← Nederland

Subsidieregeling Wurkje foar Fryslân (Fryslân)

Uitvoeringsregeling van 24 juni 2014 houdende regels betreffende de subsidiëring van activiteiten op het terrein van Wurkje foar Fryslân (Subsidieregeling Wurkje foar Fryslân). Laatstelijk gewijzigd o

Artikel 4.1.1 Doel

De subsidie heeft tot doel om recent afgestudeerden een jaar werkervaring aan te bieden bij werkgevers in Fryslân zodat zij een betere kans op de arbeidsmarkt hebben en houden. Artikel 4.1.2 Subsidiabele activiteitenDit artikel bepaalt dat het in dienst nemen of inhuren en houden van een trainee wordt gezien als de subsidiabele activiteit. Artikel 4.1.3 DoelgroepUit dit artikel volgt dat de regeling openstaat voor alle soorten werkgevers: overheden, instellingen en bedrijfsleven. Artikel 4.1.4 AanvraagperiodeDe regeling wordt opengesteld voor de periode van 10 november 2014 tot en met 28 februari

  1. Echter, zodra de subsidieplafonds zijn bereikt, kunnen geen subsidies meer worden verstrekt. Artikel 4.1.5 Aanvraag Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Alleen aanvragen die via de post binnenkomen of afgeleverd worden bij het Provincie Huis worden in behandeling genomen. Aanvragen kunnen dan ook niet elektronisch of via email worden ingediend. Artikel 4.1.6 WeigeringsgrondenDe weigeringsgrond onder a bepaalt dat een aanvrager maximaal 3 aanvragen gehonoreerd kan krijgen op grond van deze regeling. Een aanvrager kan voor meerdere trainees een aanvraag indienen. Aanvragen na de derde verlening worden geweigerd. Talint foar Fryslân II is een uitvoeringsregeling die los staat van de eerdere subsidieregeling in het kader van Talint foar Fryslân, daarom kunnen werkgevers die subsidie hebben ontvangen in het kader van deze regeling ook een aanvraag doen, mits ze niet aan hun de-minimis plafond zitten. De weigeringsgrond onder b bepaalt dat een trainee in de zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding geen betaald werk heeft verricht ten behoeve van de werkgever. Het maakt hierbij niet uit of sprake is van een dienstverband op grond van een arbeidsovereenkomst of inhuur (uitzendovereenkomst). Stagiaires kunnen wel in aanmerking komen aangezien zij geen betaald werk verrichten. Het maakt niet uit of zij eventueel stagevergoeding hebben ontvangen. De ratio achter deze bepaling is om te voorkomen dat iemand die reeds werknemer is geweest (en mogelijk al gedeeltelijk is ingewerkt), direct terugkeert bij de werkgever waarbij gebruik gemaakt kan worden van deze subsidie. Artikel 4.1.7 ToetsingscriteriaMet de bepaling onder a wordt beoogd stimulerend effect te bereiken om een trainee die nog geen baan heeft aan een baan te helpen. De regeling is niet bedoeld om arbeidsovereenkomsten of uitzendconstructies te verlengen en om zodoende bestaande arbeidsrelaties gesubsidieerd voort te zetten. De bepaling onder b maakt duidelijk dat de regeling is bedoeld voor trainees die recent zijn afgestudeerd. De opleidingseisen hebben betrekking op algemeen aanvaarde en erkende opleidingen op het gebied van MBO (niveau 3 of 4), HBO (associate degree of bachelor) of WO (bachelor of master). De bepaling onder c heeft betrekking op het tegengaan van het gebruik van de regeling voor seizoensarbeid. Daarnaast biedt het de trainee voldoende zekerheid op een substantiële start van de arbeidscarrière. Met de bepaling onder d is beoogd te bewerkstelligen dat de werkgever zelf zorgt voor het verschaffen van werk van de trainee. Het is niet de bedoeling dat de trainee elders wordt gedetacheerd of als uitzendkracht wordt ingezet door de subsidieontvanger. Met de criteria onder e is beoogd om de trainee niet in te zetten voor werkzaamheden onder zijn opleidingsniveau. Dit mede in verband met de verdringing die dat met zich meebrengt. Denk bijvoorbeeld aan het laten doen van werkzaamheden voor ongeschoolden door MBO-ers etc. Tevens biedt het voor de trainee de mogelijkheid zich te ontplooien en te ontwikkelen op zijn eigen niveau. De bepaling onder f zorgt er voor dat de trainee in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld zich te ontwikkelen en te bekwamen op zijn vakgebied. Met de bepaling onder g is beoogd om het Friese belang bij het creëren van de werkplek voldoende te waarborgen. Dit kan enerzijds doordat de werkplek zich daadwerkelijk bevindt in Fryslân of doordat de organisatie van de werkgever is gevestigd in Fryslân. Artikel 4.1.8 Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie is een vast bedrag voor de subsidiabele activiteit. Indien op grond van de de-minimisverklaring volgt dat er geen ruimte is voor de volledige bekostiging van een trainee, wordt het subsidiebedrag uitgekeerd tot het toegestane maximum. Indien de arbeids- of uitzendovereenkomst onverhoopt tussentijds wordt beëindigd, wordt de subsidie naar rato van het aantal gewerkte dagen vastgesteld. De trainee heeft dan geen recht op een vervangende traineeplek. Tevens heeft de werkgever geen recht op een andere trainee. Artikel 4.1.9 Verdeelsystematiek Als het subsidieplafond van een categorie is bereikt op een bepaalde datum en er zijn op die datum meer volledige aanvragen ontvangen dan er subsidie beschikbaar is, wordt er geloot tussen alle volledige aanvragen van die datum. Door de loting wordt bepaald welke van deze aanvragers subsidie ontvangen en welke niet. Artikel 4.1.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger De verplichtingen uit dit artikel bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid te controleren en te waarborgen dat er wordt voldaan aan de doelstellingen die voortvloeien uit de regeling. De verplichting onder e beoogt begeleiding van de trainee mogelijk te maken door een door de provincie gekozen jobcoach. De begeleiding tijdens het traineeship heeft als doel de trainee steviger in de arbeidsmarkt te plaatsen. De begeleiding is deels gericht op reflectie van eigen functioneren van de trainee, deels gericht op de te maken vervolgstappen en beslissingen ten behoeve van hun verdere loopbaan, na het traineeship. De begeleiding bestaat uit maximaal 15 uur, waarvan drie bijeenkomsten van een uur: start- voortgangs- en eindgesprek waarbij ook de werkgever kan worden uitgenodigd. Artikel 4.1.12 Staatssteun Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun mag nooit hoger zijn dan € 200.000 over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. Voor de sector transport geldt een drempelbedrag van € 100.
  2. Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun in de landbouwproductiesector mag nooit hoger zijn dan € 7.500 (na 1 januari 2014 € 10.000) over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. Een subsidie met toepassing van de de-minimissteun in de visserijsector mag nooit hoger zijn dan € 30.000 over een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimissteun. De bedragen die in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel zijn genoemd komen overeen met de drempelbedragen die de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Het bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel hoeft niet te worden aangemeld. In deze regeling is er voor gekozen om bij de subsidieverlening dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de Verklaring de-minimissteun. Indien de te verlenen subsidie tezamen met de reeds ontvangen steun het drempelbedrag overschrijdt, zal in dat specifieke geval de onderhavige subsidie niet verleend worden. Subsidieverlening onder de voorgaande subsidieregeling in het kader van Talint foar Fryslân vormt ook de-minimissteun. Artikel 4.1.13 BevoorschottingHet gehele subsidiebedrag wordt in één betaling als voorschot verstrekt. Paragraaf 6.1 Participatieregeling Algemeen Op 6 november 2013 is door Provinciale Staten het aanvalsplan woningmarkt vastgesteld in het kader van het programma Wurkje foar Fryslan. Onderdeel van de maatregelen uit het Aanvalsplan Woningmarkt is de “ participatieregeling bijzondere huurprojecten“, waarvoor een bedrag van € 20 miljoen is gereserveerd.

Artikel 6

.1.1 Doel van de regeling De participatieregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector die als gevolg van de moeizame toegang tot de kapitaalmarkt niet van de grond komen door het ontbreken van het laatste deel van de financiering. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten buiten de reguliere sociale huur. Voor deze laatste categorie is een specifieke regeling in de maak. Artikel 6.1.2 Subsidiabele activiteitenDe subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector voor de genoemde marktsegmenten. Binnen de participatieregeling wordt steun verleend door het verstrekken van een lening of door het stellen van een garantie voor financiering van derden ten behoeve van de realisatie van de betreffende huurprojecten. Daarbij gaat het om een lening of garantie tot een hoogte van maximaal 25% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen. Artikel 6.1.

  1. DoelgroepDe regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen buiten het reguliere aanbod van de woningcorporaties. Het kan dan gaan om woningen in het geliberaliseerde segment (huur > € 699,- per maand) of om bijzondere doelgroepen zoals combinaties met zorg, studentenhuisvesting etc. Voor deze laatste categorie is geen sprake van een huurgrens, maar gaat het vooral om de combinatie met aanvullende diensten en voorzieningen. Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon. Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen. Artikel 6.1.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor ondersteuning n het kader van de participatieregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 en 30 september
  2. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Na 30 september 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats en zonodig de afweging tussen de afzonderlijke aanvragen in het geval van mogelijke overschrijding van het subsidieplafond. Artikel 6.1.6 Weigeringsgronden In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een bijdrage meer dan € 125.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er sus sprake dient te zijn van tenminste € 500.000 aan subsidiabele kosten. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de participatieregeling een financiering aan te vragen. Het totaal aan ontvangen financiering of garantie op grond van de participatieregeling mag echter niet meer dan € 2.500.000 bedragen per aanvrager. Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%. Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen. Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 2,5 miljoen worden overschreden. Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 1,5 miljoen worden aangevraagd. Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum. Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de- minimissteun is toegestaan Artikel 6.1.7 Toetsingscriteria Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, zijn een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden: • Het moet gaan om tenminste 10 wooneenheden, danwel een minimum investeringsbedrag van € 1.0 miljoen (excl. verwerving). Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige woningen met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. • Ten aanzien van de mimimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. • Er dienst sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde business-case met onderliggende exploitatie en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt. Artikel 6.1.8 Niet subsidiabele kosten Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering of garantie geldt as uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstalen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector. Artikel 6.1.9 Subsidiehoogte Er geldt een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager. In het geval van een garantie gaat het eveneens om een maximum van € 2.5 miljoen. Aangezien een garantie maximaal 80% mag bedragen van de gegarandeerde lening betekent dit dat de maximale leninghoogte waarvoor sprake kan zijn van een garantie € 3.125 miljoen bedraagt, waarvoor de maximale garantie van € 2.5 miljoen kan worden afgegeven. Artikel 6.1.10 VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen meer is dan het plafond van € 20 miljoen, zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor worden twee criteria gehanteerd, te weten de relatieve hoogte van de gevraagde financiering of garantie en de door de aanvrager te stellen zekerheid voor de ontvangen ondersteuning. Ten aanzien van hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslan om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren. Artikel 6.1.11 en Artikel 6.1.12 Lening- en garantieconditiesVoor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling. Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder De te hanteren rente zal echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun. Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen. Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 15 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing. Ook bestaat de mogelijkheid dat door de provincie een garantie wordt afgegeven aan een externe financier voor het betalen van de verschuldigde aflossing. In de regel zal dit leiden tot gunstiger leningcondities van de betreffende financier in verband met de zekerheid voor betaling van aflossing. In het geval van een garantie is door de subsidieontvanger een garantieprovisie over het gegarandeerde bedrag aan de provincie verschuldigd. Deze wordt op basis van kredietwaardigheid bepaald en dient jaarlijks te worden voldaan. Deze komt dus boven de door de betreffende financier te hanteren rentecondities. De hoogte van de verschuldigde provisie is gerelateerd aan de kredietwaardigheid van de subsidieontvanger. kredietkwaliteit Standard & Poor's Fitch Moody's Jaarlijkse safe harbour premie Hoogste kwaliteit AAA AAA Aaa 0,4% Zeer sterke betalingskwaliteit AA + AA AA – AA + AA AA – Aa 1 Aa 2 Aa 3 0,4% Sterke betalingscapaciteit A+ A A– A+ A A– A1 A2 A3 0,55% Toereikende betalingskwaliteit BBB + BBB BBB – BBB + BBB BBB – Baa 1 Baa 2 Baa 3 0,8% Betalingscapaciteit gevoelig voor ongunstige omstandigheden BB + BB BB – BB + BB BB – Ba 1 Ba 2 Ba 3 2,0% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden B+ B B– B+ B B– B1 B2 B3 3,8%-6,3% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden CCC + CCC CCC – CC CCC + CCC CCC – CC C Caa 1 Caa 2 Caa 3 Niet mogelijk In of bijna in een situatie van wanbetaling SD D DDD DD D Ca C Niet mogelijk De hoogte van de garantie daalt jaarlijks gedurende de overeengekomen garantieperiode. Dit betekent dat indien bijvoorbeeld een garantieperiode van 10 jaar overeen is gekomen de garantie jaarlijks met 1/10 daalt. Artikel 6.1.13 Verplichtingen • Op het moment dat gedeputeerde Staten besluit tot het beschikbaar stellen van een lening of garantie zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst of garantieovereenkomst. Behalve de leningcondities of garantiecondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd. • Met de participatieregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening of garantie gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een lening is ontvangen van € 1.1 miljoen dient tijdens de realisatie van het project in totaal 2.640 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. • In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichten van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De leningplafonds uit de beschikking liggen echter vast. • Met het verstrekken van een lening of garantie wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld. • Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden. Artikel 6.1.14 Staatssteun De condities voor leningen en garanties worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving. De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening of garantie in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden. Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,- Paragraaf 6.2 Herbestemmingsregeling bestaande bedrijfs- en kantoorpanden Op 6 november 2013 is door Provinciale Staten het Aanvalsplan Woningmarkt vastgesteld in het kader van het programma Wurkje foar Fryslan. Onderdeel van de maatregelen uit het Aanvalsplan Woningmarkt is de “herbestemmingsregeling bestaande panden”, waarvoor een bedrag van € 2 miljoen is gereserveerd. In 2014 wordt een eerste tranche opengesteld van € 1 miljoen op hetzelfde moment als ook de participatieregeling wordt opengesteld, namelijk vanaf 15 september 2014.

Artikel 6

.2.1 Doel van de regeling De herbestemmingsregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector in bestaande ruimten van gebouwen, die als gevolg van een onrendabele top in verbouwkosten niet van de grond komen. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten buiten de reguliere sociale huur. Naast het geconstateerde tekort aan woningen voor bijzondere doelgroepen (waaronder geliberaliseerde huur en combinaties met zorg) is op een groot aantal plaatsen sprake van leegstand van bestaande ruimten in gebouwen welke in beginsel geschikt zijn voor herbestemming naar een woonfunctie voor de genoemde doelgroepen. Het kan dan gaan om ruimten in bijvoorbeeld kantoorpanden, winkelpanden, industriële panden, maar ook om ruimten in kerkgebouwen of overige gebouwen met een maatschappelijke functie. In de praktijk blijkt deze herbestemming te stuiten op een aantal problemen, deels van technische aard (de meerkosten van bouwkundige aanpassingen voor de woonfunctie) en deels van bedrijfseconomische aard (afwaardering van de boekwaarde bij functiewijziging). Artikel 6.2.2 Subsidiabele activiteiten De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector voor de genoemde marktsegmenten. Binnen de herbestemmingsregeling wordt steun verleend door het verstrekken van een subsidie ten behoeve van de realisatie van de betreffende huurprojecten. Daarbij gaat het om een subsidie tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen. Artikel 6.2.3 Doelgroep De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen buiten het reguliere aanbod van de woningcorporaties. Het kan dan gaan om woningen in het geliberaliseerde segment (huur > 699,- per maand, prijspeil 1-1-2014) of om bijzondere doelgroepen zoals combinaties met zorg, studentenhuisvesting etc. Voor deze laatste categorie is geen sprake van een huurgrens, maar gaat het vooral om de combinatie met aanvullende diensten en voorzieningen. Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon. Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen. Artikel 6.2.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor ondersteuning in het kader van de herbestemmingsregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 september 2014 en 31 december

  1. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Vanaf 15 september 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats, volgens het principe van “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Zodra het aantal toegekende aanvragen het plafond van € 1 miljoen overschrijdt, wordt dit bekend gemaakt en worden nieuwe aanvragen niet in behandeling genomen. Artikel 6.2.5 Aanvraagvereisten Alleen aanvragen met een volledig ingevuld aanvraagformulier worden in behandeling genomen. Dit om misverstanden betreffende de volledigheid van de aanvraag en de volgorde van binnenkomst te voorkomen. Immers de dag waarop een volledige aanvraag aan de hand van het aanvraagformulier is ingediend geldt voor het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Artikel 6.2.6 Weigeringsgronden In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een subsidie van meer dan € 25.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er dus sprake dient te zijn van tenminste € 125.000 aan subsidiabele kosten. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de herbestemmingsregeling een subsidie aan te vragen. Het totaal aan ontvangen subsidie op grond van de herbestemmingsregeling mag echter niet meer dan € 200.000 bedragen per aanvrager. Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%. Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 200.
  2. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een subsidie van € 100.
  3. Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 200.000 worden overschreden. Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 100.000 worden aangevraagd. Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum. Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan. Artikel 6.2.7 ToetsingscriteriaNaast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden: • Het moet gaan om tenminste 3 wooneenheden in ruimten die voordat het herbestemmingsproject van start ging geen woonfunctie kenden. Het Bestemmingsplan voor de betreffende locatie is voor deze definitie leidend. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige eenheden met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. • Bij een combinatie met andere functies dient de minimale oppervlakte voor de woonbestemming 70% van de totale bruto vloeroppervlakte te bedragen conform de Nederlandse Norm voor oppervlakte NEN
  4. In het geval van bijvoorbeeld de omvorming van een winkelruimte in een binnenstad kan een beperkt deel van deze ruimte (meestal de begane grond) de bedrijfsbestemming behouden, mits deze kleiner is dan 30 %van de totale bruto vloeroppervlakte van de in het verbouwproject betrokken ruimte. • Ten aanzien van de minimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. • Alleen projecten, gelegen in de provincie Fryslân worden gesubsidieerd. Binnen de provinciegrenzen wordt geen onderscheid gemaakt in gewicht of belang naar de Friese gemeente waarin het project is gelegen. Artikel 6.2.9 Niet subsidiabele kosten Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale subsidie geldt als uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstallen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector. Artikel 6.2.10 Subsidiehoogte Er geldt een maximum subsidiebedrag van € 200.000 per aanvrager en een minimum subsidiebedrag van € 25.000 per herbestemmingsproject. Met een maximale bijdrage in de subsidiabele kosten van 20% betekent dit dat alleen projecten in aanmerking komen waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 125.000 bedragen. Voor wat betreft de bovengrens mogen de subsidiabele kosten van één of meerdere projecten per aanvrager wel hoger zijn dan € 1.000.000,- maar ook daarboven bedraagt de subsidie maximaal € 200.000 per aanvrager aangezien dat het maximale subsidiebedrag is. Bij een herbestemmingsproject van een aanvrager met € 1.800.000,- aan subsidiabele kosten, bedraagt de subsidie dus maximaal €200.
  5. Artikel 6.2.11 VerdeelsystematiekDe verdeelsystematiek is op basis van het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. De volledigheid van de aanvraag is daarbij wel bepalend voor de datum van binnenkomst. Dus bij een onvolledige aanvraag wordt de datum van binnenkomst vastgesteld op het moment dat uw aanvraag volledig is binnengekomen bij de provincie Fryslân op het in het aanvraagformulier aangegeven contactadres. Na binnenkomst van een volledige aanvraag zal deze worden beoordeelt op de door GS vastgestelde regeling. Aanvragen kunnen afvallen vanwege weigeringsgronden of toetsingscriteria. Zodra het subsidieplafondbudget van € 1 mln. voor 2014 is bereikt, wordt de aanvraag geweigerd, ook al voldoet deze aan de subsidievereisten. Op voorhand is nog niet aan te geven of dit zich voordoet in de loop van 2014, wat het belang onderstreept van het vroegtijdig indienen van een volledige aanvraag. Artikel 6.2.12 Verplichtingen • Met de herbestemmingsregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelegd om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 100.000 ontvangen subsidie gaat dit om 0,2 opleidingsplaatsen oftewel 240 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een subsidie is ontvangen van € 150.000 dient tijdens de realisatie van het project in totaal 360 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. • De in de regeling vermelde looptijden zijn opgenomen om te borgen dat met de regeling op zo’n kort mogelijke termijn het gewenste effect wordt bereikt, onder andere op het gebied van werkgelegenheid. Start van het project uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening is alleen realistisch als bijvoorbeeld gemeenten mee wensen te werken aan de voor het project benodigde bestemmingswijziging. Dat is tevens de reden dat de subsidieaanvrager desgevraagd inzicht moet geven in stukken waaruit onder andere de planologische haalbaarheid kan worden afgeleid. • Met een activiteitenverslag of een controleverklaring dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het toegekende subsidiebedrag ook daadwerkelijk is ingezet voor subsidiabele activiteiten. Mocht dat achteraf niet of in mindere mate het geval zijn, dan kan de provincie (een deel van) het subsidiebedrag terugvorderen. Mochten er achteraf meer kosten zijn gemoeid van de subsidiabele activiteiten dan vooraf in het subsidieverzoek is aangegeven, dan hanteert de provincie desondanks het (lagere) eerder vastgestelde subsidiebedrag. • In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichte van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidieontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De subsidieplafonds uit de beschikking liggen echter vast, zowel absoluut als procentueel. • Als financier wil de provincie Fryslan binnen zes maanden na afloop van de werkzaamheden een activiteitenverslag en/of een controleverklaring van de subsidieontvanger. Op basis hiervan kan een persoonlijk gesprek plaatsvinden met de provinciale accountmanager en de subsidieontvanger dient daaraan mee te werken. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kan een (gedeeltelijke) terugvordering plaatsvinden. • Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden. Artikel 6.2.13 Staatssteun Subsidies voor economische activiteiten vallen onder Europese regelgeving betreffende staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld door Europa in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Kortweg komt het er op neer dat aan organisaties ten behoeve van economische activiteiten maximaal € 200.000 aan subsidie mag worden verstrekt in een periode van 3 jaar. Paragraaf 6.3 Renovatiesubsidie Algemeen Deze renovatiesubsidie is een van de maatregelen genoemd in het aanvalsplan woningmarkt uit de investeringsagenda van Wurkje foar Fryslân die vastgesteld is door Provinciale Staten. De regeling is een vervolg op de Uitvoeringsregeling Wurkje foar Fryslân, paragraaf 3 tijdelijke renovatieregeling. De renovatiesubsidie heeft tot doel renovatie en modernisering van goedkope bestaande koopwoningen voor potentiële kopers mogelijk te maken. Het doel is de kwaliteitsverbetering van goedkope koopwoningen waardoor deze aantrekkelijker worden voor potentiële kopers. Dit bevordert doorstroming vanuit de huursector en brengt daarmee de verhuisketen op gang.

Artikel 6

.3.2 Subsidiabele activiteiten Er is een onderscheid gemaakt in de subsidiabele activiteiten. De renovatie kan louter betrekking hebben op aanpassingen aan de (gebouw) schil of dragende constructie of dit gecombineerd met de renovatie van sanitaire voorzieningen of de keuken. Bij een gecombineerde aanvraag moeten de renovatiewerkzaamheden voor minimaal 50% betrekking hebben op aanpassingen aan het (gebouw)schil of dragende constructie (bouwkundige aanpassingen). Het overige gedeelte mag bestaan uit zogenaamde comfortmaatregelen. Met bouwkundige aanpassingen in dit onderdeel worden aanpassingen aan de (gebouw)schil en/of dragende constructie van de woning bedoeld, waaronder wordt verstaan de fundering, de vloer van de begane grond, de gevel, ramen en buitenkozijnen, dak, wanden, verdiepingsvloeren, uit- en aanbouwen, installatiewerk, binnentrap bouwkundige en installatiewerkzaamheden tbv sanitair en keuken.Overige investeringen mogen aard- en nagelvaste comfortmaatregelen zijn, zoals keuken, badkamer, WC. Het gaat niet om inrichtingsmaatregelen zoals meubels en gordijnen. Artikel 6.3.3 DoelgroepDe subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen die een huis willen kopen om er zelf in te wonen. Stichtingen, corporaties verenigen etc. vallen buiten de doelgroep van de subsidie. Artikel 6.3.4 AanvraagperiodeEen aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 15 september 2014 tot en met 15 september

  1. Let wel, de periode voor het aangaan van de (voorlopige) koopovereenkomst loopt van 15 september 2014 tot en met 15 december
  2. Dit ten behoeve van het stimulerend effect van de regeling. In verband met het verkrijgen van het eigendom over de woning is gekozen voor een aanvraagperiode vanaf 15 september 2014 totdat het subsidieplafond op is. De aanvrager kan op grond van deze regeling slechts subsidie aanvragen indien hij in het bezit is van een akte van levering (eigendomsverklaring). Hij zal dan wel moeten aantonen dat de koop van het huis is geschied binnen de subsidiabele periode, namelijk van 15 september 2014 tot en met 15 december 2014.Artikel 6.3.5 AanvraagvereistenMet dit artikel is beoogd om bij de aanvraag van de subsidie een goed beeld te krijgen van de subsidiabele activiteit en de toetsingscriteria om de aanvraag te kunnen beoordelen. Een kopie van de akte van levering zal te allen tijde opgestuurd moeten worden. Daarnaast moet door de aanvrager ook aangetoond worden dat de koop is aangegaan in de subsidiabele periode. Dit kan door middel van een voorlopig koopcontract, maar dit wordt niet altijd afgesloten, vaak wordt de koop bevestigd door een mail van de makelaar. Een afschrift van een dergelijke mail voldoet in dit geval. Een uitvoeringsplan of een omschrijving van de werkzaamheden in het aanvraagformulier voor de renovatiewerkzaamheden en een getekende offerte of een gedetailleerde begroting van de renovatiewerkzaamheden maken integraal onderdeel uit van de aanvraag. Op deze manier kan worden nagegaan of er voor de renovatie wordt voldaan aan de toetsingscriteria. Artikel 6.3.6 Weigeringsgronden Deze bepaling ziet er op dat de bestaande regeling Friese Energiepremie niet wordt benadeeld (uitgehold) met de komst van deze regeling. Indien een subsidiabele activiteit, zoals isolatie, reeds op grond van de andere regeling in aanmerking kan komen voor subsidie, wordt het geweigerd op grond van deze regeling. Let wel, de subsidie hoeft niet te zijn verleend. Het gaat hier louter om een subsidiabele activiteit die eventueel onder de Friese Energiepremie kan vallen. Artikel 6.3.7 Toetsingscriteria De subsidiabele activiteit betreft het moderniseren dan wel het renoveren van een relatief goedkope bestaande koopwoning. Het bedrag is door Gedeputeerde Staten vastgesteld op het bedrag van € 150.
  3. Voor de Waddeneilanden gelden andere prijscategorieën van woningen, daarom, is voor de Waddeneilanden aangehaakt bij het bedrag van de Nationale Hypotheek Garantie d.d. 1 juli 2014, ter hoogte van € 265.
  4. De hoogte van de huizenprijzen dienen afgeleid te worden uit de WOZ beschikking op peildatum 1 januari
  5. Artikel 6.3.8 Subsidiabele kosten In dit artikel zijn de subsidiabele activiteiten limitatief opgesomd. Niet subsidiabel zijn de kosten voor zaken die niet aard- en nagelvast zijn. Denk bijvoorbeeld aan interieur, meubels en gordijnen. Ook is het niet de bedoeling dat verven of behangen, ofwel werkzaamheden ten behoeve van de eindafwerking, binnen het huis worden gesubsidieerd. Het verven van de buitenkant van het huis kan zeker wel bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van het huis en is derhalve wel subsidiabel. Tevens zijn materialen ten behoeve van de eindafwerking niet subsidiabel. Indien de werkzaamheden zelf worden uitgevoerd, zijn de eigen uren niet subsidiabel. Het gebruikte materiaal is wel subsidiabel. Artikel 6.3.9 Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie voor subsidiabele activiteiten bedoeld in artikel 6.3.2 aanhef en onder a, bedraagt 25% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 5.
  6. Dit betekent dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald door de totale investering voor de subsidiabele kosten bij elkaar op te tellen en daar 25% van te nemen. Rekenvoorbeeld: Het totaal aan subsidiabele kostenposten betreft € 15.000, 25% daarvan is € 3.
  7. Dat is de hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie voor subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 6.3.2 aanhef en onder b,bedraagt 25% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000, waarvan maximaal 50% van de subsidiabele kosten zien op aanpassingen aan de woning die betrekking hebben op aanschaf en installatie van sanitaire voorzieningen en de keuken (comfortmaatregelen). Met andere woorden de totstandkoming van de subsidiabele kosten is afhankelijk van de onderlinge verhouding. De subsidiabele kostenposten voor aanpassingen die betrekking hebben op comfortmaatregelen mogen maximaal 50% zijn van het geheel. Indien deze kosten meer bedragen, zullen ze worden gecorrigeerd naar een maximum van 50%. Rekenvoorbeeld: Het totaal aan subsidiabele kosten voor de(gebouw)schil betreft € 7.
  8. Het totaal aan subsidiabele kosten voor de comfortmaatregelen betreft € 10.
  9. Het bedrag van de comfortmaatregelen wordt gecorrigeerd naar € 7.500 zodat dit maximaal 50% van het totaal van de subsidiabele kosten wordt. Het totaal van de subsidiabele kosten komt daarmee op € 15.000, dus de subsidie komt dan neer op € 3.750 (25% van € 15.000) Artikel 6.3.11 Prestatieverantwoording en vaststelling De renovatiewerkzaamheden dienen binnen een jaar na datum van de verleningsbeschikking uitgevoerd te worden. Daarna stuurt de aanvrager desgevraagd een activiteitenverslag waaruit volgt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de aanvraag en verlening. De subsidie wordt vervolgens ambtshalve vastgesteld 18 maanden na subsidieverlening. De aanvrager hoeft hiervoor geen verzoek tot vaststelling in te dienen. Paragraaf 6.4 Financieringsregeling sociale huurprojecten Artikelsgewijze toelichtingArtikel 6.4.1 Doel van de regelingDe financieringsregeling sociale huur heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de sociale huursector die als gevolg van de moeizame toegang tot de kapitaalmarkt niet van de grond komen door het ontbreken van het laatste deel van de financiering. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten binnen de sociale huur. Sociale huur wordt in dit verband opgevat als huurwoningen met een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens. Per 1 januari 2014 is de liberalisatiegrens vastgesteld op een aanvangshuur van € 699,48 per maand. De huurliberalisatie-grens kent een peildatum per 1 januari van het betreffende jaar. Deze regeling volgt de periodieke rijksaanpassingen van deze grens. De aanpassingen worden via rijkscirculaire bekend gemaakt. Artikel 6.4.2 Subsidiabele activiteiten De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de sociale huursector. In het kader van de regeling kan het daarbij gaan om nieuwbouw van woningen in de sociale huursector, maar ook om de herbestemming van panden met een andere functie tot huurwoningen in dit segment. Tevens wordt in dit verband onder “realisatie” de overname van bestaande huurwoningen van woningcorporaties in dit segment verstaan, al dan niet in combinatie met renovatie. Binnen de financieringsregeling sociale huur wordt steun verleend door het verstrekken van een lening. Daarbij gaat het om een lening tot een hoogte van maximaal 50% van de subsidiabele kosten, afhankelijk van de projectomvang en wijze van zekerheidsstelling. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden, danwel te worden voldaan uit eigen vermogen. In dit kader zijn op 13 mei 2014 afspraken gemaakt met de Friese woningcorporaties voor die situatie waarin sprake is van realisatie van een project door middel van overname van bestaande sociale huurwoningen van de woningcorporaties, al dan niet in combinatie met renovatie. Deze afspraken zijn als bijlage A toegevoegd aan deze toelichting en betreffen de volgende onderdelen: • de bereidheid van de corporaties om 25% van het overnamebedrag als financiering ter beschikking te stellen; • de bereidheid van de corporaties om ook na overdracht de verhuuradministratie en het verhuurbeheer van de overgedragen huurwoningen ten behoeve van de overnemende partij uit te voeren. Het staat de aanvrager vrij om al dan niet gebruik van te maken van het hiervoor genoemde aanbod van de corporaties. Artikel 6.4.
  10. Doelgroep De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen in de sociale huursector. Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon. Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de verplichtingen die worden aangegaan met de provincie.Artikel 6.4.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor subsidie in het kader van de financieringsregeling sociale huurprojecten kunnen voor de projecten met 10 of meer wooneenheden worden ingediend in de periode vanaf 1 december 2014 tot en met 15 december
  11. Na 15 december 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.4.
  12. Voor projecten van 3 tot en met 9 wooneenheden kunnen de aanvragen voor subsidie worden ingediend in de periode vanaf 16 maart 2015 tot en met 31 maart
  13. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Na 31 maart 2015 vindt beoordeling van de aanvragen plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.4.
  14. Artikel 6.4.6 WeigeringsgrondenIn verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een bijdrage meer dan € 125.000 in behandeling genomen. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de financieringsregeling sociale huur een financiering aan te vragen. Het totaal aan ontvangen provinciale financiering op grond van deze financieringsregeling, danwel eventuele leningen uit hoofde van andere maatregelen die zijn voortgekomen uit het aanvalsplan Woningmarkt, zoals vastgesteld door provinciale Staten van de provincie Fryslân op 6 november 2013, mag echter niet meer dan € 2.500.000 bedragen per aanvrager. Bij het bepalen van de maximale financiering per aanvrager wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen en bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden waarin de aanvrager deelneemt. Als grondslag wordt daarvoor gekeken naar het aandeel van de aanvrager in deze samenwerkingsverbanden. Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden. Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen. Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor 30% deelneemt in project X, telt deze aanvraag voor 30% mee, derhalve voor € 750.
  15. Daarmee wordt in totaal aan A een bedrag van € 1.750.000 toegerekend en is het maximale subsidiebedrag voor A na toekenning van de aanvragen voor X en Y nog niet overschreden. A is voor 50% aandeelhouder in B die een aanvraag indient voor project X voor een lening van € 1.000.
  16. Daarnaast is A eveneens voor 50% aandeelhouder in project C, die een leningsaanvraag doet van € 2,5 miljoen voor project Y. Tot slot besluit A om voor 60% deel te nemen in D die op haar beurt een aanvraag indient voor project Z van € 1.000.
  17. Bij het bepalen van de verleende steun gaat het in dit geval om A, die daarmee in totaal voor € 0,5 + 1,25 + 0,3 = € 2,05 miljoen aanvragen heeft gedaan. Dit ligt nog steeds onder de grens van € 2,5 miljoen. Zou A met nog een project willen komen voor eigen rekening, dan zou hiervoor maximaal € 495.000 lening kunnen worden verstrekt. Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan. Als onderneming wordt in dit verband een ieder aangemerkt die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de entiteit waarin dit gebeurt. Het kan dus ook om een natuurlijk persoon gaan die bijvoorbeeld panden verhuurt. Artikel 6.4.7 Toetsingscriteria Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden: • Het moet gaan om tenminste 3 wooneenheden. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige woningen met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. • Ten aanzien van de minimum omvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlocatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. • Er dient sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde businesscase met onderliggende exploitatie- en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt. Artikel 6.4.8 Niet subsidiabele kostenVoor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering wordt onderscheid gemaakt in projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden en projecten met 10 of meer wooneenheden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat met name wordt gekeken naar de projectkosten die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. In het geval van projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden mogen de verwervings- en grondkosten tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Voor projecten met 10 of meer wooneenheden worden verwervings- en grondkosten niet tot de subsidiabele kosten gerekend. Kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer: verwerving bij projecten met minder 10 eenheden, voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Subsidies en bijdragen die zijn verkregen op de opgevoerde kosten, bijvoorbeeld op grond van paragraaf 6.2 Herbestemmingsregeling bestaande panden of Subsidieregeling Monumenten Fryslan, worden in mindering gebracht op de projectkosten die meetellen voor het bepalen van het maximale subsidiepercentage en uiteindelijke leningbedrag. Artikel 6.4.9 Subsidiehoogte Voor projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden geldt een maximum leningsbedrag van € 1.0 miljoen per project, met een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager in het geval van meerdere projecten. In het geval van projecten met 10 of meer wooneenheden geldt een maximum leningsbedrag per project van € 2.5 miljoen en eveneens een maximum van € 2,5 miljoen per aanvrager. Artikel 6.4.10 VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor wordt de relatieve hoogte van de gevraagde financiering als criterium gehanteerd. Ten aanzien van de hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslân om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren. Artikel 6.4.11 LeningconditiesVoor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling. Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder Indien sprake is van een andere partij als hoofdfinancier zal de te hanteren rente echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Het betreft de rente die de hoofdfinancier voor het project gaat hanteren, met dien verstande dat deze referentie rente een vergelijkbare rentevastperiode dient te hebben als de rentevastperiode van de provincie, zijnde de looptijd van de geldlening. Onder hoofdfinancier wordt in dit verband de financier verstaan met de zekerheden welke voorgaan op de zekerheden van de provincie, bijvoorbeeld in de vorm van een eerste hypothecaire inschrijving op het betreffende onroerend goed dat binnen het project gerealiseerd gaat worden, dan wel het onroerend goed waar het project betrekking op heeft. Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun. Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen. Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 20 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing. Artikel 6.4.12 VerplichtingenOp het moment dat gedeputeerde Staten besluit tot het beschikbaar stellen van een lening zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst. Behalve de leningcondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd. Met de financieringsregeling sociale huur beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. Bij de bepaling van het aantal opleidingsuren hoeven de kosten van eventuele verwervingen niet te worden meegenomen. Coöperatie A neemt 6 sociale huurwoningen over van corporatie B voor € 600.000 en renoveert die voor een bedrag van € 300.
  18. Van de provincie wordt een lening ontvangen voor verwerving en renovatie van 50% = € 450.
  19. Van het leningbedrag wordt dan eveneens 50% van de renovatiekosten aangemerkt als grondslag voor de inzet van opleidingsplaatsen, in dit geval derhalve voor 360 uur In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichten van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. Wijzigingen in het project kunnen leiden tot bijstelling van de hoogte van de te verstrekken lening. Bijstelling kan nooit leiden tot een hoger leningbedrag. Met het verstrekken van een lening wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld. Artikel 6.4.14 StaatssteunDe condities voor leningen worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving. In dit verband worden alle entiteiten die een economische activiteit uitoefenen aangemerkt als onderneming. De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden. Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als de netto contante waarde van het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,- Procedure Na vrijgave van het budget voor de regeling door Provinciale Staten (24 september 2014) is door GS de regeling vastgesteld op 28 oktober 2014 Vervolgens zal de regeling worden opengesteld voor aanvragen van projecten met 10 of meer wooneenheden, welke kunnen worden ingediend vanaf 1 december 2014 tot en met 15 december
  20. Voor projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden geldt dat de aanvragen ingediend kunnen woorden van 16 maart 2015 tot en met 31 maart
  21. Op de aanvraag volgt in eerste instantie een besluit van GS over het al dan niet beschikbaar stellen van een lening. Op basis van het betreffende besluit vindt vervolgens het opstellen van de leningsovereenkomst plaats, waarin opgenomen de resulterende condities, invulling van de zekerheden en de wijze van beschikbaarstelling van de middelen. Paragraaf 7.1 Friese Energiepremie Algemeen In noordelijk verband hebben de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen middelen vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) ontvangen in het kader van het project Stimuleringsfonds Energiebesparing Bestaande Bouw (SEBB). Deze regeling maakt nog gebruik van het budget, overgebleven vanuit het budget dat eerder bestemd was voor de regeling voor woningcorporaties (Subsidieregeling Innovatieve Energieprojecten Bestaande Bouw woningcorporaties 2010-2013). Na goedkeuring door GS (beschikking afgegeven op 30 mei 2013) kan het budget ingezet worden ten behoeve van particuliere woningbezitters. De Wijziging Friese Energiepremie is een wijziging van de bestaande Friese Energiepremie en (vrijwel) identiek aan de tijdelijke subsidieregelingen in de provincie Drenthe (Drentse Energiepremie 2014) en de provincie Groningen (Groningse Energiepremie 2014). Omdat het Europese budget in 2014 gebruikt moet zijn, heeft de regeling in Groningen en Drenthe een tijdelijk karakter, de subsidie moet zijn vastgesteld in 2014 om aanspraak te kunnen maken op EFRO geld. De regeling in provincie Fryslân gaat ook na 2014 door, uit het budget van Wurkje Foar Fryslân. De regeling beoogt particuliere woningbezitters aan te zetten tot het treffen van een pakket van energiebesparende maatregelen om daarmee hun woning energiezuiniger en comfortabeler te maken. Tevens beoogt de regeling hiermee de activiteiten van lokale installateurs en aannemers aan te jagen. Een nevendoelstelling van de regeling is om particuliere woningbezitters aan te moedigen in collectief verband maatregelen te treffen. Hiermee kunnen bijvoorbeeld energiecoöperaties of samenwerkingsverbanden van particulieren hun voordeel doen. Ten slotte kunnen particuliere woningbezitters naast de energiepremie ook een Duurzaamheidslening aanvragen, zodat zij de kosten van de investering over meerdere jaren kunnen spreiden. Aanvragen voor beide regelingen kunnen worden ingediend bij SNN (www.snn.eu). Wel dient een aanvrager beide het liefst ongeveer gelijktijdig aan te vragen, gezien de behandeltermijn van de ingediende aanvragen (maximaal 8 weken). Wijzigingen in de huidige Friese Energiepremie zijn noodzakelijk vanuit twee oogpunten:
  22. Bijsturing nodig: de resultaten van de Friese Energiepremie tot nu toe (maart 2014) wijzen uit dat relatief veel particuliere woningbezitters slechts één of twee maatregelen uitvoeren. De ambitie van de provincie Fryslân is 5.000 woningen met 3 of 4 energiemaatregelen te verbeteren. Uit de praktijk blijkt dat tot nu toe 65% van de subsidieaanvragen één maatregel betreft en 18% betreft 2 maatregelen. Met de nieuwe regeling en hogere subsidiebedragen voor drie of vier maatregelen beogen wij dat de aanvrager ten minste 3 maatregelen per aanvraag uit zal voeren. De bedragen zijn verhoogd van € 1.500 naar € 2.000 (bij 3 maatregelen) en van € 2.400 naar € 2.800 (bij 4 of meer maatregelen) om bewoners extra te verleiden de investering te doen;
  23. Uniformiteit: Om aanspraak te kunnen maken op EFRO-geld, is het verplicht in Groningen, Fryslân en Drenthe uniforme regelingen te hanteren. De wensen van de provincies Groningen en Drenthe zijn daarom in de regeling Friese Energiepremie verwerkt, het gaat met name om: a. Collectieven/VVE’s: Door collectie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.