et een intentiebesluit tot fusie van de beide dagelijkse besturen. Op basis daarvan is de wettelijke procedure gestart die heeft geleid tot een voorstel aan provinciale staten van de provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel tot samenvoeging van de beide waterschappen. De inhoudelijke overwegingen voor een fusie van de beide waterschappen volgen uit de bestuurskrachtmetingen die zijn uitgevoerd bij de beide waterschappen en uit het artikel 3-overleg. De in de rapportages voor beide waterschappen opgenomen conclusies zijn vrijwel identiek. Uit de bestuurskrachtmetingen blijkt dat de beide waterschappen op dit moment over voldoende bestuurskracht beschikken. Met het oog op toekomstige opgaven moet de bestuurskracht echter sterk toenemen om een gezaghebbende, slagvaardige en competente waterautoriteit te zijn, om het waterbelang te borgen in het bestuurlijk krachtenveld en om grootschalige complexe projecten tot een goed einde te brengen. Samengevat kunnen de conclusies op basis van feitenonderzoek en kwaliteitsdebatten omtrent de huidige bestuurskracht als volgt worden weergegeven. De beide waterschappen beschikken op dit moment over voldoende bestuurskracht. De taken worden over het algemeen naar behoren uitgevoerd en bovendien tegen relatief lage kosten. De waterschappen zijn sterk in het realiseren van doelen op reguliere opgaven. Ze worden ervaren als een betrouwbare organisatie, sterk in de rollen van uitvoerder/beheerder, regelgever/handhaver, dienstverlener en beleidsmaker. De waterschappen zullen hun kwaliteit als uitvoeringsorganisatie op de reguliere opgaven in de aankomende periode moeten handhaven. Het is te verwachten dat de waterschappen in staat zullen zijn om de kwaliteit van de reguliere taken ook in de toekomst te realiseren. Voor de ontwikkelopgaven (implementatie KRW, implementatie adviezen Deltacommissie, implementatie NBW-actueel en systeemintegratie waterketen) geldt dat de bestuurskracht momenteel voldoende is, maar dat er voor de toekomst de nodige risico's zijn. Met name de rolinvulling van medeoverheid/partner en in het verlengde daarvan die van organisatie/werkgever en bestuurder zal naar verwachting ontoereikend zijn, gelet op de eisen die uit de ontwikkelopgaven voortvloeien. De in de rapportages opgenomen conclusies van de geconsulteerde experts omtrent de toekomstige bestuurskracht luiden voor zover ze aanvullend zijn als volgt. Met name de implementatie van de adviezen van de Deltacommissie vormt een zeer stevige opgave voor de waterschappen. De bestuurskracht moet sterk toenemen om een gezaghebbende, slagvaardige en competente waterautoriteit te zijn, om het waterbelang te borgen in het bestuurlijk krachtenveld en om grootschalige complexe projecten tot een goed einde te brengen. Dit geldt niet alleen voor beide waterschappen, maar in z'n algemeenheid voor alle kleine en middelgrote waterschappen in Nederland. De experts zien de grootste voordelen in een strategie op drie fronten: investeren in kwaliteit en kwantiteit van bestuur en organisatie, samenwerking op strategisch en planmatig niveau met andere waterschappen in het bijzonder in (deel)stroomgebieden, en fusie van beide waterschappen op korte termijn met open oog voor verdere schaalvergroting in de toekomst. Op 29 april 2010 heeft het artikel 3-overleg plaatsgevonden. Het standpunt van beide waterschapsbesturen, zoals kenbaar gemaakt in het artikel 3-overleg, luidt samengevat als volgt: Beide waterschappen zijn kwetsbaar op het personele vlak. Er werken veel eenpitters en specialisten. Het is moeilijk goede mensen aan te trekken. Dat leidt tot risico's bij de advisering aan bestuurders. Personele samenhang tussen de beide waterschappen lost dit probleem niet op. De opgaven waar de waterschappen voor staan eisen juist een steviger positie van bestuur en organisatie. De bestuurskracht moet toenemen om een gezaghebbende, slagvaardige en competente waterautoriteit te zijn en om het waterbelang te borgen in het bestuurlijk krachtenveld. Projecten worden in toenemende mate complexer. Om die op een goede wijze uit te voeren is een professionaliseringsslag en een integratieslag nodig. De voorgestelde fusie is een proces van onderop en wordt breed gedragen. Beide waterschappen werken reeds op vele terreinen samen. Een fusie zal bovendien een financieel voordeel opleveren van € 11 miljoen per jaar. Opschaling is nodig. Het zal nog lang duren voordat definitieve beslissingen genomen zullen worden over de inrichting van het openbaar bestuur. Het is niet wenselijk daarop te wachten. De fusie past bovendien in meerdere scenario's en is derhalve een no-regretmaatregel. Bij het niet doorgaan van de fusie is aan de inwoners van het gebied niet uit te leggen dat een kostenbesparing van € 11 miljoen per jaar niet gerealiseerd kan worden. Gedeputeerde staten van Gelderland, Utrecht en Overijssel hebben op 14 december 2010 een standpunt ingenomen op het fusievoorstel.5 Gedeputeerde staten van de drie provincies hebben in hun besluit aangegeven gronden aanwezig te zien om een fusie tussen de beide waterschappen te realiseren. Dit reglement voorziet in de oprichting van het nieuwe waterschap Vallei en Veluwe. Algemene toelichting De wettelijke bevoegdheid om waterschappen in te stellen en te reglementeren ligt bij provinciale staten. Artikel 2 van de Waterschapswet bepaalt dat de bevoegdheid tot het opheffen en het instellen van waterschappen, tot regeling van hun taken en inrichting en van de samenstelling van hun besturen en tot de verdere reglementering van waterschappen aan provinciale staten behoort en dat de uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt bij provinciale verordening. Omdat hier sprake is van een interprovinciaal waterschap, worden de bevoegdheden, op grond van artikel 6 van de Waterschapswet, gemeenschappelijk door provinciale staten van Gelderland, Utrecht en Overijssel uitgeoefend. Voor de belangrijkste aanpassingen die voortvloeien uit de middels de Wet modernisering waterschapsbestel herziene Waterschapswet wordt verwezen naar de toelichting bij de reglementen van de op te heffen waterschappen Veluwe en Vallei en Eem. De waterschapsreglementen zijn interprovinciaal geüniformeerd en gemoderniseerd. Bij het opstellen van het onderhavige reglement is dan ook gebruik gemaakt van een modelreglement dat door het IPO, in overleg met de Unie van Waterschappen, is opgesteld. Het onderhavige reglement schept in aansluiting op de Waterschapswet het kader voor het nieuwe waterschap. Het beperkt zich tot de essentiële aspecten betreffende de inrichting en het functioneren van het waterschap. De belangrijkste onderwerpen die worden geregeld, zijn het gebied, de taak, het bestuur, de verdeling van de geborgde zetels over de specifieke belangencategorieën, het aanwijzen van de organisaties die de vertegenwoordigers voor de categorieën bedrijven en ongebouwd mogen benoemen en het toezicht. Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1[Toelichting: Op grond van artikel 1, tweede lid van de Waterschapswet kunnen als "hoofdtaken" aan de waterschappen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van het afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet worden opgedragen. In dit reglement is het begrip watersysteem nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de terminologie van de Waterwet. Het zuiveren van het afvalwater is niet nader gedefinieerd omdat de omschrijving afdoende is geregeld in de Waterschapswet en de Waterwet.] Dit reglement verstaat onder: a. categorie bedrijven: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte; b. categorie ingezetenen: categorie waartoe behoren degenen die hun werkelijke woonplaats in het waterschap hebben als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet; c. categorie natuurterreinen: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c, van de wet; d. categorie ongebouwd: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; e. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Gelderland en van Utrecht, tenzij in het reglement anders is bepaald; f. watersysteem: watersysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet; g. wet: Waterschapswet. Hoofdstuk 2 Naam, gebied, zetel en taak van het waterschap Artikel 2.1 Naam en gebied van het waterschap 2[Toelichting: Bij het bepalen van het gebied van het waterschap is acht geslagen op het uitgangspunt voor de bestuurlijke organisatie van de waterstaatszorg, dat bij de vorming van waterschappen zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de waterstaatkundige eenheden. Een waterstaatkundige eenheid bestaat uit een samenhangend stelsel van oppervlaktewateren en gronden (inclusief mensen en gebouwen), die belang hebben bij de instandhouding van dat stelsel.Het gebied van het waterschap wordt aangegeven op een kaart die deel uitmaakt van het reglement. Op de kaart zijn de grenzen van het waterschapsgebied zo eenduidig mogelijk vastgelegd. Er kunnen gebiedsspecifieke situaties zijn waarbij het noodzakelijk is de grens van het waterschapsgebied nauwkeuriger vast te stellen (bijvoorbeeld daar waar de grens door bebouwd gebied loopt). In het reglement is de mogelijkheid opgenomen om voor de precieze aanduiding van de grenzen van het waterschapsgebied detailkaarten vast te stellen. Het vaststellen van de detailkaarten is opgedragen aan gedeputeerde staten.] 1. Er is een waterschap met de naam waterschap Vallei en Veluwe, verder aan te duiden als het waterschap. 2. Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement behorende kaart. 3. De grenzen van het in het tweede lid bedoelde gebied worden nader aangegeven op door gedeputeerde staten vast te stellen detailkaarten met een schaal van 1:10.000. 4. Van elk van de kaarten, bedoeld in het tweede en het derde lid, berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel. Artikel 2.2 Zetel van het waterschap Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente het waterschap zijn zetel heeft. Artikel 2.3 Taak van het waterschap 3[Toelichting: In artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Deze taak wordt vervolgens in het tweede lid nader gespecificeerd in de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet. In de Waterschapswet worden de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding dus niet meer als aparte taken onderscheiden. Dit sluit beter aan bij het integraal waterbeheer dat in de waterschapspraktijk is ontstaan.In artikel 2.3 van het reglement is aangesloten bij de wet en de huidige situatie door aan het waterschap de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op te dragen. De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit.Onder de zorg voor de waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het peilbeheer van het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term "zorg voor het watersysteem" benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd.De toekenning van "de zorg voor het watersysteem" aan het waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg voor het watersysteem of de watersystemen in het waterschapsgebied aan het waterschap wordt toegekend. Ook andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van artikel 2.3 is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet bij andere publiekrechtelijke lichamen berust.Artikel 2.3, eerste lid kent een duidelijke relatie met artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 3:4, eerste lid Awb is namelijk geregeld dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Wanneer een bestuursorgaan van het waterschap derhalve een besluit of handeling overweegt, dient het over te gaan tot een afweging van alle bij de concrete beslissing of handeling betrokken belangen. Met artikel 2.3, eerste lid wordt aangegeven dat het waterschap zich bij de belangenafweging primair moet laten leiden door de waterhuishoudkundige belangen. Het zijn deze belangen die de doorslag moeten geven bij de besluitvorming.In artikel 2.3, tweede lid is ook de zuivering van afvalwater aan het waterschap opgedragen. Sinds2002 ligt de zorgplicht voor de zuivering van afvalwater al wettelijk bij het waterschap. Dit is thans in artikel 3.4 van de Waterwet nader geregeld.] 1. De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. 2. De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, hieronder mede begrepen het zuiveren van stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterbeheerder en dat om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een zuiveringtechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap. Hoofdstuk 3 De samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur 4[Toelichting: Dit hoofdstuk geeft een aanvulling op de bepalingen in de Waterschapswet en het Waterschapsbesluit. De wet regelt onder meer de vereisten voor het lidmaatschap van het bestuur, de verkiezingen, nevenfuncties, onverenigbare betrekkingen en het afleggen van de eed (dan wel verklaring en belofte). Voorts bevat de wet bepalingen over de vergaderingen van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. Het Waterschapsbesluit bevat onder meer regels over rechtspositionele aangelegenheden aangaande de dijkgraaf, zoals benoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie, ontslag, uitkering bij ontslag en aanspraken ingeval van ziekte.] Artikel 3.1 Benaming bestuursorganen 1. Het dagelijks bestuur wordt aangeduid als college van dijkgraaf en heemraden. 2. De voorzitter wordt aangeduid als dijkgraaf. 3. De leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de dijkgraaf, worden aangeduid als heemraden. § 1. Het algemeen bestuur Artikel 3.2 Omvang en samenstelling algemeen bestuur 5[Toelichting: In de Waterschapswet is, uit oogpunt van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid en slagvaardigheid, de minimale en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd. Het waterschapsbestuur kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden.Om te garanderen dat daadwerkelijk alle belangencategorieën vertegenwoordigd zijn, dient niet alleen de omvang van het bestuur te worden vastgesteld, maar ook het aantal zetels dat daarbinnen toegekend wordt aan ieder van de specifieke categorieën. Op een totale bestuursomvang van minimaal achttien en maximaal dertig zetels zijn zeven tot negen zetels gereserveerd voor de specifieke categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie minimaal één zetel toegewezen krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige zetels zijn voor de categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd ("geborgd") dat bij de taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de algemene én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht aan het functionele karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt van de organen van algemene democratie.Doel van de geborgde zetels is het zeker stellen van de vertegenwoordiging van de onderscheiden belangen in het waterschapsbestuur. Bij de bepaling van de omvang van het bestuur en de aantallen zetels per categorie is rekening gehouden met de mate van het belang van iedere categorie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de omvang van de betaling door een categorie niet meer als zelfstandig criterium wordt gehanteerd omdat dit uit de wet is geschrapt. Daarnaast is de mate van diversiteit van de belangen binnen de categorieën betrokken bij de bepaling van de zetelaantallen.Er zijn de volgende redenen om de ingezetenen een relatief groot aantal zetels in het algemeen bestuur toe te kennen:1de mate van veralgemenisering van de taakuitoefening door de waterschappen (brede taakinvulling en grote verwevenheid met taken algemeen bestuur) rechtvaardigt een maximale zeggenschap van de ingezetenen in het bestuur; 2het democratische gehalte van verkiezingen is het grootst wanneer de bezetting van een zo groot mogelijk aantal zetels wordt bepaald door verkiezingen; 3naar mate er meer zetels te verdelen zijn, is het aantrekkelijker voor belangengroeperingen om een lijst in te dienen. Het door de nieuwe wet geïntroduceerde lijstenstelsel komt dan het meest tot zijn recht. Er zijn 23 zetels beschikbaar voor de categorie ingezetenen en 7 geborgde zetels voor de specifieke belangencategorieën ongebouwd, natuurterreinen en bedrijven. Daarmee is een substantieel aantal zetels beschikbaar voor de verkiezingen (categorie ingezetenen). Dit voorziet voldoende in maximalisatie van het aantal verkiesbare zetels ten behoeve van het democratisch gehalte van het waterschapsbestuur en draagt bij aan de transparantie en de herkenbaarheid van het waterschapsbestuur. De gekozen bestuursomvang biedt tevens voldoende mogelijkheden voor regionale spreiding en representativiteit vanuit de diverse regio's. In verband met het democratisch gehalte van de verkiezingen zoals in het bovenstaande aangegeven, is gekozen voor het minimum aantal geborgde zetels. Dit betekent 7 geborgde zetels. Immers de specifieke categorieën kunnen ook via de ingezetenenverkiezingen zetels verkrijgen. Een aantal van 7 geborgde zetels voor de specifieke belangencategorieën wordt niet bezwaarlijk geacht, omdat die groeperingen de mogelijkheid hebben een lijst in te dienen. Ze hebben aldus via het democratische proces de mogelijkheid hun positie in het waterschapsbestuur te versterken.Voor de verdeling van de geborgde zetels dient er volgens de wet gekeken te worden naar de aard en omvang van het belang van de categorie. Conform de wet dient elke categorie in ieder geval 1 zetel te hebben. Als grondslag voor het bepalen van het belang is gekozen voor de economische waarde van de onroerende zaak. Dit geeft een indicatie van de aard en omvang van het door het waterschap te beschermen belang en het is een eenvoudige en transparante methode die goed aansluit bij de nieuwe financieringssystematiek. Toepassing van deze methode aangevuld met een bestuurlijke correctie leidt tot de volgende verdeling van de geborgde zetels: ongebouwd 3, natuur 1 en bedrijven 3 (zonder bestuurlijke correctie is de verdeling als volgt: ongebouwd 2, natuur 1, bedrijven 4).De bestuurlijke correctie wordt gerechtvaardigd geacht vanwege het andersoortige belang van het ongebouwd, namelijk de grote mate van inkomensafhankelijkheid van het ongebouwd bij de taakuitoefening door het waterschap. Deze mate van afhankelijkheid is niet in die zin aanwezig bij de categorie bedrijven.] Het algemeen bestuur bestaat uit 30 leden. Hiervan vertegenwoordigen: a. drieëntwintig leden de categorie ingezetenen; b. drie leden de categorie ongebouwd; c. één lid de categorie natuurterreinen; d. drie leden de categorie bedrijven. Artikel 3.3 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels 6[Toelichting: Voor de categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisaties aan te wijzen die de benoeming doen. Bij de aanwijzing van de organisaties is rekening gehouden met de verschillende te vertegenwoordigen belangen, de organisatiegraad, representativiteit en dekkingsgraad. Uit een oogpunt van transparantie en eenvoud is gekozen voor één organisatie. Hier speelt dat de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord een dekkingspercentage kent van circa 50% in het waterschapsgebied. Ook zijn vrijwel alle sectoren hierin vertegenwoordigd. Derhalve is de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord aangewezen als benoemende instantie.Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de benoemende instantie bij het benoemen andere (kleinere) organisaties met gelijkluidende belangen betrekt. Dit met het oog op een zo goed mogelijke representatieve vertegenwoordiging. De selectie van de vertegenwoordigers is een verantwoordelijkheid van de benoemende organisaties. Voor de categorie natuurterreinen is in gevolge de Waterschapswet het Bosschap belast met de benoeming van kandidaten. Nadere regeling van de benoeming van deze kandidaten in het reglement is niet noodzakelijk. De kandidaten voor de categorie bedrijven worden benoemd door de Kamers van Koophandel. Aangezien in het waterschapsgebied meer dan één Kamer van Koophandel bevoegd is, is in artikel 14 van de Waterschapswet bepaald dat bij reglement wordt bepaald op welke wijze de Kamers tot een voordracht komen. Om het systeem zo transparant en eenvoudig mogelijk te houden is er voor gekozen elke Kamer, naar rato van het aantal leden en het belang van de Kamer bij de taakbehartiging, een vastgesteld aantal vertegenwoordigers te laten benoemen. De verhouding tussen het aantal leden van de Kamers en het belang van de Kamers bij de taakbehartiging door het waterschap is bepalend voor de vastgelegde keuze. Bij de bepaling van de verhouding tussen het aantal leden van de Kamers en het belang van de Kamers bij de taakbehartiging door het waterschap is gekeken naar het aantal vervuilingseenheden en de WOZ-waarde per Kamer. Gelet op het aantal Kamers en het aantal zetels dat er te verdelen valt, is er naast de zogenaamde eenzijdige benoeming gekozen voor een gezamenlijke benoeming door twee Kamers.De Waterschapswet geeft aan dat de organisaties die de vertegenwoordigers mogen benoemen, de procedure die zij hanteren voor de selectie en benoeming tijdig moeten vastleggen. Daarbij zij opgemerkt dat de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat blijkens haar brief aan de Eerste Kamer van 20 april 2007 met de benoemende organisaties heeft afgesproken dat een open kandidaatstelling onderdeel uitmaakt van die procedure. Het waterschap zorgt vervolgens voor publicatie zodat het voor de leden van de belangengroeperingen (maar ook voor andere betrokkenen) duidelijk is op welke wijze de benoeming tot stand komt. Ook kunnen eventuele kandidaten hun interesse op dat moment kenbaar maken. De benoeming is bindend, dat wil zeggen de status van de benoemde kandidaten is gelijk aan die van gekozen kandidaten. Slechts de toetsing door het algemeen bestuur op grond van artikel 24 van de Waterschapswet kan toelating tot het algemeen bestuur verhinderen.] 1. Voor de categorie ongebouwd worden door de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord drie vertegenwoordigers benoemd. 2. Voor de categorie bedrijven worden drie vertegenwoordigers benoemd door de Kamer van Koophandel, waarvan twee vertegenwoordigers op voordracht van de regionale raad van de Regio Oost en één vertegenwoordiger op voordracht van de regionale raad van de Regio Noordwest. De betreffende regio's zijn aangeduid in het Besluit vaststelling regio's (Stcrt. 2014, 1215). Artikel 3.4 Reglement van orde 7[Toelichting: De Waterschapswet geeft in de artikelen 35 tot en met 39 een aantal bepalingen over openbare en besloten vergaderingen en over geheimhouding. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor haar vergaderingen vast. Voor de invulling van dat reglement verdient het aanbeveling zo veel mogelijk aan te sluiten bij de regelingen, die de Gemeentewet en de Provinciewet kennen omtrent onderwerpen van vergaderorde. Met name wordt hierbij gedacht aan het vergaderquorum, het besluitquorum, de wijze van uitschrijven van een nieuwe vergadering en het opstellen van de agenda, stemrecht van de leden, stemprocedures en het bepalen van de stemuitslag.] 1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. 2. In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot de vergadering, de openbaarheid van de vergaderingen, het vergader- en het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden. § 2. Het college van dijkgraaf en heemraden Artikel 3.5 Omvang college van dijkgraaf en heemraden 8[Toelichting: Ten aanzien van de omvang van het college van dijkgraaf en heemraden kan het reglement alleen bepalen hoeveel leden dit college ten minste en ten hoogste telt. In verhouding tot de omvang van het algemeen bestuur en ter voorkoming van versnippering van bestuurstaken is gekozen voor maximaal 6 bestuursleden. Meer dan 6 bestuursleden wordt niet doelmatig geacht. In dit reglement is niet gekozen om een minimum aantal leden aan te wijzen. Dit sluit aan bij de huidige situatie.] Het college van dijkgraaf en heemraden bestaat uit de dijkgraaf en een door het algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden dat ten hoogste zes bedraagt. Artikel 3.6 Benoeming heemraden 9[Toelichting: In de vergadering van het algemeen bestuur vindt de benoeming plaats van de heemraden tot lid van het college van dijkgraaf en heemraden. De benoemde wordt geacht zijn benoeming niet aan te nemen, indien hij op de tiende dag nadat hij in kennis is gesteld van zijn benoeming zijn benoeming niet heeft aanvaard. Aanvaarding van de benoeming dient te geschieden door middel van een aangetekende brief. Hiermee wordt aangesloten bij het stelsel van fictieve weigering zoals ook opgenomen in de Provinciewet en de Gemeentewet.In artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de benoeming van de heemraden plaatsvindt uit het algemeen bestuur. Gedeputeerde staten kunnen hiervan ontheffing verlenen indien het reglement die mogelijkheid biedt. In het tweede lid is deze mogelijkheid aan gedeputeerde staten gegeven. Dit maakt het mogelijk om geschikte kandidaten te vinden buiten de kring van het algemeen bestuur. Heemraden die op deze wijze zijn benoemd, maken daarmee overigens nog geen deel uit van het algemeen bestuur. Dat zou immers leiden tot een wijziging van het aantal zetels van het algemeen bestuur. Voor de heemraden die niet tot het algemeen bestuur behoren, gelden op grond van artikel 45 wel de eisen die aan de verkiesbaarheid van leden van het algemeen bestuur worden gesteld alsmede de incompatibiliteiten voor het lidmaatschap van het algemeen bestuur. Ook de verplichting tot het afleggen van de eed of de belofte is op deze leden van toepassing. Daarbij dient expliciet te worden opgemerkt dat de heemraden die via de ontheffing van artikel 41, tweede lid, van de wet in het college zijn terecht gekomen alleen lid zijn van het college van dijkgraaf en heemraden. Zij mogen dus alleen de bevoegdheden uitoefenen die horen bij dit college. Ze zijn geen lid van het algemeen bestuur en kunnen dan ook geen bevoegdheden uitoefenen van het algemeen bestuur.De invulling van een open gevallen plek in het college van dijkgraaf en heemraden geschiedt zo spoedig mogelijk. Dit kan anders zijn indien het algemeen bestuur besluit het aantal heemraden te verminderen.] 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van de wet. 2. De tot heemraad benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te nemen, indien de dijkgraaf op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen mededeling van hem heeft ontvangen dat hij de benoeming aanvaardt. 3. Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming. 4. De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen bestuur besluit het aantal heemraden te verminderen dan wel indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid. Artikel 3.7 Ingang benoeming heemraden [vervallen] Artikel 3.8 Ontslag op eigen initiatief 10[Toelichting: Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 41 van de wet, waarin het ontslag van de heemraden summier wordt geregeld. Heemraden die hun ontslag nemen, geven hiervan, om bewijsrechtelijke redenen, schriftelijk kennis aan het algemeen bestuur. Deze bepaling komt overeen met de artikelen 42 en 43 van respectievelijk de Provinciewet en de Gemeentewet. De Waterschapswet bevat terzake geen bepalingen. Uit de aard van de rechtshandeling vloeit voort dat opzegging niet met terugwerkende kracht mogelijk is (vergelijk artikel 43 Gemeentewet en 42 Provinciewet).] 1. Een heemraad kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. 2. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. 3. Indien degene wiens benoeming tot heemraad is ingegaan, een functie bekleedt als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet, draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven. 4. Indien een heemraad een functie gaat bekleden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Artikel 3.9 Vervanging heemraden 11[Toelichting: Heemraden kunnen worden vervangen door leden van het algemeen bestuur. De vervanging kan door het algemeen bestuur worden geregeld op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden, het betreffende lid van dat bestuur, of uit eigen beweging. Bepalend is of de vervanging nodig is voor een goed functioneren van het betreffende bestuursorgaan. Het tweede lid regelt de vergoeding bij vervanging van een heemraad.] 1. Bij langdurige afwezigheid van een heemraad, of indien een heemraad met de waarneming van het ambt van dijkgraaf is belast, kan hij worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het algemeen bestuur. 2. Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken een heemraad heeft waargenomen, geniet een vergoeding ten bedrage van de voor die heemraad vastgestelde bezoldiging. De vergoeding wordt verminderd met hetgeen als lid van het algemeen bestuur als vergoeding wordt ontvangen. Artikel 3.10 Reglement van orde 12[Toelichting: Het college van dijkgraaf en heemraden bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Een verschil tussen de vergaderingen van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden is, dat de vergaderingen van dit college met gesloten deuren worden gehouden, tenzij dit bestuur anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven over de openbaarheid van de vergaderingen van het college van dijkgraaf en heemraden (artikel 42 Waterschapswet).Met de toevoeging van de woorden "en andere werkzaamheden" wordt aangesloten bij wat daaromtrent in de praktijk is gegroeid en hetgeen is bepaald in de Provinciewet en de Gemeentewet. In de reglementen van orde worden meer activiteiten geregeld dan alleen de vergaderingen. Andere werkzaamheden kunnen betrekking hebben op de bekendmaking van besluiten, de schriftelijke afdoening van zaken en de procedurele voorbereiding van de in het college van dijkgraaf en heemraden te bespreken nota's.] 1. Het college van dijkgraaf en heemraden stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. 2. In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het vergader- en besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden. Artikel 3.11 Intrekking beroepen of bezwaren Ingestelde beroepen of gemaakte bezwaren als bedoeld in artikel 86, derde lid, van de wet worden slechts ingetrokken als het algemeen bestuur daartoe beslist. § 3. De dijkgraaf Artikel 3.12 Benoeming dijkgraaf 13[Toelichting: Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure gevolgd. Een open sollicitatie omvat in elk geval een bekendmaking in de daarvoor geëigende kranten en of vakbladen.] 1. Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet wordt opgemaakt, wordt behalve in het geval van een herbenoeming een open sollicitatieprocedure gevolgd. 2. Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd. 3. Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de wet wordt onder gedeputeerde staten verstaan: gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.1, onder e. 4. Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan gedeputeerde staten gezonden. 5. De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de Commissaris van de Koningin in de provincie Gelderland. Artikel 3.13 Woonplaats dijkgraaf 14[Toelichting: Voor het eerste lid van dit artikel inzake de bepaling van de woonplaats van de dijkgraaf is aansluiting gezocht bij artikel 71 uit de Gemeentewet. Op basis van het tweede lid kan het algemeen bestuur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Het algemeen bestuur kan zelf bepalen of en voor welke periode ontheffing wordt verleend. ] 1. De dijkgraaf heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap. 2. Het algemeen bestuur kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. § 4. De secretaris 15[Toelichting: De vervanging van de secretaris wordt geregeld door het algemeen bestuur. De secretaris zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en heemraden. In verband met die functie is het verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, dat geldt voor leden van het algemeen bestuur, ook van toepassing verklaard op de secretaris. Het algemeen bestuur stelt nadere regels vast omtrent de taak en de bevoegdheid van de secretaris. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet (artikel 103, lid 2) en de Provinciewet (artikel 100, lid 2).] Artikel 3.14 Benoeming secretaris De benoeming van de secretaris geschiedt op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden. Artikel 3.15 Taken en bevoegdheden 1. Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de secretaris. 2. Artikel 33, eerste en tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 4 Toezicht Artikel 4.1 Toezichtsbevoegdheid 16[Toelichting: In verband met het interprovinciale karakter moet op grond van artikel 164 van de Waterschapswet in het reglement een regeling over toezicht worden opgenomen. In dit artikel is bepaald dat het toezicht gezamenlijk wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van Gelderland en Utrecht. Het waterschap is voor het grootste gedeelte in de provincie Gelderland gelegen. In de provincie Utrecht is echter een zodanig substantieel gedeelte gelegen met een zodanige economische waarde en een zodanig aantal ingezetenen dat gezamenlijk toezicht met die provincie gerechtvaardigd is. Dat geldt niet voor de provincie Overijssel, omdat het waterschap slechts voor een zeer gering gedeelte in die provincie is gelegen.Het toezicht omvat zowel de toepassing van de generieke instrumenten (schorsing/vernietiging, indeplaatstreding) als de toepassing van de specifieke instrumenten (goedkeuring, aanwijzing). In verband hiermee dienen meldingsplichtige besluiten aan zowel gedeputeerde staten van Gelderland als gedeputeerde staten van Utrecht te worden toegezonden. ] 1. Het toezicht op het waterschapsbestuur wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, tenzij bij dit reglement of bij de Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe anders is bepaald. 2, Gedeputeerde staten bepalen in onderling overleg op welke wijze de voorbereiding en de besluitvorming zal plaatsvinden over hetgeen terzake van het gemeenschappelijk toezicht moet worden beslist. Artikel 4.2 Meldingen 17[Toelichting: Voor besluiten die niet aan preventief toezicht zijn onderworpen geeft de Waterschapswetin artikel 156 de mogelijkheid van schorsing, eventueel gevolgd door vernietiging. Gedeputeerdestaten kunnen hiertoe spontaan overgaan, dan wel naar aanleiding van een daartoe ingediend verzoekschrift.Het vernietigingsrecht strekt zich uit over alle waterschapsbesluiten. De regels die gelden voor de toepassing van het schorsings- en vernietigingsinstrument zijn vastgelegd in de Waterschapswet en de Algemene wet bestuursrecht. De gronden voor vernietiging zijn strijd met het recht of het algemeen belang.Daarnaast beschikken gedeputeerde staten sedert de inwerkingtreding van de Waterwet eind 2009 over het (proactieve)aanwijzingsinstrument. Dat instrument is opgenomen in artikel 3.12 van die wet en houdt in dat gedeputeerde staten een aanwijzing kunnen geven omtrent de uitoefening van taken of bevoegdheden door waterschappen, indien een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat vordert. Het voordeel van dat instrument is dat zonodig aan de ‘voorkant' kan worden ingegrepen. Op grond van de Waterschapswet moeten in ieder geval aan gedeputeerde staten wordentoegezonden:a. besluiten tot vaststelling of wijziging van de keur (artikel 80 van de Waterschapswet);b. de begroting en begrotingswijzigingen (artikel 101 van de Waterschapswet);c. de rekening (artikel 107 van de Waterschapswet);d. de verordeningen met betrekking tot de organisatie van de administratie, het beheer ende controle van de vermogenswaarden alsmede de verordening met regels over periodiekonderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde bestuur(artikel 109b van de Waterschapswet).Ook op grond van andere wetten bestaan voor de waterschappen verplichtingen tot toezendingvan besluiten aan gedeputeerde staten.Dit artikel vult de wettelijke opsomming aan met een categorie besluiten die van wezenlijk belang is voor de taakuitoefening door het waterschap en waarvan derhalve op provinciaal niveau kennis dient te bestaan. Dat betreft besluiten tot oprichting van of deelneming in een rechtspersoon (lid 1, onderdeel a).Daarnaast is mede met het oog op een mogelijke (proactieve) toepassing van het aanwijzingsinstrument een toezendingsplicht opgenomen voor de in artikel 4.2, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid genoemde besluiten of het ontwerp daarvan.Toezending van de ontwerpkeur (eerste lid, onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.