Beleidsregels Terug- en invordering WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Versie 2013Beleidsregels Terug- en invordering WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Versie 2013 ALGEMEEN Voor wat betreft de terugvordering van IOAW, IOAZ en Bbz 2004 wordt zover als mogelijk aangesloten bij de beleidsregels betreffende terugvordering WWB. Daar waar WWB wordt vermeld in de onderstaande regels kan ook IOAW, IOAZ en Bbz worden gelezen. Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB. IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Bbz 2004: Besluit bijstand zelfstandigen 2004; Bruteren: het verhogen van de vordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; College: het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente; Fraudevordering: een vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; Inlichtingenplicht: de verplichting zoals genoemd in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid IOAW, artikel 13, eerste lid IOAZ en artikel 30c tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (SUWI); IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz. WWB: Wet werk en bijstand; Onder kosten van uitkering in de zin van deze beleidsregels wordt verstaan de door de gemeente betaalde uitkering verhoogd met de afgedragen loonheffing. Per 1-1-2014 komen hier de premies zorgverzekering bij. Artikel2.Algemene bepaling Burgemeester en wethoudersmaken gebruik van de bevoegdheid tot: Het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit zoals bedoeld in artikel 54 lid 3 van de WWB of artikel 17 IOAW en/of IOAZ; Het terugvorderen van ten onrechte verleende of in de vorm van een geldlening, onder borgtocht of onverschuldigd betaalde uitkering zoals neergelegd in de artikelen 58 lid 2 tot en met 60 van de WWB, of artikel 44 tot en met 47 Bbz. Het terugvorderen van ten onrechte verstrekte uitkering IOAW en/of IOAZ zoals neergelegd in de artikelen 25 tot en met 31 IOAW en/of IOAZ, voor zover niet reeds verplicht is gesteld in de wet. HERZIENING EN INTREKKING Artikel3.Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit In alle gevallen waarin het college ingevolge artikel 54 WWB of 17 IOAW / IOAZ de mogelijkheid heeft om het recht op de uitkering op te schorten dan wel in te trekken, dient zij deze bevoegdheid aan te wenden. Een besluit tot toekenning van uitkering wordt herzien of ingetrokken indien: Het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB, artikel 13 IOAW / IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan op grond van dringende redenen worden afgezien. TERUGVORDERING Artikel4.Terugvordering 1.Uitkering wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels, dan wel zoals verplicht gesteld in de wet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om over te gaan tot het terugvorderen van het netto bedrag indien de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen hiertoe aanleiding geeft. Dit kan indien een vordering is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Artikel5.Ten onrechte of te hoog verleende uitkering 1.Burgemeester en wethouders vorderen uitkering terug van de belanghebbende zoals beschreven in artikel 58 lid 2 tot en met 60 WWB, artikel 25 tot en met 31 IOAW / IOAZ en artikel 44 tot en met 47 Bbz. 2.Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van een administratieve vergissing vindt niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. 3.In afwijking van lid 1 vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dat signaal nog onterecht of te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. 4.Onder een signaal zoals genoemd in het derde lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 5.In afwijking van het eerste lid beperkt het college de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan bijstand zou zijn verstrekt, zou belanghebbende wel aan de inlichtingenplicht hebben voldaan, indien sprake is van intrekking van het recht op uitkering over een langere periode omdat belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen vermogen. Artikel6.Terugvordering van gezinsleden 1.Onverminderd het bepaalde onder artikel 4 worden kosten van uitkering indien de uitkering aan een gezin of echtpaar in het kader van de wet wordt verleend, van alle gezinsleden of partner teruggevorderd. Hetgeen in artikel 59 WWB en artikel 26 IOAW / IOAZ beschreven is als bevoegdheid wordt door het college dwingend toegepast. 2.De in het eerste lid bedoelde personen zijn hoofdzakelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van uitkering die worden teruggevorderd. Wordt de ene persoon ontslagen van verdere terugbetaling wegens verkrijgen van een schone lei waaronder voor de vordering waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is, dan wordt de andere persoon volledig aansprakelijk voor het restant. Artikel7.Afzien van terugvordering Burgemeester en wethouders zien af van terugvordering indien: het totaal terug te vorderen bedrag lager is dan € 25,- tenzij het een vordering schending inlichtingenplicht betreft over ene periode vanaf 1-1-2013; hiertoe een dringende reden aanwezig is. KWIJTSCHELDING Artikel8.Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek 1.In afwijking van artikel 4 en 5 van deze beleidsregels kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde uitkering indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 9 lid 1 sub b bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. 2.De bepaling onder lid 1 van dit artikel is niet van toepassing wanneer er een terugvordering heeft plaatsgevonden wegens schending van de inlichtingenplicht, artikel 17 WWB jo. 58 lid 1 WWB over een periode na 1-1-2013. Artikel9.Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek 1.Van kwijtschelding als bedoeld in artikel 8 van deze beleidsregels wordt afgezien indien: De terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; De vordering wordt gedekt door pand en hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 2.In afwijking van artikel 9 lid 1 van deze beleidsregels kan aan kwijtschelding worden meegewerkt wanneer ook aan de volgende punten is voldaan: Verzoek tot medewerking aan een schuldsanering/ - bemiddeling moet worden ingediend door een bij het NVVK aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie. Door de schuldregeling ontstaat voor de klant perspectief voor de toekomst. De klant heeft de afgelopen periode een duidelijke gedragsverandering vertoond. De klant heeft duidelijk zelf initiatief genomen. De verhouding van de vordering van de gemeente ten opzichte van derden mag niet onevenredig groot zijn. Wanneer dit wel het geval is kan de gemeente een regeling treffen waarbij de aflossing aan de gemeente gedurende een beperkte periode lager wordt vastgesteld, zodat de schuld met derden kan worden geregeld. 3.De bepaling onder lid 2 van dit artikel is niet van toepassing wanneer er een terugvordering heeft plaatsgevonden wegens schending van de inlichtingenplicht, artikel 17 WWB jo. 58 lid 1 WWB over een periode na 1-1-2013. Artikel10.Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel11.Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: Niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen; De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel12.Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting bij niet-fraude vorderingen (geen schending inlichtingenplicht) In afwijking van artikel 4 van deze beleidsregels kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of verdere terugvordering af te zien , indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar (60 termijnen) volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag die periode alsnog heeft betaald; gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; een bedrag overeenkomend met ten minste 50 % van de restsom in één keer aflost. Artikel13.Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting op vorderingen ten gevolge van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende (fraudevorderingen) 1.Indien terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 eerste lid WWB, artikel 13 IOAW / IOAZ kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 4 van deze beleidsregels besluiten om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende: gedurende tien jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald; gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten 2.De onder lid 1 genoemde termijn van tien jaar wordt gehalveerd tot een termijn van vijf jaar indien de debiteur: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan of; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft voldaan en; de debiteur gedurende de termijn van vijf jaar een duidelijke gedragsverandering in de positieve zin van het woord heeft vertoond. Tot slot wordt verwacht dat de debiteur duidelijk zelf verantwoordelijkheid heeft betoond voor de maximale aflossing en zelf het initiatief heeft genomen om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen. 3.Geen mogelijkheid tot geheel of gedeeltelijke kwijtschelding, behoudens omstandigheden genoemd in artikel 16, is mogelijk indien er sprake is van recidive binnen een termijn van vijf jaar nadat het laatste terugvorderingsbesluit op naam van debiteur is genomen. 4.De bepaling onder lid 2 van dit artikel is niet van toepassing wanneer er een terugvordering heeft plaatsgevonden wegens schending van de inlichtingenplicht, artikel 17 WWB jo. 58 lid 1 WWB over een periode na 1-1-2013. Artikel14.Verkorting van de periode van voldoen aan betalingsverplichting 1.De in artikel 12 genoemde termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van belanghebbende in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in artikelen 474c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17 eerste lid WWB of artikel 13 IOAW / IOAZ. 2.Indien de belanghebbende gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode naar het gemiddeld inkomen van belanghebbende over die periode naar de voor hem geldende beslagvrije voet als bedoeld in artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsnog voldoet, kunnen burgemeester en wethouders besluiten van verdere terugvordering af te zien. 3.Verkorting van de invorderingsperiode is niet mogelijk indien de terugvordering het gevolg is van leenbijstand, die verstrekt is in de vorm van een geldlening of borgtocht en: de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan; de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; dan wel het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft. Artikel15.Opschorting periode van betalingsverplichting Indien belanghebbende gedurende de periode van zijn betalingsverplichting gedetineerd is geweest wordt de periode van betalingsverplichting verlengd met de feitelijke duur van zijn detentie. Artikel16.Afzien van terugvordering Burgemeester en wethouders kunnen op grond van zeer dringende redenen, buiten de regels zoals opgenomen in dit beleidskader, geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering. Indien burgemeester en wethouders op grond van het bepaalde, zoals bedoeld als in lid 1 van dit artikel, geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering, nemen zij hiertoe een gemotiveerd besluit. INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE BIJSTAND Artikel17.Terugvorderingsbesluit (betalingsbeschikking) In het terugvorderingsbesluit delen burgemeester en wethouders aan de belanghebbende mede: tot welk bedrag, netto of bruto en over welke periode de ten onrechte ontvangen bijstand wordt teruggevorderd; de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen uitkering dient terug te betalen. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeld, (art. 4:87 Awb) Bij personen met een inkomen boven de voor hen geldende bijstandsnorm wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde beslagvrije voet die wordt berekend door middel van een vrij te laten bedrag calculatie (VTLB) Bij personen die geen bijstandsuitkering of inkomensvoorziening ontvangen wordt het vermogen in een levensverzekering vrijgelaten voor zover deze verzekering reeds bestond tijdens het ontstaan van de vordering. Artikel18.Aanmaning Indien de schuldenaar in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt binnen een termijn van 6 weken na constatering van het verzuim, of op enig ander tijdstip, een schriftelijke aanmaning verzonden, waarin de schuldenaar wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112 lid 1 Awb). Artikel19.Dwangbevel Binnen 2 weken of op enig ander tijdstip nadat niet (volledig) binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigen burgemeester en wethouders een dwangbevel uit (artikel 60 lid 2 WWB, artikel 28 IOAW / IOAZ en artikel 4:117 lid 1 Awb) voor zover we zelf een dwangbevel kunnen uitvaardigen. Voor de overige gevallen laten wij dat aan de deurwaarde over. Het bevel tot betaling bedraagt 4 dagen. Het dwangbevel vermeldt op welke wijze het dwangbevel, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd. Artikel20.Verplichtingen met betrekking tot de invordering 1.Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling tot stand is gekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 2.Burgemeester en wethouders verrichten periodiek onderzoek naar de hoogte van het inkomen. Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. De frequentie van dit onderzoek is vastgesteld in het heronderzoeksplan debiteuren. Artikel21.Verrekening en beslaglegging Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit cq. dwangbevel ten uitvoer gelegd door middel van: Verrekening tot aan de toepasselijke beslagvrije voet met de maandelijks verleende bijstand / uitkering ingevolge de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2004, op grond van artikel 60 lid 3 en 4 WWB, artikel 28 lid 2 en 5 IOAW / IOAZ of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; vereenvoudigd derdenbeslag enkel nadat belanghebbende eerst is aangemaand en vervolgens een dwangbevel heeft ontvangen; een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479elid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Van executoriaal beslag wordt afgezien indien de totale vordering minder is dan het door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde drempelbedrag van € 125,-. Indien deze vordering niet middels een minnelijke betalingsregeling en / of verrekening, vereenvoudigd derdenbeslag of deurwaarder kan worden geïncasseerd, wordt de vordering buiten invordering gesteld. Tenzij het een vordering uit schending inlichtingenplicht betreft over een periode na 1-1-2013. OVERIGE BEPALINGEN Artikel22.Rente en kosten 1.Indien belanghebbende niet tijdig betaalt, wordt hem geen aanmanings- of dwangbevelkosten in rekening gebracht. 2.Indien de gemeente overgaat tot beslaglegging als bedoeld in artikel 20 lid 3 van deze beleidsregels, dan wordt de vordering verhoogd met de door derden te maken kosten en wettelijke rente. 3.Wat betreft de termijnen sluit het college zich aan bij hetgeen in de Awb wordt vermeld. Artikel23.Terugvordering van de geldlening onder verband van hypotheek (zogenaamde krediethypotheek) 1.Terugvordering van krediethypotheken welke zijn gevestigd op grond van artikel 20 van de Algemene Bijstandswet en artikel 4, vierde lid, laatste volzin van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet vindt plaats analoog aan de bepalingen in het oude Besluit Krediethypotheek. 2.Terugvordering van krediethypotheken welke zijn gevestigd met toepassing van het bepaalde in artikel 48, tweede en derde lid van de WWB, vindt plaats met in achtneming van de artikelen 24 tot en met 27. Artikel24.Aflossing krediethypotheek 1.Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 2.De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats en wordt gerelateerd aan de toepasselijke beslagvrije voet. 3.Het maandbedrag voor de aflossing wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. 4.4. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 WWB dat niet uitgaat boven de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in Hoofdstuk III, afdeling 1 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. 5.Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders zo nodig tussentijds het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 6.Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met de noodzakelijke voor eigen rekening komende bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen conform de uitkomst van de VTLB-calculatie. 7.Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar nalatig is in het voldoen aan de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarvoor tevens de wettelijke rente verschuldigd. 8.Indien na tien jaar nog een deel niet is afgelost, vervalt de verplichting tot aflossing. De resterende schuld blijft dan staan tot de verkoop van de woning. Artikel25.Rente krediethypotheek 1.Indien door toepassing van artikel 24 vierde tot en met zesde lid van deze beleidsregels na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de lening. 2.De rente als bedoeld in het eerste lid is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. 3.Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eert tot te hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet betaald wordt bijgeschreven bij het niet afgeloste deel van de geldlening. 4.Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 5.Over een bijgeschreven rente is geen rente verschuldigd Artikel26.Verkoop van de woning 1.Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 25 derde en vierde lid van deze beleidsregels, bijgeschreven rente, terstond afgelost. 2.Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbenden dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende na toepassing van het derde lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na de aflossing vrijgekomen bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. 3.Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in elk geval het bedrag toe, dat op grond van artikel 34 lid 3 WWB bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht. 4.Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterend bedrag van de geldlening en van de rentevordering wordt het verschil kwijtgescholden. Artikel27.Opgave van stand van geldlening en rentevordering Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. Artikel28.Hardheidsclausule Het college kan afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. NADERE INVULLING BELEID Artikel29.Nadere invulling beleid Burgemeester en wethouders hebben de beleidsregels inzake terugvordering en invordering van ten onrechte verleende bijstand ingevolge de WWB, IOAW en IOAZ nader uitgewerkt in de Toelichting. Artikel30.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na publicatie en werken terug tot 1-1-2013 onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels Terug- en Invordering WWB, vastgesteld op 23-03-2010. Toelichting Beleidsregels terug- en invordering WWB, Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 Met de inwerkingtreding van de Wet bundeling uitkeringen aan gemeenten (Wet Buig) op 1 januari 2010 is de terugvordering van Ioaw, Ioaz, Bbzgeen wettelijke verplichting meer, maar een bevoegdheid. Omdat dit wat betreft de WWB al sinds 1 januari 2004 het geval is, is besloten om hier bij aan te sluiten. Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten (Wet aanscherping) wordt de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Meer specifiek gaat het om vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte ontvangen uitkering in verband met schending van de inlichtingenplicht. De verplichting tot terugvordering komt daarbij mede tot uiting in: Een verplichting tot verrekening van deze vordering met een eventueel recht op algemene bijstand, een uitkering in het kader van de Ioaw of Ioaz dan wel een Bbz-uitkering (artikel 60 lid 4 WWB en artikel 28 lid 2 Ioaw en Ioaz); en Een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting (artikel 60c WWB en artikel 29a Ioaw en Ioaz). Beleidsregel 2 : AlgemeenIn de WWB, die per 1 januari 2004 in werking is getreden, is het terugvorderen van ten onrechte verleende / te veel verstrekte bijstand een bevoegdheid geworden van burgemeester en wethouders. Dit houdt in dat het wettelijk kader op zichzelf geen sluitende basis meer vormt voor de gemeentelijke terugvorderingsprakrijk. Met onderhavige beleidsregels wordt de basis gelegd voor het terugvorderingsbeleid van de gemeente voor terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 sub a WWB wanneer deze niet het gevolg is van schending inlichtingenplicht en terugvorderingen op grond van artikel 58 lid 1 sub b tot en met f WWB. In de Ioaw en Ioaz en de Bbz-2004 zijn al regels opgenomen die voorschrijven hoe met terugvordering moet worden omgegaan. Terugvordering is in de Ioaw en Ioazgeen bevoegdheid van het college, maar een verplichting. In de wet zijn soortgelijke bepalingen opgenomen die ook in de Beleidsregels terugvordering WWB zijn geformuleerd. Voor zover de bepalingen in de wet niet voldoende zijn, zijn beleidsregels terugvordering van toepassing op terugvorderingen die op grond van de Ioaw of ioaz tot stand zijn gekomen. Sinds de invoering van de 4de tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 1 juli 2009 kent het terugvorderingsbesluit op zich geen executoriale werking. Slechts wanneer belanghebbende na zowel het ontvangen van het terugvorderingsbesluit als de aanmaning niet heeft betaald, levert het daarop volgende dwangbevel de executoriale titel. De 4de tranche van de Awb geeft aan het college de bevoegdheid om de aan de aanmaning en dwangbevel verbonden kosten in rekening te brengen bij belanghebbende. Of en hoe het college van deze bevoegdheid gebruik maakt staat beschreven in artikel 20 van het terugvorderingsbeleid. De WWB is een minimum bestaansvoorziening, welke aanvullend is op de eigen bestaansmiddelen. Gelet op de gewijzigde financiële verantwoordelijkheid voor de kosten van de uitkering acht het college het van groot belang dat de uitkering allen terecht komt bij die burgers die hieraan de meeste behoefte hebben. Bovendien hebben de ontvangsten voortvloeiend uit de terugvordering een gunstige effect op het beschikbare budget binnen het Inkomensdeel van de WWB. Een eventueel overschot op dit budget kan vervolgens worden ingezet voor extra re-integratietrajecten ten behoeve van werkzoekenden. Daarnaast is een belangrijkbeleidsuitgangspunt dat het plegen van bijstandsfraude onder geen enkele voorwaarde mag worden beloond door de ten onrechte verleende bijstand niet terug te vorderen. De WWB maakt onderscheid in terugvordering en verhaal van kosten van uitkering. Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van te veel verstrekte uitkering. De uitkering wordt teruggevorderd van degene aan wie de bijstand is uitbetaald, dus van de klant zelf. Bij verhaal van bijstand gaat het om het terugkrijgen van de kosten van bijstand die is wordt verleend aan klanten waarvoor een andere persoon (derde) onderhoudsplichtig is. Verhaal wordt dus toegepast op een andere persoon dan de klant zelf, bijvoorbeeld i.v.m.: de onderhoudsplicht bij jong meerderjarigen verhaal op nalatenschappen verhaal i.v.m. schenkingen Onder kosten van uitkering wordt verstaan de bruto uitkering: verhoogd met de loonheffing die de gemeente heeft betaald en die maatschappelijke ontwikkeling niet kan verrekenen. In een lopend boekjaar wordt volstaan met terugvordering van de netto uitkering. Over afgesloten boekjaren vindt altijd terugvordering van de bruto uitkering. Beleidsregel 3 : Herziening of intrekking van het toekenningsbesluitEvenals terugvordering van uitkering is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op uitkering door middel van een herziening- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid geworden van het college. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maakt het college in beginsel in alle gevallen, waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid. De bepalingen in lid 2 onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 54 lid 3 WWB en artikel 26 Ioaw en Ioaz, doch met een dwingend karakter geformuleerd. Indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstands- recht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel de gemeente als naar het UWV. In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningsbesluit aan de orde zijn. In beide gevallen leidt dit tot een vordering op een debiteur. Ad a. De onder a genoemde gevallen omvatten zowel de zelfstandige terugvorderingsbesluiten op grond van: afwijkende gezinsbijstand verleende voorschotten middelen achteraf en loonbijstand en borgtocht als de herzieningsbesluiten, gevolgd door een terugvorderingsbesluit op grond van; het achteraf verlagen of het intrekken van bijstand wegens informatiefraude en het intrekken van bijstand na het verstrijken van de hersteltermijn. Ad b. Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door het college onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszeker-heidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaat het college niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht. Een andere overweging is of het college als gevolg van een grove fout een foutief besluit heeft genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belang- hebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft. Beleidsregel 4 : TerugvorderingDeze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijk terugvorderingsbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd. Behoudens in het geval van anderszins onverschuldigd betaalde bijstand (artikel 58 lid 1 sub e WWB of artikel 25 lid 1 Ioaw / Ioaz) geldt een algemene verjaringstermijn van 20 jaar. Voor het vaststellen van de verjaring is bepalend, dat een besluit tot terugvordering moet zijn genomen binnen 5 jaar na de dag waarop de gemeente bekend is geworden met de vordering en de debiteur. Terugvordering van anderszins onverschuldigd betaalde bijstand vindt niet plaats als de kosten zijn gemaakt meer dan 2 jaar voor de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. Bij de vraag of bruto of netto wordt teruggevorderd geldt, dat in principe altijd wordt teruggevorderd wanneer het belastingjaar nog niet is afgesloten. Wanneer er daarna nog een (deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.