Beleidslijn voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur gemeente Hellendoorn 2014De Burgemeester en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hellendoorn, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; Overwegende dat de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming over het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden; Gelet op het bepaalde in de Wet Bibob, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Drank- en horecawet, artikel 30b van de Wet op de kansspelen, artikel 4 van de Verordening Speelautomaten(hal) 2008, de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.25, 2.28 en 3.4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellendoorn 2009; B e s l u i t e n: vast te stellen de Beleidslijn voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur gemeente Hellendoorn 2014 Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.De definities in artikel 1.1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald. 2.In deze beleidslijn wordt verstaan onder: wet: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob); besluit Bibob: besluit van 12 april 2003, houdende uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Hellendoorn; bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen van de gemeente Hellendoorn; Bibob-toets: het (eigen) onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1; RIEC: het Regionaal Informatie en Expertise Centrum. Hoofdstuk2Publiekrechtelijke beschikkingen Artikel2.1Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen Uitvoering van de Bibob-toets vindt in beginsel plaats bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in: artikel 3 van de Drank- en horecawet (de zogenaamde Drank- & Horecavergunning); Paracommerciële horeca-inrichtingen, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet, (zoals dorpshuis, buurthuis, clubhuis of kantine van een sportvereniging) waarvan de horeca in eigen beheer is en niet is verpacht, vallen in beginsel niet onder dit Bibob-beleid; artikel 7 van de wet juncto artikel 2.28 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hellendoorn 2020 (exploitatievergunning); artikel 7 van de wet juncto artikel 3.4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellendoorn 2009 (seksinrichting, escortbedrijf); artikel 7 van de wet juncto artikel 4 van de Verordening speelautomatenhal 2008 (exploitatievergunning voor speelautomatenhal). Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaats als zij vallen onder de daartoe aangewezen branche en/of het daartoe aangewezen gebied en de daarbij geldende risico-factoren: De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsrecht bouwactiviteit). De toepassing blijft beperkt tot de aanvragen met een bouwsom hoger dan € 1.000.000,- (exclusief BTW) en de aanvragen met een bouwsom hoger dan € 250.000,- welke betrekking hebben op een bouwactiviteit in een risicobranche als bedoeld onder b en c of ten behoeve van een horecagelegenheid. De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van: (semi-)overheidsinstanties; toegelaten woning(bouw)corporaties (toegelaten door de Minister van Volkshuisvesting conform Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning); of door het college van burgemeester en wethouders bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers (b.v. PPS constructies van particuliere ondernemingen en overheid); De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet, en de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd. (omgevingsvergunning inrichtingen Wet milieubeheer). De toepassing blijft beperkt tot de inrichtingen, die behoren tot de branches afvalverwerkingsbedrijven, grond(verzet)bedrijven (inclusief de grondbanken), demontagebedrijven, kringloopbedrijven en vuurwerkhandel. De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van (semi-) overheidsinstanties; De aanvraag als bedoeld in artikel 2.25 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellendoorn 2009 (evenementenvergunning). De toepassing van de Bibob-toets zal daarbij beperkt blijven tot de categorieën van vechtsportwedstrijden of –gala’s of andersoortige evenementen waarbij sprake is van risico’s op criminele facilitering bij de verlening van een evenementenvergunning. Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaats als er sprake is van ambtelijke informatie, informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of informatie afkomstig van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet: de aanvraag als bedoeld in artikel 30a Drank- en horecawet; de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet (para-commerciële instelling). Artikel2.2Toepassing in bijzondere situaties bij aanvragen voor een beschikking genoemd in artikel 1 van de wet. 1.Naast de in artikel 2.1, lid 1 aangeduide gevallen, zal het bestuursorgaan bij een aanvraag voor de in artikel 2.1, lid 2 onder a en b genoemde beschikkingen ook overgaan tot een Bibob-toets als er: vanuit eigen informatie; vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC; en/of vanuit het openbaar ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet, duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat bij de aanvraag sprake is van een ernstige mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3 van de wet. 2.Een Bibob-toets zal verder plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau. Artikel2.3Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen Het college van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien: de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generieke Bibob-toets; vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet; informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet verkregen vanuit het openbaar ministerie, direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het Bureau die duidt op een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet; bekend wordt dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene hier een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is verleend, zal het bestuursorgaan het RIEC om coördinatie in de Bibob-toets verzoeken. Artikel2.3aWeigering van medewerking Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht toegepast worden. Bij volharding zal de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 juncto 3 van de wet. De verstrekte vergunning zal als gevolg daarvan worden ingetrokken. Hoofdstuk3Privaatrechtelijke transacties Artikel3.1Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties 1.De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet in beginsel toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties, zoals bedoeld in artikel 1 onder o van de wet, waarbij de gemeente partij is. In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst. De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben: hoge mate van financiële complexiteit; behorend tot een als zodanig door het college van B&W benoemde risicobranche; behorend tot een als zodanig door het college van B&W benoemd risicogebied; hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur; exceptioneel financieel risico voor de gemeente. 2.Het besluit tot uitvoering van de Bibob-toets kan daarnaast ook gebaseerd zijn op: eigen ambtelijke informatie; informatie verkregen van het Bureau; informatie verkregen vanuit het openbaar ministerie conform artikel 26 van de wet (OM-tip); en/of informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC. Artikel3.2Toepassingsbereik bij aanbestedingen 1.De rechtspersoon met een overheidstaak zal de Bibob-toets ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de wet, in beginsel alleen uitvoeren bij overheidsopdrachten die vallen binnen de sectoren milieu, informatie-communicatie-technologie (ICT) of bouw en die, conform het inkoopbeleid 2013 van de gemeente Hellendoorn voor aanbesteden van werken respectievelijk van diensten en leveringen (gedateerd 8 oktober 2013) openbaar moeten worden aanbesteed. 2.Een besluit tot uitvoering van een Bibob-toets zal daarnaast ook plaatsvinden indien er op basis van: eigen ambtelijke informatie; informatie verkregen van het Bureau; informatie verkregen vanuit het openbaar ministerie conform artikel 26 van de wet (OM-tip); en/of informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er sprake is van een ernstig risico als bedoeld in artikel 3 van de wet. Hoofdstuk4Uitvoering Artikel4.1(Eigen) onderzoek 1.In de in deze beleidslijn bepaalde gevallen zal betrokkene, naast de gebruikelijke (aanvraag)formulieren, de Bibobvragenformulieren moeten invullen en inleveren bij het bestuursorgaan. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibobvragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 30, tweede lid van de wet genoemde vragen en daarnaast aanvullend vragen die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten. 2.In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag hiervoor. Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning. 3.Het eigen onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 3 van de wet, bestaat uit een tweetal stappen, namelijk: Stap 1 Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van: de door de betrokkene aangereikte informatie/documenten bij het Bibob-vragenformulier (inclusief bijlagen); eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door betrokkene overlegde documenten of informatie; open bronnen onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster etc.). Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren, leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van bestuursorganen versterkt worden vanuit het RIEC. Ook kan de gemeente desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC. Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ‘ernstig gevaar ‘ als bedoeld in de wet, kan het de vergunning weigeren of intrekken, de onderhandelingen stopzetten of een reeds aangegane vastgoedtransactie ontbinden, danwel een partij uitsluiten van de aanbesteding. Stap 2 Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien: na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden gelegen in de persoon van de aanvrager, onderhandelingspartij, gegadigde of inschrijver en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd; na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking danwel aan de tegenpartij bij een privaatrechtelijke rechtshandeling te verbinden onderneming(en); na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking of overeenkomst te verbinden activiteiten; de officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen. Een toetsing aan de wet met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat het vragen van een advies evenredig moet zijn, gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. De adviesaanvraag bij het Bureau is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen staat daarom geen bezwaar of beroep open. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken. Bij een mindere mate van gevaar dat de (aangevraagde) vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bevoegd gezag extra voorwaarden aan de vergunning verbinden. Deze voorwaarden moeten gerelateerd zijn aan de wet. Artikel4.2Informatieplicht 1.Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de wet. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau. 2.In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, een overheidsopdracht niet te gunnen dan wel de overeenkomst met de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund te ontbinden, een vastgoedtransactie niet met een betrokkene aan te gaan dan wel een reeds aangegane overeenkomst op te schorten of te ontbinden of een rechtshandeling met een natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie de vastgoedtransactie is aangegaan te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet. Artikel4.3Adviestermijn 1.Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15, lid 1 en 2 van de wet. 2.Indien het Bureau het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15, lid 3 van de wet. 3.Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid. 4.De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, lid 2 van de wet, leiden tot een opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking. Artikel4.4Beschikking 1.Het bestuursorgaan gaat over tot een negatief besluit op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie, indien uit het eigen onderzoek en een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet. Daarbij zal in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, de geconstateerde ernstige mate van gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.