Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente RozendaalRAADSBESLUIT De raad van de gemeente Rozendaal; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 oktober 2014, nummer MJ-14-38; Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en e van de Participatiewet en artikel 20, 35, eerste lid, aanhef en onder b en d en artikel 38, twaalfde lid van de Wet inkomensvoorziening oiudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 20, 35 en 38, twaalfde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen twaalfde lid; Overwegende dat het noodzakelijk is om het verlagen van de bijstand en het weigeren en verlagen van een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ bij verordening te regelen; BESLUIT: Vast te stellen de navolgende verordening: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Rozendaal Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven in lid 2, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. In deze verordening wordt verstaan onder: college : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rozendaal; uitkering : bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ; bijstand : de bijstand als bedoeld in artikel 5, sub a van de Participatiewet d.bijstandsnorm : de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c Participatiewet of, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ; e benadelingsbedrag : de netto uitkering op grond van de Participatiewet waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. f.wet : De Participatiewet, IOAW en IOAZ Artikel2Het besluit tot opleggen van een verlaging 1.In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid, artikel 18 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en als bedoeld in deze verordening worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging en het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, alsmede - indien van toepassing- de reden om af te wijken van de standaard verlaging. 2.Het college stemt de uitkering van belanghebbende af door een verlaging of weigering van de uitkering indien: belanghebbende niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt die voortvloeien uit de wet, met inbegrip van de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning of voortzetting van de uitkering zijn opgenomen; belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, dan wel de uit de wet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Onder de uit de wet voortvloeiende verplichtingen wordt niet verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen 3.Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de vaststelling van de verwijtbaarheid en de omstandigheden, als bedoeld in artikel 18 lid 10 van de Participatiewet, waarin hij verkeert. Artikel3Horen van belanghebbende Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb. Artikel4Afzien van verlaging 1.Van het verlagen van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2.Het college kan besluiten af te zien van het opleggen van een verlaging als er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 18 lid 10 van de Participatiewet. Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. De gedraging telt wel mee voor de recidive. Artikel5Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende betaling van de uitkering nadat het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen. 2.In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering indien het besluit tot de verlaging samenvalt met het besluit tot toekenning van uitkering. 3.Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering inmiddels is beëindigd, dan wordt de verlaging alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte uitkering. 4.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog tenuitvoergelegd als belanghebbende binnen een jaar nadat de uitkering is ingetrokken of beëindigd een nieuwe aanvraag om uitkering heeft ingediend. Artikel6Berekeningsgrondslag De verlaging wordt toegepast op de uitkering. Hoofdstuk2Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel7Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, of 9a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1.Eerste categorie Het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet door personen tot 27 jaar; Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 Participatiewet, voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; Het door houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 Participatiewet; Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c Participatiewet. Derde categorie Het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; Artikel8Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 20, 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1.Eerste categorie Het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Tweede categorie Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Derde categorie Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; Het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid indien - aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; - de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; Het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; Het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a en b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder a en b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel9Hoogte en duur van de verlaging 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 3 wordt de verlaging op de uitkering, als bedoeld in artikel 7 en 8 gedurende een maand vastgesteld op: € 55,00 bij een gedraging uit categorie 1; € 220,00 bij een gedraging uit categorie 2; De gehele bijstandsnorm bij een gedraging uit categorie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.