Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Veenendaal houdende regels omtrent toegang en toeleiding jeugdhulp (Verordening jeugdhulp gemeente Veenendaal)De raad van de gemeente Veenendaal; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 september 2014, nummer 2014.00065; overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; de gemeente Veenendaal als uitgangspunt hanteert één gezin, één plan en één aanspreekpunt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemeen toegankelijke voorzieningen; de wijze van afstemming met andere voorzieningen; de wijze waarop een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; de bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; gelet op artikel 2.9, 2,10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet. besluit: vast te stellen de Verordening toegang en toeleiding jeugdhulp Veenendaal. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.andere voorziening: voorziening niet vallend onder de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b.gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6; c.ondersteuningsvraag: de behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; d.cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; e.familiegroepsplan: f.ondersteuningsplan: het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; g.individuele voorziening: via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; h.algemeen toegankelijke voorzieningen: overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist; i.pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; j.wet: Jeugdwet. k. gebruikelijke hulp: hulp of zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders; l. hulp uit het sociale netwerk: natuurlijk persoon die jeugdhulp verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de jeugdige of zijn ouders bestaande sociale relatie, tenzij die jeugdhulp beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. Artikel2Vormen van jeugdhulp 1.De algemeen toegankelijke voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van laagdrempelige kortdurende ondersteuning die tot doel heeft om opvoedingsverantwoordelijken te ondersteunen in het verbeteren van de eigen opvoedsituatie. 2.Individuele voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van ondersteuning: die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag op één of meerdere levensterreinen (intensieve ondersteuning); die betrekking heeft op een deel van het vakgebied van de jeugdhulp en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische ondersteuning); die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische intensieve ondersteuning); waar een hoge drempel voor geldt en alleen kan worden overwogen als alle andere vormen van ondersteuning niet voldoen (excluderende ondersteuning). 3.Het college stelt bij nadere regeling vast welke algemeen toegankelijke en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn. Artikel3Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kunnen jeugdigen of ouders rechtstreeks verwijzen naar een algemeen toegankelijke voorziening. Artikel4Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen of ouders met een ondersteuningsvraag kunnen het college verzoeken om toeleiding naar een voorziening voor jeugdhulp. 2.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 3.Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemeen toegankelijke voorziening. Hoofdstuk2Ondersteuningsvraag Artikel5Ontvangstbevestiging en vooronderzoek 1.Het college bevestigt de ontvangst van een ondersteuningsvraag schriftelijk. 2.Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek met de jeugdige of zijn ouders Hierbij brengt het college de de jeugdige of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid: om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan op te stellen; dat als de jeugdige of zijn ouders om ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan verzoeken, het college daarvoor zorg draagt; en zich tijdens het gesprek te kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner. 3.Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 4.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid. Artikel6Gesprek of onderzoek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met deskundigen, de jeugdige of zijn ouders en voor zover van toepassing de cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voorzover nodig: de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; het gewenste resultaat en of daartoe jeugdhulp is benodigd; het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemeen toegankelijke voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te treffen; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen of veiligheid; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij in begrijpelijke bewoordingen wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van die keuze. 2.[vervallen op 28-02-2017] 3.Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het gesprek. 4.Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 5.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel7Verslag of plan 1.Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, waarin ook het oordeel van het college over de wenselijkheid van een individuele of algemeen toegankelijke voorziening wordt vastgelegd onder vermelding van de aan de jeugdige of zijn ouders kenbaar gemaakte gevolgen. 2.Indien het gesprek naar het oordeel van het college leidt tot de wenselijkheid van een individuele voorziening wordt een ondersteuningsplan opgesteld, tenzij dit gelet op de aard van de te leveren hulp niet noodzakelijk is. 3.Binnen 10 werkdagen na afronding van het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het verslag en, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. 4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden toegevoegd aan het verslag of, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. Hoofdstuk3Verstrekken individuele voorziening Artikel8Aanvraag 1.Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college bevestigt een mondelinge aanvraag schriftelijk. 3.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek of ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat hebben aangegeven op het verslag of het ondersteuningsplan. 4.Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 6 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 6, derde lid. Artikel9Verstrekking individuele voorziening 1.Het college neemt het verslag van het gesprek of in voorkomend geval het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. 2.Het college kan een individuele voorziening verstrekken voor zover in het verslag of plan zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, is vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en deze: op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening; geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening; 3.Het college verstrekt een individuele voorziening als een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder na een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, eerste lid onder a. tot en met h van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.