Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 Participatiewet Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug.artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de Participatiewet Het Algemeen Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug ; gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 12 november 2014 gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de Participatiewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 Participatiewet Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: De wet: de Participatiewet; Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; Peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de individuele inkomenstoeslag oontstaat; Bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet; Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede “een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen de artikel “referteperiode”. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien; In aanmerking te nemen vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet op de peildatum. Artikel2Uitvoering a.De uitvoering van deze verordening berust bij het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug. b.Het Dagelijks Bestuur stelt een aanvraagformulier beschikbaar Hoofdstuk2Recht op individuele inkomenstoeslag Artikel3Doelgroep Tot de doelgroep behoren personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan depensioengerechtigde leeftijd, die een langdurig laag inkomen hebben en geen in aanmerkingte nemen vermogen, en die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Artikel4Uitsluiting Geen recht op de individuele inkomenstoeslag heeft een persoon die: op grond van de wet is uitgesloten op het recht op bijstand; op de peildatum of gedurende de referteperiode een inkomen of meerdere inkomsten heeft of heeft gehad uit of in verband met arbeid of andersoortige inkomsten en welke hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm; op de peildatum of gedurende de referteperiode uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of heeft gevolgd dan wel een inkomen op grond van de Wsf of de WTOS ontvangt of heeft ontvangen; in de referteperiode niet heeft voldaan aan de aan hem opgelegde arbeids- en ofre-integratieverplichtingen, dan wel onvoldoende medewerking verleende aan eenre-integratietraject en waarvoor een maatregel is opgelegd; uitzicht heeft op een inkomensverbetering; een studie volgt op grond van het Besluit uitbreiding kring studerenden Wet Wajong. Artikel5Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepassing zijnde bijstandsnorm. Tevens wordt als langdurig, laag inkomen aangemerkt het inkomen dat gedurende de referteperiode gemiddeld hoger is dan 100% van het wettelijk sociaal minimum, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling of een opgelegde schuldregeling op grond van de WWet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Artikel6Hoogte individuele inkomenstoeslag Een individuele inkomenstoeslag bedraagt in 2014: € 372,00 voor een alleenstaande; € 476,00 voor een alleenstaande ouder; € 530,00 voor gehuwden. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. De in lid 1 genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari aangepast met hetpercentage waarmee het minimumloon ten opzichte van 1 januari van het voorafgaandejaar is gestegen. De bedragen worden in hele euro’s naar boven afgerond. Artikel7Beleid Het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen kan ter uitvoering van dezeverordening nadere beleidsregels vaststellen. Artikel8Onvoorziene omstandigheden In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen. Hoofdstuk3Slotbepalingen Artikel9Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2015 Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug. Artikel10Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en treedt in de plaats van de Verordening Langdurigheidstoeslag 2014 Regionale Dienst Werk en Inkomen. Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de Regionale Dienst Werk en InkomenKromme Rijn Heuvelrug in zijn openbare vergadering van 26 november 2014Toelichting AlgemeenAan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen. Vast te leggen regels in verordeningDe individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen (hierna: Dagelijks Bestuur) moet in de beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het Dagelijks Bestuur rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. OvergangsrechtPer 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.