VERORDENING PARTICIPATIEWET WAALREDe Raad van de gemeente Waalre Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2014,Datum voorstel | nr. 81; Besluit: vast te stellen de: Verordening Participatiewet gemeente Waalre 2015 Hoofdstuk1.Algemeen Artikel1.1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, Participatiewet, Wmo, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 2.In deze verordening wordt verstaan onder: Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; De raad: de gemeenteraad van de gemeente Waalre; Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre; IOAW: Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen werknemers; IOAZ: Wet Inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Hoofdstuk3.Participatie Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel3.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Anw-gerechtigden: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet die geregistreerd zijn bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 10 van de wet en artikel 36 IOAW/IOAZ; GRWRE: Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Regio Eindhoven ‘Ergon’; ondersteuning: het aanbieden van een voorziening of het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar derden; plan van aanpak: plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; re-integratietraject: een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling van belanghebbende; uitkeringsgerechtigden: personen die algemene bijstand of een uitkering ontvangen ingevolge respectievelijk de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ; UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; voorziening(en): het geheel van re-integratie-instrumenten die het college kan aanbieden ter bevordering van arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de Participatiewet of artikel 34 lid 1 sub a IOAW/IOAZ; Paragraaf 3.2 Participatievoorzieningen Artikel3.2Opdracht college 1.Het college kan aan belanghebbenden een of meer voorzieningen aanbieden. 2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van een voorziening aan een belanghebbende beoordeelt het college de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van belanghebbende in relatie tot de verwachte doeltreffendheid van de voorziening. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3.Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. Artikel3.3Budget- en/of subsidieplafonds Het college kan jaarlijks een of meer budget- en/of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Artikel3.4Onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling 1.Het college kan, voordat besloten wordt tot een re-integratietraject en/of de inzet van voorziening, een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de persoon tot zijn arbeidsinschakeling, dan wel naar de geschiktheid om gebruik te maken van een re-integratietraject en/of een voorziening. 2.Onder een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het deelnemen aan een scholingstraject of werkleertraject als bedoeld in artikel 3.6 Artikel3.5Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen dieadequaat en toereikend zijn met als doel het bevorderen van arbeidsinschakeling door het opdoen van werkervaring en arbeidsritme, het aanleren van vaardigheden en kennis, dan wel op een andere wijze vergroten van zelfredzaamheid. 2.Het college kan een voorziening beëindigen indien: de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van de Participatiewet of dit hoofdstuk of niet meer voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de voorziening; de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling. Er kunnen geen voorzieningen worden ingezet als de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of dit kan leiden tot een verdringing van reguliere werknemers. Artikel3.6Scholingstraject/werkleertraject 1.Het college kan aan uitkeringsgerechtigden of aan personen die een uitkering op grond van de Participatiewet aanvragen, een scholingstraject/werkleertraject aanbieden. 2.Een werkleertraject duurt drie maanden en kan indien noodzakelijk worden verlengd met nogmaals de periode van drie maanden. 3.Het scholingstraject en/of werkleertraject vindt plaats met behoud van uitkering. Artikel3.7Werkstage 1.De werkstage is onderdeel van een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werkstage heeft als doel de belanghebbende, indien van toepassing met behoud van uitkering, vaardigheden en kennis te laten opdoen dan wel te onderhouden met betrekking tot aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid in een bepaalde baan. 3.De werkstage duurt maximaal 3 maanden. Indien dit noodzakelijk is en hierdoor de kans op arbeidsinschakeling aanmerkelijk wordt verbeterd, kan de periode verlengd worden met maximaal 3 maanden. Artikel3.8.Persoonsgebonden re-integratiebudget Het college kan aan een belanghebbende een persoonsgebonden re-integratiebudget, gericht op arbeidsinschakeling, aanbieden. Artikel3.9Sociale activering Het college kan aan een belanghebbende voorzieningen aanbieden die zijn gericht op maatschappelijk functioneren/participeren, ter voorbereiding op arbeidsinschakeling, en, daar waar nodig, ondersteuning bieden. Artikel3.10Participatieplaats 1.Het college kan op basis van artikel 10a van de Participatiewet of artikel 38aIOAW/IOAZ een participatieplaats en scholing aanbieden aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder, met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 2.Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet, een premie van telkens maximaal € 350,- per 6 maanden. 3.De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal uren per week dat door de uitkeringsgerechtigde is gewerkt in de afgelopen 6 maanden. De maximale premie wordt verstrekt voor het werken van minimaal 24 uren per week. De premie wordt naar rato gekort bij een lager aantal gewerkte uren en verzuim. 4.De premie, als bedoeld in het tweede lid, wordt geweigerd, indien de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college in de periode waarop de premie betrekking heeft, onvoldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling in het arbeidsproces of de aan de participatieplaats verbonden verplichtingen heeft geschonden. Artikel3.11Participatievoorziening beschut werk 1.Het college kan de participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet, aanbieden aan een belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate vanbegeleiding of een aanpassing van de werkplek nodig heeft dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij de persoon in dienst neemt. 2.Het college wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of belanghebbende als bedoeld in het eerste lid uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 3.Om beschut werk mogelijk te maken kan het college de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke aanpassing van de werkplek of de werkomgeving uitsplitsing van taken of aanpassing van de wijze van werkbegeleiding aanpassing arbeidsduur loonkostensubsidie 4.Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk en het aantal beschikbare plekken voor beschut werk. Artikel3.12Loonkostensubsidie 1.Het college stelt zelf vast of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Indien noodzakelijk wordt hierbij extern advies ingewonnen. 2.Voor het vaststellen van de loonwaarde van een persoon behorend tot doelgroep loonkostensubsidie maakt het college gebruik van een methodiek die voldoet aan de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regeling. 3.Het college legt jaarlijks de omvang van de loonkostensubsidie vast. Artikel3.13No-riskpolis Het college stelt bij nadere regeling vast voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt, voor zover artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; Artikel3.14Studietoeslag 1.Het college kan een individuele studietoeslag, als bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet, van maximaal €1.800,- per 6 maanden verlenen. 2.Het college stelt bij Nadere Regeling vast: de hoogte van de studietoeslag en de frequentie van betaling van de studietoeslag. 3.Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag 4.Het college kan besluiten het bedrag genoemd in het eerste lid voor een of meerdere kalenderjaren te wijzigen dan wel de indexering niet toe te passen voor een of meerdere kalenderjaren. Artikel3.15Overige voorzieningen Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van arbeidsinschakeling, tenzij een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die gezien de aard en doel wordt geacht voor belanghebbende toereikend en passend te zijn; de voorziening wordt aangeboden in de vorm van een subsidie. In dat geval zijn de voorwaarden en verplichtingen van de ASV en de daarop gebaseerde nadere regeling van toepassing. Artikel3.16Tegenprestatie 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie. 2.Het college stelt, nadat de raad hierover is gehoord, bij nadere regeling vast: onder welke omstandigheden een tegenprestatie wordt opgelegd en de voorwaarden die daarbij gelden; de duur en de omvang van de tegenprestatie. 3.Bij het bepalen van de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie houdt het college rekening met de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. 4.Het college draagt geen tegenprestatie op indien de uitkeringsgerechtigde mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van mantelzorg redelijkerwijs noodzakelijk is. Paragraaf 3.4 Handhaving Artikel3.21Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Belanghebbende: persoon met een uitkering ingevolge de Participatiewet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ; Maatregel: verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid van de Participatiewet, het verlagen van de IOAW-/IOAZ-uitkering op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ, het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar; Zelfstandige: een zelfstandige als bedoeld in artikel 1 Bbz
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.