artikel 10 Inlichtingen en verantwoording artikelen 11 en 12 HOOFDSTUK IV Het dagelijks bestuur Samenstelling artikel 13 Werkwijze artikel 14
artikelen 15 en 16 Inlichtingen en verantwoording artikel 17 HOOFDSTUK V De voorzitter -De voorzitter artikelen 18, 19 en 20 HOOFDSTUK VI Ondersteuning bestuur -De secretaris artikel 21 en 22 HOOFDSTUK VII Extern klachtrecht -Ombudsman artikel 23 HOOFDSTUK VIII Commissies -Commissies artikel 24 HOOFDSTUK IX Financiële bepalingen Begroting van het lichaam artikel 25 Rekening van het lichaam artikel 26 HOOFDSTUK X Geschillen -Geschillen artikel 27 HOOFDSTUK XI Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Toetreding artikel 28 Uittreding artikel 29 Wijziging artikel 30 Opheffing artikel 31 HOOFDSTUK XII Overgangs- en slotbepalingen Overgangsbepaling artikel 32 Inwerkingtreding artikel 33 Slotbepalingen artikelen 34 en 35 HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: ) ‘de regeling’: de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond; ) ‘het lichaam’: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 2; ) ‘de gemeente’: een aan deze regeling deelnemende gemeente; ) ‘subregio’: cluster van twee of meer gemeenten; ) ‘colleges’: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; ) ‘bovenlokale taken’: gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet waarvan de deelnemende colleges hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd; g) ‘de uitvoerende gemeente’: de door het algemeen bestuur aangewezen gemeente die in opdracht van en namens het algemeen of dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van bovenlokale taken. Het openbaar lichaam Artikel 2
Het algemeen bestuur wijst de uitvoerende gemeente aan, besluit over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente en de wijze waarop de hiermee gemoeide kosten worden doorberekend aan de gemeenten (de verrekeningssystematiek) voor de vaststelling van hun financiële bijdrage. Het algemeen bestuur besluit met unanimiteit van stemmen over de verrekeningssystematiek voor de vaststelling van de financiële bijdragen. Het algemeen bestuur neemt een apart besluit met unanimiteit van stemmen over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente (inclusief de inzet van de secretaris). Op basis hiervan wordt een overeenkomst met de uitvoerende gemeente aangegaan en worden bijbehorende mandaten en machtigingen verleend. Bij dit besluit heeft het lid dat namens de uitvoerende gemeente in het bestuur zit geen stemrecht. Verder behoren alle andere
in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, aan het algemeen bestuur. Inlichtingen en verantwoording Artikel 11
Het dagelijks bestuur is belast met: een voortdurend toezicht op al wat het lichaam aangaat; het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd; het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur; het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang is; het beheer van inkomsten en uitgaven van het lichaam; de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit. de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, overeenkomstig de in het kader van artikel 40 van de Archiefwet 1995 geldende regeling (Archiefverordening) van de uitvoerende gemeente; de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het bestuur van de regeling gedelegeerde taken. Artikel 16 Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dat bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende
uit, met uitzondering van: het vaststellen en wijzigen van de begroting; het vaststellen van de rekening; het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig hoofdstuk XI van deze regeling; het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan. Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid doet het dagelijks bestuur onverwijld mededeling aan de gemeenten. Inlichtingen en verantwoording Artikel 17
uit ten aanzien van de secretaris. De secretaris is tevens werkzaam bij de uitvoerende gemeente. De secretaris treft met instemming van het dagelijks bestuur een regeling voor zijn vervanging bij zijn verhindering of ontstentenis.
krijgt. Aldus is sprake van een vorm van inbesteding, waardoor de door de uitvoerende gemeente geleverde prestaties vrijgesteld zijn van een eventuele verplichting om aan te besteden. Of voor alle prestaties dan ook geen BTW-heffing aan de orde is, staat nog te bezien. Deze regeling is sober opgezet. Nadrukkelijk is er voor gekozen om in de tekst niet datgene te regelen waarin de Wet gemeenschappelijke regelingen al voorziet. In de hiernavolgende toelichting zijn verwijzingen naar die wet wel opgenomen. Nadere regelgeving kan worden opgenomen in reglementen van orde, om qua werkwijze en procedures zo flexibel mogelijk te kunnen opereren. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 en artikel 2 naamgeving, begripsbepalingen Met de naam Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond, wordt iets afgeweken van de benamingen van de GGD en de Veiligheidsregio, waarbij de aanduiding ‘Rotterdam-Rijnmond’ is. Zoals hierboven al aangegeven, is de relatie met Rotterdam als uitvoerende gemeente iets anders dan bij de GGD. Bij de GGD is al in de regeling vastgelegd dat de gemeente Rotterdam uitvoerende gemeente is, terwijl in de onderhavige regeling hiervoor een besluit van het algemeen bestuur nodig is, zoals blijkt het de artikel 1, sub g. Artikel 3 doelstelling Zoals hierboven al aangegeven, sluit de doelstelling aan bij hetgeen in artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet is verwoord: ’doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet’ vertaalt zich in een streven naar een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken. Artikel 4 taken Deze taken zijn bovenlokaal, dat wil zeggen aanvullend en in aansluiting op het lokale aanbod, en hebben betrekking op de inkoop voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclasssering en jeugdhulp. Om deze taken voldoende te omlijnen, is met name de uitvoering van jeugdhulp nader omschreven. Deze omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen. Omdat deze taken deels ook bovenregionaal of landelijk worden geregeld, wordt voorts nog aangeven dat ter zake geldende bovenregionale of landelijke afspraken in acht worden genomen. Voorts is de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AHMK) eveneens als taak opgenomen. Door de invoering van de Jeugdwet dienen de functies van de advies- en meldpunten kindermishandeling en van de steunpunten huiselijk geweld te worden samengevoegd. Via deze bepaling voldoen nu alle 16 deelnemende gemeenten aan de verplichting om dit zo te regelen. Daarnaast is nog als taak opgenomen het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. Dit is conform de gegroeide praktijk van de wethouders Jeugd van de deelnemende gemeenten in het zogenaamde portefeuillehoudersoverleg van de Stadsregio Rotterdam. Hierbij wel de kanttekening dat met invoering van de Jeugdwet elke gemeente voortaan een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de beleidsvorming in het kader van de Jeugdwet, waar deze voorheen in het kader van de Wet op de jeugdzorg bij de Stadsregio Rotterdam lag. Niettemin blijft behoefte aan afstemming, zoals ook bij de GGD waar dit wordt aangeduid als een ‘platformfunctie’. Artikel 5 het algemeen bestuur Artikel 13, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Dit artikel is ook van toepassing als de regeling uitsluitend wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders (art. 13, zesde lid, Wgr). Echter met dien verstande dat in dat geval men artikel 13, eerste lid tot en met vijfde lid, zo moet lezen dat waar ‘gemeenteraad’ staat ‘college van burgemeester en wethouders’ moet worden gelezen. Aangezien in onderhavige regeling uitsluitend collegebevoegdheden betreft, heeft dit tot gevolg dat de leden van het algemeen bestuur door en vanuit de colleges worden aangewezen. Artikelen 7, 8, 9 werkwijze van het algemeen bestuur In artikel 8 is expliciet opgenomen dat bij het nemen van besluiten wordt gestreefd naar consensus. Dit sluit aan bij de ervaringen van bestuurders tot dusver bij de GGD en het portefeuillehoudersoverleg Jeugdzorg, waarbij het nog nooit op stemmen aan is gekomen. De bepaling is opgenomen om enigszins tegenwicht te bieden aan een aantal bepalingen in de regeling die erop neer komen dat elke gemeente een vetorecht heeft als over bepaalde onderwerpen besloten moet worden. Dit vetorecht dient derhalve gezien te worden als een uiterst middel. Mocht het toch op een eventuele stemming uitdraaien, dan wordt uitgegaan van een bepaalde stemverhouding naar rato van het aantal jeugdigen in een gemeente Uitgaande van peildatum 1-1-2013, zou dit leiden tot de volgende verhoudingen (zie tabel op volgende pagina): Gemeente Inwoners 0-18 jarigen Stemmen (1 per 10.000) Albrandswaard 2755 1 Barendrecht 11894 2 Bernisse 2361 1 Brielle 3132 1 Capelle ad IJssel 13443 2 Goeree-Overflakkee 10409 2 Hellevoetsluis 7789 1 Krimpen ad IJssel 6303 1 Lansingerland 15000 2 Maassluis 6332 1 Ridderkerk 8218 1 Rotterdam 120838 13 Schiedam 15175 2 Spijkenisse 14063 2 Vlaardingen 13505 2 Westvoorne 2589 1 Totaal 253806 35 Dit betekent dat van 0 tot 10.000 jeugdigen een gemeente 1 stem heeft, van 10.000 tot 20.000 een gemeente 2 stemmen heeft, van 20.000 tot 30.000 een gemeente 3 stemmen heeft, etc. Verder is voor de werkwijze van het algemeen bestuur van belang art. 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin diverse bepalingen in de Gemeentewet die betrekking hebben op de werkwijze van de raad (lees in dit geval: college) van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Zo regelt artikel 30 Gemeentewet dat voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist is van hen die een stem hebben uitgebracht. Voor bepaalde besluiten kan daarvan worden afgeweken, in welk geval dit in de regeling dient te worden vastgelegd. Dat is gebeurd in artikel 8, eerste, tweede en derde lid en in artikel 23, eerste en zesde lid. Artikel 10
van het algemeen bestuur Alle
komen toe aan het algemeen bestuur, tenzij deze expliciet aan een ander orgaan (lees: het dagelijks bestuur of de uitvoerende gemeente) zijn opgedragen. Voor een aantal expliciet genoemde besluiten van het algemeen bestuur is bepaald dat deze unaniem genomen dienen te worden, gelet op het grote belang hiervan voor elke afzonderlijke gemeente. Deze besluiten betreffen de omvang van de inzet van de uitvoerende gemeente en de verrekeningssystematiek die bepaalt hoe hoog de kosten per gemeente zijn die worden doorberekend in verband met de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam. Om een ‘dubbele pet’ te voorkomen bij het besluit over de inzet van de uitvoerende gemeente, is bepaald dat de vertegenwoordiger van de uitvoerende gemeente in dat geval geen stemrecht heeft. Artikelen 11 en 12 inlichtingen en verantwoording Artikel 11 heeft betrekking op het geven van inlichtingen (aan college en raad) en het afleggen van verantwoording (aan de raad) door een lid van het algemeen bestuur, voor zover het zijn of haar gemeente betreft. Dit is een uitvloeisel van de verplichting genoemd in artikel 16 Wet gemeenschappelijke regelingen. De wijze waarop de inlichtingen dienen te worden verstrekt of de verantwoording dient te worden afgelegd, kan per gemeente verschillen. Artikel 12 gaat vervolgens over het verschaffen van inlichtingen door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten. Ongevraagd als dat voor een juiste beoordeling van het te voeren of gevoerde beleid nodig is. Daarnaast ook als dit door één of meer leden van de raden of colleges wordt verlangd. Artikel 13 samenstelling dagelijks bestuur Gelet op de belangen van de gemeente Rotterdam als grote (en uitvoerende) gemeente is, is geregeld dat de gemeente Rotterdam in ieder geval vertegenwoordigd is in het dagelijks bestuur. Daarnaast zouden de volgende vier subregio’s met elk één lid vertegenwoordigd kunnen worden: Subregio met Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk subregio met Bernisse, Brielle, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluit-Spijkenisse, Westvoorne subregio met Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland subregio met Maassluis,Schiedam, Vlaardingen. Artikel 14 werkwijze van het dagelijks bestuur In artikel 14 is een aantal bepalingen met betrekking tot de vergaderingen van het dagelijks bestuur opgenomen. Aangezien het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam belast is met
die aan het college van burgemeester en wethouders toekomen, zijn ook voor het college relevante artikelen uit de Gemeentewet in dit verband van toepassing (volgt uit artikel 33, eerste lid Wgr). Hierbij moet met name worden gedacht aan artikel 56 (vergaderquorum: ten minste de helft van de zittende bestuursleden dient aanwezig te zijn voor beraadslaging/besluitvorming), artikel 58 (van toepassing verklaring van artikel 28, eerste tot en met derde lid, artikel 29 en artikel 30 Gemeentewet: bepalingen m.b.t. stemming en besluitvorming) en artikel 59 (staking van stemming) van de Gemeentewet. Het derde lid bepaalt dat het dagelijks bestuur voor zijn vergadering een reglement van orde vaststelt dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. In dit reglement kan het dagelijks bestuur nadere bepalingen opnemen ten aanzien van zijn vergaderingen. Hierbij moet gedacht worden aan bepalingen omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de mogelijkheid personen, al dan niet op uitnodiging, de vergadering te laten bijwonen en hen hierin een adviserende stem te geven. Artikel 19 voorzitter In artikel 19, tweede lid, is bepaald dat de voorzitter alle stukken tekent die van het algemeen of dagelijks bestuur uitgaan. Daarnaast dient ook altijd de secretaris mede te ondertekenen, zoals is vastgelegd in artikel 21, derde lid. Artikel 20 voorzitter, vertegenwoordiging Hoewel het eerste lid van artikel 20 bepaalt dat de voorzitter het lichaam in en buiten rechte vertegenwoordigt, kan hij de vertegenwoordiging ook opdragen aan een gemachtigde die hij in overleg met het dagelijks bestuur aanwijst. Op deze (schriftelijke) volmachtverlening zijn de daartoe strekkende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (afdeling 10.1.1). Het tweede lid ziet op de situatie dat de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Het dagelijks bestuur wijst in dit geval een ander lid uit zijn midden aan om het lichaam te vertegenwoordigen. Deze bepaling vindt overigens ook onverkort toepassing indien de plaatsvervangend voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Ook in dat geval wijst het dagelijks bestuur uit zijn midden een ander lid als plaatsvervangend voorzitter aan. Artikel 21 en 22 secretaris De secretaris wordt op voordracht van het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur. Hij is werkzaam bij de uitvoerende gemeente en kan met instemming van het dagelijks bestuur een regeling treffen voor vervanging bij afwezigheid. Als secretaris woont hij alle bestuursvergaderingen bij, tenzij het bestuur anders beslist. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan beraadslagingen waarbij het persoonlijk functioneren van de secretaris aan de orde komt. Het is echter niet mogelijk om als algemeen of dagelijks bestuur besluiten te nemen in afwezigheid van de secretaris. Onder leiding van de secretaris of diens vervanger vindt ambtelijk overleg plaats waarbij alle deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn, ten einde de bestuursvergaderingen voor te bereiden. In artikel 22 is ook nog een taak opgenomen voor de secretaris wat betreft het archiefbeheer in het kader van de Archiefwet 1995. Toezicht hierop wordt uitgeoefend door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Hierbij is tevens artikel 15 van belang, waarin is geregeld dat het dagelijks bestuur belast is met de zorg voor archiefbescheiden in het kader van genoemde wet binnen het kader van een door het algemeen bestuur vast te stellen Archiefverordening. Waarbij het voor de hand ligt dat de Archiefverordening van de uitvoerende gemeente wordt gevolgd, gelet op het feit dat het toezicht op het beheer wordt uitgevoerd door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Artikel 23 Extern klachtrecht Via deze bepaling wordt geregeld dat personen bij de Rotterdamse ombudsman terecht kunnen als zij klachten hebben over de gedragingen van medewerkers bij de taakuitoefening in het kader van deze regeling. Dat is verder weer ingekaderd door de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 24 commissies Artikel 24 betreft de instelling van (‘lichte’) adviescommissies, zoals bedoeld in artikel 24 Wet gemeenschappelijke regelingen. Genoemd artikel 24 regelt aanvullend nog het volgende. De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar samenstelling en
geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter. Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk door de voorzitter ingesteld. Indien op enig moment instelling van (‘zware’) bestuurscommissies (taakcommissies), zoals bedoeld in artikel 25 Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is, zal de onderhavige gemeenschappelijke regeling aangepast dienen te worden. Het eerste lid van genoemd artikel 25 bepaalt namelijk dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam commissies kan instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet. Artikel 25 begroting van het lichaam De begroting geeft elk jaar inzicht in de geplande uitvoering voor het begrotingsjaar (het uitvoeringsplan), waarbij bovendien om de vier jaar een meerjarenbegroting wordt vastgesteld. De meerjarencyclus voor de begroting loopt in de pas met de vierjarencyclus van de gemeenteraadsverkiezingen: het meerjarenplan vangt aan in het jaar dat volgt op het jaar waarin de verkiezingen worden gehouden. Voor het besluit over de meerjarenbegroting is een tweederde meerderheid vereist. Tweede lid en achtste lid: Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begroting alsmede begrotingswijzigingen acht weken voordat zij ter vaststelling worden aangeboden aan het algemeen bestuur, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerp begroting dan wel de begrotingswijziging(en) naar voren brengen (artikel 35, derde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). In artikel 25 van de onderhavige regeling is een termijn van 8 weken genoemd omdat de termijn van 6 weken zoals genoemd in artikel 35, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen meestal te kort is om de begroting(swijziging(en)) in de raad te behandelen. Derde tot en met vijfde lid: in aanvulling op de mogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen geeft, is opgenomen dat een extra groei in het budget ten gevolge van veranderd beleid een unaniem besluit behoeft van het algemeen bestuur. Het gaat hierbij om groei als gevolg van endogene, door de regeling zelf te beïnvloeden, oorzaken. Een groei als gevolg van exogeen bepaalde volumewijzigingen, zoals de stijging van het aantal jeugdigen, wordt buiten beschouwing gelaten. Ook hierbij geldt dat de gemeenteraden ten minste acht weken van tevoren het voorstel toegezonden dienen te krijgen. Artikel 26 mediation Artikel 28 Wet gemeenschappelijke regelingen geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om te beslissen in geschillen over de toepassing, in de ruimste zin van het woord, van de regeling. Dit kunnen zijn geschillen tussen deelnemende gemeenten of tussen algemeen bestuur en een of meer deelnemende gemeenten. Gedeputeerde staten kunnen in dat geval het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen met inachtneming van het door gedeputeerde staten bepaalde en binnen een door gedeputeerde staten te stellen termijn. Indien het besluit niet binnen de termijn wordt genomen, nemen gedeputeerde staten zelf het besluit. Artikel 27 komt neer op een inspanningsverplichting van partijen om eerst te proberen er via mediation zelf uit te komen. Partijen dienen zich dan van te voren te onderwerpen aan de voorwaarden voor mediation. De gedachte achter mediation is dat partijen beter gebaat zijn bij een oplossing die zij gezamenlijk (onder begeleiding) hebben bereikt, dan bij een oplossing die ‘van bovenaf’ is opgelegd. Levert mediation niets op, of wensen partijen hier niet aan mee te werken, dan beslissen dus gedeputeerde staten zoals hiervoor beschreven. Dit is ook zo vastgelegd in de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Artikelen 28 t/m 31 toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Voor uittreding geldt een opzegtermijn van één kalenderjaar, volgend op het uittredingsbesluit van het college van de deelnemende gemeente. Gelet op de risico’s die gemeenten lopen met de gezamenlijke uitvoering van bovenlokale taken, kan het algemeen bestuur regels vaststellen met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden bepaald. In artikel 28, tweede lid, is dit nog nader uitgewerkt. In overeenstemming hiermee stelt het algemeen bestuur in overleg met de uittredende gemeente ten minste zes maanden voor uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Lukt dit niet in overleg, dan is sprake van geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 30, derde lid, regelt dat een wijziging van de regeling pas intreedt nadat deze is bekend gemaakt. Dit sluit aan bij artikel 3:40 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:42 Awb kan dat via een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. In de praktijk is het aan te bevelen dat het openbaar lichaam het initiatief neemt om te zorgen voor bekendmaking door alle gemeenten in het werkgebied van het openbaar lichaam. Artikel 31, tweede en derde lid, gaat over de liquidatie en de vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam na opheffing. De organen van het lichaam, te weten de voorzitter, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, blijven voor zover dit voor de liquidatie nodig is nog in functie. Artikel 31 overgangsbepaling Deze regeling anticipeert op de inwerkingtreding van de Jeugdwet met ingang van 1 januari 2015. Te verwachten valt dat al in 2014, dus nog voor de inwerkingtreding, besluiten zullen moeten worden genomen over de uitvoering van bovenlokale taken, in navolging van het besluit dat reeds door alle gemeenten genomen is over het Transitie Arrangement. Artikel 32 biedt dan de mogelijkheid om het algemeen bestuur hierover te laten besluiten. Artikelen 33 en 34 inwerkingtreding, evaluatie De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit is in lijn is met de besluitvorming over het Transitie Arrangement waaruit een duidelijk bestuurlijk commitment blijkt voor langdurige samenwerking. Tegelijkertijd is het zo dat de ervaringen met de uitvoering van de regeling twee jaar na invoering geëvalueerd zullen worden en nog tot wijzigingen aanleiding kunnen geven. Dit is nader vastgelegd in artikel 34. De evaluatie heeft in ieder geval betrekking op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming. De regeling treedt in werking op 1 mei 2014, waarbij rekening is gehouden met de tijd die nodig is om na de gemeenteraadsverkiezingen in maart nieuwe colleges te vormen. Ingevolge artikel 26, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het college van de uitvoerende gemeente aangewezen om de regeling, als deze eenmaal is vastgesteld, toe te zenden aan gedeputeerde staten. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 februari 2014. De raad vernoemd, de plv griffier B.A. Dam-ter Horst De voorzitter PJ Bouvy-Koene
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.