Beleidsregels terugvordering, verhaal en boete WWB, Ioaw en Ioaz.HOOFDSTUK 1 – ALGEMEEN Artikel 1 - Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, de Ioaw, de Ioaz en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel; fraudevordering: de vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13, eerste lid van de Ioaw, artikel 13, eerste lid van de Ioaz en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de WWB en de uitkering in het kader van de Ioaw en de Ioaz; WWB: de Wet werk en bijstand. Artikel 2 – Herziening, intrekking, terugvordering en brutering 1.Het college herziet dan wel trekt het recht op uitkering in indien de uitkering ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is verleend. 2.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de WWB alsmede artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de Ioaw en Ioaz toekomt. 3.Het college bruteert de vordering welke is ontstaan door gebruik te maken van de in het tweede lid genoemde bevoegdheden bij gebreke van tijdige betaling. Artikel 3 – Uitzonderingen 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. 2.Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een dusdanige situatie dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beperkt het college de terugvordering tot het bedrag dat teveel aan uitkering zou zijn verstrekt als belanghebbende wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, als sprake is van intrekking van het recht op uitkering over een langere periode omdat hij over die periode beschikte over in aanmerking te nemen vermogen. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid ziet het college af van brutering als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. HOOFDSTUK 2 – GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERDERE TERUGVORDERING Artikel 4 – Reikwijdte De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op fraudevorderingen die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan. Paragraaf 2.1 – Kwijtschelding in verband met het gedurende een bepaalde periode voldoen aan de betalingsverplichtingen Artikel 5 – Afzien van terugvordering of van verdere terugvordering na het voldoen van de betalingsverplichting 1.In afwijking van artikel 2, tweede lid besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode [vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten] alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. 2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c wordt uitsluitend ambtshalve besloten. 3.De in het eerste lid onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar als et gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die drie jaar de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan. Artikel 6 – Uitzondering 1.Artikel 5 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die: het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 2.Het besluit op basis van artikel 5 genomen besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken als op een later tijdstip blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Paragraaf 2.2 – Kwijtschelding in verband met kruimelbedragen Artikel 7 – Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen Als er sprake is van een restvordering van minder dan €150,- wordt deze buiten invordering gesteld nadat is vastgesteld dat de belanghebbende niet heeft betaald, en dat verrekening of vereenvoudigd derdenbeslag niet mogelijk is. Paragraaf 2.3 – Schuldregeling Artikel 8 – Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de WWB en artikel 29a van Ioaw en Ioaz verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien: de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die verstrekt is in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB; de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen kan worden verhaald. 3.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien: niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid; de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. HOOFDSTUK 3 –INVORDERING Paragraaf 3.1 – De betalingsverplichtingArtikel 9 – Algemeen Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn. Artikel 10 – Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de WWB en artikel 28, tweede lid van de Ioaw en Ioaz en ongeacht de in artikel 9 genoemde betalingstermijn gaat het college voor zover mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op uitkering op grond van de WWB, Ioaw of Ioaz. Artikel 11 – Uitstel van betaling 1.Het college kan uitstel van betaling verlenen als haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van de belanghebbende duidelijk is dat hij geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. 2.Voor zover de belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel in ieder geval de voorwaarde dat de belanghebbende deze aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college aan het verlenen van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat de belanghebbende die over vermogen beschikt of komt te beschikken hij dit vermogen –voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm- aanwendt ter aflossing van de fraudevordering indien het een fraudevordering betreft. 4.Bij de beoordeling of de belanghebbende over vermogen als bedoeld in het derde lid beschikt worden de vorderingen die het gevolg zijn van teveel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten, en is het bepaalde in artikel 34, tweede lid onder a en d van de WWB van overeenkomstige toepassing. 5.Het uitstel wordt ingetrokken als de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt. Artikel 12 – Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering 1.Indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de WWB, Ioaw of Ioaz bedraagt de aflossing 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de maximale toeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de Ioaw en Ioaz per maand. 2.In afwijking van het eerste lid bedraagt de aflossing in geval van een fraudevordering 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de maximale toeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de Ioaw en Ioaz per maand. 3.In afwijking van het eerste en twee lid bedraagt de aflossing niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 4.In afwijking van het eerste lid wordt met een betalingsvoorstel door de belanghebbende ingestemd als de vordering binnen 24 aaneengesloten maanden geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing ten minste €25,- per maand bedraagt. 5.De aflossing vindt plaats door middel van verrekening als bedoeld in artikel 60, derde lid WWB dan wel artikel 28, tweede lid van de Ioaw en Ioaz. Artikel 13 – Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij belanghebbenden zonder uitkering 1.De hoogte van de aflossing wordt bij beëindiging of intrekking van de uitkering gedurende zes maanden na de datum van het beëindigings- of intrekkingsbesluit vastgesteld op het bedrag dat de belanghebbende tijdens de uitkeringsverlening afloste. 2.Na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm. 3.Indien er ten tijde van het nemen van het terugvorderingsbesluit sprake is van een ander inkomen dan een uitkering op grond van de WWB, Ioaw of Ioaz wordt de hoogte van de aflossing vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 4.Indien er sprake is van een fraudevordering wordt het percentage genoemd in het tweede en derde lid verhoogd naar 50. 5.In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid bedraagt de aflossing niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 6.In afwijking van het eerste lid wordt met een betalingsvoorstel door de belanghebbende ingestemd als de (rest)vordering binnen 24 maanden geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing ten minste €25,- per maand bedraagt. Artikel 14 – Wettelijke rente Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht. Paragraaf 3.2 Periodieke beoordeling van een betalingsverplichting Artikel 15 – Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college 1.Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van de belanghebbende is gewijzigd kan het college een draagkrachtonderzoek instellen. 2.Zolang geen gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid aanwezig is stelt het college steeds binnen 24 maanden een draagkrachtonderzoek in. 3.Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting wordt de belanghebbende hiervan bij beschikking in kennis gesteld. 4.Een gewijzigde betalingsverplichting wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die beschikking. Artikel 16 – Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende 1.De belanghebbende kan een schriftelijk een met redenen omkleed verzoek doen tot wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting. 2.Het college neemt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek en besluit over dit verzoek. 3.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op, tenzij er sprake is van dringende redenen. Paragraaf 3.3 Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverpliching Artikel 17 – Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op basis van de execuoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb. Artikel 18 – Rente en kosten Indien wordt overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 17 wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. HOOFDSTUK 4 – BESTUURLIJKE BOETE Artikel 19 – Schriftelijke waarschuwing Wanneer het niet of niet volledige nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag legt het college geen boete op, maar volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. Artikel 20 – Verlagen boete wegens verminderde verwijtbaarheid 1.Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen. 2.Er is in ieder geval geen sprake van verminderde verwijtbaarheid als: De belanghebbende de inhoud van de correspondentie van het college niet begrijpt; De belanghebbende langere tijd niet in staat is zijn belangen te behartigen. Artikel 21 – Afzien van boete wegens dringende redenen 1.Het college ziet af van het opleggen van een boete als er sprake is van dringende redenen. Van dringende redenen is slechts sprake als de boete door zeer bijzondere individuele omstandigheden onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen heeft voor de belanghebbende en zijn gezin. 2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk aan de belanghebbende bekend gemaakt. Artikel 22 - Verordening van overeenkomstige toepassing bij pseudoverrekening Bij de verrekening, bedoeld in artikel 60a, eerste lid WWB is de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i WWB van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK 5 – VERHAAL Artikel 23 – Verhaal van kosten van bijstand 1.Het college verhaalt kosten van bijstand overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 6.5 van de WWB. 2.In afwijking van het eerste lid verhaalt het college de kosten van bijstand niet op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend. Artikel 24 Betalingstermijnen 1.De betalingstermijn voor een periodieke verhaalsbijdrage bedraagt zes weken, te rekenen vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarop de verhaalsbijdrage betrekking heeft. 2.De betalingstermijn voor verhaalsbijdragen ingevolge artikel 62f WWB bedraagt zes weken. Artikel 25 – Inning alimentatie door LBIO 1.Als de onderhoudsplichtige de door de rechtbank vastgestelde alimentatie niet, niet volledig of niet tijdig betaalt wordt bij beschikking aan de bijstandsgerechtigde op grond van artikel 55 WWB de verplichting opgelegd de alimentatie door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) te laten innen. De bijstandsgerechtigde moet het LBIO machtigen de ontvangen alimentatie te betalen aan de gemeente ter verrekening met de cessie. 2.Vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde beschikking is verzonden wordt de alimentatie op de uitkering in mindering gebracht, tot het moment waarop de bijstandsgerechtigde heeft aangetoond dat het LBIO de inning heeft overgenomen. 3.Verhaal ingevolge artikel 62b WWB vindt eerst plaats als inning door het LBIO zonder resultaat is gebleven. HOOFDSTUK 6 – SLOTBEPALINGEN Artikel 26 – Terugvordering re-integratievoorzieningen Het college kan besluiten kosten van voorzieningen bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b van de belanghebbende terug te vorderen indien: het de belanghebbende te verwijten is dat hij geen of geen volledig gebruik maakt van de aangeboden voorziening, of; het de belanghebbende te verwijten is dat de aangeboden voorziening met onvoldoende resultaat wordt afgesloten. Artikel 27 – Terugvordering WMO 1.Het college trekt een beschikking geheel of gedeeltelijk in overeenkomstig artikel 7.6 van de verordening <uitschrijven> en vordert de ten onrechte betaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terug ingevolge artikel 7.7 van die verordening. 2.De terugvordering vindt plaats binnen zes maanden na ontvangst van het verantwoordingsformulier. Na deze termijn vindt geen terugvordering van ten onrechte betaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget plaats. 3.Als de terugvordering minder dan €150,- bedraagt en er geen minnelijke terugbetaling heeft plaatsgevonden wordt de vordering afgeboekt. 4.Voor vorderingen kleiner dan €500,- wordt geen gerechtelijke procedure ingesteld. Artikel 28 – Wettelijke rente en kosten 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald worden voor de aanmaning de kosten bedoeld in artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht niet in rekening gebracht. 2.Voor de betekening en tenuitvoerlegging van het dwangbevel worden de kosten als genoemd in artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht niet in rekening gebracht. Artikel 29 – Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels terugvordering, verhaal en boete WWB, Ioaw en Ioaz gemeente Dantumadiel 2013”. Artikel 30 – Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2013. Toelichting Het college voert in medebewind een aantal socialezekerheidswetten uit. Op grond van deze wetten kan het college de uitkeringen die het verleend heeft terugvorderen of verhalen. Dit zijn aan het college toekomende bevoegdheden. Het college kan deze bevoegdheden nader inkaderen door middel van beleidsregels. Terugvordering Met inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten (Stb. 2012, 462) op 1 januari 2013 is de terugvorderingbevoegdheid gedeeltelijk ingeperkt en omgezet in een wettelijke verplichting. Het college is vanaf die datum verplicht om de uitkering die als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht ten onrechte is verleend volledig terug te vorderen. Deze verplichting geldt alleen voor vordering die na inwerkingtreding van de wet zijn ontstaan. Naast de bevoegdheid tot terugvordering zijn in de wetten ook drie andere gerelateerde bevoegdheden opgenomen: herzien of intrekken van het recht op uitkering; gebruik te maken van de in titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde mogelijkheden tot invordering van een geldschuld; en brutering van de vordering. Boete In 2013 is de bestuurlijke boete in werking getreden. Bij schending van de inlichtingenplicht moet het college een bestuurlijke boete opleggen die even hoog is als de ten onrechte ontvangen uitkering. Gemeenten hebben een beperkte ruimte om eigen beleid te formuleren. Verhaal Colleges kunnen kosten van bijstand verhalen op personen die hun wettelijke onderhoudsplicht jegens de perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.