Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel11De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel12Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 10 aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel13Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 10 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel14Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 10 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK3RIJKSMONUMENTEN Artikel15Vergunning voor beschermd rijksmonument 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2.De commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift. HOOFDSTUK4GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN Afdeling1Aanwijzing Artikel16De aanwijzing tot gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.Voordat het college een stads- en dorpsgezicht met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen stads- en dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel17Voorbescherming Met ingang van de datum waarop van de eigena(a)r(
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, als bedoeld in artikel 1, onder f, te beschadigen of te vernielen. 2.In het gemeentelijk stads - en dorpsgezicht is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. 3.Geen vergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een aanschrijving van het college. 4.Geen vergunning is vereist indien op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef onder b van de Wabo een vergunning is vereist die dezelfde mate van bescherming biedt als het bepaalde in lid 2. 5.Geen vergunning is vereist voor het bouwen: dat tot het gewone onderhoud behoort, of conform artikel 2.1 derde lid van de Wabo bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als vergunningvrij. 6.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een bouwwerk met een religieuze bestemming gelegen in het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het bouwwerk in het geding zijn. Artikel25De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 24 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel26Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 24 aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel27Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 24 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht. Artikel28Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 24 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht zwaarder dient te wegen. Artikel29(vervallen) HOOFDSTUK5BESCHERMDE GEVELWANDEN Afdeling1Aanwijzing Artikel30De aanwijzing tot gemeentelijke gevelwand 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een afzonderlijke gevel dan wel een groep van gevels aanwijzen als een gemeentelijke gevelwand. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.Voordat het college een gevelwand met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen gevelwand betreffen die is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel31Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigena(a)r(
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijke gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijke gevelwand, als bedoeld in artikel 1, onder i, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een gevelwand behorende tot een bouwwerk met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het bouwwerk in het geding zijn. Artikel38De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 37 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel39Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 37 aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel40Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 37 kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van de gevelwand. Artikel41Intrekken vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 37 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van de beschermde gevelwand zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK6BEELDBEPALENDE OBJECTEN Afdeling1Aanwijzing Artikel42De aanwijzing tot gemeentelijk beeldbepalend object 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een beeldbepalend object aanwijzen als een gemeentelijk beeldbepalend object. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.Voordat het college een beeldbepalend object met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4.De aanwijzing kan geen beeldbepalend object betreffen die is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel43Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigena(a)r(
Instandhouding en vergunning 1.Het is verboden een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk beeldbepalend object, als bedoeld in artikel 1, onder l, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een beeldbepalend object met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het beeldbepalend object in het geding zijn. Artikel50De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 49 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. Artikel51Termijnen advies 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 49 aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. 2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel52Weigeringsgronden 1.De vergunning als bedoeld in artikel 49 kan slechts worden verleend indien de beeldbepalende kwaliteit zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het beeldbepalend object. 2.Een vergunning als bedoeld in artikel 49 voor het afbreken van een gemeentelijk beeldbepalend object, wordt door het bevoegd gezag verleend wanneer afdoende zekerheid bestaat dat het gemeentelijke beeldbepalende object wordt vervangen door een object van gelijkwaardige beeldbepalende kwaliteit c.q. een verbouwing of wijziging plaatsvindt die daaraan geen afbreuk doet. Artikel53Intrekken van de vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 49 kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuist of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beeldbepalend object zwaarder dient te wegen. HOOFDSTUK7ARCHEOLOGISCHE TERREINEN Artikel54Instandhoudingbepaling 1.Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder c of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder p, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. 2.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; het een verstoring betreft van een gemeentelijk archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1°. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 1 ha, of; 2°. in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, of; 3°. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.