Wwb 5.2 Draagkracht De bijzondere bijstand is een vangnet, bedoeld voor inwoners die het echt nodig hebben. Of iemand het echt nodig heeft, is ook afhankelijk van het inkomen dat iemand krijgt, of het vermogen dat iemand heeft. In hoofdstuk 1 zijn de begrippen meerinkomen en vermogen uitgelegd. Wij vinden dat iemand zelf (een gedeelte) van de kosten kan betalen als het inkomen van het huishouden hoger is dan de bijstandsnorm die voor dat huishouden geldt. Of wanneer de kosten uit het aanwezige vermogen betaald kunnen worden. Draagkracht uit vermogen Als iemand een saldo op zijn bankrekening heeft dat hoger is dan de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, betekent dat niet dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Iedereen heeft een saldo nodig op de lopende rekening om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. De huur moet immers betaald worden en er moeten boodschappen worden gedaan. Daarom houden wij bij de beoordeling van de draagkracht rekening met een vrij te laten vermogen. Wanneer er sprake is van een aanvraag waarvoor de kosten die voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen lager zijn dan € 350,00 houden we alleen rekening met het vermogen waarover iemand direct kan beschikken (geld op de bankrekening). Als de kosten hoger zijn dan € 350,00 houden we rekening met alle vermogensbestanddelen zoals beschreven in de Participatiewet (onder andere eigen huis, auto en levensverzekering). Sparen voor de uitvaart Veel mensen hebben geld gespaard voor hun uitvaart, bijvoorbeeld omdat zij daar geen verzekering voor hebben afgesloten. Onder bepaalde voorwaarden laten wij dat gespaarde bedrag vrij. De voorwaarden zijn dat: Het geld op een aparte en daarvoor bedoelde spaarrekening staat (deposito); Er geen uitvaartverzekering is afgesloten; Het gespaarde bedrag lager is dan de kosten van een uitvaart volgens het Nibud. Het vrij te laten vermogen voor de bijzondere bijstand in Doetinchem is tweemaal de bijstandsnorm die voor het huishouden geldt. Bij de berekening van het vermogen houden we geen rekening met de vrijlating op grond van artikel 34, tweede lid WWB. Voorbeeld: Mevrouw maakt kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. De kosten bedragen € 250,-. Mevrouw heeft op de bankrekening een saldo van € 4.400,- Haar bijstandsnorm is € 1.000,- per maand. De vermogensvrijlating voor mevrouw bedraagt € 2.000,- (tweemaal € 1000,-). Mevrouw krijgt geen bijzondere bijstand. Zij kan de kosten betalen uit het saldo op de bankrekening. Draagkracht uit inkomen Bijzondere bijstand is er niet alleen voor inwoners met een bijstandsuitkering. Ook inwoners met een ander inkomen of met een inkomen boven bijstandsniveau kunnen in aanmerking komen voor de bijzondere bijstand. Wel berekenen we dan in hoeverre iemand de kosten zelf kan betalen. Een gedeelte van het meerinkomen wordt dan ingezet als draagkracht. De draagkracht wordt in mindering gebracht op de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Per inkomensgrens verschilt het gedeelte van het meerinkomen dat wordt ingezet als draagkracht. Wanneer er sprake is van een meerinkomen, kunnen bijvoorbeeld de toeslagen van de Belastingdienst lager uitvallen of bestaat er geen recht op kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Daarom berekenen wij niet het gehele meerinkomen als draagkracht, maar een gedeelte. Het betekent ook dat wij niet apart berekenen wat iemand mist aan inkomensondersteuning, omdat hij een hoger inkomen heeft. Reden waarom we kiezen voor deze systematiek is het beperken van de armoedeval en het tegengaan van ingewikkeldheid. Welke inkomsten wij meenemen in de berekening zijn beschreven in artikel 31 van de Wwb. Wij houden geen rekening met de vrijlatingen die in het tweede lid van artikel 31 zijn beschreven. Wanneer inwoners een inkomen hebben boven de bijstandsnorm die voor hun geldt, berekenen we de draagkracht. De draagkracht is bij een - Meerinkomen tussen de 100 % en 120 % :10 % van het meerinkomen - Meerinkomen tussen de 130 % en 150 % : 50 % van het meerinkomen - Meerinkomen boven de 150% :100 % van het meerinkomen Meneer en mevrouw hebben een inkomen van € 1300,- per maand. De bijstandsnorm is € 1250,- per maand. Het meerinkomen is € 50,- per maand en € 600,- per jaar (12 maand x € 50,-). Dat is binnen de 110% van het meerinkomen. Daarom rekenen we 10% van het meerinkomen als draagkracht. De draagkracht is voor meneer en mevrouw € 60,00. (10 % x € 600,-) De kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen zijn € 200,- Meneer en mevrouw krijgen € 140,- van de gemeente (€ 200 -/- € 60 = € 140,-) Draagkrachtperiode De draagkracht uit het inkomen wordt berekend over een heel jaar, dus over een periode van twaalf maanden. De periode begint op het moment waarop de hulpvraag is gemeld. Of waarop de kosten zijn ontstaan.
t/m artikel 35 Wwb 5.3 Drempelbedrag De gemeente Doetinchem gebruikt geen drempelbedrag. Het doel van de drempel is het voorkomen van aanvragen voor kosten lager dan € 128,00 (bedrag per 1 januari 2014). Gemeenten kunnen daarvan gebruik maken omdat zij vinden dat dit bedrag door inwoners zelf betaald kan worden. Maar ook om niet teveel tijd te besteden aan aanvragen voor een “gering” bedrag. De gemeente Doetinchem maakt geen gebruik van deze mogelijkheid. De winst in de uitvoering is bij het hanteren van een drempelbedrag gering. Er moet nog steeds een beoordeling worden gemaakt of de kosten voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen en op de aanvraag moet nog altijd beslist worden. Een andere reden is dat het zelf betalen van een drempelbedrag niet voor iedereen mogelijk is. Inwoners komen niet voor niets bij de gemeente met hun hulpvraag. 5.4 De duur van de bijzondere bijstand Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor éénmalige kosten, de zogenaamde incidentele bijstand. Maar ook voor periodieke kosten. Daarvoor wordt dan periodieke bijzondere bijstand toegekend. De periodieke bijzondere bijstand wordt in Doetinchem toegekend voor een periode van maximaal één jaar. In een jaar kan er veel veranderen; Bijvoorbeeld het inkomen of het vermogen. Of in de persoonlijke situatie, bijvoorbeeld door verhuizing. Die veranderingen hebben gevolgen voor de toegekende bijzondere bijstand. 5.5 Vorm van de bijzondere bijstand Meestal is de bijzondere bijstand een gift: geld dat je krijgt van de gemeente. De wet noemt dat bijstand om-niet. Maar bijzondere bijstand kan ook in andere vormen worden verstrekt: Geldlening Bijzondere bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een geldlening. De Wet werk en bijstand schrijft voor wanneer de bijstand in ieder geval met een geldlening kan worden verstrekt: Bijstand voor de kosten van woninginrichting (op termijn) Voldoende middelen Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Bijstand voor een waarborgsom Bijstand voor schulden Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening moet worden terugbetaald. De regels die gelden voor het terugbetalen van de lening zijn niet beschreven in deze beleidsregels, maar in de Regels terug- en invordering van de gemeente Doetinchem 2013. Borgstelling Soms moet iemand een lening aanvragen voor de kosten die gemaakt moeten worden bij een bank, of andere kredietverstrekker. De lening die je kunt krijgen is een voorliggende voorziening op de bijzondere bijstand. Bijvoorbeeld een lening bij de Stadsbank voor de kosten van woninginrichting. Soms is het nodig dat iemand borg staat voor de lening die wordt afgesloten. Dat betekent dat wanneer de aflossingsverplichtingen niet worden nagekomen, de gemeente Doetinchem de aflossingverplichtingen overneemt. (Een deel van) De schuld bij de bank of kredietverstrekker wordt dan overgenomen door de gemeente Doetinchem. De schuld moet vervolgens door die persoon aan de gemeente worden terugbetaald. Natura De bijzondere bijstand kan in “natura” worden betaald. Dat betekent dat er geen geld wordt gegeven, maar een product of dienst.
, 51 en 57 Wwb 6.Enkele kostensoorten verder beschreven Voor een aantal kostensoorten willen we de regels beschrijven. Dat zijn de kostensoorten waarvoor we buitenwettelijk beleid hebben opgesteld, of kostensoorten die we verder willen uitleggen: Kosten voor woninginrichting Kosten voor een uitvaart Woonkosten 6.1 Woninginrichting Kosten voor woninginrichting maken we allemaal wel eens. De wasmachine gaat bijvoorbeeld kapot en is aan vervanging toe. Of door het beëindigen van de relatie verhuist iemand en moet de woning ingericht worden. Het geld om de spullen voor de woning (ook woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen genoemd) aan te schaffen of te vervangen is er niet altijd. Terwijl de kosten wel gemaakt moeten worden. In de regel is er geen bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten. De wet beschrijft dat deze kosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en dat de kosten uit het inkomen kunnen en moeten worden betaald. Ook wanneer het inkomen niet hoog is. Zelfs van een inkomen op bijstandsniveau wordt verwacht dat mensen sparen. Als iemand niet kan werken en langdurig is aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau wordt de mogelijkheid om te sparen wel moeilijk. Voor die personen is er een individuele inkomenstoeslag (tot 2015 langdurigheidstoeslag). Die toeslag geeft inwoners de financiële ruimte om te reserveren en daarmee de mogelijkheid spullen in huis te vervangen. In de praktijk blijkt het toch voor veel inwoners met een laag inkomen moeilijk om geld te sparen voor deze kosten. En is het geld uit de individuele inkomenstoeslag nodig om andere kosten te betalen. Als inwoners zich melden met een hulpvraag voor de kosten voor woninginrichting gaan we in gesprek. Belangrijke vragen in het gesprek kunnen zijn: Hoe is uw financiële situatie, is het noodzakelijk dat een nieuwe wasmachine wordt gekocht, waarom heeft u niet gespaard voor deze kosten, waarom is het nodig dat u nu verhuist, heeft u bij het beëindigen van de relatie afspraken gemaakt over het verdelen van de gezamenlijke inboedel? Op basis van dit gesprek beoordeelt de klantmanager of er bijzondere omstandigheden zijn om de inwoner te ondersteunen. Soms zijn er mogelijkheden om tot een oplossing te komen van de hulpvraag. Bijvoorbeeld omdat de goederen voor veel minder geld kunnen worden gekocht bij de kringloopwinkel of via Marktplaats, waardoor de kosten wel door iemand te betalen zijn. Of omdat bij het beëindigen van de relatie ook afspraken gemaakt worden over de verdeling van de inboedel. Als er geen andere mogelijkheden zijn en de kosten toch gemaakt moeten worden, adviseren wij inwoners geld te lenen. Dat is namelijk een voorliggende voorziening op de bijzondere bijstand. De stadsbank verstrekt dan een lening waarmee de spullen kunnen worden gekocht. Wanneer de stadsbank geen lening kan verstrekken, of de lening niet genoeg is kijken wij of de gemeente een lening kan verstrekken. Soms geven we geld, zonder dat het terugbetaald moet worden. Dat doen we voor bijvoorbeeld inwoners die recent een verblijfsvergunning hebben gekregen en na het verblijf in het asielzoekerscentrum voor het eerst huisvesting krijgen in de gemeente Doetinchem. Wat is in de woonruimte echt nodig? Je hebt in je woning goederen nodig om te kunnen wonen. Maar niet alle goederen die in een volledig ingerichte woning staan zijn echt noodzakelijk. Wanneer wij bijzondere bijstand verstrekken moeten de goederen echt nodig zijn om te kunnen wonen. Een bed is bijvoorbeeld echt nodig, net als een koelkast. Een televisie, of een deurmat zijn voorbeelden van goederen die niet echt nodig zijn en daarom niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Maximaal 70% van het “Nibud” Wanneer we bijzondere bijstand verstrekken voor de kosten van woninginrichting houden we rekening met een maximale prijs voor goederen. Daarvoor gebruiken we de bedragen van de prijzengids van het Nibud. De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal 70% van de kostprijs die het Nibud rekent. We vergoeden niet tot de 100%, omdat tegenwoordig veel tweedehands kan worden aangeschaft. Bijvoorbeeld via de kringloopwinkels, Minimannamarkt of Marktplaats. 6.2 Begrafenis of crematie Iedereen krijgt een keer mee te maken met de kosten van de uitvaart. De meeste mensen sluiten voor de kosten van een uitvaart een verzekering af, of hebben daarvoor geld opzij gezet. Toch zijn er mensen die dat niet doen en de kosten van de uitvaart overlaten aan de nabestaanden. Wij vinden het belangrijk dat inwoners zich goed verzekeren voor de kosten van de uitvaart of daar geld voor hebben gespaard. Daarnaast hebben de nabestaanden daarin ook een verantwoordelijkheid. Vaak zijn de nabestaanden de partner en/of kinderen van de overledene, waardoor dit gesprek over de verantwoordelijkheid ook gevoerd kan worden. Dat er geen geld is voor een uitvaart is geen reden om iemand niet te begraven, of te cremeren. Wettelijk is geregeld dat mensen binnen een aantal dagen begraven of gecremeerd moeten worden. Wel is er de Wet op de lijkbezorging. Er zijn situaties waarin niemand de opdracht kan of wil geven voor een uitvaart. In die situaties regelt de gemeente dat iemand toch een (hele sobere) uitvaart krijgt. De kosten worden voor zover mogelijk verhaald op de erfenis en wanneer de erfenis onvoldoende is op de nabestaanden. Wij vinden het te gemakkelijk om de kosten van een uitvaart (en de verantwoordelijkheid) af te wentelen op de bijzondere bijstand als er geen verzekering is, of wanneer er geen geld is om de rekening te betalen. In eerste instantie verwachten wij van de nabestaanden de bereidheid om samen voor een oplossing te zorgen van dit probleem. Soms kunnen de kosten door de nabestaanden worden voldaan uit de erfenis, of uit de eigen middelen van alle nabestaanden. In die situaties waarin dat kan vinden wij het niet noodzakelijk om bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van een uitvaart. Alleen in hele bijzondere situaties ondersteunen wij in de kosten van een uitvaart met bijzondere bijstand en alleen wanneer het echt nodig is. Daarom voeren wij met de nabestaanden een gesprek. Wanneer we bijzondere bijstand verstrekken is het voor de hoogst noodzakelijke kosten en maximaal ter hoogte van de kosten die het Nibud (bron uitvaart.nl) daarvoor rekent. De bedragen zijn op te vragen bij de klantmanagers van het Bureau voor financiële ondersteuning. 6.3 Woonkostentoeslag Wanneer je in een huis woont, betaal je in de regel woonkosten. Onder woonkosten in de woonkostentoeslag worden de kosten van huur voor een huurwoning bedoeld en voor een eigen woning de rente voor de hypotheek, zakelijke lasten en onderhoud. Een woning koop of huur je meestal voor een langere tijd. Bij de keuze voor de woning verwachten wij dat rekening is gehouden met de persoonlijke en financiële situatie op dat moment, maar ook voor de situatie in de toekomst. Toch gebeurt het dat inwoners door veranderingen in de situatie komen dat ze de woonkosten niet meer kunnen betalen. Bijvoorbeeld door een plotselinge daling van het inkomen of door een echtscheiding. Er moet dan worden gezocht naar woonruimte die past bij het inkomen. Dat kost tijd en in de periode van overbrugging moeten de woonkosten wel worden betaald. In uitzonderlijke situaties ondersteunt de gemeente met bijzondere bijstand voor de kosten van de huur of voor de kosten van de eigen woning. Die ondersteuning wordt woonkostentoeslag genoemd. Huurwoning Voor de kosten van huur is de Wet op de Huurtoeslag een voorliggende voorziening. De Huurtoeslag is inkomensafhankelijk. Dat betekent dat de hoogte van de toeslag wordt vastgesteld op basis van het inkomen. Wijzigingen in het inkomen of de persoonlijke situatie kunnen direct gewijzigd worden. Woonkostentoeslag voor de huur is daarom in het begin niet mogelijk. Als iemand een woning huurt boven de maximale huurgrens, bestaat er geen recht op Huurtoeslag. Is er sprake van een bijzondere situatie dan kan er ter overbrugging bijzondere bijstand worden verstrekt. De duur is zo beperkt mogelijk. We verwachten dat inwoners actief op zoek gaan naar huisvesting die past bij hun inkomen. Eigen woning Voor een eigen woning is er geen toeslag, zoals de huurtoeslag. Wel is er de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) waarop een beroep kan worden gedaan. Als er geen beroep kan worden gedaan op de NHG kan in bijzonder situaties bijzondere bijstand worden verstrekt. Wij verwachten dat inwoners er alles aan doen om hun woning te verkopen en op zoek gaan naar passende en betaalbare woonruimte. De bijzondere bijstand is bedoeld ter overbrugging en daarom tijdelijk van aard. Inspanningsverplichting In de periode dat wij inwoners ondersteunen met bijzondere bijstand verwachten wij wel wat terug; Een inspanningsverplichting. Wij verplichten inwoners er alles aan te doen de eigen woning te verkopen en huisvesting te vinden die past bij hun financiële situatie. Hierbij moet gedacht worden: Bij een eigen woning: De woning te koop aanbieden Het inschakelen van een makelaar Een reële vraagprijs vaststellen (op of onder de WOZ-waarde) Geen aanbod weigeren, als het aanbod op of rond de vraagprijs is Inschrijven bij de woningbouwcorporatie Bij een huurwoning: Inschrijven bij de woningbouwcorporatie Maandelijks meerdere malen reageren op woningen uit het huuraanbod Geen goedkoper beschikbare woning accepteren als daar geen gegronde reden voor is Voorwaarden voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag: Er moet sprake zijn van een bijzondere situatie. De woonkostentoeslag is bedoeld om woonkosten te compenseren ter overbrugging naar huisvesting die past bij de financiële situatie Bij woonkosten boven de maximale huurgrens leggen wij inwoners een inspannings-verplichting op; Inwoners moeten actief op zoek naar passende en betaalbare woonruimte. Elke drie maanden bespreken wij de wijze waarop de inwoner de inspanningsverplichting nakomt. De duur van de woonkostentoeslag is in de regel een half jaar. Alleen wanneer wij van oordeel zijn dat de inwoner alles heeft gedaan passende en betaalbare woonruimte te krijgen en het niet is gelukt binnen een periode van een half jaar, verlengen we de periode tot een maximale periode van twee jaar. Bij de berekening voor woonkostentoeslag voor woningeigenaren houden wij rekening met de belastingaftrek. In tegenstelling tot de draagkrachtregels, wordt bij de woonkostentoeslag het volledige meerinkomen boven bijstandsniveau berekend en ingezet als draagkracht. De hoogte van de bijzondere bijstand voor de woonkosten tot de maximale huurgrens wordt berekend volgens de systematiek van de Huurtoeslag. De hoogte van de bijzondere bijstand voor woonkosten boven de maximale huurgrens is gemaximaliseerd en wordt afgebouwd: € 400,- per maand voor het eerste half jaar € 250,- per maand voor het tweede half jaar € 100,- per maand voor het tweede jaar Aldus door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 30 september 2014, Burgemeester, secretaris,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.