Uitvoeringsbesluit Sociale Actie 2005Algemene Toelichting Inleiding en leeswijzer De kaders voor het nieuwe sociale beleid zijn vastgelegd in de op 13 oktober 2004 door Provinciale Staten van Overijss
Artikel 2.1.1 – Begripsbepalingen In dit Uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: a.
Vuur en Vlam: programma cultuurbereik 2005-
- b. Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar. Artikel 2.1.2 - Adviescommissie 14 [Toelichting: In artikel 2.1.
- is de adviescommissie cultuur opgenomen. Deze is nog niet benoemd. Tot benoeming van deze commissie kunnen GS de adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de in 2004 functioneren de adviescommissie cultuurbereik “Breintrein”. Deze “Breintrein”wordt uiterlijk 1 februari 2005 ontbonden.] a. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen cultuurbereik en culturele ontwikkeling kan GS het advies inwinnen van een commissie van deskundigen zoals omschreven in het Uitvoeringsprogramma. b. De leden van deze commissie worden benoemd door GS. c. Deze commissie brengt binnen 6 weken na ontvangst van het verzoek advies uit. d. De vergaderingen van deze commissie zijn niet openbaar. Artikel 2.1.3 – Activiteiten in Overijssel In aanvulling op artikel 1.3.1 moeten de gesubsidieerde activiteiten plaatsvinden in de provincie Overijssel. 2.2 Bijzondere regels rond culturele ontwikkeling Artikel 2.2.1 – Criteria voor subsidiëring. 15 [Toelichting: In artikel 2.1.1 zijn de voor dit hoofdstuk van het Uitvoeringsbesluit relevante definities van bepaalde begrippen opgenomen.] GS beoordeelt de aanvragen voor projectsubsidies op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: a. Amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit en er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en). b. Amateurkunst: vitaal platteland er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit; in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen; het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd gedurende meer dagen achtereen; c. Jonge makers er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit; er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet). d. Beeldende kunst de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, m.u.v. de 5 grote steden (Almelo, Hengelo, Enschede. Deventer, Zwolle); de aanvraag richt zich op de integratie van de beeldende kunst in een ruimtelijk ontwikkelingsplan van gemeenten; de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie. Artikel 2.2.2 – Ontvankelijkheid van de aanvragen In aanvulling op artikel 1.1.2 worden voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 2.2.1 a, b en c ook aanvragen van natuurlijke personen in behandeling genomen. 2.3 Bijzondere regels rond cultuurbereik Artikel 2.3.1 – Criteria voor subsidiëring GS beoordelen de aanvragen voor projectsubsidies op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: a. er is sprake van publieksbereik, waarin nieuwe inzichten worden verkregen over de relatie (potentieel) publiek en cultuur; b. de methode van publieksbereik wordt beschreven; c. het project levert een aantoonbare bijdrage aan de doelen in Vuur en Vlam; d. er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit. Artikel 2.3.2 – Criteria voor subsidiëring meerjarige projecten cultuurbereik Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen GS de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het vorige artikel genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling. 2.4 Bijzondere regels rond projectsubsidies monumentenzorg Artikel 2.4.1 - Subsidiabele kosten GS kan projectsubsidie verlenen als bijdrage in de kosten van: a. onderhoudswerkzaamheden aan rieten daken van historische gebouwen, indien de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het behoud van objecten en indien de gebouwen meer dan 50 jaar oud zijn; b. onderhoudswerkzaamheden aan kerken, voor zover het een monument betreft en voor zover deze staan in het landelijk gebied; c. archeologisch vooronderzoek op locatie, indien dit wordt uitgevoerd door een erkende instantie. Artikel 2.4.2 - Grondslag voor de projectsubsidie De subsidie bedraagt ten hoogste: a. voor de in artikel 2.4.1.a bedoelde subsidie 15% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000 per aanvraag; b. voor de in artikel 2.4.1.b bedoelde subsidie 20% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000; c. voor de in artikel 2.4.1.c bedoelde subsidie 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.
- Artikel 2.4.3 - Ontvankelijkheid van de aanvragen In aanvulling op artikel 1.1.2 worden voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 2.4.1 ook aanvragen van natuurlijke personen in behandeling genomen. Artikel 2.4.4 – Advisering door de Monumentencommissie van Het Oversticht De aanvragen voor projectsubsidies worden ter advisering voorgelegd aan de Monumentencommissie van Het Oversticht, die haar advies binnen zes weken zal uitbrengen. Artikel 2.4.5 - Start subsidiabele activiteiten In afwijking van artikel 1.1.7 dienen projecten als bedoeld in artikel 2.4.
- binnen één jaar na indiening van de aanvraag van start te gaan. 2.5 Bijzondere regels rond normsubsidies molens 16 [Toelichting: In paragraaf 2.5 zijn de regels opgenomen rond de normsubsidies molens. Deze subsidie wordt in één keer achteraf (op basis van aantoonbaar gemaakte kosten) verleend en vastgesteld.] Artikel 2.5.1 - Subsidiabele kosten en grondslag normsubsidies molens a. GS kan normsubsidie verlenen als bijdrage in de kosten van onderhoudswerkzaamheden aan molens; b. de subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 100 en een maximum van € 1.000 per aanvraag; c. de subsidie wordt achteraf vastgesteld op basis van de aantoonbaar gemaakte kosten in het jaar
- Artikel 2.5.2 - Niet van toepassing zijnde artikelen Op aanvragen als bedoeld in het vorige artikel zijn de artikelen 1.1.4 tot en met 1.1.9 niet van toepassing. Artikel 2.5.3 - Ontvankelijkheid van de aanvragen In aanvulling op artikel 1.1.2 worden voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 2.5.1 ook aanvragen van natuurlijke personen in behandeling genomen. Artikel 2.5.4 - Indieningstermijn De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.
- wordt uiterlijk 1 april 2005 ingediend bij Het Oversticht. Artikel 2.5.5 - Stukken bij de aanvraag Bij de aanvraag worden betalingsbewijzen gevoegd van de gemaakte kosten als bedoeld in artikel 2.5.
- Artikel 2.5.6 – Betaling van subsidie De in artikel 2.5.1 lid c bedoelde subsidie wordt bij vaststelling volledig uitbetaald. 3 Zorg 3.
Artikel 3
.1.1 - Bijzondere begripsbepalingen 17 [Toelichting: In artikel 3.1.1 zijn de voor dit hoofdstuk van het Uitvoeringsbesluit relevante definities van bepaalde begrippen opgenomen.] In dit Uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: a. centrumgemeente: de gemeenten die op grond van artikel 10 van de Welzijnswet van het Rijk een specifieke uitkering ontvangen ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. In Overijssel zijn dit: Zwolle, Deventer, Almelo en Enschede; b. reguliere zorgaanbod: het aanbod waarvoor instellingen een AWBZ-toelating hebben op grond van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen; c. zorgwoning: een woning in de sociale huursector die specifiek bedoeld is voor en individueel geïndiceerd/toegewezen wordt aan personen uit de volgende doelgroepen: ouderen (55+) met een zorgbehoefte, personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, personen met geestelijke gezondheidsproblematiek. Een zorgwoning is minimaal rolstoeltoegankelijk; d. domotica: een geïntegreerd systeem van elektronica in huis met als doel de verhoging van het comfort aan zorgaanbod, zodat men langer zelfstandig kan blijven wonen (bijvoorbeeld alarmering); e. woonzorgcomplex: een complex van een aantal zelfstandige wooneenheden in de huursector voor personen met een zorgindicatie uit verschillende doelgroepen; f. woonzorgzone: een gebied waarin er een sluitend aanbod is van vraaggerichte zorg- en welzijnsvoorzieningen voor ouderen, gehandicapten en mensen met psychosociale problematiek; g. woonplan: een plan waarin de gemeentelijke woonopgave is geformuleerd en de manier waarop dit wordt uitgewerkt; h. ICT-voorzieningen: elektronische voorzieningen die informatie en communicatie bevorderen (bijvoorbeeld kringsysteem); i. innovatief: nog op (zeer) beperkte schaal op deze manier in Overijssel toegepast; j. toegelaten zorgaanbieder: een instelling met een AWBZ-toelating op grond van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen; k. HOED: Huisartsen-onder-één-dak, minimaal bestaande uit een bundeling van twee of meer Overijsselse huisartsenpraktijken; l. Zorgpost-plus: een of meer Overijsselse huisartsenpraktijken, gekoppeld aan een andere zorgvoorziening (tandarts, apotheek, verloskundige, thuiszorg, fysiotherapie, polikliniek, zorgloket etc.) of aan een andere welzijnsvoorziening (zoals bijv. een ontmoetingsruimte, peuteropvang etc). Artikel 3.1.2 – Criteria voor subsidiëring 18 [Toelichting: De criteria voor subsidiëring van projecten zijn opgesomd in artikel 3.1.2. Aanvragen van projectsubsidies moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen.] Aanvullend op artikel 1.3.1 kan GS projectsubsidie verlenen voor de kosten van activiteiten: a. die een aantoonbare bijdrage leveren aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel en b. die een bijdrage leveren aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel en c. waarvan de resultaten overdraagbaar zijn en d. waarbij sprake is van cofinanciering en e. die aantoonbaar positief zijn beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente en f. waarbij tenminste twee partijen uit de betreffende sector betrokken zijn. Artikel 3.1.3 – Niet-subsidiabele activiteiten Aanvullend op artikel 1.1.6 verleent GS ook geen subsidie voor activiteiten die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van: a. premiegefinancierde instellingen en organisaties of b. door het rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde en organisaties en waarvoor reguliere financiering beschikbaar is. 3.2 Bijzondere regels rond wonen-zorg-welzijn (domoticaregeling) Artikel 3.2.1 – Subsidiabele kosten GS kan voor het jaar 2005 subsidie verlenen voor uitsluitend de (investerings)kosten van domotica-aanpassingen en/of het aanbrengen van ICT-voorzieningen in zorgwoningen, in woonzorgcomplexen of woonzorgzones ter bevordering van de innovatie in de zorg en ter bevordering dat mensen met een zorgbehoefte zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Artikel 3.2.2 - Ontvankelijkheid van aanvragen In afwijking van artikel 1.1.2 kunnen subsidieaanvragen worden ingediend door Overijsselse gemeenten, woningbouwcorporaties, zorgaanbieders of organisaties (met rechtspersoonlijkheid) van zorgvragers of hun belangenbehartigers (bijvoorbeeld ouders). Artikel 3.2.3 - Criteria voor subsidiëring GS toetst de ingediende aanvragen voor een bijdrage in de kosten aan de mate waarin zij voldoen aan de volgende criteria: a. er dient sprake te zijn van samenwerking tussen de woningbouwcorporatie en minimaal één toegelaten zorgaanbieder; b. het project is innovatief, al dan niet op onderdelen in opzet, organisatie dan wel inzet van domotica; c. er is een garantie voor 24-uurs beschikbaarheid of achtervang van zorg- en dienstverlening; d. er is sprake van afstemming met alle betrokken partijen (zorgvragers/aanbieders/woningbouwcorporatie en de gemeente); e. er moet aansluiting zijn op het woonplan van de betreffende gemeente; f. er moet sprake zijn van actieve en materiele steun aan het project van de betreffende gemeente; g. er moet een evenwichtige spreiding plaatsvinden over de diverse regio’s in Overijssel. Artikel 3.2.4 - Maximum subsidiebedrag De maximale subsidie bedraagt: a. per zorgwoning: 25% van de totale kosten tot een maximum van € 5.000,-- resp.; b. per woonzorgcomplex: 25% van de totale kosten tot een maximum van € 50.000,--. 3.3 Bijzondere regels rond HOED en zorgpost-plus Artikel 3.3.1 – Subsidiabele kosten De in artikel 1.3.1 bedoelde subsidie is bestemd voor de financiering van de kosten van planontwikkeling, uitbreiden of opplussen van ruimtelijke voorzieningen of ICT-voorzieningen. Artikel 3.3.2 – Maximale subsidie De in artikel 1.3.1 bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-- per project. 4 Maatschappelijke ontwikkeling 4.
Artikel 4
.1.1 – Bijzondere begripsbepalingen 19 [Toelichting: In artikel 4.1.1 zijn de voor dit hoofdstuk van het Uitvoeringsbesluit relevante definities van bepaalde begrippen opgenomen.] In dit Uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: a. Kulturhus: een project gericht op het investeren in een voorziening die direct verbonden is met de leefbaarheid en de sociale cohesie van een kern, dorp of stadswijk. Een Kulturhus is een combinatie van non-profit en zakelijke dienstverlening op het terrein van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie vanuit één gebouw en aangestuurd door een gezamenlijk beheersmanagement. Minimaal drie van de vier genoemde terreinen, gezamenlijke programmering en gemeenschappelijk beheersmanagement zijn in het project opgenomen. b. Vitaliteit kleine kernen: projecten gericht op het handhaven en verbeteren van de leefbaarheid in kleine kernen, in de vorm van basisvoorzieningen, evenals van organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen voor kernen. c. Basisvoorziening (als bedoeld in het voorgaande lid): een voorziening op het gebied van de economische, de fysieke en sociale infrastructuur die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterkt en/of meerdere doelgroepen bedient en die openbaar toegankelijk is. d. Inwoneraantal: aantal inwoners in kernen en steden (peildatum 01-01-2005). e. Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die: 20[Toelichting: Vanaf 2003 subsidiëren wij uitsluitend in Overijssel gevestigde vrijwilligersorganisaties. In artikel 4.1.1 sub e hebben wij gedefinieerd wat wij hieronder verstaan. Als bewijs dat aan deze definitie wordt voldaan moet bij de aanvraag een aantal stukken worden meegestuurd.] Op basis van de statuten een zetel heeft in Overijssel en Over ten hoogste een halve betaalde formatieplaats beschikt en Die hoofdzakelijk in Overijssel in op bovenlokaal niveau werkzaam is. Artikel 4.1.2 - Criteria voor subsidiëring 21 [Toelichting: De criteria, waar subsidieaanvragen aan moeten voldoen om voor honorering in aanmerking te komen (uiteraard voor zover het subsidieplafond niet overschreden is), zijn genoemd in artikel 4.1.2.] In aanvulling op artikel 1.3.1 kan GS subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten: a. die een voorbeeldfunctie vervullen op regionaal of bovenlokaal niveau en b. waarvan de resultaten overdraagbaar zijn en waarbij sprake is van: c. cofinanciering en d. samenwerking tussen relevante organisaties en e. participatie van de doelgroepen. Artikel 4.1.3 - Minimum projectsubsidiebedrag 22 [Toelichting: In de artikelen 4.1.3 en 4.1.4 zijn een minimum en maximum bedrag genoemd. Omdat wij streven naar wat grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000 niet meer in behandeling genomen. Onze projectsubsidie zal niet meer bedragen dan € 75.000 per project.] Aanvragen voor projectsubsidies beneden de € 10.000 worden niet in behandeling genomen. Artikel 4.1.4 - Maximum subsidiebedrag 23 [Toelichting: In de artikelen 4.1.3 en 4.1.4 zijn een minimum en maximum bedrag genoemd. Omdat wij streven naar wat grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000 niet meer in behandeling genomen. Onze projectsubsidie zal niet meer bedragen dan € 75.000 per project.] De projectsubsidie bedraagt maximaal € 75.
- 4.2 Bijzondere regels rond vitaliteit kleine kernen en kulturhusen Artikel 4.2.1 - Subsidiabele activiteiten a. Vitaliteit kleine kernen GS kan subsidie verlenen voor projecten in kernen met minder dan 4.000 inwoners gericht op het handhaven en verbeteren van de vitaliteit en leefbaarheid van kernen en dorpen door middel van een financiële impuls aan basisvoorzieningen, dat wil zeggen voor de zogenaamde ‘stenen’/harde infrastructuur, en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan deze basisvoorzieningen. b. Kulturhusen GS kan subsidie verlenen voor projecten in kernen, dorpen en/of steden van 4.000 en meer inwoners gericht op het stimuleren tot bouw of verbouw van een kulturhus in het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen, dorpen of steden. Artikel 4.2.2 Criteria voor subsidiëring In afwijking van artikel 4.1.2 moeten aanvragen van subsidie voldoen aan de volgende criteria:
- er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente;
- de aanvraag heeft geen betrekking op reguliere activiteiten van de aanvragende instelling;
- de exploitatie na realisatie van het project is veiliggesteld voor minimaal één jaar;
- bewoners zijn aantoonbaar betrokken bij de voorbereiding van het initiatief uit hun kern/buurtschap/stadsdeel;
- initiatiefnemers hebben hun aanvraag vooraf ter toetsing voorgelegd aan hun gemeente en hebben het oordeel van deze gemeente aantoonbaar bij hun aanvraag betrokken; Vitaliteit kleine kernen Voor aanvragen zoals bedoeld onder artikel 4.2.1.a gelden aanvullend de volgende criteria:
- subsidieaanvragers zijn betrokken bewoners of rechtspersonen uit de kern, het dorp of de gemeente waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft; Kulturhusen Voor aanvragen zoals bedoeld onder artikel 4.2.1.b gelden aanvullend de volgende criteria:
- uit de aanvraag blijkt dat bij het initiatief tot oprichting/vestiging en functioneren van het kulturhus ten minste drie van de terreinen van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie betrokken zullen zijn en een aantoonbare plek krijgen in het op te richten kulturhus;
- er moet sprake zijn van gezamenlijke programmering tussen de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus. De organisatorische en inhoudelijke kwaliteit van de gemeenschappelijke programmering wordt verwoord in de aanvraag;
- er moet sprake zijn van een gezamenlijk beheersmanagement, dat in ieder geval verantwoordelijk is voor het beheer van de accommodatie. Uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een gezamenlijk beheersmanagement door de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus. Artikel 4.2.
- Subsidieaanvraag In aanvulling op de artikelen 1.1.4 en 1.3.4 gaat de aanvraag eveneens vergezeld van: a. een aantoonbaar bewijs van cofinanciering door de gemeente en b. een exploitatieoverzicht van het eerste jaar na realisatie van het project. Artikel 4.2.4 – Maximum subsidiebedrag a. Vitaliteit kleine kernen de subsidie als bedoeld in 4.2.1.a bedraagt per project maximaal 50% tot ten hoogste € 100.000,-- voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten. Van deze bijdrage mag per project maximaal 10% tot ten hoogste € 10.000,-- worden besteed aan organisatorische capaciteit. b. Kulturhusen de subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1.b bedraagt per project maximaal 50% tot ten hoogste € 100.000,-- voor investerings-kosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten. Van deze bijdrage mag per project maximaal 10% tot ten hoogste € 10.000,-- besteed worden voor planvorming en programmering. Artikel 4.2.5 – Weigering van subsidie GS weigert de verlening van subsidie wanneer naar haar oordeel: Vitaliteit kleine kernen a. in onvoldoende mate sprake is van integrale versterking van het voorzieningenniveau; b. sprake is van een onevenwichtige spreiding van projecten binnen en over de gebieden. Alle projecten die zijn toegekend krachtens de Subsidieverordening Vitaliteit Kleine Kernen en Kulturhusen 2004 en dit Uitvoeringsbesluit spelen hierbij een rol. Kulturhusen c. sprake is van een onevenwichtige spreiding van projecten binnen en over de gebieden. Alle projecten voor Kulturhusen die zijn toegekend sinds 1 januari 2002 spelen hierbij een rol. Artikel 4.2.6 – Start subsidiabele activiteiten In afwijking van artikel 1.1.6 vindt de start van de uitvoering van de investeringsplannen uiterlijk binnen één jaar na subsidieverlening plaats. 4.3 Bijzondere regels rond vrijwilligersorganisaties (Normsubsidieregeling vrijwilligers) Artikel 4.3.1 – Normsubsidie 24[Toelichting: In artikel 4.3.1 is geregeld dat voor 2005 het maximale subsidiebedrag € 2.090 bedraagt. ] GS kan een vrijwilligersorganisatie voor het jaar 2005 een normsubsidie verlenen van € 2.090,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining. Artikel 4.3.2 – Niet van toepassing zijnde artikelen Op de aanvragen als bedoeld in het vorige artikel zijn de artikelen 1.1.4 t/m 1.1.9 en 4.1.2 t/m 4.1.4 niet van toepassing. Artikel 4.3.3 – Indieningstermijn In afwijking van artikel 5, derde lid van de Asv moet een subsidieaanvraag voor het jaar 2005 uiterlijk op 15 november 2004 worden ingediend. Artikel 4.3.4 – Stukken bij de aanvraag 25[Toelichting: De aanvragen voor subsidie moeten uiterlijk 15 november 2004 bij ons zijn ingediend. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van het betreffende aanvraagformulier in ons digitaal subsidieloket. Daar vindt u ook de instructies voor invulling en verzending per post. In artikel 4.3.4 is geregeld dat bij het indienen van een aanvraag voor subsidie vrijwilligersorganisaties hun statuten en hun jaarrekening over 2003 moeten meesturen. ] De aanvraag van normsubsidie gaat vergezeld van: a. een afschrift van de rechtsgeldige statuten van de aanvrager en b. de vastgestelde jaarrekening over het jaar 2003, vergezeld van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag. Artikel 4.3.5 – Volgorde van behandeling van de aanvragen 26[Toelichting: De subsidieaanvragen worden - zoals vermeld in artikel 4.3.5 - behandeld in volgorde van ontvangst. Als blijkt dat de aanvraag onvolledig is, zullen wij schriftelijk om de ontbrekende gegevens vragen. Pas de datum van ontvangst van deze aanvullende gegevens geldt als dé datum waarop wij de subsidieaanvraag in behandeling nemen. Omdat ook voor deze normsubsidieregeling vrijwilligers een subsidieplafond geldt is het van belang zorgvuldig te controleren of uw aanvraag wel volledig is. ] a. Aanvragen van normsubsidies worden behandeld in volgorde van ontvangst. b. Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, dan geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst. Artikel 4.3.6 – Weigering van subsidie 27[Toelichting: In artikel 4.3.6 hebben wij bepaald in welke gevallen wij subsidie weigeren. In de eerste plaats wanneer de subsidieaanvrager van ons voor 2005 al een budgetsubsidie ontvangt. Wij zijn van mening dat dergelijke budgetsubsidies voldoende zijn om daaruit de bestuurs- en activiteitenkosten en de kosten van kadertraining te dekken. In de tweede plaats zal de subsidie ook worden geweigerd wanneer blijkt dat de subsidieaanvrager voldoende zelf in staat is de zojuist genoemde kosten te betalen. Wij meten dit af aan de hoogte van de liquiditeitspositie. Hierin mogen reserveringen voor een specifiek eenmalig doel of een eenmalige gebeurtenis -over een periode van maximaal 2 jaar- toegerekend worden aan de kortlopende schulden. Bedoeling hiervan is de vrijwilligersorganisaties in staat te stellen reserveringen te treffen voor bijvoorbeeld de viering van een jubileum, het organiseren van een symposium e.d. Wanneer de liquiditeitspositie volgens de meegestuurde jaarrekening tenminste € 5.180 bedraagt zal de subsidie worden geweigerd. ] a. GS verleent geen normsubsidie aan een instelling die in belangrijke mate vrijwilligerswerk verricht wanneer deze instelling van de provincie Overijssel een budgetsubsidie ontvangt. b. De in artikel 4.3.1 bedoelde subsidie wordt niet verleend wanneer een vrijwilligersorganisatie naar het oordeel van GS in staat is de in artikel 4.3.1 genoemde kosten uit eigen middelen te betalen. c. GS acht dit het geval wanneer de liquiditeitspositie van de vrijwilligersorganisatie (kortlopende vorderingen plus geldmiddelen minus kortlopende schulden), op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag, per laatste balansdatum groter is dan € 4.180,--. Artikel 4.3.7 - Betaling van subsidie 28 [Toelichting: De subsidie wordt in één keer verleend en vastgesteld. Er hoeft dus niet, zoals dat met andere subsidies wel het geval is, verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de subsidie.] De in artikel 4.3.1 bedoelde normsubsidie wordt bij verlening volledig uitbetaald. 5 Integratie Artikel 5.1 – Criteria voor subsidiëring 29[Toelichting: In artikel 5.1 is aangegeven aan welke criteria het project moet voldoen waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Er moet aantoonbaar sprake zijn van samenwerking tussen meerdere partijen. Ook is cofinanciering verplicht gesteld, dat wil zeggen dat door anderen tenminste 25% van het project wordt gefinancierd (zie definitie in artikel 1.1.1 e). Dit moet blijken uit de bij de aanvraag ingediende begroting en toelichting (zie artikel 1.1.4). ] GS toets de ingediende aanvragen van projectsubsidie aan de mate waarin zij voldoen aan de volgende criteria: a. er is sprake van samenwerking tussen meerdere partijen; b. bij het project is sprake van cofinanciering c. het project heeft een bovenlokaal karakter, tenzij naar het oordeel van GS voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten. Artikel 5.2 - Minimum subsidie 30 [Toelichting: In artikel 5.2 is bepaald dat wij alleen subsidieaanvragen in behandeling nemen die groter zijn dan € 10.
- Aanvragen voor een lager bedrag worden per kerende post teruggezonden.] Aanvragen van projectsubsidie kleiner dan € 10.000 worden niet in behandeling genomen.