Beleid coffeeshops en illegale verkooppunten verdovende middelen gemeente Velsen 20131. Inleiding en achtergrond coffeeshopbeleid In 1995 is een eerste summiere Notitie beleid coffeeshops vastgesteld. Er was toentertijd sprake van een tweetal coffeeshops in panden met de bestemming horecadoeleinden die onofficieel werden gedoogd. De beleidsnotitie ging uit van een maximumstelsel inhoudende dat het aantal coffeeshops werd beperkt tot één aan de Snelliusstraat te IJmuiden. Ten aanzien van de andere coffeeshop aan de Kanaalstraat te IJmuiden werd een uitsterfconstructie afgesproken. Dat de coffeeshop in de nabijheid van een school voor voortgezet onderwijs was gevestigd en overlast van bezoekers van de coffeeshop speelden hierbij een rol. De argumenten voor de bevriezing waren: - meerdere coffeeshops leiden tot overlast en aantasting van de leefbaarheid van de omgeving; - het beleid loopt synchroon met beleid in andere gemeenten, waar een meer restrictief beleid wordt gevoerd; - meer coffeeshops werkt criminaliteit in de hand; vermeerdering leidt tot overloop vanuit andere gemeenten; - meer coffeeshops trekt met name jongeren aan. Dit is strijdig met het gemeentelijk beleid betreffende de volksgezondheid. Als redenen om niet tot een nulstelsel te besluiten werden genoemd: - mogelijke vlucht in de illegaliteit; - problematiek wordt minder beheersbaar; - mogelijke vermenging van de handel in soft- en harddrugs. In 2008 is nieuw beleid coffeeshops en illegale verkooppunten verdovende middelen en hieraan gekoppeld een handhavingarrangement vastgesteld dat op 1 juni 2008 in werking is getreden. Er was nog steeds sprake van twee coffeeshops, een maximumstelsel van één coffeeshop en een uitsterfconstructie ten aanzien van de coffeeshop aan de Kanaalstraat te IJmuiden. In deze beleidsregel kwamen aan de orde het Justitieel beleid en het eigen gemeentelijk beleid, waarin de gezondheidsaspecten werden beschreven, openbare orde aspecten, de toepassing van de wet Bevordering Integriteit Beoordelingen door het Openbaar Bestuur (BIBOB) en voor het eerst gedoogcriteria en sluitingscriteria. Ten slotte werd gesproken over handhaving en maatregelen (sancties). De voorgenomen aanscherping van het coffeeshopbeleid door achtereenvolgens het kabinet Rutte I en Rutte II was aanleiding voor het opstellen van een discussienotitie ter bespreking met de raad. In een sessie van de raad van 29 november 2012 heeft deze nader richting gegeven aan een actualisatie van het coffeeshopbeleid. Deze komt in hoofdlijnen neer op een maximum van twee coffeeshops, handhaving van het in 2008 vastgestelde afstandscriterium van 250 meter tussen coffeeshop en een school voor voortgezet onderwijs, loslaten van de uitsterf-constructie ten aanzien van de coffeeshop aan de Kanaalstraat, maar wel een voorkeur voor verplaatsing ervan. Ten slotte heeft de raad in zijn vergadering van 13 december 2012 een motie aangenomen waarin het college wordt verzocht bij het kabinet te pleiten voor het bieden van vrijheid aan gemeenten om wietteelt te reguleren en/of een wietplantage te kunnen certificeren. Bij brief van 4 februari 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie hierop gereageerd met de mededeling dat er geen ruimte is voor gemeentelijke initiatieven, omdat regulering of legalisering van cannabisteelt volgens hem in strijd is met internationale verdragen (VN- verdragen en EU-recht) en de Opiumwet. Hij heeft bij het Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie op 13 december 2012 toegezegd vóór 2014 een inventarisatie te maken van plannen van gemeenten op het gebied van wietteelt en deze van een juridisch kader te voorzien. Concrete plannen van gemeenten die vóór 1 april 2013 bij hem bekend zijn, zullen hierbij worden betrokken. 2. Kaders coffeeshopbeleid 2.1 Opiumwet en landelijk beleid De wijziging van de Opiumwet in 1976 is voor een groot deel bepalend voor het huidige drugsbeleid. Er werd onderscheid aangebracht tussen soft- en harddrugs, waarbij harddrugs als stoffen met een onaanvaardbaar risico op lijst I werden geplaatst. De hennepproducten die als softdrugs worden aangemerkt, staan op lijst II. Bezit van harddrugs is strafbaar als misdrijf; bezit van een beperkte hoeveelheid softdrugs is strafbaar als overtreding. Reeds in 1980 is er opsporing- en vervolgingsbeleid ter zake van verkoop van softdrugs vastgelegd. De vestiging van commerciële coffeeshops werd mogelijk gemaakt, mits de kleinhandel zich onopvallend gedroeg. In 1991 worden de AHOJ-citeria landelijk ingevoerd en in 1994 door het College van procureurs-generaal geformaliseerd. Daarmee wordt een expliciet gedoogbeleid gevoerd ten aanzien van de verkoop van softdrugs. Het beleid is met name gericht op het beheersbaar maken en houden van gebruik en verkoop van softdrugs, scheiding van de hard- en softdrugmarkt, afname van het aantal cannabisverkooppunten, toename van de kwaliteit van de overblijvende coffeeshops en ten slotte afname van het gebruik van (soft-)drugs onder minderjarigen. De invoering van de zogenoemde Wet Damocles (artikel 13b Opiumwet) in 1999 heeft de burgemeester de bevoegdheid gegeven bestuursdwang toe te passen als in voor het publiek toegankelijke lokalen drugs worden verhandeld. Dit is de bestuursrechtelijke basis van het coffeeshopbeleid. De Wet Damocles is tevens het juridisch instrument om op te treden tegen de exploitant van een coffeeshop die gestelde voorwaarden overtreedt. Bij brief van 4 februari 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie het landelijk kader van het coffeeshopbeleid nader toegelicht. Doelstelling van het beleid is om een einde te maken aan het <open-deur-beleid> van de coffeeshops. Dit om overlast en criminaliteit die verband houden met coffeeshops en de handel in verdovende middelen tegen te gaan. Coffeeshops moeten kleiner en meer beheersbaar worden gemaakt. De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers afkomstig uit het buitenland moet worden teruggedrongen. Een ander doel is om de zichtbaarheid van coffeeshops voor scholieren te verkleinen. Het landelijk kader voor het Nederlandse gedoogbeleid wordt gevormd door de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. Op grond van de Opiumwet zijn zowel softdrugs als harddrugs verboden. Het gedoogbeleid voor coffeeshops houdt in dat er onder strikte voorwaarden - de AHOJGI-criteria opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet (waarover later meer) - niet strafrechtelijk zal worden opgetreden wegens de verkoop van op lijst II bij de Opiumwet vermelde hennepproducten. Het ingezetenencriterium maakt per 1 januari 2013 onderdeel uit van de Aanwijzing Opiumwet. Hiermee is het ingezetenencriterium onderdeel geworden van het landelijk gedoogbeleid coffeeshops. Uitgangspunt is dat de handhaving van dit criterium op 1 januari 2013 start. Van gemeenten met één of meer coffeeshops wordt verwacht dat zij een lokaal coffeeshopbeleid en een bijbehorend handhavingplan opstellen. Het lokaal bestuur stelt het lokale coffeeshopbeleid - binnen het landelijk kader - vast en voert de regie. De lokale driehoek vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving. Een handhavingplan - waarbinnen het optreden van bestuur, politie en OM op elkaar aansluit en elkaar aanvult - wordt daarbij onontbeerlijk geacht. De handhaving van het ingezetenencriterium geschiedt in overleg met betrokken gemeenten en zo nodig gefaseerd, waarbij wordt aangesloten bij het lokale coffeeshop- en veiligheidsbeleid zodat sprake is van lokaal maatwerk. Afstemming over lokaal maatwerk vindt plaats in de lokale driehoek. 2.2 Justitieel kader Het Openbaar Ministerie is belast met de handhaving van de verbodsbepalingen in de Opiumwet. Al in 1980 is het opsporing- en vervolgingsbeleid vastgelegd. De vestiging van commerciële coffeeshops werd mogelijk, mits de kleinhandel zich onopvallend gedroeg. In 1991 worden de zogenoemde AHOJ-criteria landelijk ingevoerd en in 1994 door het College van procureurs-generaal geformaliseerd. Het eerste Nederlandse drugsbeleid dateert van 1995 en heeft als centrale doelstelling “het voorkomen dan wel beperken van de risico’s van drugsgebruik voor het individu, zijn directe omgeving en de samenleving”. In 1996 volgt een nota van de regering over de aanvaardbaarheid van gedogen, hetgeen betekent het afzien van handhaven. Het opportuniteitsbeginsel, waardoor het OM vrijheden heeft in de vervolgingsbeslissing, maakt het gedoogbeleid mogelijk. Het gedoogbeleid is door het OM vastgelegd in de Aanwijzing Opiumwet, waaraan Staten Generaal en regering hun goedkeuring hebben gehecht. Aan het gedoogbeleid wordt uitvoering gegeven binnen de richtlijnen van het College van procureurs-generaal. Onder voorwaarden wordt tegen de handel in softdrugs in een coffeeshop strafrechtelijk niet opgetreden. Het College van procureurs-generaal heeft de AHOJ-G criteria in december 2000 als volgt vastgesteld: - A: geen affichering: dit betekent dat geen enkele vorm van reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit; - H: geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of worden verkocht; - O: geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond coffeeshops, geluidhinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten; - J: geen verkoop softdrugs aan en geen toegang tot de coffeeshop voor jongeren beneden de leeftijd van 18 jaar; - G: geen verkoop in één coffeeshop van meer dan 5 gram per persoon per dag voor eigen gebruik. Daarnaast is bepaald dat per coffeeshop de handelsvoorraad moet worden beperkt tot maximaal 500 gram. Bovendien mag de verkoop van softdrugs niet geschieden in combinatie met alcohol. Per 1 januari 2013 zijn de criteria voor coffeeshops opnieuw aangescherpt met het ingezetenencriterium (I-criterium) en maakt dit gedoogcriterium onderdeel uit van de Aanwijzing Opiumwet van het OM. Hiermee is het I-criterium onderdeel geworden van het landelijk gedoogbeleid coffeeshops. Het I-criterium beoogt coffeeshops kleiner en meer beheersbaar te maken en drugstoerisme tegen te gaan. Vanaf 1 januari 2013 is sprake van de AHOJGI-criteria. 2.3 Bevoegdheden burgemeester De burgemeester is het bevoegd gezag in het kader van het lokale coffeeshopbeleid. In algemene zin geldt dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Op grond van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op openbare inrichtingen en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht. Coffeeshops zijn “voor het publiek openstaande gebouwen” als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van artikel 2:20 van de gewijzigde Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Velsen 2009 bestaat er een exploitatievergunningplicht voor onder andere een coffeeshop. De burgemeester kan vergunning verlenen voor de uitoefening van een horecabedrijf, waarin gedoogvoorschriften zijn opgenomen voor verkoop en gebruik van softdrugs. Het is een bevoegdheid van de burgemeester om nadere beleidsregels op te stellen omtrent het verlenen van vergunningen ten behoeve van de exploitatie. Deze regels hebben het karakter van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid van de Awb. De betreffende APV-bepalingen ten aanzien van horeca-inrichtingen zijn van overeen-komstige toepassing, alsmede de weigeringgronden. De burgemeester kan de vergunning weigeren of intrekken, conform het handhavingarrangement, als de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed, rekening houdend met het karakter van de beoogde vestiging en de directe omgeving, de al aanwezige horeca en de wijze van bedrijfsvoering. Bij deze belangenafweging wordt rekening gehouden met het specifieke karakter van de coffeeshop. De burgemeester beschikt sinds 2007 op grond van artikel 13b Opiumwet over een bestuursrechtelijk handhavinginstrument, namelijk het opleggen van een last onder bestuursdwang ten aanzien van een woning of lokaal dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven, indien daar een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De systematische handel in cannabis en harddrugs buiten coffeeshops om (bijvoorbeeld vanuit woningen of andere lokalen) kan nu beter worden aangepakt, ook als er geen sprake is van overlast. Vóór de wijziging van 2007 kon alleen tegen ‘voor publiek toegankelijke lokalen’ worden opgetreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Voor niet ‘publiek toegankelijke lokalen’ (zoals woningen) kon worden opgetreden op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. In de praktijk bleek het vaak moeilijk om verstoring van de openbare orde, met name overlast, aan te tonen waardoor artikel 174a Gemeentewet veelal tekort schoot. Bestuursdwang kan nu worden ingezet tegen alle illegale verkooppunten wegens overtreding van de Opiumwet. Verstoring van de openbare orde hoeft niet meer te worden aangetoond. 2.4 Bevoegdheid college van burgemeester en wethouders Het college stelt de raad een keer per vier jaar voor een Nota Lokaal Gezondheidsbeleid vast te stellen. In de laatst vastgestelde nota voor de periode 2012-2015 is een van de speerpunten: minder overmatig alcohol- en genotmiddelen gebruik onder jongeren. In de nota worden vervolgens de interventies en activiteiten van de gemeente opgesomd. Ook in de door de raad op voorstel van het college vastgestelde Kadernota Jeugdbeleid 2012-2016 is een van de domeinen: gezondheid. Hierbij wordt ingezet op bevordering van een gezonde leefstijl bij kinderen/jeugdigen in preventieve zin binnen het raam van het Centrum voor Jeugd en Gezin enerzijds en door het verzorgen van ambulante verslavingszorg anderzijds. 2.5 Bevoegdheden van de gemeenteraad Voor de gemeenteraad is geen taak weggelegd bij de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet. Dit is een uitsluitende bevoegdheid van de burgemeester. De raad kan wel een rol spelen door het coffeeshopbeleid te agenderen en bijvoorbeeld op andere beleidsterreinen (gezondheidsbeleid, jeugdbeleid) na te gaan welke ondersteunende maatregelen (preventie, nazorg) kunnen worden ontwikkeld. Daarnaast heeft de raad ten aanzien van het coffeeshopbeleid van de burgemeester een controlerende taak. In het duale bestel is de burgemeester de raad namelijk verantwoording verschuldigd over het door hem gevoerde beleid. Ook geldt de actieve informatieplicht. 3. Gemeentelijk coffeeshopbeleid 3.1 Gezondheidsaspecten Het coffeeshopbeleid in Velsen draagt bij tot het voorkomen van (problematisch) gebruik van verslavende middelen. Naast de maximering van het aantal coffeeshops - en daarmee beperking van het aanbod - gaat ook van de te hanteren sluitingscriteria een preventieve werking uit. Met name de criteria “geen openlijke affichering”; “geen combinatie met harddrugs”; de “leeftijdsgrens van 18 jaar” en “uit de nabijheid van scholen en jongerencentra” kunnen in dit kader worden genoemd. Voor de volksgezondheid is het voorkomen van overmatig gebruik van genotmiddelen belangrijk. Bij verantwoordelijk gebruik van softdrugs zijn de gezondheidsrisico’s nihil, maar bij overmatig gebruik kan lichamelijke en geestelijke afhankelijkheid optreden. Hoewel de gevolgen sterk afhankelijk zijn van de persoon die gebruikt, kan het concentratieproblemen, neerslachtigheid en probleemgedrag veroorzaken. Tevens blijkt dat veelvuldig gebruik van softdrugs de overstap naar harddrugs kleiner maakt. Het gebruik van softdrugs is een gegeven onder een grote groep jongeren in Nederland. Dit geldt ook, hoewel in mindere mate, voor jongeren in Velsen. Uit het emovo-onderzoek 20061 blijkt dat 16% van de 2e en 4e jaars leerlingen in Velsen wel eens hasj of marihuana gerookt heeft en 7% een huidige gebruiker is. Tevens blijkt dat 0.6% van de tweedeklassers en 2.1% van de vierdeklassers een huidige gebruiker2 is van XTC, cocaïne, amfetamine en/ of heroïne (harddrugs). De GGD Kennemerland is verantwoordelijk voor het regionale gezondheidsbeleid. De Brijderstichting voert, in overleg met de GGD, activiteiten en projecten uit in de regio om onverantwoord en overmatig gebruik van softdrugs tegen te gaan. De Brijderstichting zet onder andere het preventieproject “Gezonde School en genotmiddelen” in op basisscholen (groep 6 en 7) en het voortgezet onderwijs in Velsen. Het project geeft informatie aan leerlingen over genotmiddelen, besteedt aandacht aan de risico's, aan houdingsaspecten en aan sociale vaardigheden zoals 'nee' leren zeggen, groepsdruk en weerbaarheid. Het project ‘Gezonde School en genotmiddelen’ wordt ondersteund door educatiemateriaal van de GGD. Naast preventieve activiteiten biedt de Brijderstichting ook verslavingszorg. Mede door het coffeeshopbeleid van Velsen, met de daarbij horende sancties, tracht de gemeente Velsen het overmatige en onverantwoorde gebruik van softdrugs en verslaving aan harddrugs preventief tegen te gaan en de negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden in de gemeente te beheersen. 3.2 Aanscherping coffeeshopbeleid 2013 De gemeente Velsen voorziet door middel van een maximumstelsel van twee coffeeshops in de lokale gebruikersbehoefte. In deze paragraaf zijn de beleidsregels voor een coffeeshop opgenomen. Beleidsregels Definities Coffeeshop: een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in cannabisproducten plaatsvindt en de exploitant, zijnde een natuurlijk persoon, in het bezit is van een exploitatievergunning voor een horeca-inrichting met gedoogvoorschriften. Cannabisproducten: producten als vermeld in lijst II onderdeel B behorende bij artikel 3 van de Opiumwet (zogenaamde softdrugs). Cannabisproducten zijn hasj (de hars van een hennepplant) en marihuana (de verkruimelde bladen van de hennepplant). De producten worden ook wel aangeduid als (Neder-)wiet, weed, stickie, joint. Spacecake valt ook onder de definitie omdat hierin cannabis is verwerkt. Gedoogvoorschriften: een reguliere exploitatievergunning voor een horeca-inrichting met bijzondere voorschriften van de burgemeester waardoor, indien aan de voorschriften wordt voldaan, niet tegen het exploiteren van een coffeeshop wordt opgetreden. De exploitatie- vergunning wordt op naam van de exploitant, zijnde een natuurlijk persoon, en voor één locatie verleend en is niet overdraagbaar. 3.3 Exploitatievergunning Door het verlenen van de exploitatievergunning is het mogelijk om, voorafgaand aan de vestiging van een alcoholvrij horecabedrijf, bij de beslissing op een aanvraag een aantal overwegingen te betrekken. Dit kan betekenen dat er eisen worden gesteld ter bescherming van de belangen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. In de voorschriften van de exploitatievergunning kan worden opgenomen dat de exploitant dient toe te zien op het gedrag van de komende en gaande bezoekers. 3.3.1 MaximumstelselTer bescherming van het woon- en leefklimaat en ter voorkoming van wildgroei van het aantal coffeeshops wordt hierbij als beleidsregel vastgesteld dat in Velsen een maximumstelsel wordt gehanteerd en derhalve twee coffeeshops worden gedoogd waar verkoop en gebruik van softdrugs plaatsvinden. Bij het bepalen van een maximum aantal coffeeshops staat enerzijds de beheersbaarheid van de (cumulatieve) overlast voorop en het gericht zijn op de lokale gebruiker. Anderzijds dient de criminalisering, verschuiving en de vervaging van de scheiding van de markten voorkomen te worden. Het maximumstelsel impliceert dat overschrijding van het maximum niet is toegestaan. Voorts impliceert het dat overschrijding van dit maximum per definitie overlast voor het woon- en leefklimaat oplevert. Door toepassing van deze constructie is al snel een sluiting te bewerkstelligen van zich illegaal vestigende verkooppunten op grond van artikel 13b Opiumwet. 3.3.2 Eisen exploitant en leidinggevendenAan exploitant en leidinggevenden worden op grond van het coffeeshopbeleid dezelfde eisen gesteld als de eisen genoemd in artikel 8 van de Drank- en Horecawet. De criteria zijn vermeld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Dit houdt in dat aan de hand van justitiële documentatie wordt bezien of een exploitant/leidinggevende de laatste 5 jaar een veroordeling heeft gehad verband houdende onder andere met de Drank- en Horecawet, Opiumwet, Wet op de Kansspelen, heling, rijden onder invloed of discriminatie. De exploitant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.