Verordening op de heffing en de invordering van staangeld 2015De Raad van de gemeente Uden; gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 11 november 2014; gelet op artikel 156, tweede lid, onderdeel h en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet; b e s l u i t vast te stellen de Artikel1.Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: woonwagen : een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Huisvestingswet; standplaats : een standplaats op een centrum als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Huisvestingswet; maand : een kalendermaand; huurovereenkomst : de overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder van de standplaats met toebehoren, waarin de huurbepalingen voor de standplaats zijn geregeld. Artikel2.Belastbaar feit Onder de naam 'staangeld' wordt een recht geheven voor het hebben van een standplaats voor een woonwagen, daaronder begrepen de diensten die met de standplaats verband houden. Artikel3.Belastingplicht Het recht, als bedoeld in artikel 2, wordt geheven van degene die de standplaats heeft. Als degene die de standplaats heeft wordt aangemerkt de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel4.Vrijstelling Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven zolang voor de standplaats een huurovereenkomst geldt. Artikel5.Maatstaf van heffing en tarief Het recht als bedoeld in artikel 2, bedraagt per standplaats per maand of gedeelte daarvan voor: woonwagensubcentrum Berkendonk € 128,37; woonwagensubcentrum Abdijlaan € 130,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.