Obsah (4)
Artikel10Artikel24Artikel37Artikel49lege van 25 mei 2010. Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 15, en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Besluit:
Artikel10
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel11De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel12Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 10 aan de monumentencommissie voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel13Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 10 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel14Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 10 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK3RIJKSMONUMENTEN Artikel15Vergunning voor beschermd rijksmonument 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de monumentencommissie. 2.De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift. HOOFDSTUK4GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN Afdeling1Aanwijzing Artikel16De aanwijzing tot gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. 3.Voordat het college een stads- en dorpsgezicht met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen stads- en dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel17Voorbescherming Met ingang van de datum waarop van de eigena(a)r(
- en)of anderszins zakelijk gerechtigden van een stads- en dorpsgezicht de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht ontvangen tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 20 plaatsvindt, dan wel onherroepelijk vaststaat dat het stads- en dorpsgezicht niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 24 tot en met 28 van overeenkomstige toepassing. Artikel18Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen tien weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie. 3.Op grond van bijzondere redenen kan het college het in het tweede lid genoemde termijn verdagen met een redelijke termijn van ten hoogste zes weken. Het college geeft de belanghebbende(
- n)daarvan kennis uiterlijk twee weken voorafgaande aan de beëindiging van het in het tweede lid genoemde termijn. Artikel19Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel20Registratie op de gemeentelijke lijst stads- en dorpsgezichten 1.Het college registreert het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht op de gemeentelijke lijst stads- en dorpsgezichten. 2.De gemeentelijke lijst stads- en dorpsgezichten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht. Artikel21Bestemmingsplan en beheersverordening 1.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 2.Bij het besluit tot aanwijzen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 3.Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. Artikel22Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2.Artikel 16, tweede en derde lid, alsmede artikel 17, 18 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke lijst stads- en dorpsgezichten aangetekend. Artikel23Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 16, tweede lid en artikel 18 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of aan dienovereenkomstig artikel van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. 3.De intrekking wordt op de gemeentelijke lijst stads- en dorpsgezichten geregistreerd.
Artikel24
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, als bedoeld in artikel 1, onder f, te beschadigen of te vernielen. 2.In het gemeentelijk stads - en dorpsgezicht is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. 3.Geen vergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een aanschrijving van het college. 4.Geen vergunning is vereist indien op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef onder b van de Wabo een vergunning is vereist die dezelfde mate van bescherming biedt als het bepaalde in lid 2. 5.Geen vergunning is vereist voor het bouwen: dat tot het gewone onderhoud behoort, of conform artikel 2.1 derde lid van de Wabo bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als vergunningvrij. 6.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een bouwwerk met een religieuze bestemming gelegen in het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het bouwwerk in het geding zijn. Artikel25De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 24 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel26Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 24 aan de monumentencommissie voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel27Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 24 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht. Artikel28Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 24 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht zwaarder dient te wegen. Artikel29(vervallen) HOOFDSTUK5BESCHERMDE GEVELWANDEN Afdeling1Aanwijzing Artikel30De aanwijzing tot gemeentelijke gevelwand 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een afzonderlijke gevel dan wel een groep van gevels aanwijzen als een gemeentelijke gevelwand. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. 3.Voordat het college een gevelwand met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen gevelwand betreffen die is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel31Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigena(a)r(
- en)of anderszins zakelijk gerechtigden de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijke gevelwand ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 34 plaatsvindt, dan wel onherroepelijk vaststaat dat de gevelwand niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 37 tot en met 41 van overeenkomstige toepassing. Artikel32Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen tien weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie. 3.Op grond van bijzondere redenen kan het college het in het tweede lid genoemde termijn verdagen met een redelijke termijn van ten hoogste zes weken. Het college geeft de belanghebbende(
- n)daarvan kennis uiterlijk twee weken voorafgaande aan de beëindiging van het in het tweede lid genoemde termijn. Artikel33Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel34Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1.Het college registreert de gemeentelijke gevelwand op de gemeentelijke lijst gevelwanden. 2.De gemeentelijke lijst gevelwanden bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van de gemeentelijke gevelwand. Artikel35Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2.Artikel 30, tweede en derde lid, alsmede artikel 31, 32 en 33 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke lijst gevelwanden aangetekend. Artikel36Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 30, tweede lid en artikel 32 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. 3.De intrekking wordt op de gemeentelijke lijst gevelwanden geregistreerd.
Artikel37
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijke gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijke gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een gevelwand behorende tot een bouwwerk met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het bouwwerk in het geding zijn. Artikel38De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 37 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel39Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 37 aan de monumentencommissie voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel40Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 37 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van de gevelwand. Artikel41Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 37 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van de beschermde gevelwand zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK6BEELDBEPALENDE OBJECTEN Afdeling1Aanwijzing Artikel42De aanwijzing tot gemeentelijk beeldbepalend object 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een beeldbepalend object aanwijzen als een gemeentelijk beeldbepalend object. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. 3.Voordat het college een beeldbepalend object met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen beeldbepalend object betreffen die is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel43Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigena(a)r(
- en)of anderszins zakelijk gerechtigden van een beeldbepalend object de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend object ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 46 plaatsvindt, dan wel onherroepelijk vaststaat dat het beeldbepalend object niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 49 tot en met 53 van overeenkomstige toepassing. Artikel44Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen tien weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie. 3.Op grond van bijzondere redenen kan het college het in het tweede lid genoemde termijn verdagen met een redelijke termijn van ten hoogste zes weken. Het college geeft de belanghebbende(
- n)daarvan kennis uiterlijk twee weken voorafgaande aan de beëindiging van het in het tweede lid genoemde termijn. Artikel45Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel46Registratie op de gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten 1.Het college registreert het gemeentelijke beeldbepalende object op de gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten. 2.De gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke beeldbepalende object. Artikel47Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2.Artikel 42, tweede lid, alsmede artikel 43, 44 en 45 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten aangetekend. Artikel48Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 42, tweede lid en artikel 44 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. 3.De intrekking wordt op de gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten geregistreerd.
Artikel49
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een beeldbepalend object met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het beeldbepalend object in het geding zijn. Artikel50De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 49 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel51Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 49 aan de monumentencommissie voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel52Weigeringsgronden 1.De vergunning als bedoeld in artikel 49 kan slechts worden verleend indien de beeldbepalende kwaliteit zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het beeldbepalend object. 2.Een vergunning als bedoeld in artikel 49 voor het afbreken van een gemeentelijk beeldbepalend object, wordt door het bevoegd gezag verleend wanneer afdoende zekerheid bestaat dat het gemeentelijke beeldbepalende object wordt vervangen door een object van gelijkwaardige beeldbepalende kwaliteit c.q. een verbouwing of wijziging plaatsvindt die daaraan geen afbreuk doet. Artikel53Intrekken van de vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 49 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beeldbepalend object zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK7ARCHEOLOGISCHE TERREINEN Artikel54Instandhoudingbepaling 1.Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder c of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder p, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. 2.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; het een verstoring betreft van een gemeentelijk archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1°. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 1 ha, of; 2°. in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, of; 3°. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m
- in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wabo en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: 1°. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of 2°. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of 3°. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel55Opgravingen en begeleiding 1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Roosendaal onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder x, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder w van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. 2.In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3.Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. HOOFDSTUK8OVERIGE BEPALINGEN Artikel56Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10, 24, 37 en 49 te verlenen; de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10, 24, 37 en 49; de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid, artikel 37, derde lid en artikel 49, derde lid; de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d; een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, tweede lid, tweede volzin. Artikel57Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met de artikel 10, derde lid, artikel 37, derde lid, artikel 49, derde lid en artikel 54, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel58Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de medewerkers van de afdeling Toezicht & Handhaving van de Gemeente Roosendaal. 2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. HOOFDSTUK9SLOTBEPALINGEN Artikel59Intrekken oude regeling De Erfgoedverordening 2009 Gemeente Roosendaal wordt ingetrokken. Artikel60Overgangsrecht 1.De op grond van de onder artikel 59 ingetrokken Erfgoedverordening 2009 Gemeente Roosendaal aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2.Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in 59 ingetrokken verordening. Artikel61Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treden. Indien deze verordening bekend wordt gemaakt na het tijdstip waarop deze wetten in werking zijn getreden, werkt de verordening terug tot het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Invoeringwet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking zijn getreden. Artikel62Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 juli
- De griffier, De voorzitter,