliggende wijziging van de PMV is het resultaat van een afweging van deze effecten van de activiteiten. 2.2.
  27. Lastenverlichting en deregulering Bij de onderbouwing van regelgeving gelden naast de risicoaspecten tevens de maatschappelijke en praktische aspecten van regels: geen overbodige regelgeving, geen overbodige of disproportionele administratieve lastendruk voor maatschappij (bedrijven en burgers) en overheden (provincie en gemeenten). Om de administratieve lastendruk bij de regels voor bedrijven te vermijden is ervoor gezorgd dat er geen sprake is van een dubbele meldingsplicht. Bedrijven hebben al te maken met de regels op grond van de Wet milieubeheer en bij de niet-vergunningsplichtige bedrijven met het Activiteitenbesluit (al dan niet met een melding). Voldoende is dat sprake is van direct werkende regels van de PMV, aanvullend op regels van de Wet milieubeheer, zonder een extra meldingsplicht. Met name vanuit milieudiensten en gemeenten is aangegeven dat voor de uitvoering van de handhaving zo’n melding niet per se nodig is. In een beperkt aantal gevallen, namelijk daar waar het gaat om activiteiten buiten inrichtingen waar de melding ondersteuning biedt bij het scheppen van overzicht van de activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en ondersteuning gericht (vroegtijdig) provinciaal toezicht, is wel een meldingsplicht ingevoerd. Het ontheffingsinstrument is afgeschaft voor zowel activiteiten buiten inrichtingen als binnen inrichtingen. Waar nodig, is dit vervangen door direct werkende regels of een beperkt aantal verbodsregels. Samengevat zijn de volgende normatieve instrumenten opgenomen: verboden waar nodig; algemene voorschriften, eventueel met een meldingsplicht; instructies voor de vergunningverlener (die dezelfde zijn als de algemene voorschriften in de PMV waar geen Wet milieubeheer-vergunningsplicht voor bedrijven is). 2.2.
  28. Aanpassing begrenzingen De kaarten van de grondwaterbeschermingszones zijn geactualiseerd. Op basis van de meest recente geohydrologische inzichten en actuele onttrekkingssituaties zijn de winningen opnieuw doorgerekend. Ook zijn beschermingszones berekend voor nieuwe winlocaties. Hieronder volgt een toelichting. Type beschermingszones en hun aanwijzing Rond de 29 plaatsen in de provincie Utrecht waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzie¬ning, zijn grondwaterbeschermingszones vastgesteld. De mate van bescherming van het grondwater varieert naar mate van kwetsbaarheid van de zone. Om te komen tot een juiste afbakening en begrenzing van deze zones is onderzoek gedaan naar de geohydrologische situatie bij de bestaande en nieuwe locaties voor grondwaterwinningen voor drinkwater. De analyse van de ondergrond met zijn verblijftijden van het grondwater (de “leeftijd” van het grondwater sinds zijn “geboorte” als infiltrerend regenwater) levert een beeld op van het soort zone dat nodig is rond een winning en de begrenzingen aan maaiveld. Ook geeft deze analyse een beeld van de gewenste verticale begrenzingen van de zones. Er zijn vier soorten beschermingsgebieden, te weten: Waterwingebied; Grondwaterbeschermingsgebied; Boringsvrije zone; 100-jaarsaandachtsgebied. Ad.1 Waterwingebied Alle winningen hebben een waterwingebied: dit is de locatie waar de onttrekkingsputten voor drinkwater zijn gevestigd. Deze gebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winning te berei-ken. Deze 60 dagen lijn is gekozen omdat wordt aangeno¬men dat een verblijftijd van het grondwater in de bodem van 60 da¬gen vol¬doende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de grens van het waterwin¬gebied tot de winputten bedraagt in principe minimaal 30 meter. Naar gelang de kwetsbaarheid van de winning zijn rond het waterwingebied of meer van de andere zones aanwezig. Ad.2 en 3 Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de water¬winge-bieden. De grens van deze gebieden is de lijn van waaraf het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pomp¬putten te bereiken (de 25-jaars zone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt, direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones). Ad.4: 100-jaarsaandachtsgebied In enkele kwetsbare gebieden is tevens het 100-jaarsaandachtsgebied aangewezen, als extra schil om het grondwaterbeschermingsgebied heen. Dit is alleen in die gevallen wanneer met dit gebied een substantieel groter volume aan grondwater wordt beschermd. Er zijn 11 winningen waar dit het geval is. In dit gebied geldt alleen de bijzondere zorgplicht, zoals die in zijn algemeenheid in alle milieubeschermingsgebieden geldt. Bovendien moet, net zoals in het waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied, bij functieveranderingen met het drinkwaterbelang rekening worden gehouden. Bij deze 11 winningen worden de drie zones waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en 100-jaarsaandachtsgebied gezamenlijk ook wel de 100-jaarszone genoemd. De 100-jaarszone is dat deel van het intrekgebied, waar de reistijd van het grondwater (toen het bijvoorbeeld als regen op de bodem terechtkwam) vanaf het maaiveld tot de winning maximaal 100 jaar is. Water dat ouder is en wel ooit de onttrekkingsputten voor drinkwater bereikt, hoort dus wel tot het intrekgebied van de winning, maar niet tot die 100-jaarszone. Dieptegrenzen In grondwaterbeschermingsgebieden zijn soms scheidende lagen aanwezig, soms niet. Bovendien zijn scheidende lagen in grondwaterbeschermingsgebieden meestal zodanig onzeker, instabiel of dun, dat deze daarmee onvoldoende natuurlijke bescherming bieden tegen stofgebruik op of in de bodem. Om deze reden zijn in de PMV dieptegrenzen aangegeven. Deze dieptegrenzen geven aan dat bij diepere ondergrondse activiteiten, regels of verboden van toepassing kunnen worden. Het gaat om boringen en grond- en funderingswerken. Voor boringsvrije zones betreft de dieptegrens een diepte boven de afdichtende kleilaag. De activiteiten die aantasting van de afsluitende kleilaag kunnen bewerkstelligen, worden gereguleerd of verboden. Voor het bepalen van de dieptegrenzen voor boringsvrije zones is de afdichtende kleilaag gekozen, mits deze gelegen is boven het meest ondiepe filter van de onttrekkingsputten van de waterwinning. We hanteren zoveel mogelijk de standaard dieptegrens van 40 meter. Voor het bepalen van de dieptegrenzen voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt dezelfde maatstaf als bij de boringsvrije zone. Waar een aanwijsbare scheidende laag ontbreekt boven het ondiepste onttrekkingspunt, wordt een veilige grens op geringe diepte gekozen, zodanig dat niet als gevolg van de bodemaantasting een snelle stroombaan ontstaat naar het onttrekkingspunt. Onderzoek winningen Zoals aangekondigd in het provinciale Grondwaterplan 2008-2013 en in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water (KRW), zijn met het bovenstaande als uitgangspunt nieuwe hydrologische berekeningen uitgevoerd door adviesbureau Royal Haskoning, met de meest actuele geohydrologische modellen om inzicht te krijgen in de ligging van de beschermingszones en rekening houdend met de in de tijd gewijzigde onttrekkingshoeveelheden. De geohydrologisch berekende informatie is door adviesbureau Tauw gebruikt voor een doorvertaling naar horizontale en verticale begrenzingen. Voor de horizontale begrenzing van de verschillende zones op maaiveldniveau is, in samenspraak met het drinkwaterbedrijf en uitgaande van de geohydrologische gegevens, zo veel mogelijk aangesloten bij de meest nabije grenzen van kadastrale percelen en andere topografische kenmerken in het terrein. Hierbij verschuiven vrijwel alle bestaande grenzen in meerdere of mindere mate. Tevens is de verticale begrenzing bepaald, uitgaande van de principes voor de dieptegrenzen. 2.
  29. Regelgeving beschermingsgebieden grondwaterwinningen Om de waterwinningen adequaat te kunnen beschermen en de maatschappelijke gevolgen zoveel mogelijk te beperken, zijn gebieden verdeeld in vier zones met een afnemend beschermingsregime: Waterwingebieden; Grondwaterbeschermingsgebieden; Boringsvrije zones; 100-jaarsaandachtsgebieden. De regels in deze gebieden zijn in de volgende sub-paragrafen toegelicht. Omdat voor de 100-jaarsaandachtsgebieden geen milieuregels op basis van de PMV gelden, worden deze niet verder toegelicht. Deze zones worden alleen gebruikt voor de ruimtelijke bescherming van waterwinningen. Binnen deze zones worden functieveranderingen binnen bestemmingsplannen beoordeeld of ze het drinkwaterbelang schaden. 2.3.
  30. Waterwingebieden Het waterwingebied is het gebied direct rond de winputten. In dit gebied is de waterwinning het meest kwetsbaar voor verontreinigingen. Uitgangspunt is dat het niet acceptabel is om in de onmiddellijke nabijheid van een winning, verstoringen van de bodem of de grondwaterkwaliteit (schadelijke stoffen, temperatuureffecten e.d.) toe te staan, ook niet als de exacte invloed niet volledig bekend is. Voor één waterwingebied, namelijk de Bethunepolder, gelden afwijkende regels t.o.v. het waterwingebiedregime. Dit wordt uitgelegd in de artikelsgewijze toelichting. Tabel 2.1 geeft een samenvatting van de regels in waterwingebieden en wordt daaronder toegelicht. TABEL 2.1: Regels in het waterwingebied Geen activiteiten/inrichtingen toegestaan met enig risico. Vrijstelling voor het drinkwaterbedrijf (openbare drinkwatervoorziening). Vrijstellingen voor bestaande infrastructuur, gebouwen e.d. en onderhoud ervan en bestaande legale boorputten enz. Vrijstellingen voor boorputten grondwaterbeheer en handelingen bodemsanering, strooizout, beweiding, onderzoek bodem e.d. Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder (parkeren, bestrijdingsmiddelen, voor het overige zijn de regels van “grondwaterbeschermingsgebied” van toepassing). Regels voor inrichtingen In waterwingebieden geldt een absoluut verbod voor het oprichten of in werking hebben van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht-bedrijven. Een bijzondere positie wordt ingenomen door de inrichting die wordt gedreven door het drinkwaterbedrijf. Deze is vrijgesteld van het verbod. Legaal aanwezige bedrijfsmatige activiteiten zijn vrijgesteld, onder de voorschriften van het overgangsrecht. Regels voor activiteiten buiten inrichtingen Het is verboden om in waterwingebieden stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten e.d. te hebben als die de bodem kunnen verontreinigen. Een limitatieve opsomming van schadelijke stoffen is vermeden. In de beleidsuitvoering/implementatie, zal een lijst opgesteld worden om een indicatie te geven om wat voor stoffen het gaat. Deze lijst is ook een hulpmiddel om te bepalen wanneer de bijzondere zorgplicht (die op alle beschermingszones betrekking heeft) aan de orde kan zijn. Tevens verdient gladheidbestrijding in deze gebieden bijzondere aandacht. Echter hiervoor worden geen regels gesteld, maar wordt van de gebiedseigenaren/gebruikers verwacht dat zij zelf hier op een juiste manier mee omgaan en hierbij de bijzondere zorgplicht in acht nemen. Ook mogen geen constructies of werken worden opgericht als daardoor schadelijke stoffen in de bodem kunnen worden verspreid. Daarnaast is gezien de zeer korte afstand tot de waterwinputten, een verbod opgenomen om warmte aan het grondwater te onttrekken of toe te voegen door bodemenergiesystemen. Eventuele veranderingen in waterkwaliteit, microbiologie en temperatuur door het bodemenergiesysteem zijn direct waarneembaar in de waterwinputten. 2.3.
  31. Grondwaterbeschermingsgebieden In een grondwaterbeschermingsgebied kunnen activiteiten aan maaiveld of in de ondergrond binnen 25 jaar gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Daarom zijn regels verbonden aan specifieke activiteiten. Tabel 2.2 bevat een samenvatting van regels die gelden in een grondwaterbeschermingsgebied. Per onderdeel wordt dat verder toegelicht. Tabel 2.2: Regels in grondwaterbeschermingsgebied Regels in grondwaterbeschermingsgebied 1 Bedrijven (inrichtingen 1.Verbod voor 22 categorie‘ n bedrijven (43 bedrijfstypen)
  32. Regels via instructies aan Wm-bevoegd gezag (vergunning) of direct werkende regels(aanvullend op Activiteitenbesluit c.s.; geen extra meldplicht): • Lijst verboden stoffen (werkvoorraad vrij) • Hoeveelheidsdrempel bij schadelijke stoffen • Compartimenteren stoffen per opslageenheid • Vloeistofdichte voorziening bij opslag, vloeistofdicht of -kerend bij proces en overslag met bodembedreigende activiteiten • Regels buiten inrichtingen zijn van toepassing als deze binnen de inrichting plaats vinden (o.a. regels voor. boorputten, grond- en funderingswerken, bodemenergie, parkeren, aan- of afkoppelen verhardingen op/van riool en verbod diepinfiltratiehemelwater) Overgangstermijn drie jaar bij bestaande bedrijven 2 Boorputten • Verbod op boringen bij aantasting scheidende laag of ontstaan kortsluitstromen(dieptegrens) • Vrijstelling: sondering, bodemsanering, bodemonderzoek, tijdelijke bronbemaling • Bij vrijgestelde boringen wel eis over manier buitengebruikstelling • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht bestaande boorput, mits conform bij buitengebruik stellen Dieptegrens: in principe 40 meter Ð mv Uitzondering: 3 meter - mv: Woerden, Doorn, Amersfoort-Berg, Soestduinen 10 meter - mv: Driebergen, Leersum en Rhenen 30 meter - mv: Beerschoten 3 Bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen) • Verbod op bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen) • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht voor bestaande systemen (mits legaal, eis t.a.v. einde boorput) 4 Koude Warmte opslag (open systemen) • Verbod op KWOÕ s (open systemen) • Tevens verbod in 50-jaarszone (deels gelegen buiten het GWBG) alleen in toelichting vermeld • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht mits legaal (eis bij einde boorput) 5 Grond- en fiunderingswerken • Algemene voorschriften voor funderingspalen en herstel grondwerk bij aantasting scheidende laag of ontstaan kortsluitstromen (dieptegrens) en melding • Ook als dit gebeurt in een inrichting (melding) • Regels voor verwijderen heipalen ( met melding) • Vrijstelling voor ontgrondingen en grondwerken waarbij de opbouw van de bodem hersteld wordt (met melding) • Overgangsrecht (met eis herstel bodemprofiel bij grondwerk bij beëindiging) Dieptegrens: zie bij boorputten 6 Buisleidingen (transport gevaarlijke stoffen) • Verbod nieuwe buisleidingen (transport gevaarlijke stoffen) • Melding veranderen bestaande buisleiding (geen risicotoename) 7 Verhardingen en gebouwen • Afkoppelen (hemelwater) met algemene voorschriften binnen de bebouwde kom en melding (conform Leidraad Convenant afkoppelen) • Verbod op diepinfiltratie hemelwater • Verbod op onverhard parkeren op parkeerplaatsen • Beperkte vrijstelling regels parkeren in waterwingebied Bethunepolder (schaatsen,Nieuweweg) • Ook als dit gebeurt in een inrichting (geen PMV-melding) • Overgangsrecht bestaande (legale) afkoppelsituaties of onverharde parkeerplaatsen (uitbreidingen wel verharding) 8 Gewasbeschermingsmiddelen en biociden • Verbod Bethunepolder behoudens melding voor onkruiden met glyfosaat 9 Zuiveringsslib en andere meststoffen • Verbod op zuiveringsslib en overige organische meststoffen (secundaire meststoffen) 10 Begraafplaatsen en uitstrooivelden • Verbod nieuwe begraafplaats en uitstrooiveld, ook dierenbegraafplaats • Uitbreiden (dieren)begraafplaats en uitstrooiveld, mits conform Inspectie richtijn (melding) • Overgangsrecht bestaand 11 Licht verontreinigde grond (grond en bagger) • Geen regels Gebieden: Amersfoort-Berg, Beerschoten, Bethunepolder, Bilthoven, Bunnik, Doorn, Driebergen, Groenekan, Leersum, Rhenen, Soestduinen, Woerden, Cothen, Linschoten en Zeist Ad 1 Inrichtingen Voor inrichtingen zijn naast de landelijke regelgeving, in grondwaterbeschermingsgebieden de volgende regels gesteld: een beknopte lijst met verboden typen bedrijven; een lijst met verboden stoffen bij bedrijven; stoffen die in een maximale hoeveelheid binnen bedrijven mogen worden gebruikt en opgeslagen. Lijst van verboden typen bedrijven In grondwaterbeschermingsgebieden moet worden voorkomen dat er bedrijven worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze bedrijven geldt een absoluut verbod. Het verbod betreft categorieën van bedrijven die zijn aangewezen in bijlage 5 van de PMV. De aanwijzing is gebaseerd op een risicoanalyse met behulp van vijf criteria, welke zijn opgenomen in bijlage
  33. De zwarte lijst is zo beperkt mogelijk gehouden: er zijn alleen categorieën van bedrijven verboden waarbij de best beschikbare technieken ontoereikend zijn om het bodemrisico verwaarloosbaar te maken. Het aantal verboden categorieën is ten opzichte van de tot nu toe geldende provinciale milieuverordeningen aanzienlijk beperkt. Lijst met verboden stoffen Naast de lijst met verboden inrichtingen, is er een lijst met verboden stoffen opgenomen in de PMV. Deze stoffen, die een ernstige gevaar voor de grondwaterkwaliteit kunnen opleveren, worden niet in het grondwaterbeschermingsgebied toegelaten. De kern van deze ‘zwarte stoffenlijst’ wordt gevormd door de in Europese regelgeving aangewezen kankerverwekkende (carcinogene), mutagene en voor de voortplanting schadelijke (reproductie-toxische) stoffen: de CMR-stoffen. In aanvulling daarop is een beperkte selectie gemaakt van stoffen die voorkomen op de lijst in bijlage XVII van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de Nederlandse prioritaire stoffenlijst van het RIVM

(1). Het gaat bij die laatste lijst om stoffen met “zeer ernstige zorg” (ZEZ), waarvan een deel ook prioritair is op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW).
(1)Bepaald door het ministerie van VROM in het kader van de uitvoering van het project SOMS (Strategie Omgaan Met stoffen) Stoffen met een maximale hoeveelheid Naast een lijst met verboden stoffen, is gekozen om voor een aantal stoffen met specifieke eigenschappen, zoals hoge mobiliteit, een maximum in te stellen per bedrijf voor deze stof. Dit is gedaan om de gevolgen van mogelijke incidenten en morsingen zo beperkt mogelijk te houden. Overige regels voor inrichtingen Voor de opslag en werkzaamheden met bodembedreigende stoffen die geclassificeerd zijn overeenkomstig art. 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer gelden extra regels; wat deze regels inhouden is verder toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting. Ad 2 Boorputten Boorputten kunnen een risico vormen voor de drinkwaterwinning als via de boorput ongewenste stoffen in het grondwater komen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als chemische middelen worden gebruikt om verstopping van de boorput tegen te gaan of dat een slecht afgedichte boorput leidt tot binnendringen van mest en/of bestrijdingsmiddelen. Hier speelt mee dat een eenmaal aangelegd systeem en het beheer van het systeem moeilijk controleerbaar zijn. In de PMV is een verbod ingesteld voor: boren in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit verbod geldt vanaf een specifieke diepte bij een winning; boren in boringsvrije zones vanaf de afdekkende kleilaag. Maatschappelijke gevolgen boorverbod De maatschappelijke gevolgen van het boorverbod zijn beperkt, omdat een aantal type boringen wordt vrijgesteld en bovendien al een verbod geldt op het toepassen van bodemenergiesystemen en diepinfiltratie (zie verderop). Het verbod beperkt zich feitelijk tot beregening en industriële toepassingen. Voor deze toepassingen wordt in de praktijk vaak geen vergunning op grond van de Waterwet afgegeven, omdat deze toepassingen gezien worden als laagwaardig gebruik van het grondwater en er vaak een goed alternatief beschikbaar is zoals het winnen uit oppervlaktewater. Boringen voor het saneren van de bodem zijn vrijgesteld van dit verbod, tevens biedt dit de mogelijkheid tot gebiedsgericht grondwaterbeheer. Bij het opstellen, vaststellen en uitvoeren van het grondwaterbeheerplan in of in de directe nabijheid van een grondwaterbeschermingsgebied e.d., dienen de betrokken partijen de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening steeds in acht te nemen. Openbare drinkwaterwinning wordt immers aangemerkt als een groot openbaar belang. Het verbod op boringen heeft ook gevolgen voor de toepassing van geothermiesystemen. Deze systemen winnen aardwarmte op grote diepte, vaak enkele kilometers diep. Hoewel voor geothermie de mijnbouwwetgeving van toepassing is en de minister van ELI bevoegd gezag is, betekent het boorverbod in grondwaterbeschermingsgebieden dat deze vorm van bodemenergie niet in deze gebieden wordt toegestaan. Hier conflicteert het drinkwaterbelang met het belang om de energievoorziening te verduurzamen. Overigens dient het afdichten van boorputten plaats te vinden via het BRL SIKB protocol 2100/2101. Ad 3 Bodemwarmtewisselaars Voor de gesloten systemen is in 2009 al een verbod vastgelegd in de toen geldende PMV voor het toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden en in boringsvrije zones onder de afdekkende kleilaag. Aan de toepassing van deze systemen boven de kleilaag in boringsvrije zones zijn voorwaarden verbonden. De verboden en regels blijven in deze PMV onveranderd. Ad 4 Koude Warmte Opslag / Bodemenergiesystemen Voor de open systemen waren tot nu toe geen regels/verboden opgenomen in de PMV. Voor deze systemen geldt het vergunningenbeleid van de provincie op grond van de Waterwet. In het beleid, zoals vastgelegd in het Grondwaterplan 2008 t/m 2013, staat aangegeven dat in zogenaamde 50-jaarszones rond de drinkwaterwinningen geen open systemen toegestaan zijn. Dit betekent dus dat de provincie geen vergunningen op grond van de Waterwet verleent voor systemen in deze zone. Bij de vergunningaanvraag moet de initiatiefnemer aantonen dat de installatie zich buiten deze 50-jaarszone bevindt. Om de initiatiefnemer te ontlasten heeft de provincie kaarten gemaakt van deze 50-jaarszone van de drinkwaterwinningen. Gedeputeerde Staten stellen deze kaarten waarschijnlijk als beleidsregel vast. Aanvragen om een Waterwetvergunning voor deze systemen zullen Gedeputeerde Staten aan deze kaarten getoetst worden. De 50-jaarszone uit het Grondwaterplan is in bijna alle gevallen gelijk aan het grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone) van de PMV. In grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verbod voor de toepassing van KWO. Hieruit volgt dat er alleen nog aan de (kaarten van de) 50-jaarszone uit het Grondwaterplan getoetst hoeft te worden als de 50-jaarszone groter is dan het grondwaterbeschermingsgebied. Voor boringsvrije zones geldt dat het pakket onder de afdekkende laag binnen de 50-jaarszone valt; de toepassing van KWO is hiermee verboden. Boven de kleilaag is de situatie complexer en dient getoetst te worden aan de kaarten van de 50-jaarszone. Op zich zou dit apart geformuleerde verbod niet nodig zijn, omdat het verbod op boren ook impliceert dat bodemenergiesystemen niet geïnstalleerd mogen worden. Maar in afwijking van het boorverbod geldt het verbod op bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, ongeacht de diepte waarop dit plaatsvindt. Het gaat hier immers niet primair om aantasting van het bodemprofiel, maar om de directe of potentiële risico’s van deze systemen. Dit verbod schept duidelijkheid: alle bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn verboden. Eventuele nieuwe inzichten in de effecten van het toepassen van bodemenergie kunnen leiden tot een heroverweging van het verbod. Wij hebben één uitzondering op het verbod van KWO-systemen in grondwaterbeschermingsgebieden gemaakt, namelijk voor innovatieve duurzaamheidsprojecten, waarbij de toepassing van KWO een aannemelijk positief en significant effect heeft op de natuurlijke afbraak van de verontreiniging in het betreffende grondwaterbeschermingsgebied. Als graadmeter geldt dat het moet gaan om een project dat een vergelijkbare werking heeft als de ‘Biowasmachine’ in het Utrechtse Stationsgebied, zoals dat in juni 2010 gestart is. Gelet hierop, verwachten wij op dit vlak eventueel ontwikkelingen binnen de beschermingsgebieden van Woerden, Amersfoort-Berg, Veenendaal, Zeist en Beerschoten. Overigens wordt er op landelijk niveau gewerkt aan de AMvB Bodemenergie, de AMvB stelt ook regels voor de toepassing van bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden. Echter op dit moment is nog niet geheel duidelijk wanneer deze van kracht wordt, is gekozen om tot die tijd de huidige regels te handhaven. Ad 5 Grondwerken en funderingswerken Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies. Ondiepe activiteiten worden niet geregeld. Gebruik van materialen en bouw en aanleg worden beheerst door landelijke regels. De bijzondere zorgplicht fungeert daarin als vangnet. De risico’s van het ontstaan van kortsluitstromen/lekken zijn gering als de landelijke regels worden gevolgd.Grootste risico ligt er bij verstoring van het bodemprofiel tijdens de werkzaamheden en bij verwijdering van het grondwerk. Vandaar dat er alleen een doelvoorschrift is opgenomen voor herstel van de beschermde werking van het bodemprofiel (met een meldplicht). Grootste risico bij funderingen zijn technieken die lekstromen in de bodem mogelijk maken, zoals funderingspalen met een verbrede voet. Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater. Er zijn echter situaties bekend waarbij gladde heipalen niet voldoen en andere technieken nodig zijn. Ook de lokale omstandigheden kunnen het nodig maken om andere technieken te gebruiken. Een te rigoureus verbod kan betekenen dat bepaalde maatschappelijk gewenste activiteiten niet door kunnen gaan. Voor dit soort situaties is een alternatief beschikbaar: de schroefpaal, waarmee minder bodembelasting wordt veroorzaakt. Met de toelating van schroefpalen wordt voorkomen dat deze activiteiten onnodig worden geblokkeerd. Het trekken en verwijderen van heipalen heeft gevolgen voor de beschermende werking van de bodemlagen. Om ongewenste rechtstreekse kortsluiting van verontreinigingen vanaf het maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket te voorkomen, is er gekozen om voor de gebieden: Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden de verplichting op te nemen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet. Er is speciaal voor deze gebieden gekozen aangezien het grondwater hier gewonnen wordt uit het eerste watervoerend pakket dat niet beschermd wordt door een afsluitende kleilaag. Bij de andere winningen bevindt deze kleilaag zich wel op een diepte van meer dan 10m-mv en meestal op ca. 40m-mv. De kans dat deze laag wordt geperforeerd door een heipaal is praktisch nihil, omdat voor zover bekend heipalen niet door deze onderliggende kleilaag worden aangebracht uit kostenoverweging en om funderingstechnische redenen. Het verwijderen van heipalen is meldingsplichtig. Ad 6 Buisleidingen Transportleidingen voor transport van gevaarlijke vloeistoffen zoals kerosine vormen een belangrijke risicofactor vanwege potentiële lekkages en kans op calamiteiten. Er moet dus voorkomen worden dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Het verbod in grondwaterbeschermingsgebieden blijft gehandhaafd. Legaal aanwezige leidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten. Ad 7 Verhardingen en gebouwen Verhardingen zoals wegen en parkeerplaatsen en gebouwen in grondwaterbeschermingsgebieden, worden aangemerkt als risico’s en oorzaak van negatieve belasting van de bodem en het grondwater, omdat het gebruik risico’s en mogelijk bodembelasting met zich meebrengt door afstromend hemelwater dat min of meer verontreinigd is. Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen, toegepaste bestrijdingsmiddelen en van het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK’s en minerale olie, in het afstromend hemelwater van gebouwen komen o.a. opgelost koper en zink voor. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. En tenslotte kan het onderhoud van verhardingen en gebruik van stoffen zoals bestrijdingsmiddelen en wegenzout het grondwatersysteem belasten. Generieke regelgeving beperkt dit risico niet altijd voldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening. Naast inzichten in potentiële risico’s, zijn er de laatste jaren ook veranderde inzichten in hoe om te gaan met schoon of betrekkelijk schoon hemelwater. Afvoer van dit relatief schone water via het riool van de RWZI heeft nadelen en is onnodig kostenverhogend, leidt tot overbelasting van het riool en RWZI’s, leidt tot overstorten en belasting van het oppervlaktewater enz. Rapporten en beleidsstandpunten (o.a. CIW rapport Afstromend wegwater uit 2002, beleidsbrief regenwater en riolering 2004) hebben geleid tot nieuwe landelijke regelgeving. In 2011 is het landelijk Besluit lozen buiten inrichtingen in werking getreden, dat de bevoegdheden en normering regelt. Evenknie daarvan is het Activiteitenbesluit op grond van de Wet milieubeheer, waarin regels over lozingen en verhardingen staan binnen inrichtingen. In deze besluiten wordt enerzijds aangegeven dat lozen van afvloeiend hemelwater op de bodem wordt toegestaan, terwijl anderzijds wordt toegelicht dat in de PMV beperkingen hieraan kunnen worden gesteld vanwege het belang van de drinkwatervoorziening. Bij gemeenten, waterschappen en provincie Utrecht was er behoefte aan nuancering van de strikte interpretatie dat in grondwaterbeschermingsgebieden en in het Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug niet zou mogen worden afgekoppeld. Daarom is in 2010 een Convenant Afkoppelen Utrechtse Heuvelrug ondertekend, dat maatwerk biedt voor dit Infiltratiegebied, maar tevens voor een tiental daar inliggende grondwaterbeschermingsgebieden. De afspraken uit het convenant zijn nader uitgewerkt in een leidraad afkoppelen en infiltreren Utrechtse Heuvelrug en opgenomen in de PMV-regels voor verhardingen in alle grondwaterbeschermingsgebieden. Overigens geldt dat tunnels voor langzaamverkeer (fietsers, brommers en tractoren) onder de classificatie ‘beperkt schoon’ vallen. Wel dient dan voldaan te worden aan de andere eisen uit het convenant. Ook de bestaande afspraken over de parkeerproblematiek in de Bethunepolder zijn deels in regels opgenomen. Uit oogpunt van deregulering zijn de regels beperkt gehouden: in enkele gevallen is het doelmatiger gebruik te maken van de “bijzondere zorgplicht” en de uitwerking van eventueel te treffen maatregelen of voorzieningen over te laten aan de beheerder, zo mogelijk in overleg met de provincie, of, waar dit betreft gemeentelijke inrichtingen, met de gemeente. De regels voor parkeerplaatsen, Bethunepolder en diepinfiltratie zijn hieronder nader toegelicht. Parkeerplaatsen In de Leidraad Convenant Afkoppelen worden “schone gebouwen” en “schone/beperkt schone” verhardingen onderscheiden (parkeerplaatsen, wegen e.d.). Hier geldt geen verbod of gelden geen voorschriften in de PMV voor afkoppelen. Het risico op lekkage en afspoelen van schadelijke stoffen van motorvoertuigen is bij de huidige stand der techniek beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Parkeren op onverharde terreinen, dat wil zeggen: zonder aaneengesloten verharding, dus bijvoorbeeld op kale grond, gras, grind en steengranulaat, is ongewenst. Vaste parkeerplekken moeten daarom voorzien worden van een aaneengesloten verharding. Bij een aaneengesloten verharding, zoals asfalt en strak gelegde straatklinkers, stroomt het merendeel of alle water af en kan dit worden opgevangen. Eventuele olielekkage e.d. wordt opgemerkt en opgevangen door de verharding en kan daarna worden weggevangen of uit het afstromend water worden gehaald (beheersbare situatie). Het is aan de initiatiefnemer om een adequate voorziening of maatregelen te treffen. Hierop is de bijzondere zorgplicht van toepassing. Reeds binnen gebieden aanwezige onverharde parkeerplaatsen kunnen -mits aan twee voorwaarden wordt voldaan- blijven bestaan. De reden is dat we de maatschappelijke consequenties om overal verhardingen aan te brengen niet in verhouding vinden staan tot het belang van wegnemen van deze risico’s. Hoewel er namelijk risico's zijn van verslechtering van het grondwater, zijn de risico’s voor de ruwwaterkwaliteit en overschrijding van de drinkwaternorm echter beperkt. Wel stellen we hieraan twee voorwaarden: De eerste voorwaarde is dat sprake moet zijn van een legale situatie (conform de bestaande landelijke regels en de PMV); Ten tweede mag bij parkeerplaatsen in een grondwaterbeschermingsgebied worden verwacht dat, bij ontbreken van voorzieningen, ten minste door de eigenaar of beheerder maatregelen worden genomen om verontreiniging van de bodem tegen te gaan of deze tijdig op te ruimen. Dit vloeit voort uit de bijzondere zorgplicht. In geval van uitbreiding van de parkeerplaats geldt wel de verplichting van een vloeistofkerende voorziening. Het ligt dan in de rede om de gehele parkeerplaats daartoe aan te passen en optimaal te beschermen. Regels Bethunepolder
(2)Vanwege de specifieke situatie in de Bethunepolder, waar meerdere functies bij elkaar komen -enerzijds de drinkwaterwinning, anderzijds waterrecreatie op de nabijgelegen locatie De Strook (Loosdrechtse Plassen), alsmede schaatsen in de winter op de omliggende plassen)- zijn de incidenteel voorkomende verkeers- en parkeerproblemen opgelost door een aantal situaties op te nemen in de verordening. Daarnaast zijn op ambtelijk niveau afspraken gemaakt met de gemeente Stichtse Vecht. Middels deze afspraken worden de maatregelen vastgelegd die getroffen moeten worden als ten behoeve van de recreatie geparkeerd gaat worden in de Bethunepolder (o.a. een calamiteitenplan en verkeersregelaars).
(2)Dit gaat weliswaar over het waterwingebied de Bethunepolder, maar hiervoor gelden de regels als ware het een grondwaterbeschermingsgebied. Vandaar dat dit hier aan de orde komt. Diepinfiltratie Bij diepinfiltratie (vanaf 10 meter onder maaiveld) wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen in de ondergrond gebracht. Binnen kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat het niet naleven van regels, de ondeugdelijkheid van voorzieningen of het maken van fouten, vergaande gevolgen heeft. In geval van calamiteiten is het probleem ook moeilijk beheersbaar. Een eventuele verontreiniging kan immers zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket doordringen. Een voorbeeld van een dergelijke fout is het per abuis aansluiten van riolering of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk, waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerd, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken. De regelgeving voor het grondwater in het algemeen (generieke regelgeving) is niet toereikend voor deze gebieden. In de PMV is daarom een absoluut verbod voor diepinfiltratie van afstromend hemelwater opgenomen. Ook andere, meer incidenteel, voorkomende vormen van diepinfiltratie zijn in het algemeen niet toelaatbaar. Dat volgt uit de bijzondere zorgplicht. Ad 8 Gewasbeschermingsmiddelen In de Bethunepolder is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verboden, behoudens het gebruik van glyfosaat. In de andere beschermingsgebieden zijn er geen aanvullende provinciale regels op de landelijke regelgeving. Overigens gold in Utrecht een verbod in grondwaterbeschermingsgebieden op het gebruik van een tiental stoffen. Drie omstandigheden maken dit niet meer nodig
(3): Enkele middelen zijn inmiddels al landelijk verboden; Het regime voor deze middelen op basis van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is in grondwaterbeschermingsgebieden aangescherpt; Een aanvullend provinciaal verbod, zonder dat uit de etikettering blijkt dat middelen verboden zijn, werkt verwarrend.
(3)Uitzondering hierop zijn de specifieke regels voor de Bethunepolder Ad 9 Meststoffen Meststoffen bevatten voedingsstoffen zoals fosfaat en stikstof, maar kunnen soms ook verontreinigingen met andere en soms onbekende stoffen, zoals geneesmiddelen en hormonen, bevatten. De huidige en toekomstige landelijke regels op grond van de Meststoffenwet worden toereikend geacht om de fosfaat- en stikstofbelasting ook in grondwaterbeschermingsgebieden in voldoende mate terug te dringen. In de PMV is desondanks een verbod op het gebruik van meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen vanwege het risico van mogelijk aanwezige onbekende verontreinigingen in meststoffen. Met name in en in kunnen zich verontreinigingen bevinden. Het is moeilijk controleerbaar of een partij al dan niet gedurende het transport vermengd is met andere (afval)stoffen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het grondwater. Verder is in ogenschouw genomen dat toepassing van deze meststoffen niet strikt noodzakelijk is omdat er minder risicovolle alternatieven voorhanden zijn (gebruik van dierlijke meststoffen en kunstmest). Voor het gebruik van dierlijke meststoffen, bepaalde anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen geldt een vrijstelling van het verbod van artikel 16 eerste lid, onder e. Door de in de afgelopen jaren opgetreden aanscherping van het landelijk regime voor wordt de bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning voor die stoffen voldoende geacht. In de toekomst wordt nog verdere aanscherping van de landelijke regels verwacht. Eventuele risico’s voor de waterwinning worden daarmee voldoende beheerst. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor dierlijke meststoffen. De toepassing van brengt wel risico’s met zich mee vanwege de mogelijke aanwezigheid van (onbekende) verontreinigingen. Een verbod wordt echter als niet handhaafbaar beschouwd omdat eenieder ongecontroleerd kleine partijen compost kan inkopen en toepassen. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor het gebruik van compost. Met de verzamelnaam ‘kunstmest’ kunnen producten bedoeld worden die ongewenste bijmengsels en verontreinigingen bevatten. Daarom worden alleen anorganische meststoffen toegelaten als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Het gebruik van kunstmest kan leiden tot nitraatuitspoeling. Het algemene beschermingsniveau (gebruiksnormen) is echter voldoende om dit risico te ondervangen. In de reguliere bedrijfsvoering wordt kunstmest bovendien als een kostbaar product gezien waar zuinig mee wordt omgegaan. Doordat specifieke meststoffen en sporenelementen worden gebruikt, heeft de juiste toepas¬sing van kunstmest een betere benutting van bestanddelen van organische mest tot gevolg. Dit maakt dat de juiste toepassing van kunstmest zelfs gunstig kan uitwerken voor de grondwaterkwaliteit. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor het gebruik van kunstmest, met een beperking tot genoemde stoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Ook voor kalkmeststoffen is een vrijstelling opgenomen. Kalkmeststoffen zijn organische of anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om de juiste zuurgraad (pH) in de bodem te handhaven en de grondstructuur te verbeteren. Met de juiste zuurgraad is het mogelijk om met minder aanvoer van stikstof en fosfaat toch optimale gewasopbrengsten te realiseren. In die zin kan ook het gebruik van kalkmeststoffen een positief effect hebben op de grondwaterkwaliteit. De vrijstelling betreft het gebruik van meststoffen, maar heeft geen betrekking op de opslag van meststoffen. In het algemeen vindt het opslaan van meststoffen plaats in een inrichting waarvoor regels gelden krachtens de Wet milieubeheer. Met toepassing van die regels kan worden volstaan. Ad 10 Begraafplaatsen Risicovolle stoffen betreffende de lijkbezorging voor het grondwater zijn medicijnresten, bacteriële verontreinigingen en rottingsproducten. De bestaande regels met betrekking tot begraafplaatsen en uitstrooivelden zijn gehandhaafd. Omdat de risico’s van dierenbegraafplaatsen vergelijkbaar zijn, neemt Utrecht het verbod op dierenbegraafplaatsen op in de PMV. Ook is nieuwe vestiging van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden ongewenst in kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden en daarmee verboden. Uitbreiding van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden moet gemeld worden bij GS. Ad 11 Grond en bagger In 2009 is dit onderwerp geschrapt uit de PMV. De overweging hierbij was dat de negatieve effecten op het grondwater onvoldoende zichtbaar waren, mits daarbij het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in acht wordt genomen. Het generieke regime op basis van het Bbk biedt voldoende houvast voor een adequate bescherming. Wel zal de gemeente in haar bodembeleid rekening moeten houden met de beschermingszones voor drinkwater. Immers, de bijzondere zorgplicht kan ook activiteiten met grondverzet betreffen. Dat betekent met name bij opstelling van bodembeheernota’s en bodemkwaliteitskaarten, dat rekening wordt gehouden en aandacht is voor deze kwetsbare gebieden (zichtbaar maken). In lijn met het schrappen van grond en bagger in de PMV is er ook voor gekozen om geen verbod op te nemen voor IBC-bouwstoffen. Daarnaast is de wetgeving op dit gebied de afgelopen jaren verbeterd, waarbij de IBC-bouwstoffen gescheiden zijn en blijven van het grondwater. 2.3.
  1. Boringsvrije zones In een boringsvrije zone kunnen activiteiten in de ondergrond gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Daarom zijn regels of verbodsbepalingen voor bepaalde ondergrondse activiteiten opgesteld. Hierbij geldt in principe een vrijstelling tot een bepaalde diepte. Deze diepte is bepaald op basis van de ligging van een beschermde kleilaag boven de waterwinning. Het principe is dat deze kleilaag in tact moet blijven en activiteiten in of onder deze kleilaag verboden zijn of aan (zeer strikte) voorwaarden gebonden. Voor bovengrondse activiteiten zijn regels niet nodig, omdat de generieke wetgeving voldoende bescherming bieden. Tabel 2.3 bevat een samenvatting van regels die gelden in een boringsvrije zone. Tabel 2.3: Regels in de boringsvrije zone Regels in de boringsvrije zone 1 Boorputten • Verbod op boringen bij aantasting beschermende kleilagen (dieptegrens) • enkele vrijstellingen • Bij vrijgestelde boringen wel eis over manier buitengebruikstelling • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht bestaande boorput, mits conform bij buitengebruik stellen Dieptegrens: in principe 40 meter –mv Uitzondering 10 meter –mv: Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg: 30 meter: Veenendaal 2 Bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen) • Verbod bij systemen die beschermende kleilagen aantasten (dieptegrens) • Algemene voorschriften bij boringen boven de beschermende kleilagen (dieptegrens), met meldingsplicht • Ook als dit gebeurt in een inrichting (geen PMV-melding) • Overgangsrecht voor bestaande systemen (mits legaal, eis t.a.v. eindeboorput) Dieptegrens: zie bij boorputten 3 Koude Warmte Opslag (open systemen) • Verbod bij systemen die beschermende kleilagen aantasten (dieptegrens) • Tevens verbod in 50-jaarszone (deels gelegen buiten de boringsvrije zone) -alleen via beleid en Waterwet vergunning- • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht mits legaal (eis bij einde boorput) Dieptegrens: zie bij boorputten 4 Grond- en funderingswerken • Algemene voorschriften voor funderingspalen en herstel grondwerk bij aantasting scheidende laag (dieptegrens) en melding • Ook als dit gebeurt in een inrichting (melding) • Overgangsrecht (met eis voor grondwerk bij beëindiging) Dieptegrens: zie bij boorputten Gebieden: Amersfoort-Koedijkerweg, Bilthoven, De Meern, Eempolder, Leidsche Rijn, Lexmond, Lopik, Montfoort (wordt Blokland), Nieuwegein, Rhenen, Tull en ’t Waal, Veenendaal, Vianen (wordt Vianen Panoven) en Woudenberg Regels voor inrichtingen Er gelden voor inrichtingen alleen regels, voor zover er sprake is van aantasting van de afdichtende kleilaag en regels voor bodemwarmtewisselaars boven die afdichtende kleilaag. Zie verder de artikelsgewijze toelichting. Regels voor activiteiten buiten inrichtingen Er zijn regels nodig om de scheidende lagen boven het watervoerende pakket van de waterwinning zo min mogelijk te verstoren. Het gaat daarbij om regels voor boorputten, grond- of funderingswerken en om regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). In principe zijn dezelfde regels die gelden voor grondwaterbeschermingsgebieden, van toepassing in boringsvrije zones, echter is wel bepaald dat de verboden niet van toepassing zijn als het watervoerende pakket waaruit het grondwater wordt gewonnen, niet wordt bereikt: Bij boorputten, grond- of funderingswerken is dat het geval als er een beschermende kleilaag boven de voor het drinkwater bestemde grondwater is gelegen en deze niet wordt doorboord (dieptegrens). Het verbod op boorputten betekent ook dat boringen door lagen dieper dan het watervoerend pakket waaruit drinkwater wordt gewonnen evenmin is toegestaan. Dat diepere pakket is dan ook niet beschikbaar voor bodemenergie. En voor warmtetoevoeging en -onttrekking als geen warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het watervoerend pakket waaruit het drinkwater wordt gewonnen. In elk geval mag die kleilaag niet worden doorboord (dieptegrens), zie het boorverbod. Verder geldt nog een onderscheid tussen de gesloten systemen ( bodemwarmtewisselaars) en de open systemen. Alleen voor boringsvrije zones boven de dieptegrens (ondieper dus) zijn vanwege de restrisico’s aanvullende regels gesteld voor bodemwarmtewisselaars. 2.
  2. Bijzondere zorgplicht De bijzondere zorgplicht die is opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater heeft betrekking op de in de verordening geregelde beschermingsgebieden. En is ‘bijzonder’ ter onderscheiding van de algemene zorgplicht voor het milieu (artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 13 Wet bodembescherming, artikel 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden). In de beschermingszones is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en een veelal kwetsbare bodem. Daarom mag extra alertheid en zorgvuldigheid worden verwacht van personen en instanties die hier maatschappelijke activiteiten ontplooien die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Bekendheid geven aan de aanwezigheid, de kwetsbaarheid en betekenis van deze zones is daarom een belangrijke taak van provincie en andere instanties. Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een beschermingszone, als die activiteit risico’s voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken. De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. Zo is het voorheen in de verordening opgenomen verbod om in grondwaterbeschermingsgebieden schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren, of op of in de bodem te brengen, niet in de nieuwe regeling opgenomen. De aan de nieuwe regeling ten grondslag liggende risicobenadering brengt met zich mee dat degene die een dergelijke activiteit zou willen uitvoeren, op grond van de zorgplicht zelf beoordeelt of er geen minder risicovol alternatief is en, als dat er niet is, welke maatregelen ter beperking van de risico’s moeten worden genomen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet. Een voorbeeld waar de zorgplicht van belang is, is de organisatie van festiviteiten in het landelijk gebied waarbij gebruik gemaakt wordt van aggregaten en waarvoor brandstof wordt opgeslagen. De zorgplicht vereist extra maatregelen gericht op het opvangen van eventueel gelekte brandstof of olie. In het provinciale Grondwaterplan 2008-2013, deel II, is een bijlage Handreiking bijzondere zorgplicht opgenomen. Het bevoegd gezag handhaaft de bijzondere zorgplicht.
  3. Algemene toelichting – Stiltegebieden 3.
  4. Achtergrond, historie en beleid stiltegebieden Op grond van artikel 1.2 eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn Provinciale Staten gehouden regels te stellen inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij die regels aangewezen gebieden. Deze regels zijn opgenomen in de Provinciale Milieuverordening provincie Utrecht
  5. Deze regels reguleren twee onderwerpen. Ten eerste de aanwijzing van de milieubeschermingsgebieden voor stilte (verder te noemen stiltegebieden). Deze gebieden zijn, ingevolge artikel 24 van de PMV, aangewezen in bijlage 3 van de PMV. Ten tweede bevat de Verordening richtwaarden voor het geluid van activiteiten, functies en inrichtingen in of nabij stiltegebieden en regels voor gedragingen in stiltegebieden. Deze hebben als doel het voorkomen of beperken van geluidhinder in die gebieden. Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluidsbelasting ten gevolge van menselijke activiteiten zodanig laag is, dat het ervaren van de natuurlijke geluiden in dat gebied of gedeelten daarvan niet of slechts in geringe mate wordt verstoord. In 1986 zijn de stiltegebieden in de provincie Utrecht aangewezen met als doel het beschermen van het geluidkarakter van een gebied en het waarborgen van stilte/rust voor de mens in de toekomst. De gedragsregels waren opgenomen in de Verordening stiltegebieden provincie Utrecht. Als gevolg van de komst van de Wet milieubeheer is deze Verordening overgeheveld naar de toen geldende Provinciale Milieuverordening. In het kader van deze overheveling kwam ook de wettelijke term stiltegebieden te vervallen. Deze werd in de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde PMV vervangen door de term milieubeschermingsgebieden. In het reguliere spraakgebruik is het begrip stiltegebieden nog steeds gangbaar. In deze verordening wordt de term stiltegebieden dan ook gecontinueerd. De ruimtelijke bescherming van stiltegebieden vindt plaats via de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Bij de selectie van de gebieden zijn destijds de volgende uitgangspunten gehanteerd: In beginsel komen gebieden met een meetbaar

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.