← Nederland

Verordening op de heffing en invordering van leges 2015 (Weesp)

De raad van de gemeente Weesp; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 november 2014; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet en de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van leges 2015 Hoofdstuk1Nieuw Hoofdstuk Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: ’dag’: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; ’week’: een aaneengesloten periode van zeven dagen; ’maand’: een tijdvak van 30 achtereenvolgende dagen; ’jaar’: een tijdvak van 365 achtereenvolgende dagen; 'kalenderjaar': de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument; een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel3Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst, de Nederlandse identiteitskaart of het reisdocument dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht. Artikel4Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het een activiteit betreft bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte milieutoets); het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogene. het in behandeling nemen van een aanvraag voor een dienstverlening zoals genoemd in de tarieventabel voor zover deze aanvraag is gedaan door een charitatieve of algemeen nut beogende instelling danwel een daaraan gelijk te stellen instelling. het in behandeling nemen van een aanvraag voor een dienstverlening zoals genoemd in de tarieventabel voor zover deze aanvraag is gedaan door een charitatieve of algemeen nut beogende instelling danwel een daaraan gelijk te stellen instelling. Artikel5Maatstaven van heffing en tarieven De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel6Wijze van heffing Met uitzondering van het bepaalde in het lid b worden de leges geheven bij wege van aanslag. De leges, die door de afdeling burgerzaken en interne zaken wegens directe dienstverlening aan de balie in rekening worden gebracht, worden geheven bij wege van een gedagtekende kassabon met omschrijving. Artikel7Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges met toepassing van het gestelde in artikel 6 onder b worden betaald op het moment van het uit¬rei¬ken van de kassabon. De leges die met toepassing van het gestelde in artikel 6 onder a worden geheven zijn verschuldigd binnen uiterlijk één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de onder de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel8Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling. Artikel9Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. Artikel10Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel De ‘Verordening leges 2014’, vastgesteld bij raadsbesluit van 12 december 2013, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 26 juni 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015. Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening leges 2015’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 17 december 2014. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, Mw. M. Walrave B.J. van Bochove s Tarieventabel1 Artikelsgewijze toelichting2 Artikelsgewijze toelichting op de ‘Verordening Leges 2014 II’ vastgesteld in de raadsvergadering van 26 juni 2014 Artikel 1 Begripsomschrijvingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1. Artikel 2 Belastbaar feit De omschrijving van het belastbaar feit valt in tweeën uiteen. Enerzijds betreft het belastbaar feit het genot van verleende diensten, anderzijds betreft het belastbaar feit het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart. Deze laatste omschrijving houdt verband met de wijziging van de Paspoortwet per 9 maart 2014 en daarvóór met HR 9 september 2011, nr. 10/04967 , LJN: BQ4105 en de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, die een zelfstandige grondslag biedt voor de legesheffing nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden geheven. Het is niet mogelijk om in artikel 2 een algemene omschrijving van het belastbare feit op te nemen die betrekking heeft op alle in de heffing te betrekken diensten. Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van het belastbare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen. Dat is dan ook de reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘diensten, een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat het voorwerp van de belasting en het tarief moeten zijn vermeld in de belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’ zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk aangegeven. De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld ontstaat. Het belastbare feit zou op verschillende manieren omschreven kunnen worden. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het verlenen van een vergunning’ maar ook kan worden gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’. In de modelverordening is gekozen voor de laatste formulering. Dit heeft als voordeel dat leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de vergunning wordt verleend. Ook is niet van belang of de vergunning wordt verleend of geweigerd. Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de vergunning’ dan heeft op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare feit zich nog niet voorgedaan en is dus de materiële belastingschuld nog niet ontstaan. Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële belastingschuld is niet mogelijk. Ook kan dan niet worden geheven als de vergunning wordt geweigerd, hoewel de gemeente wel de kosten van behandeling heeft gemaakt. Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle gevallen het belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en niet voor het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven worden, dit op grond van de Wet rechten burgerlijke stand. En bij de reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart heeft de Paspoortwet het over het heffen van rechten ‘voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag’. Artikel 3 Belastingplicht De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel 217 van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden. Het gebruik van de woorden ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat voor dezelfde dienst van twee belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te wiens behoeve de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht, leges worden geheven. Vanuit de systematiek van de modelverordening ligt het voor de hand in eerste instantie de aanvrager in de heffing te betrekken. Als het niet mogelijk is een aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld als de aanvrager duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht als belastingplichtige aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals al eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de dienstverlening of de handelingen. Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig. Artikel 4 Vrijstellingen Onderdeel a In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de Wet ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt verband met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli 2008 in werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (afdeling 6.4). Uitgangspunt van de Grondexploitatiewet vormt een verplichting tot kostenverhaal. Deze verplichting houdt in, dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. De gemeente mag hier bovendien niet meer van afzien, zoals vóór 1 juli 2008 nog wel het geval kon zijn. Indien er sprake is van een bouwplan zoals omschreven in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten de kosten (zoals opgenomen op de limitatieve kostensoortenlijst van artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening) worden verhaald op de particuliere ontwikkelaar. Deze kosten kunnen niet nogmaals via de leges in rekening worden gebracht. Dit zou namelijk betekenen, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit bepaalde kosten twee keer zou gaan betalen. Het verplichtende karakter van het kostenverhaal op grond van de Grondexploitatiewet houdt ook in, dat het niet toegestaan is voor de gemeente om af te zien van het kostenverhaal van verleende diensten via het stelsel van de Grondexploitatiewet, om deze kosten vervolgens alsnog via de leges te verhalen. De gemeente heeft dus geen keuzevrijheid om de kosten voor verleende diensten via de grondexploitatiewet, dan wel via de leges te verhalen, maar moet verplicht het stelsel van de Grondexploitatiewet gebruiken. De Grondexploitatiewet legt allereerst een nieuwe basis voor privaatrechtelijke overeenkomsten over grondexploitatie tussen gemeenten en particuliere eigenaren die tot ontwikkeling van hun grondeigendom willen overgaan (artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze privaatrechtelijke overeenkomst biedt de gemeente de mogelijkheid om met een particuliere eigenaar afspraken te maken over het kostenverhaal van de betreffende bouwlocatie, over eventuele planschade en over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten de locatie. De gemeente kent voor deze privaatrechtelijke overeenkomst een volledige contractsvrijheid, met inachtneming van wet- en regelgeving en de algemene rechtsbeginselen. Verder omvat de wet een publiekrechtelijk spoor voor situaties, waarin de partijen binnen de privaatrechtelijke onderhandelingen geen onderlinge overeenkomst over het kostenverhaal hebben bereikt (artikel 6.12 tot en met artikel 6.22 van de Wet ruimtelijke ordening). Van centrale betekenis binnen dit publiekrechtelijke spoor is het exploitatieplan, waarin de gemeente de uitgangspunten voor de grondexploitatie kan vastleggen. Dit exploitatieplan moet tegelijkertijd worden vastgesteld en bekendgemaakt met het bestemmingsplan, het wijzigingsbesluit of de omgevingsvergunning. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit zal vervolgens via de toetsing aan het vigerende ruimtelijke plan en het bijbehorende exploitatieplan de bijdrage van de particuliere ontwikkelaar aan het kostenverhaal worden vastgesteld en in de voorschriften bij de omgevingsvergunning worden opgenomen. In artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening is een limitatieve lijst opgenomen met kosten die moeten worden verhaald binnen het publiekrechtelijke spoor van de Grondexploitatiewet. Deze lijst omvat onder meer de kosten van het verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch en milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (artikel 6.2.4, sub a), de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatiegebied (artikel 6.2.4, sub

  1. i)en de kosten van andere door het gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in het besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden (artikel 6.2.4, sub j). Per 1 november 2010 zijn op bovengenoemde verplichting tot kostenverhaal via het exploitatieplan drie uitzonderingen van kracht geworden (Stb. 2010, 684; artikel 6.2.1a Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente hoeft geen exploitatieplan vast te stellen en kan, als het kostenverhaal ook niet heeft plaatsgehad via een privaatrechtelijke overeenkomst, alsnog overgaan tot het heffen van leges voor de geleverde diensten: • a. Als de netto-opbrengsten van het exploitatieplan in relatieve zin niet opwegen tegen de bestuurlijke kosten (opbrengst minder dan € 10.000). De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de exploitatiebijdrage per omgevingsvergunning wordt berekend door het totaal van de te verhalen kosten dat is toe te rekenen aan de betreffende vergunning te verminderen met de inbrengwaarde van de gronden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft en de vergoeding voor door de eigenaar zelf verrichte werkzaamheden (artikel 6.19 Wet ruimtelijke ordening). Als naar verwachting het totaal der exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald via de af te geven omgevingsvergunning gezamenlijk ten hoogste € 10.000 bedraagt, kan de gemeente afzien van het vaststellen van het exploitatieplan. • b. Als er via het exploitatieplan in absolute zin nauwelijks reële kosten zijn die de gemeente kan verhalen of als er geen verhaalbare kosten zijn voor een vijftal aangewezen kostensoorten op de kostensoortenlijst (de kostensoorten bedoeld in artikel 6.2.4, sub b tot en met f, Besluit ruimtelijke ordening). Deze kostensoorten omvatten de kosten van bodemsanering en grondwerken, de kosten van de aanleg van voorzieningen, de kosten van maatregelen, plannen, besluiten en rechtshandelingen, de aan de exploitatie toerekenbare kosten die gemaakt worden buiten het exploitatiegebied en de kosten in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen. • c. Als de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Het gaat hier om voorzieningen waarvan de gemeente de kosten meestal ook na vaststelling van het ruimtelijk besluit nog zal kunnen verhalen via een overeenkomst. Voorbeelden zijn het maken van een inrit naar de openbare weg of een aansluiting op het riool. Onderdeel b Onderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dat luidt: ‘1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.’ Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die wij voor een goed begrip hebben opgenomen in de legesverordening. Deze vrijstelling geldt ook als de gemeente deze niet opneemt in de legesverordening. Het is van belang, omdat de gemeente de kosten die met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze milieuactiviteiten gepaard gaan, niet langs een omweg kan verhalen via de leges voor bijvoorbeeld een bouw- of aanlegactiviteit. Een nauwkeurige, controleerbaar vastgelegde kostentoerekening is dus noodzakelijk. Zoals bekend zijn de milieuleges met ingang van 1 januari 1998 wettelijk onmogelijk geworden (artikel 15.34a Wet milieubeheer en artikel 86a Wet bodembescherming). Dat is in de Wabo dus doorgetrokken. Gemeenten zijn/worden gecompenseerd via het gemeentefonds. Onderdeel c De vrijstelling onder c heeft betrekking op de zogenaamde ‘omgevingsvergunning beperkte milieutoets’ (OBM). Dit is een toestemming van het bevoegd gezag die bedrijven sinds 1 januari 2011 voor een aantal activiteiten uit het Activiteitenbesluit (officiële naam: 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer') nodig hebben om met deze activiteiten op een specifieke locatie te kunnen starten. De OBM is van toepassing op twee typen activiteiten: - activiteiten waarvoor een m.e.r-beoordeling verplicht is; en - activiteiten waarvoor het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te beoordelen of de activiteit ingepast kan worden in de lokale situatie. De OBM is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht. De OBM bestaat uit een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht). Zoals bekend bestaat er sinds 1998 een legesvrijstelling voor milieuactiviteiten, waarvoor gemeenten destijds een extra uitkering in het gemeentefonds hebben ontvangen. Omdat de OBM activiteiten betreft die voorheen ‘gewoon’ milieuvergunningplichtig waren en dus onder de wettelijke legesvrijstelling voor milieuvergunningen vielen, zou ook voor de OBM een wettelijke legesvrijstelling moeten gelden. De wetgever heeft bij de invoering van de Wabo verzuimd deze vrijstelling in artikel 2.9a van de Wabo te regelen, maar heeft artikel 2.9a, eerste lid, inmiddels aangepast (Stb. 2012, 114). Het wachten is nog op de amvb die de vrijstelling invult. In verband met een en ander hebben wij vooruitlopend op de wettelijke legesvrijstelling een vrijstelling in de modelverordening leges opgenomen. Er is geen sprake van een nieuwe of verzwaring van de taak van gemeenten (eerder het tegendeel), er hangt alleen een ander label op: de ‘i-vergunning’. Onderdeel d De vrijstelling voor het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen (onderdeel
  2. d)is vrij algemeen en heeft bijna iedere gemeente in zijn verordening opgenomen. Onderdeel e Onderdeel e is opgenomen vanaf 1997. Het gaat hierbij om verzoeken van instel¬lingen die een goed doel nastreven. Er is geen winstoogmerk en de opbrengsten gaan naar derden. Enkele voorbeelden zijn inzamelingsactie voor derde wereld landen, kledinginzamelingsactie, collecte van de nierstichting, hartstichting, maar ook bepaalde doelgroepen zoals milieugroepen (milieudefensie, Green Peace), het Leger des Heils en dergelijke. Het gaat niet om het "spekken" van de eigen verenigingskas, dus bijvoorbeeld een ledenwerfactie van de voetbalvereniging of een sponsorloterij. Ook VVW- activiteiten, culturele activiteiten (synagoge), sinterklaasoptochten (commer¬cieel doel) en dergelijke vallen er buiten. Wij zijn van mening dat het opnemen van deze vrijstellingsbepaling niet leidt tot een precedentwerking voor andere dan de bedoelde groepen. Overigens zal bij twijfel geen vrijstelling worden verleend. Eventuele bezwaar¬schriften van deze strekking zullen na overleg met de desbetreffende porte¬feuillehouder worden afgehandeld. Andere wettelijke vrijstellingen In artikel 4 zijn niet vermeld de vrijstellingen die voorkomen in andere hogere wettelijke regelingen. De legesverordening kan geen inbreuk maken op of bepaalde beperkingen opnemen met betrekking tot de bij wet verleende vrijstellingen. Die vrijstellingen zijn onder meer: - de diplomatieke internationale vrijstellingen. Op grond van artikel 243 van de Gemeentewet kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën vrijstelling van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt, althans voor zover voor de leges van belang, in de ‘Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997’ (Regeling van 20 december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996, 249, Belastingblad 1997, blz. 91, nadien gewijzigd). - de vrijstelling voor het doen van naspeuringen (door de aanvrager zelf) in de gemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995). - de vrijstellingen opgenomen in de artikelen 2 en 4 van de Wet rechten burgerlijke stand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 27 november 2008, Stb. 500 (inwerkingtreding 1 maart 2009). - de ‘vrijstelling’ met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel 15.34a Wet milieubeheer). - de ‘vrijstelling’ voor beschikkingen krachtens de Wet bodembescherming (artikel 86a Wet bodembescherming). Voorts komen in talloze andere wetten vrijstelling voor, onder andere: - artikel 55 van de AWR; - artikel 32a van de Wet waardering onroerende zaken; - artikel 93 van de Pensioenwet; - artikel 111 van de Pensioenwet politieke ambtsdragers; - artikelen 78, eerste lid, 79, eerste en tweede lid, 95 en 99, tiende lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; - artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945; - artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945; - artikel 55, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting), onder 6, Maatstaf van heffing en onder 7, Belastingtarief. Meer specifiek merken wij met betrekking tot de leges nog het volgende op. In de memorie van toelichting van de Wet materiële belastingbepalingen wordt als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de huwelijksleges voor mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor inwoners van de gemeente. Eerste lid Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening. Tweede lid Voor woningbouwprojecten en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve een projectuitvoeringsbesluit nemen (artikel 2.9 en 2.10 Crisis- en herstelwet). Het projectuitvoeringsbesluit vervangt de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen of andere besluiten die zonder de Crisis- en herstelwet (CHW) voor de ontwikkeling en verwezenlijking voor het project nodig zouden zijn. In veel gevallen zal sprake zijn van grondexploitatie, waarop afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is. Een groot aantal kostencomponenten moet in deze gevallen via het exploitatieplan worden verhaald (afdeling 6.4 Wro; artikel 6.2.4 Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente zal alleen overgaan tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als dit kostenverhaal verzekerd is. Als een verzoek tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit wordt gedaan, kan de gemeente voor de (administratieve) behandeling van dat verzoek leges heffen. Het tweede lid voorziet hierin. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en andere benodigde besluiten. De toetsingskaders blijven echter van kracht, tenzij het projectuitvoeringsbesluit op grond van wet of verordening anders bepaalt (artikel 2.10, vijfde lid, CHW). In verband hiermee hebben wij bij de tariefstelling aangesloten bij de in de tarieventabel opgenomen tarieven die voor de vergunningen, ontheffingen en dergelijke verschuldigd zouden zijn geweest als de CHW niet zou gelden. Voor de overzichtelijkheid hebben wij de tariefbepaling in artikel 5 opgenomen. Bij die keuze hebben de volgende overwegingen meegespeeld: - De CHW is eerder in werking getreden dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning). In de legesverordening was nog overgangsrecht opgenomen totdat de Wabo in werking trad (oude hoofdstuk 5, bouwgerelateerde leges, van de tarieventabel was nog van toepassing tot 1 oktober 2010; daarna is titel 2 van de tarieventabel van toepassing). - De CHW geldt voor het grootste deel tot 1 januari 2014. Inmiddels is de werking van de Chw tot onbepaalde tijd verlengd (Stb. 2013, 144 en 145) met het oog op de permanente verankering van de voorzieningen in de hoofdstukken 1 en 2 van de Chw in de Awb en de nieuwe Omgevingswet. Wij hebben hierin geen aanleiding gezien de bepaling in het tweede lid over te hevelen naar de tarieventabel. Derde lid In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden gerekend. Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring; profijtbeginsel Het is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter beoordeling van de belastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden tot strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de terzake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (zie onder meer: Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27457, BNB 1991/351; Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70). Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de legesverordening als geheel bezien maximaal kostendekkend zijn. Ook de belastingrechter heeft zich op dit standpunt gesteld (zie onder meer: Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38860; LJN:AP1951; Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Dat neemt niet weg dat een gemeente wel een kostendekkendheid per dienst of per samenhangende groep van diensten mag nastreven, als de gemeente in dit opzicht maar een consequente lijn volgt (vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN: AE9620). En bij de reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart heeft de Paspoortwet het over het heffen van rechten ‘voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag’. Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te passen. Onder kruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van tarieven van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere diensten laag te kunnen houden. Daarnaast kan bij de tariefstelling uitdrukking worden gegeven aan het profijtbeginsel. Dat is een aparte beleidsmatige afweging. Onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten zijn niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is niet vereist (Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Europese Dienstenrichtlijn en Wabo in relatie tot artikel 229b Gemeentewet De mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) beperkter geworden. De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van samenhangende vergunningstelsels mogelijk. Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft hierin geen aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te wijzigen. De EDR doorkruist daarmee de wettelijke regeling van artikel 229b Gemeentewet. Bij de introductie van de Wabo (omgevingsvergunning) gaat de wetgever ervan uit dat kruissubsidiëring tussen het cluster omgevingsvergunning en andere in de legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken 29515 2005/2006, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve lasten). De wens van de wetgever is echter niet in een wettelijke bepaling vastgelegd, zodat artikel 229b van de Gemeentewet onverkort geldt. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr. 13/00081, ECLI:NL:GHAR:2014:494. De EDR en bovengenoemde wens van de wetgever zijn de reden dat wij de tarieventabel in drie titels hebben verdeeld. Soms alleen kopieerkosten door te berekenen Soms mogen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, LJN: AD9760, en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat voor het verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die in dat geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd. Meer informatie over kostenberekening en kostentoerekening Voor een verdere beantwoording van de vraag welke kosten wel en welke kosten niet kunnen worden doorberekend, verwijzen wij naar: - de modellen kostenonderbouwing die de VNG sinds najaar 2009 op haar website beschikbaar stelt; - de Handreiking kostentoerekening leges en tarieven, die het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sinds juli 2007 via haar website beschikbaar stelt. Deze handreiking geeft inzicht in de doorberekening van de kosten in de rechten, heffingen en tarieven die maximaal 100% kostendekkend mogen zijn; - het boekje Kostentoerekening en gemeentelijke heffingen, VNG-uitgeverij (thans: SDU uitgevers), Den Haag 1999. Artikel 6 Wijze van heffing Op grond van artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Van alle dienstverleningen ontvangt de afdeling belastingen een opgave. Aan de hand hiervan wordt een aanslag opgelegd. De vordering wordt dus in de administratie opgenomen. Bij niet betaling volgen een herinnering, aanmaning en dwangbevel. Een uitzondering hierop vormen de leges die aan de legeskas bij de afdeling burgerzaken door middel van een kassabon worden afgerekend. Artikel 7 Termijnen van betaling Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Het ontstaan van de (materiële) belastingschuld is overigens niet in de veror¬dening geregeld. Dit hangt samen met het feit dat bij de leges het ontstaan van de belastingschuld samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet. Artikel 8 Vermindering of teruggaaf Bij een teruggaaf wordt een op zich juist vastgesteld belastingbedrag niet verlaagd, maar teruggegeven als gevolg van een omstandigheid waarmee bij de heffing geen rekening kon of mocht worden gehouden. De teruggaaf leidt dus niet tot vermindering van de aanslag of het gevorderde bedrag, maar tot een terug¬gaaf. Deze wordt bij afzonderlijke beschikking vastgesteld. Een voorbeeld hiervan is de teruggaaf van bouwleges indien van een verleende bouwvergunning geen gebruik wordt gemaakt. De teruggaaf kan min of meer als een in de verordening geregelde hardheidsclau¬sule worden gezien. Er zijn gevallen denkbaar waar de verordening niet in teruggaaf voorziet, terwijl deze teruggaaf toch gerechtvaardigd moet worden geacht. Leidt bijvoor¬beeld het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een stuk niet tot uitreiking daarvan en zijn er door de gemeente geen werkzaamheden verricht, dan kan er reden bestaan voor een ambtshalve teruggaaf van leges (op grond van de zogenoemde hardheidsclausule; artikel 63 AWR). Afhankelijk van de verrichte werkzaamheden kan ook gedeeltelijk teruggaaf worden verleend. Dit artikel is nieuw en houdt verband met hoofdstuk 4 van titel 2 van de tarieventabel. Hierin is opgenomen dat aanspraak bestaat op vermindering van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag op meer dan vijf activiteiten betrekking heeft. Artikel 8 is algemeen gesteld. U kunt hierdoor bijvoorbeeld ook in titel 1 een hoofdstuk vermindering opnemen, waarin is bepaald dat aanspraak bestaat op vermindering als de aanvraag en/of afhandeling van een aanvraag langs elektronische weg plaatsvindt. Al naar gelang en beperkt tot de mogelijkheden in de gemeente. De vermindering of teruggaaf kan ambtshalve worden toegepast (artikel 65 AWR) of op aanvraag worden verleend (artikel 242 Gemeentewet). Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college kan nadere beleidsregels vaststellen met betrekking tot de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. Onder andere met betrekking tot de volgende zaken zijn beleidsregels vastge¬steld: - de gemeentelijke ‘Leidraad invordering’. Dit betreft een instructie hoe te handelen in voorkomende gevallen bij de invordering van belastingen; - het nemen van aanwijzingsbesluiten en aanstellingsbesluiten; - aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie (n.v.t. op leges); Artikel 10 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting). Vanaf 1 januari 2014 is bekendmaking langs elektronische weg verplicht voor de decentrale overheden en dus voorwaarde voor de inwerkingtreding. Daarnaast geldt op grond van artikel 140 Gemeentewet en artikel 7, derde lid, van de Europese Dienstenrichtlijn dat de legesverordening elektronisch beschikbaar en raadpleegbaar moet zijn. Voor eensluidend afschrift, de griffier, Mw. M. Walrave Toelichting tarieventabel3 Toelichting op de tarieventabel 2015 (behorende bij de 'Verordening leges 2015’ vastgesteld door de raad op 17 december 2014) 1 Algemeen 1.1 Inleiding De tarieventabel maakt deel uit van de verordening. In de tarieventabel zijn diensten opgenomen waarvoor de meeste gemeenten leges heffen. De tarieventabel is afgeleid van het model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 1.2 Indeling van de tarieventabel Gelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot kruissubsidiëring als gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening) is de tarieventabel in drie titels onderverdeeld: - titel 1 Algemene dienstverlening; - titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; - titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder titel 2. De nummering van de onderdelen in de tarieventabel is als volgt: titel.hoofdstuk.onderdeel.subonderdeel.subsubonderdeel. Kruissubsidiëring Binnen titel 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor titel 2. De wetgever gaat er bij de omgevingsvergunning van uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening daarbuiten. Maar kruissubsidiëring tussen titel 1 en titel 2 is niet verboden, nu de wetgever artikel 229b van de Gemeentewet niet heeft gewijzigd. Dit blijkt ook uit Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494. Het hof oordeelt dat de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b Gemeentewet niet strenger is geworden door de komst van de Wabo. Overigens hebben wij in titel 2 ook een paar andere diensten opgenomen die verband houden met de fysieke leefomgeving of de omgevingsvergunning (hoofdstukken 2, 8 en 9). Op basis van artikel 13, tweede lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt voor titel 3 dat slechts kruissubsidiëring binnen elk hoofdstuk mogelijk is. Een hoofdstuk in titel 3 betreft een individueel vergunningstelsel dan wel een cluster van samenhangende vergunningstelsels. Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. Een en ander betekent dat (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare wijze vastgelegde kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is. Vervolgens kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van kruissubsidiëring (voor zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en de mate waarin zij het profijtbeginsel wil laten doorwerken in het tarief. Zie het model kostenonderbouwing leges omgevingsvergunning, te vinden op www.vng.nl. In de eerdergenoemde uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494, oordeelt dit hof: ‘Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 229b van de Gemeentewet volgt ondubbelzinnig dat de wetgever heeft bedoeld dat de opbrengstlimiet wordt toegepast op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Daarbij gaat het dus niet om de kostendekking per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten ((Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 61 en HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:HR:2005:AP1951). Wel dient de gemeente, die ervoor kiest in één verordening tarieven voor verschillende (groepen van) diensten op te nemen, op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door heffing van elk van de tarieven beoogt te dekken (vgl. HR 31 maart 1999, nr. 33427, ECLI:HR:1999:AA2720). Deze controleerbare vastlegging dient met name om toetsing van een bepaalde heffing aan algemene rechtsbeginselen mogelijk te maken. Voor de toetsing aan de opbrengstlimiet heeft zij geen betekenis (vgl. HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:HR:2005:AP1951).’ Voor de toets aan de opbrengstlimiet blijven de totaal geraamde baten en lasten van alle tarieven uit de legesverordening dus van belang. 1.3 Belastbare feit In de toelichting op artikel 2 van de modelverordening staat dat is gekozen voor het omschrijven van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’ en niet als ‘het afgeven van een vergunning’. Dit heeft namelijk als voordeel dat de leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag. Voor het overige verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de toelichting op artikel 2 van de modelverordening. 1.4 Hoogte van de tarieven In de tarieventabel zijn geen voorbeelden van tarieven opgenomen (zie het algemeen deel van de toelichting). In de toelichting op artikel 5 hebben wij aandacht besteed aan de tariefstelling, de kostendekkendheid van de leges, de mogelijkheid van kruissubsidiëring en toepassing van het profijtbeginsel. Voor een aantal diensten is de hoogte van het te heffen legesbedrag wettelijk geregeld. Dit geldt onder andere voor de diensten opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Voor een aantal andere diensten is wettelijk geregeld dat de tarieven niet boven een bepaald bedrag uit mogen gaan (in de tabel onderstreept aangegeven). Gemeenten mogen wel een lager bedrag opnemen dan het in de wettelijke regeling genoemde maximum. Leges voor het in behandeling nemen van Wob-verzoeken Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703) hoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag verstrekt te worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. Deze tarieven binden gemeenten echter niet. Gemeenten moeten hiervoor dus zelf een regeling treffen, bijvoorbeeld in de legesverordening. Leges kunnen alleen worden geheven als sprake is van dienstverlening. Een gemeente mag bij inwilliging van een Wob-verzoek kosten via legesheffing in rekening brengen voor het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan. Met de vorm waarin de gegevens aan de verzoeker worden verstrekt is volgens de Hoge Raad in het bijzonder een particulier belang gediend. In zoverre is sprake van dienstverlening als bedoeld in art. 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet. Legesheffing is niet mogelijk voor het doen van naspeuringen naar aanleiding van een verzoek om informatie op basis van de Wob. De Hoge Raad leidt uit het samenstel van de wettelijke bepalingen in de Wob af dat de openbaarmaking van informatie naar aanleiding van een Wob-verzoek, behoudens de hiervoor genoemde werkzaamheden die verband houden met de vorm waarin de gegevens worden verstrekt, niet in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De gemeente mocht geen leges heffen voor het opzoeken van declaraties, het anonimiseren van documenten en het vervaardigen van overzichten. (Hoge Raad 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en Hoge Raad 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97). De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 31 mei 2011 aan de Tweede Kamer geschreven met nadere plannen over de WOB te komen (Kamerstukken II 2010/11, 32802, nr. 1). Een vervolg op deze brief heeft de minister op 13 januari 2012 aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2011/12, 32802, nr. 3). Er komt een uniforme kostenregeling waarbij – in lijn met het Verdrag van Tromsø – in de Wob wordt opgenomen dat ten hoogste de werkelijke kosten van reproductie en levering in rekening mogen worden gebracht (marginale verstrekkingskosten). Op 2 juli 2012 is een conceptwetsvoorstel tot aanpassing van de WOB voor consultatie op internet geplaatst (www.internetconsultatie.nl). Daarnaast is op 16 december 2013 een gewijzigd initiatief wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 33328, nr. 8, Wet open overheid). In afwachting van de nadere plannen zijn nog geen wijzigingen aangebracht in de modelverordening leges. 1.5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordening Een belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van hem te heffen bedrag kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 217 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de belastingverordening onder andere het tarief moet vermelden. Dit wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van de belasting moet vermelden. In zijn arrest van 22 juli 1985 (nr. 22.780, BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente IJlst) overwoog de Hoge Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag. De bepaling in de verordening van de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde legesbedragen konden worden verhoogd met de kosten van door de gemeente in te winnen externe adviezen, gaf de belastingplichtige naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het beloop van het van hem te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend. Het komt bij gemeenten regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten) het advies van een extern bureau gevraagd wordt. Doorberekenen externe kosten Om de kosten van die externe adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat de gemeenten na het hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking: 1 verwerken in bestaande tarieven; 2 opnemen van een maximumtarief; 3 begrotingsconstructie. Ad 1 Verwerken in bestaande tarieven Allereerst kan de gemeente ervoor kiezen de externe advieskosten in de bestaande tarieven te verwerken. Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de aanvragers van de dienst kunnen worden toegerekend. Ad 2 Opnemen van een maximumtarief Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van externe advieskosten in bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn. In het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1989 (nr. 25.996, BNB 1989/127, Belastingblad 1989, blz. 320, gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een maximum van ƒ 250.000,- niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat het behoudens zeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult. Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de belastingplichtige in het onzekere over de omvang van het van hem te heffen bedrag. De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te veronderstellen dat als een bepaling een maximumtarief bevat en de hoogte van dat tarief een wezenlijke functie vervult, de belastingplichtige op voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het beloop van het van hem te heffen bedrag. Toekomstige jurisprudentie zal nader invulling moeten geven over de vraag in welke gevallen er sprake is van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult. Ad 3 Begrotingsconstructie Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening de zogenaamde ‘begrotingsconstructie’ op te nemen. De systematiek van deze constructie is als volgt. Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan over de hoogte van de door hem voor de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld in een door of vanwege het college van burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het in behandeling nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is door het Hof ‘s-Gravenhage aanvaard in zijn uitspraak van 12 juli 1989, nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307, (gemeente Zoetermeer) en door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769 (gemeente Heerde). De begrotingsconstructie kan worden gebruikt bij het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie de onderdelen 1.18, 2.3.17 en 2.3.18 van de tarieventabel). Voor de wijze van redigeren van een bepaling in de verordening verwijzen wij dan ook naar deze onderdelen. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (in 1996 afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor het doorberekenen van interne advieskosten. Weesp maakt voor het doorberekenen van de kosten van interne dienstverlening alleen gebruik van de begrotingsconstructie, indien niet met een gemiddeld tarief kan worden gewerkt. Titel 1 Algemene dienstverlening (toelichting bij de tariefnummers) Algemeen Deze titel hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van de twee andere titels. Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen, ook met diensten buiten titel 1. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494. Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2009 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis. Onderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en omzetting Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting). De onderdelen 1.1.2 en 1.1.3 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de mogelijkheid geboden de hoogte van de te heffen leges afhankelijk te stellen van de dag en het uur waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet uitleggen van een loper, het gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben. In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de onderdelen 1.1.2 en 1.1.3 niet gekozen voor de omschrijving van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het sluiten van een huwelijk’. Reden hiervan is het volgende. Artikel 1 van de Wet rechten burgerlijke stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin de wet voorziet. Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat legesheffing gerechtvaardigd is voor een ‘huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in de tarieventabel het belastbare feit het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat onverlet dat bij het vaststellen van de tarieven de kosten van voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen worden. Hiervoor is een separaat tarief opgenomen. Deze kosten worden verrekend met de werkelijke kosten van huwelijksvoltrekking, tenzij de voltrekking niet doorgaat of er sprake is van een kosteloos huwelijk. Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen waarin de huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap in een huwelijk niet in het gemeentehuis maar in een andere ruimte plaatsvindt, anders dan op grond van artikel 64 van het Burgerlijk wetboek. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een in de gemeente gelegen fraai kasteel. Daarvoor kan in de verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling opgenomen worden, waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de dienstverlening op die dagen en uren anders is. De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen op grond van het Besluit rechten burgerlijke stand niet in rekening worden gebracht bij de aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten geschieden door middel van een ceremonie (gelijk te stellen met een huwelijksvoltrekking) is het wel mogelijk om de kosten van gebruik van de zaal e.d. in rekening te brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde differentiatie worden toegepast als bij het sluiten van een huwelijk of registreren van een partnerschap is gebeurd. Incidenteel aanwijzen van een trouwlocatie Het komt steeds vaker voor dat men zijn eigen trouwlocatie wil kiezen. Beoordeeld moet worden of deze locatie voor een ieder toegankelijk en geschikt is. Voorts moeten de vereiste vergunningen aanwezig zijn, bijvoorbeeld een veiligheidscertificaat van de scheepvaartinspectie en moet de brandweer inspecteren op het punt van de brandvoorschriften. Daarnaast moet er een extra collegebesluit komen. Een opslag als genoemd in de tabelnummers 1.1.2.4 en 1.1.3.3 is daarom reëel. Onderdeel 1.1.5 Trouwboekje of partnerschapsboekje In onderdeel 1.1.5 van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje. De leges genoemd in onderdeel 1.1.5 kunnen worden geheven naast de leges die ingevolge onderdeel 1.1.1 t/m 1.1.4 geheven worden. Ook in het geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap is legesheffing voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje toegestaan. Het betreft hier een dienst van de gemeente die wordt verleend naast het voltrekken van het huwelijk of de registratie van een partnerschap zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje bestaat immers niet. Onderdeel 1.1.6 Naspeuringen in registers burgerlijke stand In onderdeel 1.1.6 is een tarief opgenomen voor het op verzoek doen van naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand. Gekozen is voor een tariefstelling per daaraan besteed kwartier. Onderdeel 1.1.7 Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren van de burgerlijke stand zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van deze wet luidt: ’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien.’ In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke verrichtingen leges geheven kunnen worden. De hoogte van die leges is vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (Stb. 1969, 36). De daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Hoofdstuk 2 - Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart De legesheffing voor reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart berust niet op artikel 229 van de Gemeentewet, maar op artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet (zoals deze per 9 maart 2014 is gewijzigd), in samenhang met artikel 2, tweede lid, van die wet. Vanaf 22 september 2011 gold voor de legesheffing voor een Nederlandse identiteitskaart al een afzonderlijke wettelijke basis in verband met HR 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN: BQ4105 en de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Paspoortwet zijn maximumtarieven vastgesteld in het Besluit paspoortgelden. Gemeenten kunnen ook minder dan de maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van de maximumleges door gemeenten is echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor geleverde reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde bedragen aan het Rijk af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges vanzelfsprekend ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges. De maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2010 geldt voor kinderen tot en met 13 jaar voor de Nederlandse identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief (jeugdtarief) De korting ten opzichte van de ‘normale’ NIK betreft het rijkskostendeel en komt dus volledig ten laste van het rijk en geldt vanaf 9 maart 2014 voor personen jonger dan 18 jaar. In verband met Europese regelgeving is het sinds 26 juni 2012 niet meer mogelijk om kinderen in de paspoorten van de ouder(
  3. s)of voogd bij te schrijven. De geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers is op 26 juni 2012 vervallen. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op 26 juni 2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de ouder(
  4. s)of voogd waarin ze staan bijgeschreven. Tariefdifferentiaties Gemeenten kunnen tariefdifferentiaties aanbrengen. In artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet staat: ’Het tarief van de rechten kan verschillen al naar gelang de leeftijd van de aanvrager, het feit of deze in de basisregistratie personen als ingezetene is ingeschreven, de soort en de geldigheidsduur van het reisdocument en de snelheid van de uitreiking.’ Het is niet meer mogelijk zogenaamde ‘vermissingsleges’ te heffen als de aanvrager bij de aanvraag het eerder verstrekte (oude) reisdocument niet kan overleggen. In hoofdstuk 2 is geen tarief opgenomen voor het verlengen van een reisdocument. Dit hangt samen met het feit dat de Paspoortwet niet de mogelijkheid tot het verlengen van een reisdocument kent. Hoofdstuk 3 – Rijbewijzen De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden. Er geldt sinds 1 januari 2014 een maximumtarief van € 38,48 (€ 28,78 gemeentelijk kostendeel, vermeerderd met het rijkskostendeel van € 9,70). Het maximumtarief voor het gemeentelijke kostendeel is geregeld in artikel 104b van het Reglement rijbewijzen, dat is gebaseerd op artikel 111, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Voor bijzondere dienstverlening zijn verhogingen mogelijk. Te denken valt hierbij aan spoedaanvragen, aanvragen of afgiften buiten de reguliere openingstijden (‘op afspraak’) en aan aanvragen in verband met (beschadiging
  5. of)vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs. Deze verhogingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Het rijkskostendeel voor een spoedaanvraag is sinds 1 januari 2015 € 43,80 (€ 9,70 standaard + € 34,10 spoed). De gemeente moet het rijkskostendeel afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie voor de wettelijke regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Regeling vergoeding afdracht afgifte rijbewijzen en artikel 123 van het Reglement Rijbewijzen. De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is bij paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd. De kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. De rijkskosten bestaan onder andere uit: - de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde rijbewijzen; - de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de gemeente; - het beheer van de bij de RDW aanwezige registers. Voor 2015 bedraagt de rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen € 9,45 (Staatscourant 2014.24520 (29 augustus 2014); de toeslag voor een spoedprocedure bedraagt € 33,85. De gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen. De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor: - het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket; - het scannen van het aanvraagformulier; - het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs; - het uitreiken van het rijbewijs aan het loket. Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze kosten nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een rijbewijs staan, zoals de kosten van: - huisvesting; - het beheer van de basisregistratie personen; - de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen; - de maandelijkse controle van de fysieke voorraad; - het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad; - andere ondersteunende diensten. Het rijks- en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (onderdeel 1.3.1). In onderdeel 1.3.4 is een tarief opgenomen voor het afgeven van een formulier ‘Eigen verklaring’. Het formulier kent alleen een (vast) bedrag aan rijksleges. De gemeente fungeert slechts als doorgeefluik en maakt geen kosten. Aangezien niet steeds voortijdig bekend is wat de rijksleges zijn is in de legesverordening opgenomen dat het tarief gelijk is aan het tarief dat is vermeld op het formulier ‘eigen verklaring’. Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens In dit hoofdstuk zijn tariefbepalingen opgenomen voor verstrekkingen van persoonsgegevens uit de basisregistratie personen. De Wet basisregistratie personen (Brp) kan in een artikel aangeven dat een handeling kosteloos moet worden uitgevoerd, ze kan ook bepalen dat er rechten kunnen worden geheven en ze kan niets bevatten betreffende het heffen van rechten. In het laatste geval is het ook mogelijk om rechten (leges) te heffen als sprake is diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt. In de volgende twee tabellen staan de diverse verstrekkingen opgesomd met vermelding naar het betreffende artikel en is aangegeven hoe met kosten, vergoedingen en bijdragen omgegaan wordt, eveneens met een verwijzing naar het desbetreffende artikel. Met ‘bijdrage’ wordt gedoeld op de (budgettaire) bijdrage in de kosten in verband met de uitvoering van de Wet brp verschuldigd door gemeenten en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3, 3.13 of 3.14 van de Wet brp gegevens worden verstrekt of informatie ter beschikking wordt gesteld (artikel 1.14 Wet brp). Verstrekkingen aan overheidsorganen zijn overigens kosteloos (artikel 3.17 Wet brp). De afkorting PL staat voor persoonslijst, de afkorting Gw staat voor Gemeentewet, de afkorting d.t.v. staat voor ‘door tussenkomst van’. Verstrekkingen in verband met de rechten van de burger Nr. Grondslag in de BRP Aard van de verstrekking Door wie Vergoeding of kosteloos Grondslag vergoeding of kosteloos 1a 2.54 lid 1 Volledig overzicht van de PL aan de burger als deze ingezetene wordt College bijhoudingsgemeente Kosteloos Is geen dienst 1b 2.55 lid 1 Op aanvraag mededeling of over betrokkene gegevens worden verwerkt College bijhoudingsgemeente Kosteloos 2.55 lid 1 1c 2.55 lid 2 Op aanvraag inzage aan betrokkene in hem betreffende gegevens College bijhoudingsgemeente Kosteloos 2.55 lid 2 1d 2.55 lid 3 Op aanvraag afschrift van de persoonsgegevens en de oorsprong van die gegevens College bijhoudingsgemeente Vergoeding kan 229-1-b Gw 2a 2.53 lid 2 Conform 1b Elk college Kosteloos 2.55 lid 1 2b 2.53 lid 2 Conform 1c Elk college Kosteloos 2.55 lid 2 2c 2.53 lid 2 Conform 1d Elk college Vergoeding kan 229-1-b Gw 3a 2.53 lid 3 Conform 1b De minister Kosteloos 2.55 lid 1 3b 2.53 lid 3 Conform 1c De minister Kosteloos 2.55 lid 2 3c 2.53 lid 3 Conform 1d De minister Vergoeding? 4a 2.81 lid 1 Volledig overzicht van de PL aan de niet-ingezetene bij inschrijving De minister Kosteloos Is geen dienst 4b 2.81 lid 3 Conform 1b De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Kosteloos 2.55 lid 1 4c 2.81 lid 3 Conform 1c De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Kosteloos 2.55 lid 2 4d 2.81 lid 3 Conform 1d De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Vergoeding 36 Besluit brp (volgt leges gemeente waar inschrijfvoorziening is ondergebracht) 5a 2.81 lid 4 Conform 1b Elk college Kosteloos 2.55 lid 1 5b 2.81 lid 4 Conform 1c Elk college Kosteloos 2.55 lid 2 5c 2.81 lid 4 Conform 1d Elk college Vergoeding kan 229-1-b Gw Verstrekkingen op grond van hoofdstuk 3 Wet brp Nr. Grondslag in de BRP Aard van de verstrekking Door wie Vergoeding of kosteloos Grondslag vergoeding of kosteloos 6a 3.2 Systematische verstrekking aan overheidsorganen De minister Bijdrage 1.14 lid 1 en 3.17 lid 1 6b 3.3 Systematische verstrekking aan derden De minister Bijdrage 1.14 lid 1 en 3.17 lid 1 7a 3.5 Plaatsonafhankelijke verstrekking aan overheidsorganen Elk college Geen bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 7b 3.6 Plaatsonafhankelijke verstrekking aan derden Elk college Geen bijdrage, vergoeding kan 1.14 lid 1 en 229-1-b Gw 8a 3.8 Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan organen van de (eigen) gemeente College bijhoudingsgemeente Geen bijdrage, kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 8b 3.9 Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan derden College bijhoudingsgemeente Geen bijdrage, vergoeding kan 1.14 lid 1 en 229-1-b Gw 9 3.12 Verstrekking gegevens aan basisadministraties Caribische rijksdelen De minister en elk college Geen bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 10 3.13 Verstrekking voor onderzoek en dergelijke De minister en het college Bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 11 3.14 Verstrekking bewerkte gegevens De minister en het college Bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 Onderdelen 1.4.1 en 1.4.2 Verstrekkingen aan derden; abonnementen In onderdeel 1.4.1 van de tarieventabel is geregeld wat voor de toepassing van hoofdstuk 4 onder één verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is problemen omtrent de invulling van dat begrip te voorkomen. Van belang hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle verstrekte gegevens omtrent één persoon. In onderdeel 1.4.2.1 is voor het verstrekken van gegevens een tarief opgenomen per verstrekking. Ook zouden nog tarieven opgenomen kunnen worden voor het doen van meer dan één verstrekking. Daarbij kan dan een degressief tarief gelden. In de modelverordening hebben wij geen afzonderlijke tarieven opgenomen voor het doen van meer dan één verstrekking. Reden hiervan is dat in die situatie de aanvrager vermoedelijk toch gebruik zal maken van de mogelijkheid van het afsluiten van abonnement, nu een abonnement betrekking heeft op de periode van een jaar. Naar onze mening ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de mogelijkheid van het afsluiten van een abonnement indien dit voor hem goedkoper is. In onderdeel 1.4.2.2 zijn tarieven opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het doen van verstrekkingen gedurende een bepaalde periode. Het ligt voor de hand daarbij degressieve tarieven op te nemen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat het doen van verstrekkingen in die gevallen minder kosten met zich mee kan brengen dan bij incidentele verzoeken om verstrekkingen. Een gemeente kan zelf bepalen op hoeveel verstrekkingen een abonnement betrekking heeft. In zoverre moeten de aantallen die in de onderdelen 1.4.2.2.1 tot en met 1.4.2.2.5 zijn opgenomen als voorbeelden worden gezien. Uitgaande van de verordening zal iemand die 400 verstrekkingen vraagt kunnen kiezen of hij vier abonnementen van 100 verstrekkingen afsluit of één van 500. Ook hier ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de voordeligste constructie. In onderdeel 1.4.2.3 is een tarief opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het periodiek verstrekken van opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente. In hoofdstuk 4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van het voor het abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder verstrekkingen zijn gedaan dan waarop het abonnement ziet. Reden hiervan is dat bij het opnemen van een dergelijke teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft afgesloten. Onderdelen 1.4.3 en 1.4.4 Verstrekken van aangehaakte gegevens In onderdeel 1.4.4 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen zelf. Het betreft de zogenaamde aangehaakte gegevens. In onderdeel 1.4.3 is aangegeven wat in dit verband onder één verstrekking moet worden verstaan. Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Onderdeel 1.4.5 Verstrekkingen op papier aan afnemers en bijzondere derden In onderdeel 1.4.5 zijn leges opgenomen voor het aan betrokkenen verstrekken van schriftelijke gegevens als bedoeld in artikel 17 van het Besluit brp. In artikel 10, tweede lid, van de Regeling basisregistratie personen is hiervoor een maximumtarief opgenomen van € 7,50. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel 41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet worden geheven (Hoge Raad 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). De in onderdeel 1.4.6 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de basisregistratie personen, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel geregistreerde honden er in de gemeente zijn. Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen van de gevraagde inlichtingen. Naast een bedrag voor het doornemen van de basisadministratie is de verzoeker eventueel een bedrag verschuldigd ingevolge onderdeel 1.4.2, 1.4.4 of 1.4.5 als vervolgens persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat onderdeel 1.4.6 een afzonderlijk belastbaar feit vormt. Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister Op grond van de Kieswet (Stb. 1989, 423) is het niet toegestaan inlichtingen over de kiesgerechtigdheid van bepaalde ingezetenen aan derden ter beschikking te stellen. De gemeente kan op grond van artikel D 4 van de Kieswet alleen inlichtingen verstrekken over de kiesgerechtigdheid van de aanvrager zelf. Daarvoor kunnen leges geheven worden. Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het verstrekken van gegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2000, 302; hierna: Wbp). Op grond van artikel 35 Wbp is het mogelijk gegevens te verstrekken. Artikel 39 Wbp voorziet in de mogelijkheid om voor een verstrekking op grond van artikel 35 een vergoeding te vragen. Het bedrag is sinds 26 maart 2008 gesteld op maximaal € 5,00. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in bijzondere gevallen andere bedragen worden gesteld. Dat is gebeurd in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Besluit van 13 juni 2001, Stb. 305). Voor een verstrekking op papier is de vergoeding vastgesteld op € 0,23 per pagina, met een maximum van € 5,00 (onderdeel 1.6.1.1). Voor een verstrekking van meer dan 100 pagina’s of een afschrift uit een moeilijk toegankelijke gegevensverwerking mag de in rekening te brengen vergoeding ten hoogste € 22,50 bedragen (onderdelen 1.6.1.1.2 en 1.6.1.3). Voor een verstrekking anders dan op papier mag ten hoogste € 5,00 worden gerekend (onderdeel 1.6.1.2). Het maximumbedrag van € 5,00 geldt sinds 1 juli 2012 (Stb. 2012, 90 en 169). Het maximumtarief van € 22,50 geldt vanaf 1 juli 2012 ook voor een mededeling die bestaat uit afdrukken van één of meer röntgenfoto’s, maar dat zal in de gemeentelijke dienstverleningspraktijk niet voorkomen. In onderdeel 1.6.2 is bepaald dat indien meerdere tarieven tegelijk kunnen worden toegepast, het hoogste tarief geldt. Als gegevens het voorwerp zijn van verwerking omdat deze noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, kunnen betrokkenen vanwege hun bijzondere persoonlijke omstandigheden verzet tegen de verwerking aantekenen bij de verantwoordelijke (artikel 40 Wbp). Voor de behandeling van een verzet mogen leges worden geheven. Onderdeel 1.6.3 voorziet hierin. De leges mogen ten hoogste € 4,50 bedragen (artikel 4 Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp). De in het kader van de Wbp geheven leges moeten worden teruggegeven indien verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming plaatsvindt, dan wel het verzet gegrond wordt bevonden (artikel 39, tweede lid, en artikel 40, derde lid, Wbp). Hoofdstuk 7 Bestuursstukken In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verstrekken van de volgende stukken: – de programmabegroting en het jaarrapport van de gemeente; – gemeentelijke verordeningen. Op grond van de Gemeentewet dienen de programmabegrotingen en de daarbij behorende stukken (artikel 189 van de Gemeentewet) en de jaarrapporten met de daarbij behorende stukken en toelichtingen (artikel 197 van de Gemeentewet) verstrekt te worden. De hiervoor genoemde stukken moeten ter inzage worden gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. De stukken worden tegen kostprijs afgege¬ven. Overigens is er weinig belangstel¬ling voor deze stukken. Hoofdstuk 8 – Vastgoedinformatie Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld (1.8.1) Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal gepubliceerd in Stb. 1996, 473; daarna gewijzigd) is het voor gemeenten mogelijk, onder gebruikmaking van een permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een loketfunctie namens het Kadaster te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten namens het Kadaster te verstrekken kadastrale informatie valt onder de vigeur van de Kadasterwet. Het door gemeenten aan derden in rekening te brengen tarief voor het verstrekken van informatie namens het Kadaster is het tarief genoemd in de Regeling tarieven Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17). In de overeenkomst met het Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden. Onderdeel 1.8.2.1 Verstrekkingen uit gemeentelijk beperkingenregister of -registratie In onderdeel 1.8.2.1 is een tarief opgenomen voor informatie uit de gemeentelijke beperkingenregistratie en het gemeentelijke beperkingenregister. Volgens de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb; Stb. 2004, 331) is de inzage van de gemeentelijke beperkingenregistratie en van documenten uit het gemeentelijke beperkingenregister kosteloos. Alleen voor het verstrekken van een afschrift, uittreksel of verklaring als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wkpb mag de gemeente kostendekkende leges heffen (artikel 9, derde lid, Wkpb). Het gaat dan om: a een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van een in het gemeentelijke beperkingenregister ingeschreven beperkingenbesluit, beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak, dan wel vervallenverklaring van een publiekrechtelijke beperking; b een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van in de gemeentelijke beperkingenregistratie opgenomen gegevens, of; c een schriftelijke verklaring dat er blijkens de in de gemeentelijke beperkingenregistratie opgenomen gegevens geen publiekrechtelijke beperking van kracht is ten aanzien van de daarbij aangegeven onroerende zaak of zaken. Overigens kan een gemeente, als of zolang zij geen afzonderlijke bepaling in de legesverordening heeft staan, de tariefbepalingen uit hoofdstuk 20 (Diversen) toepassen. Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken Op grond van hoofdstuk 9 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag, een bewijs van in leven zijn, of een legalisatie van een handtekening. Desgewenst kan de gemeente hoofdstuk 9 aanvullen met andere dienstverlening die niet in deze tarieventabel zijn genoemd en tot de overige publiekszaken kunnen worden gerekend. Onderdeel 1.9.1 Verklaring omtrent het gedrag Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van Justitie over het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale hoogte van de hiervoor te heffen leges wordt door het Rijk vastgesteld. Vanaf 1 januari 2006 bedraagt die maximale vergoeding € 30,05. De gemeente moet hiervan € 22,55 aan het Rijk afdragen. Het verschil is een vergoeding die de gemeente krijgt voor de werkzaamheden die zij voor de behandeling van een dergelijke aanvraag moet uitvoeren (Regeling vergoeding verklaring omtrent het gedrag en gedragsverklaring aanbesteden, Stcrt. 2013, 8864; vóór 1 april 2013: Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en rechtspersonen; Stcrt. 2004, 63, pag. 12, Stcrt. 2005, 242, pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12), Aangezien het Rijk een maximaal te heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in de legesverordening opneemt. Onderdeel 1.9.2 Bewijs van in leven zijn Wij hebben de naamgeving attestatie de vita vervangen door ‘bewijs van in leven zijn’ in verband met een wetswijziging die op 1 juli 2011 in werking is getreden (Wet van 21 april 2011, Stb. 2011, 245). Bij deze wet is artikel 19k ingevoegd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Sinds 1 juli 2011 wordt de attestatie de vita afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand en is de Wet rechten burgerlijke stand en het daarop gebaseerde Legesbesluit akten burgerlijke stand van toepassing (zie onderdeel 1.1.9). Deze ‘internationale’ attestatie de vita is ingevoerd ter uitvoering van de op 10 september 1998 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een attestatie de vita (Trb. 2004, 283) en wordt afgegeven overeenkomstig het model dat bij de voormelde Overeenkomst werd vastgesteld. Hiermee kan de burger in het buitenland aantonen dat hij in leven is. Het in onderdeel 1.9.2 genoemde bewijs van in leven zijn is een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) waarin staat vermeld dat een bepaalde persoon in leven is. Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan aantonen dat het voor pensioen is. Onderdeel 1.9.3 Legalisatie van een handtekening Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester dat een handtekening op een bepaald document 'echt' is. Dat wil zeggen dat deze overeenkomt met de handtekening op uw legitimatiebewijs. De handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie van een handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges worden geheven. Onderdeel 1.9.3 voorziet hierin. Onderdeel 1.9.5 Aanvragen chauffeurspas Per 1 januari 2000 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het gewijzigd wetsvoor¬stel ‘Deregulering taxivervoer’. Dit betekent dat de taxichauffeur thans verplicht zijn een zogenaamde chauf¬feurspas bij zich te dragen. Deze pas wordt weliswaar door de Rijksverkeersinspectie afgegeven, maar daar¬voor is benodigd een verklaring omtrent het gedrag en een gewaarmerkte kopie van hun rijbewijs B, af te halen bij het team Burgerzaken. Met name het waarmerken van de kopie is voor burgerzaken een nieuwe taak. Deze extra werkzaamheden komen overeen met de werkzaamheden die nodig zijn voor het legaliseren van een handtekening (zie 1.9.3 van de tarieventabel). Voor het waarmerken is daarom eenzelfde tarief opgenomen. Hoofdstuk 10 Gemeentearchief Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven. Op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17), en kunnen deze archiefbescheiden kosteloos geraadpleegd worden. Als iemand zelf de archiefbescheiden raadpleegt, kunnen dus geen leges geheven worden. Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in de Archiefwet 1995 niet geregeld dat deze openbaar zijn en dat deze kosteloos geraadpleegd kunnen worden. In beginsel zou daarvoor, indien raadpleging wordt toegestaan, dus legesheffing mogelijk zijn. In de modelverordening zijn hiervoor geen tarieven opgenomen. Als iemand zelf de archieven raadpleegt, zullen er immers nauwelijks kosten voor de gemeente zijn. Onderdeel 1.10.1 Doen van naspeuringen In onderdeel 1.10.1 een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in het gemeentearchief. Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van gemeentewege doen van naspeuringen. Het tarief is afhankelijk gesteld van de tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het doen van de naspeuringen heeft besteed. Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. Opgemerkt wordt dat voor het doen van naspeuringen in verband met een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geen leges geheven kunnen worden (Hoge Raad 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en Hoge Raad 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97). Onderdeel 1.10.2 Verstrekken van kopieën of uittreksels uit gemeentearchief In onderdeel 1.10.2 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken. Ook met betrekking tot archiefbewaarplaatsen is een dergelijk tarief toelaatbaar. Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 14 van de Archiefwet 1995. De onderdelen 1.10.1 en 1.10.2 kunnen cumuleren. Hoofdstuk 11 Huisvestingswet De Huisvestingswet geeft in artikel 5 aan gemeenten de mogelijkheid, niet de verplichting, een huisvestingsverordening vast te stellen waarin de (soorten) woonruimten worden aangewezen waarvoor het vergunningvereiste geldt. Het gaat hierbij om een vergunning in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet (huisvestingsvergunning). Een gemeente die gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Huisvestingswet kan voor het verhaal van de met de vergunningprocedure samenhangende kosten een tarief in de legesverordening opnemen. Onderdeel 1.11.1 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling. De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening bepalen dat het college van burgemeester en wethouders een register van woningzoekenden bijhoudt (artikel 14 van de Huisvestingswet). Aan het inschrijven van woningzoekenden zijn voor de gemeente kosten verbonden. Verhaal kan plaatsvinden door het heffen van leges. In uw vergadering van september 2001 is de huisvestingsverordening gewijzigd, waarbij is bepaald dat de uitvoering van het register van woningzoekenden bij de corporatie komt te liggen. Om enige tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen, vragen de corporaties € 13,61 inschrijfgeld per twee jaar. De afspraak was dat het bedrag tot en met 2005 niet zou worden aangepast. Inmiddels (oktober 2014) is het bedrag nog steeds ongewijzigd. Onderdeel 1.11.2 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling. Ten slotte is de toekenning van een urgentie gedelegeerd aan het Gewest (1.11.3). Hoofdstuk 12 Leegstandwet Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. De verwachting is dat in verband met de economische crisis meer van de mogelijkheid van tijdelijke verhuur gebruik zal worden gemaakt. Met ingang van 1 juli 2013 zijn de mogelijkheden tot tijdelijke verhuur vergemakkelijkt en verruimd (Kamerstukken 33436). Hierdoor kan tijdelijke verhuur vaker een oplossing vormen in situaties waarin bewoning, reguliere verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Op grond van het gewijzigde artikel 15 Leegstandwet gelden de volgende regels: - Voor woonruimten in een gebouw (zoals kantoren of scholen): - indien een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan is verleend: vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 4a); - indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar, met mogelijkheid van jaarlijkse verlenging tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 5). - Voor woonruimten in een voor verkoop bestemde verkoop: vergunning tijdelijke verhuur voor 5 jaar; geen verlening mogelijk (artikel 15, lid 5a). - Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop of renovatie: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar, met mogelijkheid van jaarlijkse verlenging tot maximaal 7 jaar (artikel 15, lid 5). Voor de vergunningaanvraag hebben wij in subonderdeel 1.12.1 en voor een aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in subonderdeel 1.12.2 een tariefbepaling opgenomen. Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie Op grond van hoofdstuk 13 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1 januari 1995 geen gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken van huiseigenaren. In veel gemeenten is per die datum de gemeentegarantie volledig vervangen door de Nationale hypotheekgarantie (NHG) die wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Uiterlijk 1 januari 2011hebben gemeenten hun achtervangovereenkomsten met de WEW beëindigd. Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in andere gevallen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder winstoogmerk, uitsluitend een publieke taak of ideëel doel dienen. Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden) gegarandeerde hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. Onderdeel 1.13 voorziet hierin. Het gaat daarbij onder andere om het omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het omzetten van een lineaire hypotheek in een spaarhypotheek. Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet Op 1 juli 2013 is een wijziging van de Winkeltijdenwet in werking getreden (Stb. 2013, 217 en 218; zie ook ledenbrief 13/060 – Modelverordening winkeltijden 2013 – 19 juni 2013)). Op grond van de gewijzigde Winkeltijdenwet blijven de wettelijke verboden om winkels op zon-, feestdagen en op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur open te stellen, op zichzelf bestaan. Gemeenten kunnen door de wetswijziging echter zelf bepalen of – en in hoeverre – zij vrijstelling of ontheffing verlenen van deze verboden. De uitzonderingsbepalingen, zoals de toerismebepaling en de avondwinkelbepaling, zijn vervallen. Voor zover gemeenten niet besluiten tot een algemene of categoriale vrijstelling van in artikel 2 van de Winkeltijden vervatte verboden, kunnen zij besluiten de mogelijkheid voor burgemeester en wethouders te creëren om voor (een deel van) de ‘resterende’ verboden individuele ontheffingen te verlenen (zie artikel 3 van de Modelverordening winkeltijden 2013). Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing is in onderdeel 1.15.1 een tariefbepaling opgenomen. Een ontheffing kan op verzoek van de houder worden ingetrokken of gewijzigd (artikel 5 van de Modelverordening winkeltijden 2013). In onderdeel 1.15.2 hebben wij voor een verzoek tot wijziging een tariefbepaling opgenomen. Hoofdstuk 16 Kansspelen Onderdeel 1.16.1 Aanwezigheidsvergunning Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223). De in dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt afgegeven en het aantal speelautomaten. In Weesp gold de vergunning maximaal één jaar, maar vanaf 1 januari 2011 is in het kader van de lastenverlichting gekozen voor onbepaalde tijd. In hoofdstuk 16 is geen tarief opgenomen voor het wijzigen van een vergunning zodat een aan te brengen wijziging alleen via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk is. Door de wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 2005 en 206), is er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning nodig voor kansspelautomaten. Voor behendigheidsautomaten is de vergunningplicht vervallen. Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van de Wet op de kansspelen is vervallen. Onderdeel 1.16.2 Loterijvergunning In onderdeel 1.16.2 is een tarief opgenomen voor zogenaamde ‘loterijvergunningen’. Op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen tot het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het college van burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning verlenen als de gezamenlijke waarde van de prijzen minder bedraagt dan € 4.500. In andere gevallen verleent de minister van Justitie de vergunning. Indien het gezamenlijke bedrag van de prijzen en premies geen hogere waarde heeft dan € 4.500 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot verlening van de loterijvergunning (artikel 3 Wet op de kansspelen). Bij hogere waarden is de minister van Justitie bevoegd. Voor de gevallen waarin de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen van de vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit (Stb. 1997, 616). Dit besluit bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is voor het behandelen van de aanvraag om een loterijvergunning. Dat betekent dat de gemeente zelf de hoogte van het legestarief kan vaststellen. Onderdeel 1.16.3 Vergunning speelgelegenheid Op grond van artikel 2:41, tweede lid, van de APV geldt een vergunningplicht voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. In onderdeel 1.16.3 is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2:41 verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Artikel 2:41 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan. Hoofdstuk 17 Telecommunicatie Hoofdstuk 17 ziet op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond nodig zijn voor het leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in het kader van de Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan het college van burgemeester en wethouders een coördinerende rol met betrekking tot deze graafwerkzaamheden teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar af te stemmen. In verband hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet geregeld dat genoemde aanbieders het voornemen tot het verrichten van werkzaamheden melden aan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan nadat zij van het college instemming hebben verkregen over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Bij gelegenheid van de herziening van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet die 1 februari 2007 in werking is getreden, is opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de aanbieder met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden (Kamerstukken II 2004– 2005, 29834, nr. 3, blz. 52). Omdat de Europese Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op elektronische communicatiediensten en -netwerken, wat de aangelegenheden betreft die vallen onder (onder andere) de Machtigingsrichtlijn, hebben wij de tariefbepalingen in titel 1 opgenomen. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft echter beslist dat voor de legesheffing artikel 12 van deze Machtigingsrichtlijn geldt. Op grond hiervan kunnen alleen bepaalde administratiekosten worden doorberekend en moeten deze aan de onderneming worden opgelegd volgens objectieve, transparante en evenredige verdeling (Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, nr. 12/00627, ECLI:NL:GHARL:2013:4677). Omdat tegen de hofuitspraak beroep in cassatie is ingesteld, hebben wij vooralsnog dit hoofdstuk in titel 1 gehandhaafd. Gemeenten doen er wel verstandig aan een goede baten-lastenraming op hoofdstukniveau te hebben en wat dit hoofdstuk betreft geen meer dan kostendekkende tarieven te stellen. Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden. Zie Ledenbrief 04/26 - Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom (29 maart 2004). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (bekendmaking via nieuwsbericht op www.vng.nl, beleidsveld Ruimte). In deze richtlijn is onder meer een beheerkostenvergoeding geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, ongeacht of de uitvoering van dit herstel is gedaan door de telecomaanbieder of de gemeente. Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn: - toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel; - toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel; - monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode; - administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn gebracht; - eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden. De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van het instemmingbesluit leges worden geheven, vallen niet onder de berekening van de beheerkosten in deze richtlijn. De berekening van de beheerkosten is gebaseerd op een strikte scheiding van werkzaamheden die onder de leges vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen. De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en cementbeton, grootschalige en kleinschalige verhardingselementen, gefundeerde verharding, plantsoenen en bomen. Dit betekent dat hiervoor geen tarieven zijn opgenomen in de richtlijn. Over een en ander dienen tussen de gemeente en de aanbieder op projectniveau, of indien mogelijk generiek, afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd met de tariefbepaling in de legesverordening. Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de leges te worden verdisconteerd. De kosten van de volgende activiteiten zouden onder de legesheffing kunnen worden gebracht: - overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de werkzaamheden; - opstellen (verkeerskundige) adviezen; - (technisch) beoordelen van het werk; - beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen; - eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de bereikte overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager; - onderzoek naar de status van het werk; - aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse) infrastructuur; - indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en leidingen, verstrekken gegevens aan de aanvrager, beoordelen van het grondgebruik, afstemming met andere kabel- en leidingbeheerders, maken van revisietekeningen en updaten van digitale of analoge bestanden; - coördinatie en afstemming met overige werken in de openbare ruimte; - beoordelen en sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke bereikbaarheid; - publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten; - administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten (vergaderkosten, reiskosten, personele kosten, kosten van bijhouden van (geautomatiseerde) bestanden, uitwerken alternatieve plannen e.d.). In onderdeel 1.17.1 hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt vermeerderd met een bedrag per strekkende meter sleuflengte. Meer sleuflengte betekent meer meters kabels of leidingen, wat de complexiteit van de coördinatie zal verhogen. Er is geen tariefonderscheid gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak (tegel-, klinker- en sierbestratingen, gesloten verhardingen) en onverhard oppervlak (bermen, groenstroken en dergelijke). Het tarief van onderdeel 1.17.1 kan eventueel ook worden gedifferentieerd naar gebied waarbinnen de graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Deze differentiatie gaat ervan uit dat in bijvoorbeeld het centrum de coördinerende taak meer kosten oproept, dan wel dat de kosten toenemen naarmate het graaftraject groter is. Onderdeel 1.17.1.1 ziet op de gevallen dat er andere beheerders van het openbaar gebied in het geding zijn. Onderdeel 1.17.1.2 heeft betrekking op de incidentele gevallen dat een nader onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt. Voor de mededeling van deze, bij het indienen van de melding vaak nog onbekende kosten, hebben wij gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden gesteld van deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Onderdeel 1.17.2 voorziet daarin. De Hoge Raad heeft de begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de meerdaagse bedenktijd in de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot onverbindendheid. In voorkomend geval kan de belastingplichtige de heffing bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken. Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer Onderdeel 1.18.1.1 Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990, Stb. 459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in een aantal in artikel 87 genoemde artikelen. Het college van burgemeester en wethouders, de door hem ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente, is het bevoegde gezag voor het verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het waterschap (artikel 1, onder h, RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994). Onderdeel 1.18.1.1 heeft betrekking op de hiervoor genoemde ontheffingen. Daarbij kan gedacht worden aan ontheffingen die worden verleend bij wielerwedstrijden of straatfeesten. Onderdeel 1.18.1.2 De Dienst voor het wegverkeer (RDW) is sinds 1 januari 2006 bevoegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag en de afgifte van een ontheffing voor exceptionele transporten voor alle wegbeheerders in heel Nederland (artikel 149a, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten (Stb. 2005, 438). Op grond van artikel 9.1 van de Regeling voertuigen (Stcrt. Suppl. 2009, 81) kan het bevoegde gezag echter ontheffing verlenen voor bijzondere transporten van ongekentekende voertuigen, zoals landbouwvoertuigen (vóór 1 mei 2009 was die bevoegdheid gebaseerd op artikel 7.1 van het Voertuigreglement, dat per die datum is vervallen; Stb. 2009, 184). De ontheffingsbevoegdheid betreft de ontheffing van bepalingen en voorwaarden waaraan een voertuig moet voldoen om daarmee te mogen rijden. De ontheffingen kunnen niet alleen betrekking hebben op wegen gelegen binnen, maar ook op wegen buiten de bebouwde kom. Aanvragen voor ontheffingen voor ongekentekende voertuigen kunnen bij de gemeente worden ingediend als zij wegbeheerder is (zie bij onderdeel 1.18.1). Artikel 9.4, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat het bevoegde gezag tarieven kan vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing. Onderdeel 1.18.1.2 voorziet hierin. Artikel 9.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen bepaalt verder dat het bevoegde gezag kan bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager. Het spreekt voor zich dat een dergelijke bepaling niet voorbehouden behoeft te blijven aan de ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen. Wij hebben - gelet op de hoogte van de tarieven - alleen bij de omgevingsvergunningen voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten teruggaafbepalingen wenselijk geoordeeld (zie hoofdstuk 5 van titel 2 van de tarieventabel). De gemeentelijke wegbeheerder kan haar ontheffingsbevoegdheid mandateren aan de RDW (die dan dus het gemeentelijk tarief moet hanteren). Als de ontheffingverlening is gemandateerd aan de RDW, moet ook de heffing van de leges via mandaatverlening (door de heffingsambtenaar) worden geregeld. De heffingsbevoegdheden kunnen daarbij bijvoorbeeld worden beperkt tot het vaststellen van het verschuldigde bedrag. De invordering (in eerste aanleg) kan door middel van een machtiging aan de directeur van de RDW worden opgedragen (door de invorderingsambtenaar). Onderdeel 1.18.1.5 Onderdeel 1.18.1.5 heeft betrekking op het verstrekken van gehandicaptenparkeerkaarten en het aanleggen van gehandicaptenparkeerplaatsen. Op grond van artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen door de raad of, krachtens besluit van de raad, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt. Onderdeel 1.18.1.8 Tot 2006 werden de kosten voor het treffen van voorzieningen (het trekken van strepen en het plaatsen van een bord) door middel van een factuur in rekening gebracht door de afdeling financiën. Vanwege meer efficiency is deze dienstverlening thans in de legesverordening geregeld. Het tarief betreft het aanleggen en (te zijner tijd) weghalen van de gehandicaptenparkeerplaats. Voor een gehandicaptenparkeerplaats hoeft men niet meer apart gekeurd te worden; de keuring heeft al plaatsgevonden bij de aanvraag voor de gehandicaptenparkeerkaart. De kosten van het aanleggen van een gehandicaptenparkeerplaats blijken in de praktijk veel hoger te liggen dan tot nu toe werd aangenomen (€ 385.-). Voorgesteld wordt om dit bedrag op te nemen in de tarieventabel. Onderdeel 1.18.2 Weesp heeft de ontheffingen om gevaarlijke stoffen te vervoeren op niet aangewezen routes gemandateerd aan de brandweer. De ontheffingen moeten gepubliceerd worden. De verschuldigde leges brengen wij in rekening. Hoofdstuk 20 Diversen In onderdeel 1.20.1 zijn tarieven opgenomen worden voor vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen die op grond van bepalingen in gemeentelijke verordeningen worden verleend. De daarvoor in rekening te brengen leges spreken in het algemeen voor zich. De volgende toelichting kan gegeven worden. 1.20.1.3 Woonarken Het komt geregeld voor dat op grond van de Apv een ontheffing wordt gevraagd voor de vervanging of verbouwing van een woonark. Bij dergelijke aanvragen zijn de verschuldigde leges onder andere afhankelijk van de ligging van de arken. Bij een deel van de arken is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding. Voor deze arken is een zwaardere procedure vereist dan voor de arken die al zijn opgenomen in een bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanprocedures moet ook nog getoetst worden op bouwkundige niveau. Hoewel de zwaarte van de procedure niet te vergelijken is met de aanvragen voor bouwvergunningen die wel binnen de Woningwet vallen is de desbetreffende afdeling toch de nodige tijd kwijt aan de bouwkundige beoordelingen. Vaak is daarbij overleg nodig of het voeren van correspondentie. De tijd die hier aan besteed wordt is gemiddeld voor elke aanvraag gelijk, dus ongeacht de hoogte van de (ver)bouwsom. Met genoemd tarief zijn onze kosten voldoende gedekt. 1.20.2 Afschriften van stukken Deze tarieven hebben betrekking op het verstrekken van stukken door ambtenaren uit het archief (facilitaire zaken) . Vanaf 1998 is een tarief opgenomen voor het plotten van kaartmateriaal en vanaf het jaar 2000 de kosten van het afdrukken van digitaal kaartmateriaal. Onder tabelnummer 1.20.2.12 is een tarief opgenomen voor het verstrekken van afschriften van tekeningen, kaarten en lichtdrukken van een groter formaat dan A3. Het betreft het in afschrift verstrekken van stukken uit het archief, voornamelijk bouwtekeningen. Het kopiëren van deze geschriften is uitbesteed aan een particuliere instelling. Het ontbreekt ons aan capaciteit en aan de juiste apparatuur. De leges zijn aangepast aan de kostprijs, vermeerderd met 25% wegens onze bemoeienis, zoals het wegbrengen en vouwen van het materiaal. Alle afschriften worden standaard in A0 formaat gekopieerd. 1.20.4 Opteren/naturaliseren Nederlanderschap Het in behandeling nemen van een naturalisatieverzoek is per 1 januari 1996 overgedragen aan de gemeente. De tarieven worden vastgesteld door het Ministerie van Justitie en de gemeente mag daarvan niet afwijken. De tarieven zijn niet integraal in deze verordening opgenomen. De reden is dat de tarieven veelvuldig wijzigen, waardoor wij vaak achter de feiten aanlopen en inkomsten derven. Vanaf 26 juni 2003 (besluit van de raad) wordt daarom in de tarieventabel verwezen naar de wettelijke regeling. 1.20.5 Uitstel tot begraven Ingevolge artikel 17 van de Wet op de lijkbezorging kan de burgemeester voor de begraving of verbranding van een lijk een andere termijn stellen. Het komt geregeld voor dat begrafenisondernemers door uiteenlopende oorzaken een beroep hierop doen. 1.20.6 Stroomvoorziening/aansluitkosten Op plaatsen waar gemeentelijke stroomkasten aanwezig zijn, kan de gemeente stroom leveren. Het aantal gebeurtenissen waarbij de gemeente om stroomlevering wordt gevraagd neemt toe evenals het stroomverbruik. Naast het faciliteren van stroom worden ook door de gemeente kosten gemaakt. Te denken valt aan: - de kosten van controles en onderhoud aan de elektrische installaties; - de kosten van uren verbonden aan de voor- en eindbeschouwingen voor het daadwerkelijk leveren van de stroom; - de kosten verbonden aan de administratie en het in rekening van de leges. Het is de bedoeling dat de tarieven zodanig zijn, dat deze de directe kosten voor stroomlevering kan dekken, wat inhoudt dat er een onderbouwde inschatting van kosten en baten voor een reële prijs per te leveren kWh is gemaakt. Ter beperking van administratieve handelingen worden de kleine stroomgebruiken (tot 10 kWh) vrijgesteld van kosten. Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning Algemene opmerkingen bij Titel 2 In deze titel zijn de diensten opgenomen die invloed hebben op de fysieke leefomgeving en plaatsgebonden zijn. Aanleiding is de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo; Stb. 2008, 496), die de omgevingsvergunning regelt, en de daarbij horende invoeringswet. Wij hebben in deze titel zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het door SGBO ontwikkelde Model hoogte leges omgevingsvergunning, dat eind 2006 door het ministerie van VROM is gepubliceerd (zie omgevingsvergunning.vrom.nl). Dat model bouwt voort op het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004, dat wij in hoofdstuk 5 (bouwgerelateerde leges) van de oude tarieventabel hadden verwerkt. In artikel 5, tweede lid, van de legesverordening hebben wij een tariefbepaling opgenomen voor projectuitvoeringsbesluiten in het kader van de Crisis- en herstelwet. Kruissubsidiëring en profijtbeginsel Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. In het kader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten heeft de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet er bij de omgevingsvergunning van uitgaat ‘dat de totale legesomvang voor deze vergunning niet de totale kosten van verlening van deze vergunning mag overschrijden’ (Kamerstukken II 2005- 2006, 29515, nr. 140, pag. 26). Kruissubsidiëring bij de Wabo heeft ook de bijzondere aandacht van de Tweede Kamer (Handelingen II 2008–2009, 31953, nr. 24, pag. 27). Het verdient daarom aanbeveling kruissubsidiëring of toepassing van het profijtbeginsel binnen de kolom van de omgevingsvergunning te houden. Dit uitgangspunt is ook gehanteerd in het Model hoogte leges omgevingsvergunning (paragraaf 1.3, uitgangspunt 3). Wij tekenen hierbij nog aan dat weliswaar sprake is van een wens van de wetgever, die wij door plaatsing in een aparte titel hebben ondersteund, maar dat dit onverlet laat dat kruissubsidiëring tussen titel 1 en titel 2 wettelijk niet verboden is. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494, waarin het hof oordeelt dat er voor de toets aan de opbrengstlimiet geen strengere eisen zijn gaan gelden door de komst van de Wabo. Alleen bij de vergunningstelsels genoemd in titel 3 van de tarieventabel kan door werking van de Europese dienstenrichtlijn geen kruissubsidiëring plaatsvinden in die zin dat de tarieven in titel 3 per hoofdstuk meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van andere, niet-kostendekkende tarieven in de verordening. Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet blijven de op basis van alle vastgestelde tarieven totaal geraamde baten en lasten van belang (toets op verordeningenniveau). Transparantie van de legesheffing (artikel 2.9, derde lid, Wabo) Artikel 2.9, derde lid, van de Wabo bepaalt dat de minister van VROM bij algemene maatregel van bestuur regels kan stellen over de berekening en de bedragen van de leges. Dit lid is er door een amendement ingekomen. De VNG, IPO, BZK en VROM (nu: I&M) hebben afspraken gemaakt over transparantie (uitvoering motie; Kamerstukken II 2007/2008, 30844, nr. 33). Deze zijn vastgelegd in de Handreiking tarieven leges omgevingsvergunningen, die op de website van de VNG en van BZK is te vinden. Een uniforme berekeningswijze maakt de tarieven transparanter en beter vergelijkbaar. Het is de bedoeling dat gemeenten deze handreiking volgen ten behoeve van de tariefstellingen in hun legesverordening. Voor de minister van I&M bestaat er dan naar onze inschatting geen aanleiding bij algemene maatregel van bestuur regels voor de leges te stellen. Opschorten invorderingsbevoegdheid bij verouderd bestemmingsplan (artikel 3.1, vierde lid, Wro) De financiële prikkel die in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) aan gemeenten is gegeven (opgelegd) om bestemmingsplannen actueel te houden, is door de komst van de Wabo niet gewijzigd (artikel 3.1, vierde lid, Wro). Als een bestemmingsplan meer dan tien jaar oud is, vervalt de bevoegdheid om de leges in te vorderen voor omgevingsvergunningen en dergelijke die verband houden met dat bestemmingsplan. In feite komt dat neer op het niet meer kunnen heffen van leges voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het geldende overgangsrecht (tot 1 juli 2013) is niet gewijzigd. Gedurende de overgangsperiode kan de gemeente toch leges heffen als de dienstverlening een relatie heeft met het verouderde bestemmingsplan. Opschorting invorderingsbevoegdheid bij omgevingsvergunning (voorheen: projectbesluit) De Crisis- en herstelwet (CHW) heeft de bepalingen in de Wro en de Wabo over het opschorten van de invorderingsbevoegdheid gewijzigd. Tot 31 maart 2010 gold een opschorting van de invorderingsbevoegdheid als een projectbesluit waarbij van het bestemmingsplan of de beheersverordening werd afgeweken, niet tijdig in het bestemmingsplan of de beheersverordening werd ingepast (artikelen 3.13 en 3.40 Wro; artikel 2.9 en nieuw 2.9a Wabo). Dat moest binnen het jaar gebeuren. Na 18 maanden verviel zelfs de invorderingsbevoegdheid. Die regeling is sinds 31 maart 2010 anders: De bevoegdheid tot het invorderen van leges wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het projectbesluit, onderscheidenlijk de omgevingsvergunning langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. De bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld. Hierbij wordt gedoeld op de digitale raadpleegbaarheid van planologische besluitvorming. De materiële inhoud van de omgevingsvergunning (voorheen: het projectbesluit) zal daarom op zodanige wijze elektronisch beschikbaar moeten worden gesteld dat deze door een ieder kan worden geraadpleegd als hij het elektronisch bestemmingsplan raadpleegt (de gemeente heeft sinds 1 januari 2010 de verplichting om de inhoud van (ruimtelijke) visies, plannen, besluiten en verordeningen in elektronische vorm vast te leggen en in die vorm vast te stellen. Voor de digitale vormgeving van deze ruimtelijke instrumenten is een pakket (digitale) standaarden ontwikkeld, dat is verankerd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008.) In verband met bovenstaande opschortingsregeling, verdient het aanbeveling met het opleggen van nota’s of aanslagen te wachten totdat genoemde elektronische beschikbaarstelling heeft plaatsgevonden (binnen twee maanden; anders vervalt de invorderingsbevoegdheid). Als sprake is van leges voor dienstverlening met betrekking tot een reconstructieplan als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden geldt de volgende (oude) opschortingsregeling: de bevoegdheid om leges in te vorderen wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan of de beheersverordening is vastgesteld overeenkomstig het reconstructieplan. Dat moet binnen één jaar gebeuren. De invorderingsbevoegdheid vervalt indien het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening niet binnen zes maanden na het verstrijken van die jaartermijn is vastgesteld (artikel 3.9a CHW; nieuw artikel 27a Reconstructiewet concentratiegebieden). Zekerheidsstelling Als voor de versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis (afdeling 7 CHW) de gemeenteraad een omgevingsvergunning verleent waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.