Bij de decentralisatie van Programma Beheer als onderdeel van het Investeringsbudget Landelijk Gebied ILG per 1 januari 2007 hebben de provincies twee subsidieregelingen vastgesteld: de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer (PSN) en de Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (PSAN). Deze provinciale regelingen waren de opvolgers van de tot dan geldende rijks subsidieregelingen voor natuurbeheer (SN) en agrarisch natuurbeheer (SAN) en daar ook in belangrijke mate op gebaseerd. Omdat die regelingen werden ervaren als ingewikkeld, rigide en gedetailleerd met te weinig mogelijkheden voor regionaal maatwerk, is bij de overgang afgesproken dat de provincies zich zullen inspannen om een nieuw, vereenvoudigd stelsel voor natuurbeheer in te voeren. In nauw overleg met alle betrokkenen (LNV, terreinbeherende organisaties, organisaties van particulier en agrarische natuurbeheer, DLG, DR) is gewerkt aan de totstandkoming van een nieuw stelsel. Het nieuwe stelsel gaat uit van een samenspel van alle bij het beheer van het landelijk gebied betrokken partijen die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de natuur(kwaliteit): Agrarische natuurbeheerders (ondernemers en particulieren, die natuurbeheer uitoefenen op gronden met een landbouwkundig gebruik); Terreinbeherende organisaties (TBO's: stichtingen en verenigingen, die professioneel natuurbeheer als hoofddoel hebben, zoals Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en Staatsbosbeheer); Natuurbeheerders niet zijnde TBO's (particulieren, stichtingen, gemeenten, etc. die natuurterreinen beheren). In het nieuwe stelsel wordt een onderscheid gemaakt tussen beheer van bestaande (agrarische ) natuur en kwaliteitsimpulsen. De subsidie voor het beheer van de (agrarische) natuur wordt via de nieuwe Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer direct geregeld tussen beheerder en provincie. De kwaliteitsimpulsen (inrichting, zware kwaliteitsinvesteringen en functieverandering) verlopen via het gebiedsgerichte proces en worden volgens de ILG systematiek gefinancierd via de provinciale ILG Verordening. Daarom wordt het budget voor inrichting en functieverandering uit het huidige Programma Beheer ook toegevoegd aan het integrale ILG-budget onder het pMJP. De aanvragen voor subsidies voor inrichting en functieverandering worden door de provincie getoetst aan het brede pMJP en de doelen in het natuurbeheerplan. Dat plan stellen Gedeputeerde Staten op basis van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer vast. In dat plan wordt niet alleen aangegeven welk beheer mogelijk is van bestaande natuur en agrarische natuur, maar wordt ook bepaald waar nog nieuwe natuur of agrarische natuur en landschapselementen aangelegd moeten worden of waar nog een kwaliteitsimpuls moet plaatsvinden. De onderhavige subsidieregeling is op een IPO model gebaseerd en maakt onderdeel uit van de provinciale Subsidieverordening inrichting landelijk gebied 2007. Alle daarin opgenomen bepalingen zijn op de subsidieverlening van toepassing, voor zover deze in de onderhavige subsidieregeling niet nader worden geregeld. Deze subsidieregeling regelt twee subsidievormen: de investeringssubsidie en de subsidie functieverandering. Algemeen Investeringssubsidie Er kan subsidie worden verleend voor inrichtingsprojecten ten behoeve van: omzetting van landbouwgrond naar natuur, herstel en behoud van bestaande natuur en landschap, kwaliteitsverbetering van bestaande natuur en voor de aanleg van landschapselementen. Aanvragen kunnen worden ingediend door beheerders (TBO’s, agrariër en particulier) die landbouwgrond, natuurgrond en/of landschapselementen in eigendom of erfpacht (>25 jaar) hebben. Dit geldt ook voor Staatsbosbeheer. De waterleidingmaatschappijen, waterschappen, Defensie, BBL, Domeinen inclusief Kroondomein, gemeenten en provincies zijn uitgesloten van deze subsidie. De subsidie bedraagt maximaal 95% van de subsidiabele kosten. Subsidie voor functieverandering Subsidie voor functieverandering wordt verleend voor percelen die worden omgezet van landbouwgrond tot grond met de in het natuurbeheerplan aangegeven natuurdoelen. Tevens is het mogelijk subsidie te verkrijgen voor landbouwgrond waarop een landschapsbeheertype wordt aangelegd. De ondergrond van het landschapsbeheertype kan na aanleg van het landschapsbeheertype niet meer landbouwkundig worden gebruikt en wordt dus definitief uit productie genomen. Provincies geven een vergoeding voor de waardevermindering die optreedt door deze functieverandering. Aanvragen kunnen worden ingediend door eigenaren (agrariër en particulier) van landbouwgrond. De waterleidingmaatschappijen, waterschappen, de rijksoverheid (Defensie, SBB, BBL, Domeinen inclusief Kroondomein), provincies en gemeenten zijn uitgesloten van deze subsidie. De subsidie wordt, binnen de staatssteunregels, gegeven als vergoeding van de waardevermindering van de grond door de omvorming van landbouwgrond naar natuurgrond of de aanleg van een landschapsbeheertype op landbouwgrond. Om de waardevermindering te bepalen wordt een taxatie uitgevoerd om te bepalen wat de huidige waarde van de landbouwgrond is. De restwaarde als natuurgrond is moeilijk te bepalen, zodat wordt aangenomen dat deze 15% is van de huidige waarde. Het verschil in waarde, zijnde 85% wordt als subsidie uitbetaald. Met de beheerder wordt binnen een jaar na toekenning van de subsidie een kwalitatieve verplichting afgesloten om te zorgen dat het gewenste natuurdoel op het perceel niet wordt geschaad en/of deze grond niet weer landbouwkundig in gebruik wordt genomen. Gecertificeerde beheerders Evenals bij de Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer gelden soms lichtere verplichtingen voor gecertificeerde beheerders. Zij kunnen subsidie aanvragen op programmaniveau in plaats van op projectniveau. Dat betekent dat zij voor verschillende terreinen voor verschillende doelen een gecombineerde aanvraag kunnen indienen. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 (begripsbepalingen) In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: a. agrarisch beheertype: in bijlage 4, onderdeel A, tweede kolom van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer, opgenomen omschrijving voor een groep agrarische beheerpakketten die eenzelfde doel hebben; b. beheertype: een natuurbeheertype, een agrarisch beheertype en/of een landschapsbeheertype c. gecertificeerde begunstigde: begunstigde als bedoeld in artikel 3.3, onderdeel a of b van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer die beschikt over een geldig certificaat natuurbeheer respectievelijk certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer, afgegeven door of namens GS; d. investeringsplan: plan bedoeld in artikel 10; e. investeringssubsidie: een investeringssubsidie natuur en landschap bedoeld in artikel 8; f. landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30); g. landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen, die een landbouwactiviteit uitoefent; h. landbouwgrond: in de provincie Overijssel gelegen stuk grond, waarop een landbouwactiviteit wordt uitgeoefend, niet zijnde een natuurterrein, niet zijnde grond met als functie natuur en niet zijnde grond waarvoor een aanspraak bestaat op een vergoeding voor het waardeverschil tussen agrarische grond; i. landschapsbeheertype: in bijlage 7, onderdeel A, eerste kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer opgenomen omschrijving van een groep landschapselementen; j. natuurbeheerplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan op basis van hoofdstuk 2 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer; k. natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer opgenomen soort natuur zoals nader is beschreven in de Index Natuur en Landschap; l. natuurkwaliteit: op de beheerkaart van het natuurbeheerplan aangegeven kwaliteitsniveau van het beheertype gebaseerd op de Index Natuur en Landschap; m. natuurterrein: in de provincie Overijssel gelegen grond met als functie natuur of grond waarvoor een aanspraak bestaat op een vergoeding voor het waardeverschil tussen agrarische grond en grond met als functie natuur, die ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onderdeel a, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer is begrensd; n. terrein: een in de provincie Overijssel gelegen gebied, niet zijnde een erf of tuin, dat niet wordt doorsneden door: wegen breder dan 5 meter, waterlopen die op enig punt breder zijn dan 25 meter, een dubbelsporige spoorlijn, of een geëlektrificeerde spoorlijn, en ten hoogste tot een oppervlakte van 1% van het gebied bestaat uit bebouwing; o. subsidie agrarisch natuurbeheer: subsidie voor het uitvoeren van de in bijlage 4, onderdeel B van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer opgenomen agrarische beheerpakketten op landbouwgrond. Artikel 2 (subsidieplafond en openstelling) 1. Gedeputeerde staten kunnen verschillende subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende soorten investeringssubsidie bedoeld in artikel 8, voor de subsidie functieverandering bedoeld in artikel 15 of voor categorieën van aanvragers van de bedoelde investeringssubsidie of subsidie functieverandering. 2. Gedeputeerde Staten kunnen een openstellingsperiode vaststellen voor het indienen van een aanvraag investeringssubsidie of een subsidie functieverandering. Een dergelijk besluit wordt uiterlijk zes weken voor aanvang van de openstellingsperiode bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. 3. Als op grond van het tweede lid besloten is een openstellingsperiode te hanteren en op grond van het eerste lid tevens een subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt het besluit waarin het subsidieplafond wordt vastgesteld uiterlijk zes weken voor aanvang van de openstellingsperiode bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Artikel 3 (rangschikking: volgorde van ontvangst) 1. Aanvragen worden afgehandeld in volgorde van ontvangst. 2. Als Gedeputeerde Staten een subsidieplafond hebben vastgesteld rangschikken zij per subsidieplafond aanvragen tot subsidieverlening met dezelfde ontvangstdatum door loting voor zover op die datum het subsidieplafond wordt overschreden. 3. Volgens de rangschikking, bedoeld in het tweede lid, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking. 4. Als een aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten onvolledig is, wordt de aanvraag voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ontvangen op de datum waarop eerste indiening heeft plaatsgehad plus het aantal dagen tussen de dag dat de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb op de hoogte is gesteld van de onvolledigheid van de aanvraag en de dag waarop gedeputeerde staten de ontbrekende gegevens en bescheiden hebben ontvangen. 5. Indien Gedeputeerde Staten een openstellingsperiode hebben vastgesteld, zijn lid 1, 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing voor de afhandeling van aanvragen die in dezelfde openstellingsperiode zijn ontvangen. 6. Gedeputeerde Staten kunnen met gecertificeerde begunstigden afspraken maken over meerjarige subsidieplafonds voor elke gecertificeerde begunstigde. Dergelijke afspraken worden vastgelegd in een door Gedeputeerde Staten en de gecertificeerde begunstigde te ondertekenen overeenkomst. Aanvragen binnen meerjarenovereenkomsten worden behandeld voor zover de aanvragen binnen de in de meerjarenovereenkomst gestelde kaders passen. Lid 2 is op deze aanvragen niet van toepassing. 1[Toelichting: Met deze bepaling wordt het mogelijk gemaakt om voor gecertificeerde begunstigden te werken met programmafinanciering. Op basis van een projectenlijst waarop meerdere projecten staan, kunnen financiële meevallers bij een project worden gebruikt voor het uitvoeren van projecten die aangevraagd, beoordeeld en goedgekeurd zijn, maar waarvoor (nog) geen budgetruimte is. Zolang dit niet leidt tot budgetoverschrijding kan hierin worden geschoven. Dit zorgt voor een optimale uitputting van de beschikbare middelen.] Artikel 4 (indiening aanvraag) Als een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend door een gemachtigde gaat de aanvraag vergezeld van een bewijs van machtiging. Artikel 5 (uitsluitingen begunstigden) Een investeringssubsidie en een subsidie functieverandering wordt niet verstrekt aan: a. publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van inrichtingssubsidies voor Staatsbosbeheer; b. rechtspersonen die de waterwinning als doelstelling hebben; c. privaatrechtelijke rechtspersonen die kennelijk zijn opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersonen, bedoeld in de onderdelen a en b. Artikel 6 (anti-cumulatie) Als voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd uit anderen hoofde subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten dan wel door andere overheden, waardoor het totaal aan subsidie voor de betreffende activiteit meer bedraagt: a. dan de werkelijke kosten die de activiteiten met zich brengen; b. dan de maximale vergoeding die op grond van Europese voorschriften mag worden gegeven of, c. dan de maximale vergoeding die op grond van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 mag worden gegeven, wordt de subsidie op grond van deze subsidieregeling zoveel lager vastgesteld als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten dan wel de Europese maxima te voorkomen. Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan Artikel 7 (Natuurbeheerplan) 2[Toelichting: Hier wordt aangesloten bij het natuurbeheerplan dat Gedeputeerde Staten in het kader van de Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer vaststellen. In dit plan wordt een beheertypekaart opgenomen die regelt waar men voor welke beheertypen beheervergoeding kan aanvragen. Deze beheertypekaart gaat uit van de bestaande situatie. In het natuurbeheerplan wordt ook een ambitiekaart opgenomen. Deze ambitiekaart gaat uit van de kwalitatief gewenste situatie. Zo wordt duidelijk gemaakt waar nog nieuwe natuur aangelegd moet worden of waar nog een kwaliteitsverbetering moet plaatsvinden. Deze ambitiekaart vormt de basis voor subsidieverlening op basis van de onderhavige regeling. Met deze bepaling wordt de rechtsbasis voor vaststelling van deze ambitiekaart geregeld. In principe bestaat de investeringsopgave uit het kwaliteitsverschil tussen de aanduiding op de beheertypekaart en de aanduiding op de ambitiekaart. ] Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de uitvoering van deze subsidieregeling een kaart met een topografische ondergrond van 1 : 10.000 vast als onderdeel van het natuurbeheerplan waarop: a. de begrenzing is vastgelegd voor alle bestaande en nog te realiseren natuur; b. binnen deze begrenzing de ambitie van alle bestaande en nog te realiseren natuur is getypeerd volgens de Index Natuur en Landschap. Hoofdstuk 3 Investeringssubsidie natuur en landschap Artikel 8 (grondslag subsidie) 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag subsidie verstrekken voor eenmalige investeringen in terreinen die door middel van eenmalige maatregelen, rechtstreeks de fysieke condities of kenmerken van de desbetreffende terreinen wijzigen met als doel: de omzetting van landbouwgrond naar natuurterrein te realiseren de verhoging van de natuurkwaliteit van het bestaande natuurbeheertype of landschapsbeheertype 3[Toelichting: Sub b wordt gedoeld op de situatie dat op een perceel reeds het gewenste beheertype overeenkomstig het natuurbeheerplan aanwezig is, maar dat dit beheertype nog niet het gewenste kwaliteitsniveau heeft. Via een investeringssubsidie kan het kwaliteitsniveau worden verhoogd.] de omzetting van een natuurterrein met een bestaand natuurbeheertype naar een natuurterrein met een gewenst natuurbeheertype te realiseren. 4[Toelichting: Sub c betreft de situatie dat er op het perceel al natuur aanwezig is, maar dat de aanwezige natuur niet het gewenste natuurbeheertype is. Via een investeringssubsidie kan de bestaande natuur dan worden omgezet naar het gewenste natuurbeheertype.] 2. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag subsidie verstrekken voor eenmalige investeringen in landbouwgrond die noodzakelijk zijn voor de realisatie van een agrarisch beheertype, of de verhoging van de kwaliteit van een bestaand agrarisch beheertype, met als doel voor het gerealiseerde agrarisch beheertype een subsidie agrarisch natuurbeheer uit te voeren, welke investeringen tevens een verhoging van de waarde van de agrarische natuur tot gevolg hebben. 3. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag subsidie verstrekken voor eenmalige investeringen in natuurterreinen en landbouwgrond die tot doel hebben de aanleg en bescherming van een landschapsbeheertype. 4. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag subsidie verstrekken voor een programma van eenmalige investeringen dat is gericht op investeringen in terreinen die één of meer van de in lid 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde doelen hebben. Artikel 9 (begunstigden) 5[Toelichting: Dit artikel regelt aan wie een investeringssubsidie kan worden verstrekt. Als begunstigden gelden diegenen die zeggenschap hebben over het perceel. Dat zijn in eerste instantie de eigenaren, waarbij niet is bepaald hoe lang de eigenaar zeggenschap moet hebben. Wel moet hij van het moment van aanvraag tot het moment van de beschikking eigenaar zijn. Dit laat de mogelijkheid open dat de eigenaar het terrein daarna verkoopt of in erfpacht uitgeeft. Voor erfpachters geldt wel de eis dat zij gedurende 25 jaar een erfpachtsovereenkomst moeten hebben. Hiermee wordt veiliggesteld dat de erfpachter gedurende een voldoende lange periode zeggenschap heeft. ] 1. Een investeringssubsidie als bedoeld in artikel 8 lid 1 kan worden verstrekt aan: natuurlijke personen of rechtspersonen die zeggenschap hebben over het perceel waarvoor subsidie wordt aangevraagd, krachtens: i. eigendom; ii. erfpacht met een erfpachtsovereenkomst met een duur van ten minste 25 jaar; iii. recht van beklemming; iv. artikel 45 van de Wet inrichting landelijk gebied, of v. artikel 189 van de Landinrichtingswet zoals die gold tot 1 januari 2007, mits is voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 189, tweede lid; een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid van natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in onderdeel a. 2. Een investeringssubsidie als bedoeld in artikel 8 lid 2 kan worden verstrekt aan natuurlijke personen of rechtspersonen die op de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt aangevraagd een landbouwactiviteit uitoefenen krachtens een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht. 3. Een investeringssubsidie als bedoeld in artikel 8 lid 3 kan worden verstrekt aan de personen genoemd in lid 1 en 2 van dit artikel. 4. Een investeringssubsidie als bedoeld in artikel 8 lid 4 kan worden verstrekt aan een gecertificeerde begunstigde, welke in zijn kwaliteitshandboek het onderdeel projecten heeft opgenomen en daarvoor mede is gecertificeerd. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt voor zover de betrokken begunstigden verder niet zijn uitgesloten op grond van artikel 5. Artikel 10 (aanvraag subsidie) 6[Toelichting: In dit artikel zijn de eisen aan de aanvraag voor subsidie opgenomen. ] 1. Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit: 7[Toelichting: In lid 1 zijn de eisen opgenomen dia aan de beschrijving van de uitgangssituatie zijn verbonden] een beschrijving van de uitgangssituatie waarbij in ieder geval aan de orde komen: 8[Toelichting: Beschrijving ondergrond: beschrijf de opbouw van de ondergrond (formaties). De dominante lithologie, de watervoerende pakketten en de slecht doorlatende lagen. Reliëf en hoogteligging: Beschrijf de hoogte verschillen en de expositie voor relevante soorten en doelvegetaties. Opname van een hoogtekaart is wenselijk Hydrologie: Beschrijf welke positie het plangebied inneemt in het watersysteem en de werking van het watersysteem (regionale kwel, voeding uit lokale dekzandruggen, inzijging etc). Beschrijf de hoogste (GHG) en de laagste grondwaterstand (GLG) onder maaiveld (gebaseerd op veldmetingen of peilbuizen). Beschrijf de karakteristieken van de actuele en historische oppervlaktewateren (denk aan vennen, beken, sloten etc). Beschrijf wanneer mogelijk (oppervlaktewater en GHG < 120
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.