Sociaal beleidskader Den Haag 2011 (m.i.v. 1 januari 2014) en wijzigingsbesluit SBK per 1 januari 2014HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS, Overwegende: De gemeente, geconfronteerd met de doorwerking van de economische crisis, staat voor de opgave om bezuinigingen in het ambtelijke apparaat door te voeren. Dit noodzaakt tot aanpassing van de inrichting en de formatieve omvang van diverse onderdelen van de organisatie. Het realiseren van deze aanpassingen vergt een flexibele, moderne werkwijze. Aan de ene kant dient deze de organisatie in staat te stellen om dynamisch te kunnen inspelen op interne en externe ontwikkelingen, waarbij de procedurele aanpak kan verschillen al naar gelang de situatie, in samenspraak met de medezeggenschap. Aan de andere kant dient deze werkwijze te voorzien in waarborgen voor individuele medewerkers die hun functie in het gedrang zien komen door de veranderingen. Elke medewerker is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn of haar duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief. De gemeente wil als goed werkgever en in aansluiting op het strategisch personeelsbeleid de medewerkers ondersteunen met behulp van een samenstel van voorzieningen, gericht op ontwikkeling, mobiliteit en flexibele inzet. De instelling van een centraal bureau dat de matching van medewerkers en vacante functies ondersteunt, maakt hiervan onderdeel uit. Doelstelling is dat de gemeente en de mobiele medewerker gezamenlijk een traject van werk naar werk realiseren, zo mogelijk al vooruitlopend op de implementatie van de organisatorische veranderingen. Dit vergt het maken van nieuwe, gemeentebrede afspraken over de vormgeving van veranderingsprocessen en het sociaal flankerend beleid, zoals vastgelegd in deze regeling, in samenhang met het gemeentelijke beleid met betrekking tot fasegewijs (re)organiseren en bemiddeling van werk naar werk; Gelet op artikel 8:3, artikel 8:3:1, hoofdstuk 10d en artikel 12.1.5 van de ARG; In overeenstemming met de commissie voor georganiseerd overleg; Besluit: Deze regeling behelst het reorganisatieplan en de procedureregels voor reorganisaties, bedoeld in de artikelen 8:3 ARG en 12:1:5 ARG. Met de vaststelling van deze regeling vervalt de noodzaak c.q. ruimte om per reorganisatie binnen de gemeente een sociaal plan en procedureregels op te stellen. Hiermee is de procedure van reorganiseren binnen de gemeente uniform geregeld. De redenen om een nieuw sociaal beleidskader tot stand te brengen zijn met name: het introduceren van een methodiek om organisatieveranderingen fasegewijs door te voeren, waarbij flexibiliteit en maatwerk voorop staan (ze bijlage); het scheppen van een concernbreed kader, bindend voor alle diensten (geen modelprotocol meer), in aansluiting op het wettelijke systeem van medezeggenschap en de landelijke aanpak van re integratie na reorganisatie (hoofdstuk 10d ARG / CAR-UWO); het scheppen van kansen voor medewerkers door middel van de introductie van flankerende voorzieningen voor organisatiefasen 1 en 2. Deze regeling vervangt het Sociaal beleidskader 2008 en de Regeling Adviescommissie Reorganisaties. De regeling is bindend voor alle diensten van de gemeente. De artikelsgewijze toelichting en bijlage(
(2)trainees, ligt het in de rede om deze groepen zoveel mogelijk gelijk te behandelen. Daarom wordt in dit artikel het toepassingsbereik van de regeling ten behoeve van deze groep uitgebreid. Dit houdt in dat de bepalingen over de plaatsingsprocedure bij reorganisatie en vrijwillige mobiliteit ook betrekking hebben op deze categorieën tijdelijk personeel. Gelet op het tijdelijke karakter van de aanstelling zal in de regel niet zijn voldaan aan de ondergrens (dienstverband van ten minste twee jaar) om in aanmerking te komen voor een re-integratiefase. De aanspraken van deze groepen tijdelijk personeel eindigen daarom op de vastgelegde einddatum van de tijdelijke aanstelling. Een eventuele re-integratiefase duurt niet voort na de einddatum van de tijdelijke aanstelling. Voor de aanstelling in tijdelijke dienst “bij wijze van proef” geldt voorts dat opheffing van de vervulde functie of de aanmerking als boventallige medewerker een valide reden is om geen aanstelling in vaste dienst te verlenen. Artikel8.2Tussentijds ontslag uit tijdelijke dienst [artikel geschrapt m.i.v. 1 januari 2014 zie toegevoegde wijzigingsbesluit] Paragraaf9Commissies Artikel9.1Adviescommissie reorganisatie 1.Het college stelt een adviescommissie in ten behoeve van reorganisaties in de zin van deze regeling. 2.De adviescommissie heeft tot taak desgevraagd te adviseren: aan het diensthoofd over de zienswijze van een ambtenaar ten aanzien van het plaatsingsplan of het re-integratieplan; over de geschiktheid van een re-integratiekandidaat voor een functie; over de naleving van tussen het diensthoofd en een re-integratiekandidaat gemaakte afspraken in het kader van het re-integratieplan; over de naleving van andere met de reorganisatie en plaatsing samenhangende afspraken tussen het diensthoofd en een re-integratiekandidaat; over de toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot flankerende voorzieningen. 3.De adviescommissie kan niet de taak van een commissie als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, of in artikel 9.2 vervullen. 4.Een verzoek om advies van de commissie over een aangelegenheid als bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met e, kan worden gedaan door de betrokken ambtenaar of het diensthoofd. 5.De commissie bestaat uit: een vaste, onafhankelijk voorzitter, aan te wijzen door het college in overleg met de commissie voor georganiseerd overleg, een personeelsfunctionaris van het betrokken organisatieonderdeel, aan te wijzen door het diensthoofd en een lid, aan te wijzen door het diensthoofd op voordracht van het betrokken medezeggenschapsorgaan. Voor elk lid kan een plaatsvervanger worden benoemd. 6.De voorzitter ontvangt een vergoeding per vergadering, bestaande uit: vacatiegeld ten bedrage van 130 procent maal 3 procent van het maximumsalaris in salarisschaal 12, afgerond op een heel bedrag en een vergoeding voor reis- en verblijfskosten, berekend op de voet van de gemeentelijke regeling met betrekking tot verplaatsingskosten. 7.De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijke secretaris. 8.De commissie kan belanghebbenden en bij de voorbereiding en de uitvoering van de reorganisatie betrokken ambtenaren horen. 9.Het diensthoofd verschaft desgevraagd alle verlangde inlichtingen aan de commissie. 10.De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar. 11.De commissie brengt schriftelijk advies uit binnen twee weken na de adviesaanvraag. 12.Als de reorganisatie meerdere diensten omvat, worden de taken van het diensthoofd, bedoeld in de vorige leden, uitgeoefend door de diensthoofden van de betrokken diensten gezamenlijk. De commissie bestaat in dat geval uit een personeelsfunctionaris van elke betrokken dienst en een lid op voordracht van de centrale ondernemingsraad. De bestaande regeling met betrekking tot de Adviescommissie reorganisatie is verwerkt in dit artikel. Toegevoegd is de advisering over toepassing van de hardheidsclausule. De taken van deze commissie richten zich op de relatie tussen het diensthoofd en de ambtenaar. Hieronder valt ook het vragen om advies over eventuele consequenties van het verrichten van tijdelijke werkzaamheden voor de duur van de re-integratiefase. Artikel9.2Toetsingscommissie vacatures 1.Het college stelt een toetsingscommissie in ten behoeve van de openstelling en vervulling van vacatures. 2.De commissie heeft de volgende taken: beslissen over het openstellen van een vacature binnen de gemeente voor externe werving; adviseren over het al dan niet plaatsen van een re-integratiekandidaat of een ambtenaar in een aangewezen functiegroep als bedoeld in paragraaf 3 in een bepaalde functie binnen de gemeente, in de situatie dat de bij de plaatsing betrokken diensthoofden niet tot overeenstemming komen; toetsen van de wijze van vervulling van vacatures binnen de gemeente, gelet op de gemeentelijke regels en het beleid dienaangaande; periodiek rapporteren aan het college van burgemeester en wethouders en aan de gezamenlijke diensthoofden over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de taken van de commissie en de bevindingen van de commissie. 3.Het advies, bedoeld in het tweede lid, onder b, is bindend voor de betrokken diensthoofden. 4.De adviescommissie kan niet de taak van een adviescommissie als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, of in artikel 9.1 vervullen. 5.De commissie bestaat uit twee diensthoofden en twee plaatsvervangers, aan te wijzen door de gezamenlijke diensthoofden, en de directeur Personeelszaken, Organisatie en Informatievoorziening. Als een lid rechtstreeks is betrokken bij een door de commissie in behandeling genomen kwestie, treedt diens plaatsvervanger voor hem in de plaats. 6.De directeur Personeelszaken, Organisatie en Informatievoorziening regelt de ondersteuning van de commissie. 7.De commissie ontvangt van het mobiliteitsbureau, bedoeld in artikel 7.1, periodiek een rapportage over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de taken van het bureau en de wijze van vervulling van vacatures binnen de gemeente. 8.De commissie kan belanghebbenden horen en inlichtingen inwinnen. 9.De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar. De taken van deze commissie richten zich op de juiste toepassing van de regels en het beleid met betrekking tot de vervulling van vacatures. Meer specifiek bepaalt de commissie of een vacature mag worden vrijgegeven voor externe werving en toetst het of vacatures worden vervuld in overeenstemming met de gemeentelijke regels. Daarnaast heeft de commissie een adviserende taak als twee diensthoofden van mening verschillen over de plaatsing van een mobiele medewerker van een dienst bij een andere dienst. Dit advies is bindend. De commissie voert de toetsende taken uit aan de hand van informatie die door het mobiliteitsbureau periodiek wordt aangeleverd. De gezamenlijke diensthoofden wijzen uit hun midden twee leden van de commissie aan, en twee plaatsvervangende leden. Als een diensthoofd zelf rechtstreeks is betrokken bij een kwestie die door de commissie in behandeling wordt genomen, treedt diens plaatsvervanger voor hem in de plaats. Het is dus van belang dat de plaatsvervangers uit andere diensten komen. De commissie rapporteert over de werkzaamheden en bevindingen aan het overleg van de gemeentelijke diensthoofden en aan het college. Paragraaf10Overige bepalingen Artikel10.1Volgorde bij vacaturevervulling 1.Vervulling van vacante functies binnen de gemeente vindt plaats overeenkomstig onderstaande volgorde: openstelling van de vacante functie binnen de eigen dienst, waarbij re-integratiekandidaten respectievelijk ambtenaren in aangewezen functiegroepen als bedoeld in paragraaf 3, die ressorteren onder het diensthoofd van de dienst waarbinnen zich de vacature voordoet, als eerste in aanmerking komen voor plaatsing; openstelling van de vacante functie binnen de gemeente, waarbij re-integratiekandidaten respectievelijk ambtenaren in aangewezen functiegroepen als bedoeld in paragraaf 3 als eerste in aanmerking komen voor plaatsing; openstelling van de vacante functie voor sollicitanten zonder een aanstelling bij de gemeente, met inachtneming van artikel 9.2, tweede lid, onderdeel a. 2.Het diensthoofd kan besluiten om de openstelling, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, gelijktijdig te laten plaatsvinden, waarbij de voorrangspositie van de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt gelijkgesteld met die van de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b. 3.De voorrangspositie, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend bij geschiktheid van de desbetreffende kandidaat voor de functie. 4.Als bij toepassing van het eerste lid er meerdere geschikte kandidaten zijn met een gelijke voorrangspositie, kan het diensthoofd de naar zijn oordeel meeste geschikte kandidaat plaatsen. Gemeentebreed geldt een afspraak over de in acht te nemen volgorde van kandidaten bij de vervulling van vacatures. Deze is in dit artikel vervat. Ook geeft dit artikel invulling aan artikel 2:4:2 van de ARG. Met name aan medewerkers die noodgedwongen mobiel zijn of vrijwillig mobiel zijn vanwege reorganisatie, is een voorrangspositie in de volgorde toegekend. Een voorrangspositie geldt uitsluitend als de desbetreffende kandidaat geschikt is voor de functie en vervalt na plaatsing in een functie. Artikel10.2Toetsing en evaluatie van de regeling en uitvoering De uitvoering van deze regeling wordt ten minste tweemaal per jaar op hoofdlijnen besproken met de commissie voor georganiseerd overleg, aan de hand van voorafgaand door de directeur Personeelszaken, Organisatie en Informatievoorziening aangeleverde schriftelijke gegevens. De uitvoering van deze regeling wordt periodiek gemonitord en geëvalueerd in het periodieke overleg met de commissie voor georganiseerd overleg. Het gaat daarbij met name om de consistente toepassing van de regels en het fasegewijs (re)organiseren binnen de gemeente, het aantal re-integratiekandidaten, plaatsingen en uitstroom, en het effect van de toepassing van flankerende voorzieningen en de hardheidsclausule. De hiervoor benodigde kwantitatieve informatie wordt door tussenkomst van de directeur POI aan de commissie aangeleverd. Evaluatie van afzonderlijke reorganisaties is voorbehouden aan het overleg van de desbetreffende bestuurder met het betrokken medezeggenschapsorgaan. Artikel10.3Overgangsrecht Reorganisaties die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling worden op de voet van het voorgaande sociaal beleidskader afgewikkeld, tenzij het diensthoofd na positief advies van het betrokken medezeggenschapsorgaan anders besluit. Dit artikel regelt het overgangsrecht voor lopende reorganisaties. Deze worden in beginsel op de voet van het voorgaande beleidskader (Sociaal beleidskader 2008) afgewikkeld. Van een lopende reorganisatie zal in de regel sprake zijn als het plan van aanpak is vastgesteld. Er is voorzien in de mogelijkheid om de onderhavige regeling geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren op een lopende reorganisatie; dit vergt een voorafgaand positief advies van de (C)OR. Artikel10.4Intrekking van regelingen De volgende regelingen worden ingetrokken, onverminderd artikel 10.3: Sociaal beleidskader 2008, met inbegrip van hierop gebaseerde dienstprotocollen; Regeling Adviescommissie Reorganisatie. Dit artikel regelt de intrekking van het huidige SBK. Aangezien de aparte Regeling Adviescommissie Reorganisatie nu is geïncorporeerd, kan deze vervallen. Artikel10.5Inwerkingtreding en overgangsrecht 1.Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 maart 2011, met dien verstande dat artikel 6.8 terugwerkt tot en met 1 januari
- 2.Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari
- Dit artikel regelt de datum van inwerkingtreding en de looptijd van de regeling. Om redenen van rechtszekerheid is voorzien in gedeeltelijke terugwerkende kracht. Artikel10.6Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Sociaal beleidskader Den Haag
- Dit artikel geeft aan hoe de regeling kan worden geciteerd. Het college van burgemeester en wethouders. de secretarismw. A.W.H.Bertramde burgemeesterJ.J. vanAartsenBijlage bij het Sociaal beleidskader Den Haag 2011 Fasegewijs (re)organiseren
- InleidingDeze bijlage maakt onderdeel uit van het Sociaal beleidskader Den Haag
- Het behelst het beleid met betrekking tot het doorvoeren van organisatorische veranderingen binnen het gemeentelijke ambtelijke apparaat. Zoals in de aanhef van de regeling is verwoord, is het doel van dit beleid het flexibiliseren en moderniseren van organisatieveranderingen. Uitgangspunt hierbij is de mobiliteit en flexibele inzet van medewerkers binnen de gehele gemeente, waarbij de medewerker primair verantwoordelijk is voor zijn duurzame inzetbaarheid en daarbij wordt gefaciliteerd door de gemeente. Dit sluit aan op het strategische personeelsbeleid van de gemeente en op de wijze waarop in de sector Rijk wordt omgegaan met reorganisatieprocessen.
- Doelstelling en achtergrondenMet de systematiek van fasegewijs (re)organiseren, zoals hierna beschreven, is niet bedoeld een totaal nieuwe manier van (re)organiseren te introduceren. De beschrijving omvat de bestaande praktijk in al zijn varianten. En het biedt de mogelijkheid om verschillende deelpakketten van sociaal flankerend beleid aan verschillende groepen medewerkers beschikbaar te stellen, mede om zo het aanwijzen van re-integratiekandidaten te voorkomen. Onder fasegewijs (re)organiseren wordt het volgende verstaan. Elke situatie waarin (de ontwikkeling van) een organisatie zich kan bevinden valt in te delen in één van de drie te onderscheiden organisatiefasen. De beschrijving van de verschillende organisatiefasen en de mogelijkheden en onmogelijkheden die daarbij horen, zijn altijd van belang. Een en ander is echter niet bedoeld als een systeem dat gebruikt moet worden als er iets in de organisatie moet veranderen. Het is een beschrijving van de bestaande situatie, opgeknipt in drie op zichzelf staande delen, van de mogelijkheden om tot aanpassing van de organisatie te komen bij elk van die drie delen en van de rol van de medezeggenschap en het georganiseerd overleg. In organisatiefase 0, en deels ook in organisatiefase 1, wordt zelfs geen hard onderscheid gemaakt tussen organiseren en reorganiseren. Vooral de schaal waarop en het tempo waarin veranderingen worden doorgevoerd, maakt organiseren tot reorganiseren. Kleine veranderingen kunnen voortdurend plaatsvinden; vele kleine veranderingen kunnen samen een grote verandering vormen. De praktijk verschuift van in één keer groot reorganiseren naar geleidelijk (dynamisch) organiseren. Hierin schuilen mogelijkheden en gevaren. Mogelijkheden om grote, moeilijk stuurbare, veranderingen te voorkomen en via kleine minder ingrijpende stappen tot een zelfde resultaat te komen, mogelijkheden om flexibeler te zijn, sneller te kunnen inspelen op omstandigheden en gemakkelijker tussentijds te kunnen bijsturen, mogelijkheden om te experimenteren en niet vooraf alles te hoeven vastzetten, mogelijkheden om medewerkers meer kans te geven om zich tijdig en op basis van eigen initiatief aan te passen aan veranderende omstandigheden. En gevaren als de koers voor de lange termijn onvoldoende wordt uitgezet en vastgehouden, gevaren als beschermende mechanismen niet meer werken, en gevaren als het evenwicht tussen flexibiliteit en veiligheid in gevaar zou komen. In dit beleid wordt het evenwicht tussen mogelijkheden en gevaren bewaard door het bereik te beperken tot (re)organiseren op zich en daaraan in dit stadium geen andere ontwikkelingen, zoals het invoeren van een nieuw functiehuis, te koppelen en door uitwerking van het beleid binnen de bestaande rechtspositionele kaders. De fasetypering luidt: organisatiefase 0, 1 en
- Dit wijkt af van de typering in de rijksdienst.
- Organisatiefase 0In organisatiefase 0 is een organisatie in formatieve ‘rust’. Dat wil niet zeggen dat er niets kan veranderen. Veranderen is in dit stadium echter geen specifiek doel van de organisatie. In deze fase kunnen zich regelmatige aanpassingen van de organisatie aan de gewijzigde vraag vanuit de omgeving respectievelijk verandering van werkwijze voordoen, waarbij geen sprake is van krimp in de formatie. Deze wijzigingen verlopen niet schoksgewijs maar geleidelijk en hebben geen personele gevolgen. Kernvraag in organisatiefase 0 is of eventuele veranderingen consequenties hebben voor de rechtspositie van de zittende medewerkers. Het is moeilijk om een harde grens aan te geven. Het wijzigen van de ophanging van een afdeling binnen een directie is een organisatieverandering maar hoeft geen directe, ingrijpende consequenties te hebben voor de rechtspositie van de medewerkers binnen die afdeling. Een uitbreiding van de formatie sec hoeft ook geen rechtspositionele gevolgen te hebben voor de medewerkers binnen het organisatieonderdeel. Dit zijn organisatiewijzigingen in organisatiefase
- Evenals samenvoeging of splitsing van teams of directies, of overhevelingen binnen of tussen directies of de introductie van nieuwe functies. Dit kan zich allemaal in organisatiefase 0 voordoen, mits de onderscheiden groepen functies als geheel kwalitatief en kwantitatief in stand blijven en geen individuele functiewijzigingen aan de orde zijn. Zo is het introduceren van nieuwe functies niet mogelijk als deze in de plaats komen van bestaande functies die nog bezet zijn. Als een formatieplaats vrijkomt, is het wel mogelijk deze anders in te vullen, bijvoorbeeld door verschuiving naar een andere bestaande functie of introductie van een nieuwe functie die op vergelijkbare taken gericht is. Zodra sprake is van meerdere individuele functiewijzigingen kan er geen sprake meer zijn van organisatiefase
- Bijvoorbeeld als er meerdere functies worden opgeheven (de opheffing van één functie valt buiten het bereik van de regeling) of als de formatie wordt verminderd waardoor medewerkers dreigen boventallig te worden. Dynamisch aanpassen en vernieuwen is dus mogelijk. Op grote schaal structurele wijzigingen doorvoeren hoort niet thuis in organisatiefase
- Wat wel en niet mogelijk is, moet aan de hand van de concrete omstandigheden per situatie beoordeeld worden. De systematiek van fasegewijs (re)organiseren doet niets af aan de wet- en regelgeving met betrekking tot het overleg met de medezeggenschap en het georganiseerd overleg.
- Organisatiefase 1In deze fase zijn de organisatie en medewerkers gedwongen om in beweging te komen. Deze constatering is gebaseerd op een visie op gewenste of noodzakelijke ontwikkeling van de organisatie, de ‘houtskoolschets’, waaruit blijkt dat er één of meer functiegroepen zijn waarin krimp zal voorkomen die zonder extra voorzieningen zal leiden tot boventalligheid. Voorzieningen in organisatiefase 1 zijn erop gericht om deze voorzienbare boventalligheid in functiegroepen met krimp - en daarmee het aanwijzen van re-integratiekandidaten - zo veel mogelijk te voorkomen. Dit vergt van zowel de organisatie als van de medewerkers een zware inspanning. In organisatiefase 1 kan is differentiatie mogelijk. Binnen functiegroepen waarin geen boventalligheid is voorzien, kunnen aanpassingen al worden geformaliseerd met inachtneming van procedure- en overlegregels. In organisatiefase 1 moet nadrukkelijk gecommuniceerd worden met medewerkers om gebruik van faciliteiten te bevorderen en daardoor aanwijzing van re-integratiekandidaten te voorkomen, waarbij de eindsituatie onderweg verder ingevuld kan worden. De houtskoolschets zelf kan ook aan verandering onderhevig zijn. Als het (nog) niet mogelijk is de eindsituatie op alle aspecten sluitend te beschrijven kan de houtskoolschets als dynamisch document gedurende organisatiefase 1 doorontwikkeld worden. Hiermee is fase 1 in termen van eindresultaat alles mogelijk. Organisatiefase 1 is niet bedoeld om ‘klassiek’ te reorganiseren zonder gehouden te zijn aan de bijbehorende spelregels. Deze fase is erop gericht om vergelijkbare resultaten te kunnen behalen langs andere wegen, of om te anticiperen op noodzakelijke ‘klassieke’ reorganisaties en daardoor deze vooraf in omvang te kunnen beperken. Oftewel: het voorkomen van de noodzaak om medewerkers aan te wijzen als re-integratiekandidaat. De feitelijke invulling van organisatiefase 1 kan al naar gelang de noodzaak en de omstandigheden waarin een organisatie verkeert, sterk verschillen. De fase begint met het opstellen en bespreken van een houtskoolschets bij het voornemen tot reorganisatie. Deze schets kan per situatie sterk verschillen. Daarom is geen uitputtende lijst met onderwerpen en procedurele punten opgesteld waaraan de houtskoolschets moet voldoen, zoals wel het geval is bij een plan van aanpak voor organisatiefase
- Aan de houtskoolschets worden alleen inhoudelijke eisen gesteld. Beschreven moet worden hoe de organisatie van een onderdeel er op korte of langere termijn uit moet gaan zien en de waarom en hoe te realiseren vragen moeten worden beantwoord. De mate van detail kan sterk verschillen. Het is niet altijd noodzakelijk om de eindsituatie al in detail vast te leggen; het kan ook gaan om een beweging in een bepaalde richting. In de houtskoolschets wordt aangegeven waar ten gevolge van de aanpassing van de organisatie personele gevolgen te verwachten zijn. Personele gevolgen kunnen bijvoorbeeld ontstaan doordat een inkrimping van de formatie vereist is. Het is ook mogelijk dat er in absolute zin geen krimp noodzakelijk is (de omvang in fte in oude en nieuwe situatie blijft gelijk) maar wel een kwalitatief verschil ontstaat tussen de huidige bezetting en de benodigde bezetting in de toekomst. Als niet vooraf duidelijk is dat alle medewerkers een plaats zullen vinden in de nieuwe situatie, kan de voorziene wijziging ondanks de formatieve ruimte toch leiden tot het aanwijzen van re-integratiekandidaten, bijvoorbeeld doordat het niveau van een functie wijzigt. Ook in dat geval is het de bedoeling om eventuele voorziene problemen in organisatiefase 1 proactief op te lossen. Groepen waarbinnen personele gevolgen worden verwacht, kunnen worden aangewezen als een ‘aangewezen groep functies’. Door de aanwijzing krijgen de medewerkers binnen deze groep aanspraak op extra voorzieningen in het sociaal flankerend beleid. Aanwijzing van functies of groepen functies is altijd gebaseerd op objectieve criteria. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om een of meer individuele medewerkers aan te wijzen. De criteria op grond waarvan een aan te wijzen groep wordt begrensd, staan in de houtskoolschets. De aanwijzing wordt ook altijd begrensd door het organisatiegebied waarop de houtskoolschets betrekking heeft. Daarbinnen is differentiatie mogelijk. Als een houtskoolschets betrekking heeft op een directie waarbinnen eenzelfde functie voorkomt op verschillende afdelingen, is een keuze mogelijk. De aanwijzing kan in dat geval beperkt blijven tot de functie binnen één afdeling, een selectie van de afdelingen of betrekking hebben op de functie binnen alle afdelingen. De aanwijzing van een functie of groep functies vervalt zodra duidelijk is dat er geen boventalligheid meer dreigt en daarmee uiteindelijk ook geen re-integratiekandidaten hoeven te worden aangewezen. De aanwijzing kan ook van te voren, in de houtskoolschets, aan een bepaalde (uiterlijke) termijn gebonden worden. Ook in dit geval overigens vervalt de termijn al voor de gekozen einddatum zodra er geen boventalligheid meer wordt verwacht. De aanwijzing kan ten slotte door het diensthoofd worden opgeheven, bijvoorbeeld als de organisatie overgaat naar organisatiefase
- Medewerkers die behoren tot een aangewezen groep functies worden hierover schriftelijk geïnformeerd. Daarbij wordt gewezen op het toepasselijke sociaal flankerend beleid en de tijdelijkheid van de aanwijzing. Het is van belang dat medewerkers zich realiseren dat de aanwijzing opeens, eerder dan verwacht, voorbij kan zijn. Vanuit organisatorisch oogpunt is de schriftelijke mededeling van belang voor het vastleggen van het recht op voorzieningen van sociaal flankerend beleid. Tijdens organisatiefase 1 is het mogelijk om stappen te zetten op weg naar de in de houtskoolschets beschreven doelen. Er kan gekozen worden om in organisatiefase 1 (alleen) boventalligheid vooraf proberen op te lossen, om de gewenste eindsituatie vervolgens in organisatiefase 2 via een ‘klassieke’ reorganisatie te realiseren. Daarmee worden de mogelijkheden van organisatiefase 1 slechts ten dele benut. Buiten de aangewezen groepen functies kunnen aanpassingen van de organisatie plaatsvinden die verder gaan dan in organisatiefase 0 mogelijk is. Veranderingen die voortvloeien uit de houtskoolschets kunnen, buiten de aangewezen groepen, worden doorgevoerd. Het gaat dan om veranderingen waarbij de betrokken medewerkers een plaats in de aangepaste organisatie vinden. Zodra er in een aangewezen groep functies geen boventalligheid meer dreigt en de aanwijzing dus vervalt, kunnen ook voor die groep aanpassingen doorgevoerd worden. Wanneer het nog niet mogelijk of opportuun is om aanpassingen definitief door te voeren kunnen ook tijdelijke oplossingen gecreëerd worden. In sommige gevallen kan tijdelijk vooruitgelopen worden op de eindsituatie als beschreven in de houtskoolschets, met dien verstande dat de tijdelijkheid en de inzet van interimfunctievervulling daarbij in duur zo veel mogelijk wordt beperkt. De achterliggende gedachte is dat voortdurende onduidelijkheid over de eigen positie van de ambtenaar voorkomen moet worden. Per situatie moet worden afgewogen welke duur acceptabel is. In een tijdelijke situatie met de intentie die op termijn te formaliseren is een langere duur acceptabel dan bijvoorbeeld tijdens een experiment. Als voorzien wordt dat van tijdelijke oplossingen of experimenten gebruik gemaakt moet worden, is het verstandig dit al in de houtskoolschets op te nemen. Voor reguliere interimfunctievervulling die niets te maken heeft met de houtskoolschets, gelden ook tijdens organisatiefase 1 de normale regels en beleidslijnen. Aan het eind van organisatiefase 1 zijn er twee mogelijkheden. De in de houtskoolschets voorziene boventalligheid is opgelost en de beschreven aanpassingen zijn gerealiseerd. In dat geval zijn (of worden) gerealiseerde veranderingen afgehecht, worden tijdelijke oplossingen die niet structureel zijn gemaakt beëindigd en gaat de organisatie terug naar organisatiefase
- De tweede mogelijkheid is dat de voorziene boventalligheid niet is opgelost en dat de aanpassingen (dus) niet of maar ten dele zijn gerealiseerd. In dit geval gaat de organisatie over naar organisatiefase 2 en wordt een ‘klassieke’ reorganisatie ingezet om de oorspronkelijke aanpassingen alsnog te realiseren. Daarbij is het niet noodzakelijk dat alle organisatieonderdelen die vielen binnen organisatiefase 1 ook naar organisatiefase 2 gaan. In veel gevallen zal het mogelijk zijn organisatiefase 2 te beperken tot die organisatieonderdelen waarvoor dat nog noodzakelijk is. Met de overgang naar organisatiefase 2 wordt een nieuw proces ingezet. Dat betekent dat keuzes opnieuw gemaakt kunnen (moeten) worden. De houtskoolschets en het overleg daarover werken niet door in organisatiefase 2; het betrokken medezeggenschapsorgaan moet in staat worden gesteld om aan de hand van een plan van aanpak zich een beeld te vormen van de reorganisatie en overleg te voeren. In organisatiefase 1 ligt de nadruk meer dan in fase 0 op het stimuleren van loopbaan en vrijwillige mobiliteit. De beschikbare voorzieningen op dit vlak zijn grotendeels gelijk. Een toevoeging in organisatiefase 1 is het recht op ondersteuning. De medewerker die behoort tot een aangewezen groep functies heeft recht op ondersteuning bij de invulling en uitvoering van een begeleidingstraject van werk naar werk. Dit betekent niet dat voor iedere medewerker een begeleidingstraject ingericht moet worden, het gaat om degene die aangeeft daaraan behoefte te hebben. Op de organisatie rust de taak om mee te denken en medewerkers in aangewezen functiegroepen waar nodig te stimuleren om van de trajectbegeleiding gebruik te maken. Daarbij spelen ook de direct leidinggevende en de loopbaanadviseurs van de gemeente een belangrijke rol. Op de medewerkers die behoren tot een aangewezen functiegroep is een extra pakket van sociaal flankerend beleid van toepassing. Sommige voorzieningen zijn voor deze groep geen recht maar een mogelijkheid (facultatief); toekenning is voorbehouden aan het diensthoofd. Toewijzing of afwijzing vindt plaats op basis van een individuele afweging van o.a. de positie en mogelijkheden van de medewerker in de toekomstige organisatie. Toekenning van de voorziening aan een bepaalde medewerker in een aangewezen groep functies heeft daarom geen precedentscheppende werking hebben voor andere medewerkers in diezelfde groep. Waar dat nodig wordt geacht is het mogelijk om vooraf met bepaalde medewerkers afspraken te maken over het toekennen van voorzieningen. In de systematiek van het sociaal flankerend beleid is het recht op (toekenning van) voorzieningen gekoppeld aan de verschillende fasen.
- Organisatiefase 2In organisatiefase 2 worden veranderingen doorgevoerd volgens het klassieke model, zie ook het voorgaande SBK. Dit is noodzakelijk als het in organisatiefase 0 of 1 niet is gelukt om personele problemen rond de gewenste aanpassing van de organisatie te voorkomen. Het is ook mogelijk dat bewust gekozen wordt voor deze vorm van aanpassen. Bijvoorbeeld in situaties waarin het noodzakelijk is dat een organisatie op zo kort mogelijke termijn in een nieuwe vorm van start gaat en er geen mogelijkheid is dit via tijdelijke oplossingen te ondervangen, en/of er geen tijd is om problemen langs de weg der geleidelijkheid op te lossen, kan een ‘klassieke’ reorganisatie de aangewezen methode zijn. Aan organisatiefase 2 kan organisatiefase 1 voorafgaan, maar dit is niet noodzakelijk. In organisatiefase 2 kunnen re-integratiekandidaten worden aangewezen. Voor de aangewezen re-integratiekandidaten is het meest uitgebreide pakket flankerend beleid beschikbaar. Voor de inrichting van het re-integratieproces wordt aangesloten op de inhoud van hoofdstuk 10d ARG. Relevante bepalingen in ARG en WORArtikel 8:3 ARGOntslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend. Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend. Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan. Artikel 8:3:1 ARGOver het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. Artikel 10d:5 ARGDe ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of 8:6 heeft recht op een reïntegratiefase. De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:
- De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag. De reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de reïntegratiefase. Bij ontslag op grond van artikel 8:3 duurt de reïntegratiefase bij een dienstverband van: a. 7 maanden 2 tot 10 jaar b. 11 maanden 10 tot 15 jaar c. 15 maanden 15 jaar of meer. Bij ontslag op grond van artikel 8:6 duurt de reïntegratiefase bij een dienstverband van: a. 4 maanden 2 tot 10 jaar b. 8 maanden 10 tot 15 jaar c. 12 maanden 15 jaar of meer. Artikel 10d:6 ARGDe reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt. De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht. Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht. Artikel 10d:7 ARGDe reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan. De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reïntegratiefase. Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is. Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reïntegratieplan van kracht. Artikel 10d:8 ARGDe ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:
- Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reïntegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien: onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de reïntegratie bevorderen. Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reïntegratieplan, tijdens de verlenging van de reïntegratiefase worden voortgezet. Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase van overeenkomstige toepassing. Artikel 10d:9 ARGHet college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de reïntegratiefase een reïntegratieplan op. De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord. In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de reïntegratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval afspraken over: verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reïntegratieplan; scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten; opstellen arbeidsmarktprofiel; sollicitatieactiviteiten. In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het reïntegratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het reïntegratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=. Artikel 12:1:5 ARGIndien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte. Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende: de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd; de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord; de personele gevolgen van die verandering. Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:
- Artikel 25 WORDe ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot: overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan; het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijke onderneming; beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan; belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming; belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming; wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent; (…) De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking van het voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de ondernemingsraad ingewonnen over de uit