Re-integratieverordening WWB IOAW IOAZ 2010PARAGRAAF1ALGEMENE BEPALINGEN Re-integratieverordening WWB IOAW IOAZ 2010 RE-INTEGRATIEVERORDENING WWB IOAW IOAZ 2010 Artikel1Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand; uitkeringsgerechtigde: persoon van 27 of ouder en beneden de leeftijd van 65 jaar die algemene bijstand ontvangen, een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ. Uitzondering op de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van Huizen zijn de gedetineerden die zich zullen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Huizen; Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet; Nugger: de niet uitkeringsgerechtigde, als bedoeld in artikel 6, lid 1 onder a van de wet; voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet, artikel 34 van de IOAW en artikel 34 van de IOAZ; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Huizen; UWV werkbedrijf: het onderdeel van UWV waar arbeidsbemiddeling en re-integratie bij elkaar komen; Awb: de Algemene wet bestuursrecht; werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet; trajectplan: een stapsgewijze en planmatige beschrijving van de wederzijdse verplichtingen, afspraken en in te zetten voorzieningen tussen de uitkeringsgerechtigde, de Anw-er of Nugger en de gemeente. startkwalificatie: (minimaal) een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 eerste lid onder b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs (een HAVO-, VWO-, of MBO-2 diploma). Algemeen geaccepteerde arbeid: werk dat maatschappelijk algemeen geaccepteerd is. PARAGRAAF2OPDRACHT AAN HET COLLEGE Artikel2Algemene opdracht 1.Het college biedt de uitkeringsgerechtigde, Anw-ers en Nuggers alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. 2.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. 3.Bij de keuze van de mogelijkheden van het aanbieden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Artikel3Sluitende aanpak 1.Met elke uitkeringsgerechtigde, Anw-er of Nugger wordt een trajectplan opgesteld en wordt een aanbod gedaan voor een voorziening of ondersteuning. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft bepaald dat voor de uitkeringsgerechtigde een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt. Artikel4Beleidsregels 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels op, waarin beleidsprioriteiten worden aangegeven. 2.Deze beleidsregels omvatten in elk geval: een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen; het flankerend beleid ten aanzien van zorg, kinderopvang en hulpverlening; 3.Bij de beleidsregels wordt het oordeel van de cliëntenraad gevoegd. Artikel5Criteria ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling 1.Het college kan, met inachtneming van artikel 9 tweede lid en artikel 9a van de wet, artikel 37a en 38 van de IOAW en de IOAZ, bepalen dat aan de uitkeringsgerechtigde, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 8 eerste lid van deze verordening genoemde verplichting. 2.Deze ontheffing geldt in ieder geval voor: een alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar waarvoor de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening niet mogelijk is; een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a van de wet en artikel 38 van de IOAW en IOAZ; de belanghebbende om sociale dan wel medische redenen niet in staat is om te werken. Ten aanzien van personen als bedoeld in het tweede lid onder b van dit artikel geldt dat de ontheffing eenmalig wordt verleend gedurende maximaal 6 jaar, ingaande op de dag van geboorte van het kind. Ontheffing van de arbeidsplicht wordt voor een periode van maximaal 12 maanden verleend. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Artikel6Aanspraak op ondersteuning 1.Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers, alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2.Er bestaat geen recht op een ondersteuning of een voorziening indien er sprake is van een voorliggende voorziening welke naar mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de belanghebbende. 3.Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening. PARAGRAAF3FINANCIËN Artikel7Wijze van ter beschikking stellen middelen 1.Indien het trajectplan is vastgesteld draagt het college zorg voor inkoop, aanmelding en betaling van de voorziening. 2.Aan de belanghebbende worden op voorhand geen geldelijke middelen ter beschikking gesteld, behoudens kosten die worden gemaakt in het in het kader van een traject en de in artikel 16 van deze verordening bedoelde kosten. PARAGRAAF4VOORWAARDEN EN VERPLICHTINGEN Artikel8Verplichtingen van de cliënt 1.Een uitkeringsgerechtigde aan wie door het college een voorziening aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 2.De persoon die deel neemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ, de Bbz, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3.Indien de uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan het gestelde in dit artikel, kan het college de uitkering afstemmen conform de Afstemmingsverordening WWB IOAW IOAZ 2010. 4.Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in dit artikel, kan het college de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel9Inkomen 1.De Anw-er of Nugger heeft recht op een volledige bijdrage in de kosten van aangeboden voorzieningen ingevolge deze verordening indien het gemiddelde netto gezinsmaandinkomen gedurende de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag minder bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde maanduitkering als genoemd in de artikelen 20 tot en met 30 van de wet. 2.Onder inkomen wordt verstaan het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de wet. 3.Indien het inkomen van belanghebbende boven het in het eerste lid genoemde bedrag ligt, wordt dit meerinkomen volledig meegenomen in de bepaling van de draagkracht. 4.De periode waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen, is dezelfde periode gedurende welke gebruik wordt gemaakt van de voorziening. 5.Teneinde het college in staat te stellen de hoogte van het inkomen te kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante inkomensgegevens met betrekking tot de in het eerste lid genoemde periode. Artikel10Vermogen 1.De Anw-er of Nugger heeft recht op een volledige tegemoetkoming in de kosten van de voorziening ingevolge deze verordening indien het vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet. 2.Indien het vermogen meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, wordt 100% van het meerdere als draagkracht in aanmerking genomen. 3.Bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen wordt uitgegaan van de stand van het vermogen ten tijde van het doen van de aanvraag. 4.Teneinde het college in staat te stellen de hoogte van het vermogen kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante gegevens omtrent het vermogen. PARAGRAAF5VOORZIENINGEN Artikel11Algemene bepalingen over de voorzieningen 1.Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot voorzieningen alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW en de IOAZ en deze verordening, aan het verstrekken van de voorziening nadere verplichtingen verbinden. 3.Het college kan een voorziening beëindigen: a.Indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, artikel 13 en 37 IOAW, artikel 13 en 37 IOAZ of in het eerste lid niet nakomt; b.Indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; c.Indien de persoon verhuist naar een andere gemeente; d.Indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; e.Indien naar oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; f.Indien de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening. Artikel12Startkwalificatie 1.Aan een uitkeringsgerechtigde die op grond van artikel 9a van de wet of artikel 38 van de IOAW of de IOAZ is vrijgesteld van de arbeidsverplichting wordt door het college een scholingsaanbod gedaan dat leidt tot het behalen van een startkwalificatie of een opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. 2.Voor een uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, als bedoeld in artikel 10a van de wet, artikel 38 a van de IOAW of de IOAZ en artikel 13 van deze verordening en die niet beschikt over een startkwalificatie, wordt binnen 6 maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan de vergroting van de kans op arbeidsinschakeling. 3.Het college betrekt in de beoordeling: a.het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert; b.de scholingswens van de belanghebbende; c.de eventuele test door het scholingsinstituut. Artikel13Participatieplaats Het college kan een uitkeringsgerechtigde die niet direct bemiddelbaar is, een participatieplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden conform artikel 10a van de wet of artikel 38 a van de IOAW of de IOAZ. Het doel van de participatieplaats is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie en daarnaast werken aan belemmeringen opgeworpen door persoonsgebonden factoren. De participatieplaats kan gecombineerd worden met een opleiding ter verkrijging van een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. De participatieplaats duurt maximaal 24 maanden met de mogelijkheid van verlenging van twee maal één jaar. Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, lid 6 van de wet, artikel 38 lid 6 van de IOAW, artikel 38 lid 6 van de IOAZ, een premie van telkens € 300,00 telkens nadat hij gedurende zes maanden additionele werkzaamheden heeft verricht. De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen zijn geschonden. Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel en omvang van de participatieplaats alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 14 Subsidie in loonkosten Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een uitkeringsgerechtigde, een Anw-er of Nugger een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan wel participatie. De loonkostensubsidie wordt verstrekt conform de voorwaarden genoemd in de “ Beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun” zoals opgenomen in de bijlage 1 bij deze verordening. De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. Artikel15Inkomstenvrijlating De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm en maximale toeslag, heeft recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid conform in artikel 31 tweede lid onder o van de wet. Artikel16Premies 1.Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie toekennen. 2.Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie toekennen met in achtneming van het gestelde in artikel 31, tweede lid onder j en k van de wet. 3.Het college stelt nadere regels op over de doelgroepen en de hoogte van de premies. Artikel17Overige kosten 1.Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling dan wel (maatschappelijke) participatie, voor zover deze niet worden vergoed door de werkgever. 2.Het college stelt nadere regels op over de doelgroep en de hoogte van de vergoeding. Artikel18Overige voorzieningen Het college kan aanvullend op de bestaande voorzieningen, een nieuwe voorziening aanbieden, mits deze gericht is op arbeidsinschakeling. PARAGRAAF6SLOTBEPALINGEN Artikel19Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt. Artikel20 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel21Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Re-integratieverordening WWB IOAW IOAZ 2010”. Artikel22Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de verordening “Re-integratieverordening 2004 Wet Werk en Bijstand” te vervallen. Artikel23Overgangsrecht 1.De belanghebbende die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in loondienst heeft aanvaard en op grond van de “Re-integratieverordening 2004 recht had op een premie, behoudt dit recht en ontvangt een premie ter hoogte van het gestelde in de nadere regels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010”. 2.De belanghebbende die maximaal 6 maanden voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in deeltijd of vrijwilligerswerk heeft aanvaard en dit ten tijde van de inwerkingtreding nog steeds uitoefent, ontvangt alsnog een premie ter hoogte van het gestelde in de nadere regels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010”. Bijlage 1behorende bij art.15 van de Re-integratieverordening WwbSubsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekendenDoelstelling van deze beleidsaanbevelingDeze beleidsaanbeveling kan gemeenten ontlasten van de administratieve verplichting – welke voortvloeit uit de regelgeving van de Europese Gemeenschap – om een samenvatting van de (loonkosten-) subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar re-integratieverordening) op te sturen naar de Europese Commissie en jaarlijks de Europese Commissie een verslag te verstrekken. De gemeente dient daartoe in haar re-integratieverordening deze beleidsaanbeveling te incorporeren en een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling op te nemen. Algemeen: de kwalificatie van gesubsidieerde arbeid als staatssteunVan verboden staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG is sprake, indien is voldaan aan de volgende omschrijving: een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijk handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Voorbeelden van steunmaatregelen zijn het verlenen van financiële voordelen door middel van bijvoorbeeld subsidies aan bepaalde sectoren (sectorale steunmaatregel) of aan ondernemingen in bepaalde regio’s (regionale steunmaatregel). Zodra aan bepaalde ondernemingen met staatsmiddelen een voordeel wordt verschaft, is het ter beoordeling van de Commissie of ten gevolge van de vervalsing van de mededinging, het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Daartoe strekt de aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen (artikel 88 lid 3 EG); alleen indien een vrijstellingsverordening toepasselijk is, is aanmelding niet noodzakelijk. Gesubsidieerde arbeid (meer in het algemeen: loonkostensubsidie) kan, indien er sprake is van een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen, aangemerkt worden als een aanmeldingsplichtige steunmaatregel. Hiervan is echter in ieder geval geen sprake indien: er sprake is van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen, in alle sectoren van de economie in heel Nederland; of de subsidieontvanger geen economische activiteit uitvoert. De Europese regels inzake staatssteun in relatie tot. de gemeentelijke re-integratieverordeningGemeenten kunnen met tal van subsidieregelingen de re-integratie van werkzoekenden bevorderen: voor de beoordeling in hoeverre er daarbij sprake kan zijn van staatssteun is het volgende onderscheid van belang: A: subsidieregelingen die direct de werknemer subsidiërenTe denken valt daarbij ondermeer aan stimuleringspremies aan werkzoekenden bij het aanvaarden van een betrekking. De premie dient direct te worden betaald aan de werknemer. In dat geval is er geen staatssteun volgens het Verdrag; gemeenten hoeven niet aan te melden en hoeven geen goedkeuring te vragen aan de Europese Commissie. B: generieke regelingen (maatregelen die voor alle bedrijven gelden in alle sectoren). Een lokale subsidieregeling kan een generieke regeling zijn wanneer ieder bedrijf of onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie wanneer deze onderneming een uitkeringsgerechtigde van de betreffende gemeente in dienst neemt. Dit is ook geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke bedrijven of sectoren van. NB: Wanneer bijvoorbeeld andere dan lokale ondernemers van de subsidiëring zijn uitgesloten, of wanneer de subsidiemogelijkheid is voorbehouden aan een bepaalde onderneming of sector dan geldt de subsidieregeling per definitie als specifieke steunmaatregel en is er dus sprake van staatssteun. C: subsidieregelingen die organisaties subsidiëren die geen economische activiteiten verrichtenVoorzover gemeenten (loonkosten-) subsidies verstrekken aan organisaties die geen economische activiteiten verrichten, worden deze niet aangemerkt als staatssteun. D: overige werkgelegenheidsmaatregelen: Gemeenten doen er verstandig aan er op te letten dat (loonkosten-) subsidies die wel als staatssteun zouden kunnen worden aangemerkt voldoen aan de bepalingen van de (EG) vrijstellingsverordeningen – in het bijzonder de Verordening werkgelegenheidssteun. Het is bovendien van belang dat de gemeente in haar re-integratieverordening een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opneemt. Dit voorkomt dat de gemeente een samenvatting van de subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar re-integratieverordening) dient op te sturen naar de Europese Commissie en de Commissie jaarlijks dient te informeren over de toepassing van de Verordening werkgelegenheidssteun. Indien de gemeentelijke re-integratieverordening niet voldoet aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun, kan worden nagegaan of de Verordening de minimissteun van toepassing is. Als deze evenmin van toepassing is, dient – afhankelijk van de situatie – de subsidieregeling dan wel de individuele (loonkosten-) subsidie door de gemeente te worden aangemeld bij de Europese Commissie. De belangrijkste voorwaarden waar de gemeentelijke subsidieregeling vanuit de Verordening werkgelegenheidssteun aan dient te voldoen zijn: a. doelgroepen en steunintensiteitVoorzover de subsidieverlening betrekking heeft op loonkosten in verband met de indienstneming van benadeelde of gehandicapte werknemers gelden de volgende plafonds (bruto steunintensiteiten): 50 procent (voor benadeelde werknemers) en 60 procent van de loonkosten (voor gehandicapte werknemers). Voor beide genoemde groepen (benadeelde en gehandicapte werknemers) is het overigens eveneens toegestaan om niet een forfaitair percentage van de loonkosten te hanteren maar de optelsom van de kosten van compensatie van de eventueel lagere productiviteit en de kosten van begeleiding, werkplekaanpassingen en apparatuur (dit laatste geldt specifiek alleen voor gehandicapte werknemers). Voorwaarde is daarbij wel dat er een individueel dossier wordt bijgehouden waarin alle informatie wordt opgenomen die het voor de Europese Commissie desgewenst mogelijk maakt om te beoordelen of aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun is voldaan. b. duur van het arbeidscontract:Behalve in het geval van gewettigd ontslag, moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.