← Nederland

Subsidieregeling Wurkje foar Fryslân (Fryslân)

Uitvoeringsregeling van 24 juni 2014 houdende regels betreffende de subsidiëring van activiteiten op het terrein van Wurkje foar Fryslân (Subsidieregeling Wurkje foar Fryslân). Laatstelijk gewijzigd o

Artikel 4.1.1 Doel

De subsidie heeft tot doel om recent afgestudeerden een jaar werkervaring aan te bieden bij werkgevers in Fryslân zodat zij een betere kans op de arbeidsmarkt hebben en houden. Artikel 4.1.2 Subsidiabele activiteitenDit artikel bepaalt dat het in dienst nemen of inhuren en houden van een trainee wordt gezien als de subsidiabele activiteit. Artikel 4.1.3 DoelgroepUit dit artikel volgt dat de regeling openstaat voor alle soorten werkgevers: overheden, instellingen en bedrijfsleven. Artikel 4.1.4 AanvraagperiodeDe regeling wordt opengesteld voor de periode van 10 november 2014 tot en met 28 februari

  1. Echter, zodra de subsidieplafonds zijn bereikt, kunnen geen subsidies meer worden verstrekt. Artikel 4.1.5 Aanvraag Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Alleen aanvragen die via de post binnenkomen of afgeleverd worden bij het Provincie Huis worden in behandeling genomen. Aanvragen kunnen dan ook niet elektronisch of via email worden ingediend. Artikel 4.1.6 WeigeringsgrondenDe weigeringsgrond onder a bepaalt dat een aanvrager maximaal 3 aanvragen gehonoreerd kan krijgen op grond van deze regeling. Een aanvrager kan voor meerdere trainees een aanvraag indienen. Aanvragen na de derde verlening worden geweigerd. Talint foar Fryslân II is een uitvoeringsregeling die los staat van de eerdere subsidieregeling in het kader van Talint foar Fryslân, daarom kunnen werkgevers die subsidie hebben ontvangen in het kader van deze regeling ook een aanvraag doen, mits ze niet aan hun de-minimis plafond zitten. De weigeringsgrond onder b bepaalt dat een trainee in de zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding geen betaald werk heeft verricht ten behoeve van de werkgever. Het maakt hierbij niet uit of sprake is van een dienstverband op grond van een arbeidsovereenkomst of inhuur (uitzendovereenkomst). Stagiaires kunnen wel in aanmerking komen aangezien zij geen betaald werk verrichten. Het maakt niet uit of zij eventueel stagevergoeding hebben ontvangen. De ratio achter deze bepaling is om te voorkomen dat iemand die reeds werknemer is geweest (en mogelijk al gedeeltelijk is ingewerkt), direct terugkeert bij de werkgever waarbij gebruik gemaakt kan worden van deze subsidie. Artikel 4.1.7 ToetsingscriteriaMet de bepaling onder a wordt beoogd stimulerend effect te bereiken om een trainee die nog geen baan heeft aan een baan te helpen. De regeling is niet bedoeld om arbeidsovereenkomsten of uitzendconstructies te verlengen en om zodoende bestaande arbeidsrelaties gesubsidieerd voort te zetten. De bepaling onder b maakt duidelijk dat de regeling is bedoeld voor trainees die recent zijn afgestudeerd. De opleidingseisen hebben betrekking op algemeen aanvaarde en erkende opleidingen op het gebied van MBO (niveau 3 of 4), HBO (associate degree of bachelor) of WO (bachelor of master). De bepaling onder c heeft betrekking op het tegengaan van het gebruik van de regeling voor seizoensarbeid. Daarnaast biedt het de trainee voldoende zekerheid op een substantiële start van de arbeidscarrière. Met de bepaling onder d is beoogd te bewerkstelligen dat de werkgever zelf zorgt voor het verschaffen van werk van de trainee. Het is niet de bedoeling dat de trainee elders wordt gedetacheerd of als uitzendkracht wordt ingezet door de subsidieontvanger. Met de criteria onder e is beoogd om de trainee niet in te zetten voor werkzaamheden onder zijn opleidingsniveau. Dit mede in verband met de verdringing die dat met zich meebrengt. Denk bijvoorbeeld aan het laten doen van werkzaamheden voor ongeschoolden door MBO-ers etc. Tevens biedt het voor de trainee de mogelijkheid zich te ontplooien en te ontwikkelen op zijn eigen niveau. De bepaling onder f zorgt er voor dat de trainee in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld zich te ontwikkelen en te bekwamen op zijn vakgebied. Met de bepaling onder g is beoogd om het Friese belang bij het creëren van de werkplek voldoende te waarborgen. Dit kan enerzijds doordat de werkplek zich daadwerkelijk bevindt in Fryslân of doordat de organisatie van de werkgever is gevestigd in Fryslân. Artikel 4.1.8 Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie is een vast bedrag voor de subsidiabele activiteit. Indien op grond van de de-minimisverklaring volgt dat er geen ruimte is voor de volledige bekostiging van een trainee, wordt het subsidiebedrag uitgekeerd tot het toegestane maximum. Indien de arbeids- of uitzendovereenkomst onverhoopt tussentijds wordt beëindigd, wordt de subsidie naar rato van het aantal gewerkte dagen vastgesteld. De trainee heeft dan geen recht op een vervangende traineeplek. Tevens heeft de werkgever geen recht op een andere trainee. Artikel 4.1.9 Verdeelsystematiek Als het subsidieplafond van een categorie is bereikt op een bepaalde datum en er zijn op die datum meer volledige aanvragen ontvangen dan er subsidie beschikbaar is, wordt er geloot tussen alle volledige aanvragen van die datum. Door de loting wordt bepaald welke van deze aanvragers subsidie ontvangen en welke niet. Artikel 4.1.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger De verplichtingen uit dit artikel bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid te controleren en te waarborgen dat er wordt voldaan aan de doelstellingen die voortvloeien uit de regeling. De verplichting onder e beoogt begeleiding van de trainee mogelijk te maken door een door de provincie gekozen jobcoach. De begeleiding tijdens het traineeship heeft als doel de trainee steviger in de arbeidsmarkt te plaatsen. De begeleiding is deels gericht op reflectie van eigen functioneren van de trainee, deels gericht op de te maken vervolgstappen en beslissingen ten behoeve van hun verdere loopbaan, na het traineeship. De begeleiding bestaat uit maximaal 15 uur, waarvan drie bijeenkomsten van een uur: start- voortgangs- en eindgesprek waarbij ook de werkgever kan worden uitgenodigd. Artikel 4.1.12 Staatssteun Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun mag nooit hoger zijn dan € 200.000 over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. Voor de sector transport geldt een drempelbedrag van € 100.
  2. Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun in de landbouwproductiesector mag nooit hoger zijn dan € 7.500 (na 1 januari 2014 € 10.000) over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun in de visserijsector mag nooit hoger zijn dan € 30.000 over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. De bedragen die in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel zijn genoemd komen overeen met de drempelbedragen die de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Het bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel hoeft niet te worden aangemeld. In deze regeling is er voor gekozen om bij de subsidieverlening dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de Verklaring de-minimissteun. Indien de te verlenen subsidie tezamen met de reeds ontvangen steun het drempelbedrag overschrijdt, zal in dat specifieke geval de onderhavige subsidie niet verleend worden. Subsidieverlening onder de voorgaande subsidieregeling in het kader van Talint foar Fryslân vormt ook de-minimissteun. Artikel 4.1.13 BevoorschottingHet gehele subsidiebedrag wordt in één betaling als voorschot verstrekt. Paragraaf 6.1 Participatieregeling Algemeen Op 6 november 2013 is door Provinciale Staten het aanvalsplan woningmarkt vastgesteld in het kader van het programma Wurkje foar Fryslan. Onderdeel van de maatregelen uit het Aanvalsplan Woningmarkt is de “ participatieregeling bijzondere huurprojecten“, waarvoor een bedrag van € 20 miljoen is gereserveerd.

Artikel 6

.1.1 Doel van de regeling De participatieregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector die als gevolg van de moeizame toegang tot de kapitaalmarkt niet van de grond komen door het ontbreken van het laatste deel van de financiering. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten buiten de reguliere sociale huur. Voor deze laatste categorie is een specifieke regeling in de maak. Artikel 6.1.2 Subsidiabele activiteitenDe subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector voor de genoemde marktsegmenten. Binnen de participatieregeling wordt steun verleend door het verstrekken van een lening of door het stellen van een garantie voor financiering van derden ten behoeve van de realisatie van de betreffende huurprojecten. Daarbij gaat het om een lening of garantie tot een hoogte van maximaal 25% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen. Artikel 6.1.

  1. DoelgroepDe regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen buiten het reguliere aanbod van de woningcorporaties. Het kan dan gaan om woningen in het geliberaliseerde segment (huur > € 699,- per maand) of om bijzondere doelgroepen zoals combinaties met zorg, studentenhuisvesting etc. Voor deze laatste categorie is geen sprake van een huurgrens, maar gaat het vooral om de combinatie met aanvullende diensten en voorzieningen. Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon. Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen. Artikel 6.1.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor ondersteuning n het kader van de participatieregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 en 30 september
  2. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Na 30 september 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats en zonodig de afweging tussen de afzonderlijke aanvragen in het geval van mogelijke overschrijding van het subsidieplafond. Artikel 6.1.6 Weigeringsgronden In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een bijdrage meer dan € 125.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er sus sprake dient te zijn van tenminste € 500.000 aan subsidiabele kosten. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de participatieregeling een financiering aan te vragen. Het totaal aan ontvangen financiering of garantie op grond van de participatieregeling mag echter niet meer dan € 2.500.000 bedragen per aanvrager. Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%. Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen. Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 2,5 miljoen worden overschreden. Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 1,5 miljoen worden aangevraagd. Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum. Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de- minimissteun is toegestaan Artikel 6.1.7 Toetsingscriteria Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, zijn een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden: • Het moet gaan om tenminste 10 wooneenheden, danwel een minimum investeringsbedrag van € 1.0 miljoen (excl. verwerving). Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige woningen met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. • Ten aanzien van de mimimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. • Er dienst sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde business-case met onderliggende exploitatie en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt. Artikel 6.1.8 Niet subsidiabele kosten Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering of garantie geldt as uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstalen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector. Artikel 6.1.9 Subsidiehoogte Er geldt een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager. In het geval van een garantie gaat het eveneens om een maximum van € 2.5 miljoen. Aangezien een garantie maximaal 80% mag bedragen van de gegarandeerde lening betekent dit dat de maximale leninghoogte waarvoor sprake kan zijn van een garantie € 3.125 miljoen bedraagt, waarvoor de maximale garantie van € 2.5 miljoen kan worden afgegeven. Artikel 6.1.10 VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen meer is dan het plafond van € 20 miljoen, zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor worden twee criteria gehanteerd, te weten de relatieve hoogte van de gevraagde financiering of garantie en de door de aanvrager te stellen zekerheid voor de ontvangen ondersteuning. Ten aanzien van hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslan om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren. Artikel 6.1.11 en Artikel 6.1.12 Lening- en garantieconditiesVoor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling. Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder De te hanteren rente zal echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun. Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen. Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 15 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing. Ook bestaat de mogelijkheid dat door de provincie een garantie wordt afgegeven aan een externe financier voor het betalen van de verschuldigde aflossing. In de regel zal dit leiden tot gunstiger leningcondities van de betreffende financier in verband met de zekerheid voor betaling van aflossing. In het geval van een garantie is door de subsidieontvanger een garantieprovisie over het gegarandeerde bedrag aan de provincie verschuldigd. Deze wordt op basis van kredietwaardigheid bepaald en dient jaarlijks te worden voldaan. Deze komt dus boven de door de betreffende financier te hanteren rentecondities. De hoogte van de verschuldigde provisie is gerelateerd aan de kredietwaardigheid van de subsidieontvanger. kredietkwaliteit Standard & Poor's Fitch Moody's Jaarlijkse safe harbour premie Hoogste kwaliteit AAA AAA Aaa 0,4% Zeer sterke betalingskwaliteit AA + AA AA – AA + AA AA – Aa 1 Aa 2 Aa 3 0,4% Sterke betalingscapaciteit A+ A A– A+ A A– A1 A2 A3 0,55% Toereikende betalingskwaliteit BBB + BBB BBB – BBB + BBB BBB – Baa 1 Baa 2 Baa 3 0,8% Betalingscapaciteit gevoelig voor ongunstige omstandigheden BB + BB BB – BB + BB BB – Ba 1 Ba 2 Ba 3 2,0% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden B+ B B– B+ B B– B1 B2 B3 3,8%-6,3% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden CCC + CCC CCC – CC CCC + CCC CCC – CC C Caa 1 Caa 2 Caa 3 Niet mogelijk In of bijna in een situatie van wanbetaling SD D DDD DD D Ca C Niet mogelijk De hoogte van de garantie daalt jaarlijks gedurende de overeengekomen garantieperiode. Dit betekent dat indien bijvoorbeeld een garantieperiode van 10 jaar overeen is gekomen de garantie jaarlijks met 1/10 daalt. Artikel 6.1.13 Verplichtingen • Op het moment dat gedeputeerde Staten besluit tot het beschikbaar stellen van een lening of garantie zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst of garantieovereenkomst. Behalve de leningcondities of garantiecondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd. • Met de participatieregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening of garantie gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een lening is ontvangen van € 1.1 miljoen dient tijdens de realisatie van het project in totaal 2.640 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. • In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichten van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De leningplafonds uit de beschikking liggen echter vast. • Met het verstrekken van een lening of garantie wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld. • Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden. Artikel 6.1.14 Staatssteun De condities voor leningen en garanties worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving. De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening of garantie in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden. Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,- Paragraaf 6.2 Herbestemmingsregeling bestaande bedrijfs- en kantoorpanden Op 6 november 2013 is door Provinciale Staten het Aanvalsplan Woningmarkt vastgesteld in het kader van het programma Wurkje foar Fryslan. Onderdeel van de maatregelen uit het Aanvalsplan Woningmarkt is de “herbestemmingsregeling bestaande panden”, waarvoor een bedrag van € 2 miljoen is gereserveerd. In 2014 wordt een eerste tranche opengesteld van € 1 miljoen op hetzelfde moment als ook de participatieregeling wordt opengesteld, namelijk vanaf 15 september 2014.

Artikel 6

.2.1 Doel van de regeling De herbestemmingsregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector in bestaande ruimten van gebouwen, die als gevolg van een onrendabele top in verbouwkosten niet van de grond komen. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten buiten de reguliere sociale huur. Naast het geconstateerde tekort aan woningen voor bijzondere doelgroepen (waaronder geliberaliseerde huur en combinaties met zorg) is op een groot aantal plaatsen sprake van leegstand van bestaande ruimten in gebouwen welke in beginsel geschikt zijn voor herbestemming naar een woonfunctie voor de genoemde doelgroepen. Het kan dan gaan om ruimten in bijvoorbeeld kantoorpanden, winkelpanden, industriële panden, maar ook om ruimten in kerkgebouwen of overige gebouwen met een maatschappelijke functie. In de praktijk blijkt deze herbestemming te stuiten op een aantal problemen, deels van technische aard (de meerkosten van bouwkundige aanpassingen voor de woonfunctie) en deels van bedrijfseconomische aard (afwaardering van de boekwaarde bij functiewijziging). Artikel 6.2.2 Subsidiabele activiteiten De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector voor de genoemde marktsegmenten. Binnen de herbestemmingsregeling wordt steun verleend door het verstrekken van een subsidie ten behoeve van de realisatie van de betreffende huurprojecten. Daarbij gaat het om een subsidie tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen. Artikel 6.2.3 Doelgroep De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen buiten het reguliere aanbod van de woningcorporaties. Het kan dan gaan om woningen in het geliberaliseerde segment (huur > 699,- per maand, prijspeil 1-1-2014) of om bijzondere doelgroepen zoals combinaties met zorg, studentenhuisvesting etc. Voor deze laatste categorie is geen sprake van een huurgrens, maar gaat het vooral om de combinatie met aanvullende diensten en voorzieningen. Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon. Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen. Artikel 6.2.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor ondersteuning in het kader van de herbestemmingsregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 september 2014 en 31 december

  1. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Vanaf 15 september 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats, volgens het principe van “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Zodra het aantal toegekende aanvragen het plafond van € 1 miljoen overschrijdt, wordt dit bekend gemaakt en worden nieuwe aanvragen niet in behandeling genomen. Artikel 6.2.5 Aanvraagvereisten Alleen aanvragen met een volledig ingevuld aanvraagformulier worden in behandeling genomen. Dit om misverstanden betreffende de volledigheid van de aanvraag en de volgorde van binnenkomst te voorkomen. Immers de dag waarop een volledige aanvraag aan de hand van het aanvraagformulier is ingediend geldt voor het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Artikel 6.2.6 Weigeringsgronden In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een subsidie van meer dan € 25.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er dus sprake dient te zijn van tenminste € 125.000 aan subsidiabele kosten. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de herbestemmingsregeling een subsidie aan te vragen. Het totaal aan ontvangen subsidie op grond van de herbestemmingsregeling mag echter niet meer dan € 200.000 bedragen per aanvrager. Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%. Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 200.
  2. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een subsidie van € 100.
  3. Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 200.000 worden overschreden. Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 100.000 worden aangevraagd. Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum. Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan. Artikel 6.2.7 ToetsingscriteriaNaast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden: • Het moet gaan om tenminste 3 wooneenheden in ruimten die voordat het herbestemmingsproject van start ging geen woonfunctie kenden. Het Bestemmingsplan voor de betreffende locatie is voor deze definitie leidend. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige eenheden met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. • Bij een combinatie met andere functies dient de minimale oppervlakte voor de woonbestemming 70% van de totale bruto vloeroppervlakte te bedragen conform de Nederlandse Norm voor oppervlakte NEN
  4. In het geval van bijvoorbeeld de omvorming van een winkelruimte in een binnenstad kan een beperkt deel van deze ruimte (meestal de begane grond) de bedrijfsbestemming behouden, mits deze kleiner is dan 30 %van de totale bruto vloeroppervlakte van de in het verbouwproject betrokken ruimte. • Ten aanzien van de minimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. • Alleen projecten, gelegen in de provincie Fryslân worden gesubsidieerd. Binnen de provinciegrenzen wordt geen onderscheid gemaakt in gewicht of belang naar de Friese gemeente waarin het project is gelegen. Artikel 6.2.9 Niet subsidiabele kosten Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale subsidie geldt als uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstallen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector. Artikel 6.2.10 Subsidiehoogte Er geldt een maximum subsidiebedrag van € 200.000 per aanvrager en een minimum subsidiebedrag van € 25.000 per herbestemmingsproject. Met een maximale bijdrage in de subsidiabele kosten van 20% betekent dit dat alleen projecten in aanmerking komen waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 125.000 bedragen. Voor wat betreft de bovengrens mogen de subsidiabele kosten van één of meerdere projecten per aanvrager wel hoger zijn dan € 1.000.000,- maar ook daarboven bedraagt de subsidie maximaal € 200.000 per aanvrager aangezien dat het maximale subsidiebedrag is. Bij een herbestemmingsproject van een aanvrager met € 1.800.000,- aan subsidiabele kosten, bedraagt de subsidie dus maximaal €200.
  5. Artikel 6.2.11 VerdeelsystematiekDe verdeelsystematiek is op basis van het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. De volledigheid van de aanvraag is daarbij wel bepalend voor de datum van binnenkomst. Dus bij een onvolledige aanvraag wordt de datum van binnenkomst vastgesteld op het moment dat uw aanvraag volledig is binnengekomen bij de provincie Fryslân op het in het aanvraagformulier aangegeven contactadres. Na binnenkomst van een volledige aanvraag zal deze worden beoordeelt op de door GS vastgestelde regeling. Aanvragen kunnen afvallen vanwege weigeringsgronden of toetsingscriteria. Zodra het subsidieplafondbudget van € 1 mln. voor 2014 is bereikt, wordt de aanvraag geweigerd, ook al voldoet deze aan de subsidievereisten. Op voorhand is nog niet aan te geven of dit zich voordoet in de loop van 2014, wat het belang onderstreept van het vroegtijdig indienen van een volledige aanvraag. Artikel 6.2.12 Verplichtingen • Met de herbestemmingsregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelegd om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 100.000 ontvangen subsidie gaat dit om 0,2 opleidingsplaatsen oftewel 240 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een subsidie is ontvangen van € 150.000 dient tijdens de realisatie van het project in totaal 360 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. • De in de regeling vermelde looptijden zijn opgenomen om te borgen dat met de regeling op zo’n kort mogelijke termijn het gewenste effect wordt bereikt, onder andere op het gebied van werkgelegenheid. Start van het project uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening is alleen realistisch als bijvoorbeeld gemeenten mee wensen te werken aan de voor het project benodigde bestemmingswijziging. Dat is tevens de reden dat de subsidieaanvrager desgevraagd inzicht moet geven in stukken waaruit onder andere de planologische haalbaarheid kan worden afgeleid. • Met een activiteitenverslag of een controleverklaring dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het toegekende subsidiebedrag ook daadwerkelijk is ingezet voor subsidiabele activiteiten. Mocht dat achteraf niet of in mindere mate het geval zijn, dan kan de provincie (een deel van) het subsidiebedrag terugvorderen. Mochten er achteraf meer kosten zijn gemoeid van de subsidiabele activiteiten dan vooraf in het subsidieverzoek is aangegeven, dan hanteert de provincie desondanks het (lagere) eerder vastgestelde subsidiebedrag. • In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichte van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidieontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De subsidieplafonds uit de beschikking liggen echter vast, zowel absoluut als procentueel. • Als financier wil de provincie Fryslan binnen zes maanden na afloop van de werkzaamheden een activiteitenverslag en/of een controleverklaring van de subsidieontvanger. Op basis hiervan kan een persoonlijk gesprek plaatsvinden met de provinciale accountmanager en de subsidieontvanger dient daaraan mee te werken. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kan een (gedeeltelijke) terugvordering plaatsvinden. • Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden. Artikel 6.2.13 Staatssteun Subsidies voor economische activiteiten vallen onder Europese regelgeving betreffende staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld door Europa in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Kortweg komt het er op neer dat aan organisaties ten behoeve van economische activiteiten maximaal € 200.000 aan subsidie mag worden verstrekt in een periode van 3 jaar. Paragraaf 7.1 Friese Energiepremie Algemeen In noordelijk verband hebben de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen middelen vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) ontvangen in het kader van het project Stimuleringsfonds Energiebesparing Bestaande Bouw (SEBB). Deze regeling maakt nog gebruik van het budget, overgebleven vanuit het budget dat eerder bestemd was voor de regeling voor woningcorporaties (Subsidieregeling Innovatieve Energieprojecten Bestaande Bouw woningcorporaties 2010-2013). Na goedkeuring door GS (beschikking afgegeven op 30 mei 2013) kan het budget ingezet worden ten behoeve van particuliere woningbezitters. De Wijziging Friese Energiepremie is een wijziging van de bestaande Friese Energiepremie en (vrijwel) identiek aan de tijdelijke subsidieregelingen in de provincie Drenthe (Drentse Energiepremie 2014) en de provincie Groningen (Groningse Energiepremie 2014). Omdat het Europese budget in 2014 gebruikt moet zijn, heeft de regeling in Groningen en Drenthe een tijdelijk karakter, de subsidie moet zijn vastgesteld in 2014 om aanspraak te kunnen maken op EFRO geld. De regeling in provincie Fryslân gaat ook na 2014 door, uit het budget van Wurkje Foar Fryslân. De regeling beoogt particuliere woningbezitters aan te zetten tot het treffen van een pakket van energiebesparende maatregelen om daarmee hun woning energiezuiniger en comfortabeler te maken. Tevens beoogt de regeling hiermee de activiteiten van lokale installateurs en aannemers aan te jagen. Een nevendoelstelling van de regeling is om particuliere woningbezitters aan te moedigen in collectief verband maatregelen te treffen. Hiermee kunnen bijvoorbeeld energiecoöperaties of samenwerkingsverbanden van particulieren hun voordeel doen. Ten slotte kunnen particuliere woningbezitters naast de energiepremie ook een Duurzaamheidslening aanvragen, zodat zij de kosten van de investering over meerdere jaren kunnen spreiden. Aanvragen voor beide regelingen kunnen worden ingediend bij SNN (www.snn.eu). Wel dient een aanvrager beide het liefst ongeveer gelijktijdig aan te vragen, gezien de behandeltermijn van de ingediende aanvragen (maximaal 8 weken). Wijzigingen in de huidige Friese Energiepremie zijn noodzakelijk vanuit twee oogpunten:
  6. Bijsturing nodig: de resultaten van de Friese Energiepremie tot nu toe (maart 2014) wijzen uit dat relatief veel particuliere woningbezitters slechts één of twee maatregelen uitvoeren. De ambitie van de provincie Fryslân is 5.000 woningen met 3 of 4 energiemaatregelen te verbeteren. Uit de praktijk blijkt dat tot nu toe 65% van de subsidieaanvragen één maatregel betreft en 18% betreft 2 maatregelen. Met de nieuwe regeling en hogere subsidiebedragen voor drie of vier maatregelen beogen wij dat de aanvrager ten minste 3 maatregelen per aanvraag uit zal voeren. De bedragen zijn verhoogd van € 1.500 naar € 2.000 (bij 3 maatregelen) en van € 2.400 naar € 2.800 (bij 4 of meer maatregelen) om bewoners extra te verleiden de investering te doen;
  7. Uniformiteit: Om aanspraak te kunnen maken op EFRO-geld, is het verplicht in Groningen, Fryslân en Drenthe uniforme regelingen te hanteren. De wensen van de provincies Groningen en Drenthe zijn daarom in de regeling Friese Energiepremie verwerkt, het gaat met name om: a. Collectieven/VVE’s: Door collectieven en VVE’s de mogelijkheid te bieden aan te vragen, beogen we dat bewoners elkaar aanspreken c.q. stimuleren en helpen om energiebesparingsmaatregelen te treffen. Dit bevordert ook de sociale cohesie in een appartementencomplex, straat, wijk of buurt. Dit sluit ook aan op de trend van steeds meer opkomende lokale duurzame initiatieven, waaronder energiecoöperaties en andere groepen van mensen die gezamenlijke acties voorbereiden en uitvoeren; b. Warmtepompen en warmtepompboilers zijn interessante duurzame energietechnieken die veelal in de nieuwbouw worden toegepast. Langzamerhand worden deze technieken ook meer in de bestaande bouw toegepast. De regeling beoogt de toepassing in de bestaande bouw een extra stimulans te geven. Dit geldt eveneens voor lage temperatuur verwarmingssystemen; c. Bij SNN zal een zogenaamde Energiecoach bewoners voorlichten over de voordelen van energiebesparende en duurzame energieopwekkende maatregelen (lagere energienota, comfortverhoging, beter energielabel en betere verkoopbaarheid van de woning). De Energiecoach kan aanvragers ook ondersteunen bij het voorbereiden en indienen van een aanvraag. Ondanks dat we in de wijziging Friese Energiepremie nu sterk inzetten op 3 of 4 maatregelen, willen we woningbezitters die slechts 1 of 2 maatregelen laten uitvoeren, wel kunnen bedienen. Ook moeten woningbezitters met een woning jonger dan 1995 een aanvraag kunnen indienen, bijvoorbeeld voor een zonneboiler. Dit is echter niet mogelijk binnen het EFRO-budget, vanwege de uniformiteit van de regeling in Drenthe, Groningen en Fryslân. Daarom maken we 2014 gebruik van twee budgetten: EFRO-geld en Wurkje Foar Fryslân. Om aanspraak te kunnen maken op EFRO-budget, gelden de volgende voorwaarden (bovenop de overige in de regeling vast te stellen voorwaarden):
  8. De regeling richt zich op relatief oudere woningen van voor 1995;.
  9. Het is uitsluitend mogelijk een energiepremie aan te vragen voor drie of vier maatregelen. Deze voorwaarden worden niet opgenomen in de wijziging Friese Energiepremie, maar in de backoffice bij SNN geregeld. Aanvragen in 2014 worden uitgekeerd en niet voldoen aan één van beide bovengenoemde voorwaarden (dus de woning is jonger dan 1995 en/of er wordt voor 1 of 2 maatregelen subsidie aangevraagd), worden in Friesland wel gehonoreerd en gefinancierd uit het budget Wurkje Foar Fryslan. Aanvragen die in 2015 e.v. uitgekeerd worden, worden alle gefinancierd uit het budget Wurkje Foar Fryslan, totdat dit subsidieplafond is bereikt. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn op deze subsidieregeling van toepassing. Onderwerpen die geregeld zijn in de Awb worden niet herhaald in de regeling. Zo mogelijk is in de toelichting gewezen op de bepalingen uit de Awb. Deze onderwerpen zijn onder andere subsidieverlening, de beslistermijn en de aanvraag. Omdat het een subsidie betreft die wordt gefinancierd met Europees budget (vanuit het EFRO-programma) wordt de subsidie apart vastgesteld op basis van de ingediende facturen.

Artikel 7

.1.2 Doelgroep De beperking in definitie van Vereniging van Eigenaars in het eerste lid tot alleen natuurlijke personen komt voort uit het feit dat anders wellicht sprake kan zijn van het verlenen van staatssteun. Een aanvraag collectieve maatregelen als bedoeld in het tweede lid is één aanvraag uit (tenminste) 3 aanvragen met dezelfde maatregelen, die door (tenminste) 3 particuliere woningbezitters zijn ingediend die dicht bij elkaar wonen (in hetzelfde postcodegebied). Om administratieve redenen wijzen de aanvragers zelf één van hen aan als de hoofdaanvrager. De omvang van de maatregelen kan per woning verschillen (bijvoorbeeld bij isolatie vrijstaande woning of middenwoning). De regeling beoogt dat woningbezitters elkaar aanmoedigen om bijvoorbeeld de vloer (1e maatregel), het dak (2e maatregel) van woning te gaan isoleren en HR++glas (3e maatregel) te laten installeren en daarvoor dezelfde aannemer of installateur vragen. De voordelen zijn dat ze meer energiepremie krijgen en lagere kosten hebben omdat de aannemer/installateur goedkoper kan aanbieden dan als de aanvraag individueel was gedaan. Dit voordeel kan oplopen naarmate er meer woningbezitters meedoen! Elke bewoner dient vervolgens zelf een aanvraag in voor zijn woning bij SNN, maar geeft dan op de aanvraag aan dat dit een “aanvraag voor collectieve maatregelen” is en verwijst tevens naar de hoofdaanvrager. De andere (twee of meer) woningbezitters doen dat net zo, waarbij alle aanvragen binnen een tijdsbestek van 2 kalenderweken worden ingediend bij SNN. De aanvragen worden vervolgens door SNN gebundeld op basis van de verwijzingen naar de hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager vervult verder geen enkele rol meer. De provincie hoopt dat particuliere woningbezitters elkaar “over de streep” trekken of dat energiecoöperaties in Friesland op deze manier worden aangezet om een actie voor hun leden te gaan organiseren om deze voordelen voor hun leden te verzilveren. In deze regeling wordt een postcodegebied van vier cijfers gehanteerd: dit biedt voldoende kleinschaligheid binnen een gemeente. Terwijl in het buitengebied de oppervlakte aanzienlijk groter is, is het aantal mensen in die oppervlakte ongeveer vergelijkbaar. Artikel 7.1.5 Subsidiabele activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten opgesomd waarvoor de energiepremie aangevraagd kan worden. De isolatiewaarden zijn aangescherpt ten opzichte van de oorspronkelijke Friese energiepremie. Aanvullend zijn ook nog enkele maatregelen opgenomen, die in de nieuwbouw al worden toegepast, maar in de bestaande bouw nog gestimuleerd dienen te worden. Hierbij geldt dat het gebruik van een warmtepomp altijd in combinatie zal zijn met Lage Temperatuurverwarming (LTV). Daarom is deze maatregel gecombineerd met LTV, maar geldt deze maatregel wel als een afzonderlijke maatregel. Artikel 7.1.7 Toetsingscriteria Onderdeel a Huurders van woningen kunnen geen gebruik maken van de energiepremie. Eigenaren van bijvoorbeeld recreatiewoningen die zij maar een deel van het jaar bewonen, kunnen ook geen gebruik maken van de energiepremie. Onderdeel c De kwantiteitseisen zijn minimumeisen. Bij een aanvraag collectieve maatregelen gelden de kwantiteitseisen vanzelfsprekend per aanvraag en kunnen de eisen per aanvraag daarom betrekking hebben op een verschillend woningtype. Bijvoorbeeld: Zes bewoners dienen ieder een aanvraag collectieve maatregelen in voor dakisolatie, vloerisolatie en HR++glas. Twee bewoners bezitten een rij-hoekwoning, één bewoner een rij-tussenwoning, twee bewoners bezitten een twee-onder-één-kap woning en één bewoner bezit een vrijstaande woning. Hierdoor zullen de oppervlakten voor de te treffen maatregelen per aanvraag verschillend kunnen zijn. Onderdelen d en e Het genoemde certificaat garandeert een bepaalde kwaliteit. Onderdeel f Een VVE dient een positief besluit, genomen door de leden van de VVE, mee te zenden met de aanvraag, zodat duidelijk is dat de VVE de maatregelen ook kan uitvoeren en niet meer op bezwaren van de bewoners kan stuiten Artikel 7.1.8 Subsidiabele kosten SNN gaat na of de kosten en tarieven in de onderliggende offertes redelijk zijn en in verhouding staan tot de werkzaamheden. De aanvrager mag de (geselecteerde) offerte(s), die met de aanvraag worden meegestuurd, niet ondertekenen! Anders is er al een verplichting aangegaan, waardoor de premie niet meer verstrekt kan worden. Artikel 7.1.9 Hoogte van de subsidieIn dit artikel wordt de hoogte van de energiepremie bepaald. De premies voor drie en vier maatregelen liggen hoger dan in de oorspronkelijke Friese Energiepremie, om een extra prikkel te geven meerdere maatregelen (minimaal 3) aan de woning te treffen. Paragraaf 7.2 Vuilwaterinzamelingsvoorziening Algemeen Ondanks het Lozingsverbod dat al sinds 2009 van kracht is wordt er helaas nog steeds op grote schaal illegaal vuil water geloosd door de recreatievaart. Het handhaven van dit Lozingsverbod verloopt moeizaam. De pakkans is erg klein, men kan makkelijk ongezien vuil water lozen. Dat dit nog steeds veel voorkomt komt onder andere omdat er te weinig (publieke) voorzieningen zijn om op een eenvoudige manier vuil water te lozen. Met deze subsidiemogelijkheid voor het aanleggen van vuilwaterinnamepunten willen we bevorderen dat het aantal voorzieningen toeneemt. Daarnaast heeft het relatief groot aantal lozingen te maken met een geringe bewustwording binnen de recreatievaart over de negatieve effecten van dergelijke lozingen op de kwaliteit van het zwemwater. Om deze bewustwording te stimuleren zal ook gerichte publiciteit subsidiabel zijn binnen de regeling.

Artikel 7.2.1 Subsidiabele activiteiten

De subsidie kan worden verstrekt voor een vuilwaterinnamevoorziening. Hiermee wordt bedoeld een aan- en uitschakelbaar innamepunt voor vloeibare afvalstoffen (toiletwater en /of bilgewater) uit de recreatie- en/of beroepsvaart. Artikel 7.2.2 Doel De onderhavige subsidieregeling heeft tot doel de kwaliteit van het zwemwater in Fryslân verbeteren en daarmee de kwaliteit van de leefomgeving. Momenteel wordt het zwemwater vervuild door lozingen van vuilwater door de recreatievaart. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Wurkje foar Fryslân is € 1 mln. gereserveerd voor het uitvoeren van een aantal projecten, waarbij o.a. vuilwaterinnamepunten voor de bruine vloot, rondvaartboten en in havens worden gerealiseerd. Een deel van dit budget zal via deze subsidieregeling verdeeld worden. Een tweede doel van deze regeling is het verbeteren van de werkgelegenheid op korte termijn. Het betreft hier dan de directe werkgelegenheid van bedrijven die betrokken zijn bij het realiseren van de vuilwaterinnamepunten. Tenslotte bevordert een schoner leefmilieu de aantrekkelijkheid van Fryslân voor toeristen. Een derde doelstelling is het stimuleren van het toerisme in Fryslân en daarmee ook het de indirecte werkgelegenheid die dit met zich meebrengt Artikel 7.2.3 DoelgroepSubsidie kan worden aangevraagd door een gemeente als eigenaar van een jachthaven of kade of door een privaatrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een jachthaven. Artikel 7.2.5 AanvraagDe aanvraag moet een projectplan en een begroting bevatten. Uit deze begroting moet duidelijk blijken welke manuren een gemeente of particulier haveneigenaar zelf inzet om het vuilwaterinnamepunt te realiseren. Daarnaast moet het een offerte bevatten van het installatiebedrijf dat de opdracht uitvoert. En tenslotte een offerte voor een periode van drie jaar ten behoeve van het onderhoud van de installatie. Gebleken is namelijk dat adequaat onderhoud essentieel is voor het in werking houden van het systeem. Daarom zijn deze, met een offerte onderbouwde, onderhoudskosten ook subsidiabel. Artikel 7.2.6 Weigeringsgronden Met het bepaalde onder b is beoogd om een spreiding tussen aanvragers te realiseren. Het is niet de bedoeling een aanvrager die zich meer systemen kan veroorloven, subsidie te verlenen voor meer dan twee systemen. De weigeringsgrond bepaald onder onderdeel c is om te voorkomen dat de provincie subsidie verstrekt voor een wettelijke verplichting. Immers, een ieder dient zich te houden aan de wet. Het is niet de bedoeling subsidie te verstrekken aan een organisatie om te voldoen aan zijn wettelijke verplichting. Dat zou oneerlijk zijn tegenover organisaties die zich wel houden aan hun wettelijke taken. Artikel 7.2.7 Toetsingscriteria De criteria in het eerste lid onder a tot en met i zijn bedoeld om aan te duiden waar het systeem aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Op grond van deze regeling dient een vuilwaterinnamevoorziening te voldoen aan het volgende: het is een aan- en uitschakelbaar innamepunt voor vloeibare afvalstoffen (toiletwater en /of bilgewater) uit de recreatie- en/of beroepsvaart, direct toegankelijk vanaf het vaarwater in de provincie Fryslân en voorzien van de in de watersport gebruikelijke standaard aansluitingen en wat voldoet aan de daarvoor geldende technische specificaties, veiligheidsvoorschriften, toepasselijke regelgeving en vergunningen en is goedgekeurd door daartoe bevoegde instanties. Daarnaast dient elk onderdeel uit duurzaam, onderhoudsarm, gemakkelijk te reinigen materiaal te bestaan. De keuze van de (vacuüm) pomp hangt samen met de omvang van de voorziening; in alle gevallen is een laag energiegebruik, een bedrijfszekere uitvoering en een onderhoudsarm systeem het uitgangspunt Zowel de boordkoppeling als het afvoersysteem dient lekvrij te zijn uitgevoerd. Elk systeem dient voorzien te zijn van een teller voor inzicht van het gebruik. Artikel 7.2.8 Subsidiabele kosten De kosten die op basis van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen moeten direct te maken hebben met de aanschaf van de voorziening of de installatie hiervan. Dat betekent bijvoorbeeld dat indien de installatie gecombineerd wordt met andere werkzaamheden, die niet strikt noodzakelijk zijn, maar uit efficiency overwegingen wel worden meegenomen (bijvoorbeeld de aanleg van elektriciteitskabels, internet of drinkwaterleidingen deze niet als subsidiabele kosten worden beschouwd in het kader van deze regeling. Het is belangrijk dat toeristen ook geattendeerd worden op de aanwezigheid van de voorziening en op die manier gestimuleerd worden er gebruik van te maken. Dit kan in de vorm van een informatiebord, een flyer en met behulp van digitale middelen. Kosten die hieraan verbonden zijn, worden tot een bepaald bedrag subsidiabel geacht. Dit betreft maximaal 5 % van het totaal van de subsidiabele kosten. Verder is het onderhoud van de installatie van belang voor het functioneren en daarmee voor het garanderen van optimaal gebruik. Daarom zijn onderhoudskosten onder bepaalde voorwaarden subsidiabel. In de toelichting bij artikel 7.2.5 is dit verder toegelicht. Tenslotte is het hebben van een vuilwaterinnamevoorziening één van de vereisten waaraan voldaan moet worden wil een jachthaven in aanmerking kunnen komen voor de zogenaamde “blauwe vlag”, een internationaal milieukenmerk voor jachthavens en stranden. Daarnaast moet uiteraard nog aan andere criteria voldaan worden. Wil een jachthaven na installatie van een vuilwatersysteem voor de eerste keer deze blauwe vlag aanvragen, dan komen de kosten die hieraan verbonden zijn voor subsidie in aanmerking. Artikel 7.2.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger In de huidige praktijk worden soms kosten in rekening gebracht aan de toerist voor het gebruik van het vuilwaterinnamepunten. Wij zijn van mening dat een dergelijke voorziening laagdrempelig moet zijn en daarom kosteloos moet worden aangeboden. Onder d. is derhalve als verplichting opgenomen dat de subsidieontvanger geen kosten in rekening brengt voor het gebruik. Onder e. is bepaald dat de subsidieontvanger verplicht is mondeling en schriftelijk instructie te geven aan de gasten over het gebruik van de voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.